EuraStudy
Samenvattingen/Griekse taal en cultuur/Filosofie: Plato en Socrates
Samenvattingen · Griekse taal en cultuurNL · VWO

Filosofie: Plato en Socrates

In het Athene van de vijfde en vierde eeuw voor Christus ontstond de westerse filosofie in haar klassieke vorm. Socrates maakte van het kritische gesprek een manier om de waarheid te zoeken; zijn leerling Plato goot dat gesprek in dialogen en bouwde er een omvattende filosofie op, met de ideeenleer, de gelijkenis van de grot en een leer over de ziel en de ideale staat. Dit onderwerp behandelt de sofisten en Socrates, Plato's filosofie, zijn ethiek en politiek, en de Apologie en de doorwerking. De teksten zijn examenstof wanneer het pensum filosofie betreft; het genre hoort altijd tot de literatuurgeschiedenis.

4 Onderdelen·~19 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·101010 / 16
Examenprofiel
De sofisten en Socrates onderscheiden en de socratische methode (elenchos, ironie, maieutiek) uitleggenPlato's dialoogvorm, ideeenleer en de gelijkenis van de grot uitleggenPlato's leer over de ziel en de ideale staat toepassenDe Apologie en de doorwerking van het platonisme duiden
Operatoren:leg uitverklaaranalyseerpas toeberedeneer

basisniveau

De genrekennis van de filosofische dialoog is altijd relevant; de teksten zelf zijn examenstof wanneer het pensum Plato betreft.

verhoogd niveau

Wie de socratische methode en de kernbegrippen van Plato beheerst, doorziet de gedachtegang van een dialoog en kan haar analyseren én beoordelen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Filosofie: Plato en Socrates
    • 01De sofisten, Socrates en de socratische methode○
    • 02Plato: dialoog, ideeenleer en de gelijkenis van de grot◐
    • 03Ethiek en politiek: de ziel en de ideale staat◐
    • 04De Apologie en de doorwerking van het platonisme●
§ 01

De sofisten, Socrates en de socratische methode#

●○○BasisLPexamenblad-nl-grieks-vwo-literatuur-filosofie

Kernpunten

In het vijfde-eeuwse Athene ontstond een grote vraag naar onderwijs in welsprekendheid en algemene vorming, en in die behoefte voorzagen de sofisten: rondreizende leraren die tegen betaling onderricht gaven in de kunst van het overtuigen (retorica) en in de aretè, de bekwaamheid om te slagen in het openbare leven. Veel sofisten waren relativisten: de beroemde uitspraak van Protagoras, „de mens is de maat van alle dingen”, drukt uit dat waarheid en waarde afhangen van de mens die oordeelt, en dat er geen absolute maatstaf is. De sofisten leerden hun leerlingen elke zaak van twee kanten te bepleiten en de zwakkere zaak als de sterkere te doen voorkomen — een vaardigheid die grote invloed gaf, maar ook wantrouwen wekte omdat ze het onderscheid tussen overtuigen en waarheid leek te ondermijnen.
Tegenover de sofisten staat Socrates (ongeveer 469–399 v.Chr.), die uiterlijk op hen lijkt (hij discussieert voortdurend op straat en op het marktplein) maar in wezen hun tegenpool is. Afb. 1 zet het verschil uiteen. Socrates onderwees niet tegen betaling maar voerde gesprekken met iedereen, en hij zocht niet naar het overtuigende maar naar het ware: naar wat een deugd of een begrip werkelijk ís. Hij schreef zelf niets; we kennen hem vooral uit de dialogen van zijn leerling Plato en uit Xenophon. Zijn levenslange missie ontleende hij naar eigen zeggen aan het orakel van Delphi, dat niemand wijzer had genoemd dan hij — wat hij zo uitlegde dat hij wijzer was juist omdát hij, anders dan anderen, wist dat hij niets wist.

Afb. 1 — Sofisten en Socrates

Sofisten en SocratesTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Sofisten · Socrates; Doel · overtuigen, succes in het openbare leven · de waarheid, de deugd kennen; Onderwijs · tegen betaling · gratis, in gesprek met iedereen; Kennis · relativisme (de mens is de maat) · zoekt vaste, algemene definities; Methode · retorica, lange betogen · elenchos: vraag en weerleggingSOFISTENSOCRATESDoelovertuigen, succes in hetopenbare levende waarheid, de deugd kennenOnderwijstegen betalinggratis, in gesprek metiedereenKennisrelativisme (de mens is demaat)zoekt vaste, algemenedefinitiesMethoderetorica, lange betogenelenchos: vraag enweerlegging
Afb. 1Uiterlijk verwant, in wezen tegengesteld: de sofisten zoeken het overtuigende, Socrates het ware.
Socrates' manier van filosoferen is een gespreksmethode met vaste stappen, samengevat in Afb. 2. Ze begint met een vraag naar een definitie: „Wat is moed?”, „Wat is rechtvaardigheid?”. De gesprekspartner geeft een antwoord, en Socrates onderzoekt dat door vragen te stellen tot er een tegenspraak aan het licht komt: dit is de elenchos, de weerlegging. Kenmerkend is de socratische ironie: Socrates doet alsof hij zelf niets weet en de ander de wijze is, en ontmaskert zo diens schijnkennis. Het gesprek loopt vaak uit op een aporie, een impasse waarin blijkt dat het aanvankelijke antwoord niet houdbaar is. Dat is geen mislukking maar juist het doel van de eerste stap: het besef van eigen niet-weten, dat de ruimte opent om echt te gaan zoeken.

Afb. 2 — De socratische methode

De socratische methodeGraaf, Vraag naar een definitie (Wat is X?) → De gesprekspartner antwoordt, De gesprekspartner antwoordt → Socrates toont een tegenspraak (elenchos), Socrates toont een tegenspraak (elenchos) → Impasse (aporie): het antwoord faalt, Impasse (aporie): het antwoord faalt → Besef van niet-weten; opnieuw zoeken (maieutiek)Vraag naar eendefinitie (Watis X?)DegesprekspartnerantwoordtSocrates toonteen tegenspraak(elenchos)Impasse(aporie): hetantwoord faaltBesef van niet-weten; opnieuwzoeken (maieuti…
Afb. 2Van vraag via weerlegging naar het besef van niet-weten: de methode zuivert schijnkennis en opent het echte zoeken.
De positieve keerzijde van de weerlegging noemt Socrates de maieutiek, de „verloskunde”: zoals zijn moeder vroedvrouw was, helpt hij zijn gesprekspartner de kennis die al in hem sluimert zelf ter wereld te brengen, door de juiste vragen te stellen. De methode berust zo op de overtuiging dat je iemand de waarheid niet kunt aanpraten (zoals de sofisten met hun retorica), maar dat je hem kunt helpen haar zelf te vinden. Achter dit alles ligt Socrates' ethische kern: de overtuiging dat deugd een vorm van kennis is (wie weet wat goed is, doet het ook) en dat niemand vrijwillig het kwade doet, maar alleen uit onwetendheid. Deze verbinding van kennis en deugd, en de methode van het kritische vraaggesprek, zijn Socrates' blijvende erfenis.
Uitgewerkt voorbeeld

De socratische ironie herkennen

Leg uit wat socratische ironie is aan de hand van een gesprek waarin Socrates een zelfverzekerde expert om uitleg vraagt.

  1. 01De houding benoemen

    Socrates doet alsof hij zelf niets van het onderwerp weet en de ander de deskundige is; hij vraagt bescheiden om uitleg (‘jij zult het wel weten’).

  2. 02De werking uitleggen

    Door dooreen te vragen brengt hij de zogenaamde deskundige tot tegenspraken, zodat diens schijnkennis aan het licht komt — terwijl Socrates zelf ‘onwetend’ blijft.

  3. 03Het doel benoemen

    De ironie is geen spot om te kwetsen, maar een middel om schijnkennis te ontmaskeren en de ander tot het besef van eigen niet-weten te brengen.

Resultaat: Socratische ironie is de geveinsde onwetendheid waarmee Socrates een zelfverzekerde gesprekspartner uitnodigt zijn ‘kennis’ te tonen, om die vervolgens via vragen als schijnkennis te ontmaskeren. Ze dient het doel van de methode: het besef van niet-weten dat het echte zoeken opent.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het verschil tussen de sofisten (overtuigen, tegen betaling, relativisme) en Socrates (waarheid, gratis, vaste definities) uitleggen.
  • Examendoel: de stappen van de socratische methode (vraag, elenchos, ironie, aporie, maieutiek) herkennen en toepassen.

Veelgemaakte fouten

  • Socrates met de sofisten gelijkstellen omdat beide veel discussiëren, terwijl Socrates juist hun tegenpool is (waarheid tegenover overtuigen, gratis tegenover betaald).
  • De aporie (impasse) als een mislukking van het gesprek zien in plaats van als het bedoelde besef van niet-weten dat het echte zoeken opent.

Actieve herhaling

Leg het verschil tussen de sofisten en Socrates uit op de punten doel, onderwijs en kennisopvatting (gebruik Afb. 1). Beschrijf daarna de stappen van de socratische methode en verklaar wat Socrates bedoelt met de uitspraak dat hij wijzer is omdat hij weet dat hij niets weet.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — literatuur (Socrates) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Plato: dialoog, ideeenleer en de gelijkenis van de grot#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-grieks-vwo-literatuur-filosofie

Kernpunten

Plato (ongeveer 428–348 v.Chr.) was Socrates' belangrijkste leerling en de eerste filosoof van wie een omvangrijk werk bewaard is. Hij koos daarvoor een bijzondere vorm: de dialoog. In vrijwel al zijn geschriften voert hij personages sprekend op, met Socrates meestal als hoofdgespreker, die met vragen en tegenwerpingen een onderwerp onderzoekt. Die dialoogvorm is geen toevallige verpakking maar past bij de zaak zelf: filosofie is voor Plato geen leerstof die je overdraagt, maar een gezamenlijk zoeken dat de lezer moet meemaken. De dialoog nodigt de lezer uit om mee te denken, laat argumenten en tegenargumenten botsen, en houdt zo de kritische, socratische geest levend. Plato stichtte ook een school, de Academie, waar dit gezamenlijke onderzoek werd voortgezet.
Plato's beroemdste leerstuk is de ideeenleer (de leer van de Vormen). Zijn uitgangspunt is dat de wereld die wij met onze zintuigen waarnemen — de wereld van veranderlijke, vergankelijke dingen — niet de ware werkelijkheid is. Achter en boven de vele afzonderlijke mooie dingen bestaat volgens Plato het ene, onveranderlijke en eeuwige „Idee” of de „Vorm” van het Schone zelf; achter alle rechtvaardige handelingen de Vorm van de Rechtvaardigheid; enzovoort. De zintuiglijke dingen zijn slechts onvolmaakte afspiegelingen van die volmaakte Vormen. Ware kennis (ἐπιστήμη) betreft dan ook niet de wisselende zintuiglijke dingen — daarover hebben we hooguit een mening (δόξα) — maar de onveranderlijke Vormen, die alleen met het denken te kennen zijn. Zo splitst Plato de werkelijkheid in twee niveaus: de schijnbare, zintuiglijke wereld en de ware, denkbare wereld van de Ideeën.
Plato verduidelijkt deze leer met een van de beroemdste beelden uit de filosofie: de gelijkenis van de grot, in het zevende boek van de Politeia. Afb. 3 volgt de gedachtegang. Stel je mensen voor die van jongs af geketend in een grot zitten, met hun gezicht naar de achterwand, zodat ze alleen de schaduwen zien die achter hen langslopende voorwerpen op die wand werpen. Voor hen zíjn die schaduwen de werkelijkheid, want iets anders kennen ze niet. Wordt nu één gevangene bevrijd en de grot uit gevoerd, dan is hij eerst verblind, maar geleidelijk went hij en ziet hij de echte dingen, en ten slotte de zon zelf. De opgang uit de grot beeldt de weg van de filosoof uit: van de schaduwwereld van de zintuigen naar de ware werkelijkheid van de Ideeën.

Afb. 3 — De gelijkenis van de grot

De gelijkenis van de grotGraaf, Gevangenen zien schaduwen (schijnwereld) → Bevrijding: omdraaien en opklimmen, Bevrijding: omdraaien en opklimmen → Buiten: de echte dingen, dan de zon (het Goede), Buiten: de echte dingen, dan de zon (het Goede) → Terugkeer om de anderen te bevrijden (de filosoof)Gevangenen zienschaduwen(schijnwereld)Bevrijding:omdraaien enopklimmenBuiten: de echtedingen, dan dezon (het Goede)Terugkeer om deanderen tebevrijden (de f…bevrijdingopgang naarkennisplicht van dewijze
Afb. 3De opgang uit de grot beeldt de weg van de filosoof uit: van de schaduwwereld van de zintuigen naar het Idee van het Goede.
De gelijkenis krijgt haar volle betekenis in het slot. De zon buiten de grot staat voor de hoogste Vorm, het Idee van het Goede, dat aan alle andere Ideeën hun kenbaarheid en hun bestaan geeft, zoals de zon aan de zichtbare dingen hun licht en leven. De filosoof, die de opgang heeft gemaakt en het ware heeft aanschouwd, keert echter terug de grot in om de anderen te bevrijden — en wordt daar niet dankbaar ontvangen maar uitgelachen of zelfs bedreigd, want de gevangenen willen hun vertrouwde schaduwwereld niet opgeven. In dat laatste beeld weerklinkt onmiskenbaar het lot van Socrates. De grot brengt zo Plato's hele filosofie samen: het onderscheid tussen schijn en werkelijkheid, de moeizame weg naar kennis, de rol van het Goede, en de plicht én het gevaar van de wijze die de waarheid onder de mensen wil brengen.
Uitgewerkt voorbeeld

De beelden van de grot uitleggen

Verklaar wat de schaduwen en de zon in de gelijkenis van de grot voorstellen.

  1. 01De schaduwen

    De schaduwen op de wand zijn alles wat de geketende gevangenen kennen; ze staan voor de zintuiglijke schijnwereld, die de mensen ten onrechte voor de werkelijkheid houden.

  2. 02De opgang

    De bevrijding en de moeizame opgang uit de grot beelden het denkproces uit waarmee de filosoof zich van de schijn losmaakt en tot ware kennis komt.

  3. 03De zon

    De zon buiten de grot staat voor het hoogste Idee, het Goede, dat aan alle andere Ideeën hun bestaan en kenbaarheid geeft — het eindpunt van de weg naar kennis.

Resultaat: De schaduwen staan voor de zintuiglijke schijnwereld, de opgang voor de weg naar kennis, en de zon voor het Idee van het Goede. De gelijkenis vertaalt zo de ideeenleer in een beeld: van de schijn van de zintuigen naar de ware werkelijkheid van de Vormen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de ideeenleer uitleggen (het onderscheid tussen de zintuiglijke schijnwereld en de ware wereld van de Vormen; kennis tegenover mening).
  • Examendoel: de gelijkenis van de grot uitleggen en de beelden (schaduwen, opgang, zon = het Goede, terugkeer) op de ideeenleer betrekken.

Veelgemaakte fouten

  • De ideeenleer omkeren en de zintuiglijke dingen voor de ware werkelijkheid en de Ideeën voor abstracties houden, terwijl Plato het juist andersom bedoelt.
  • De grot als een los verhaaltje lezen zonder de beelden (schaduwen, zon, terugkeer) te verbinden met schijn en werkelijkheid, het Goede en de rol van de filosoof.

Actieve herhaling

Leg de ideeenleer uit met het onderscheid tussen kennis (episteme) en mening (doxa). Verklaar vervolgens wat in de gelijkenis van de grot de schaduwen, de opgang uit de grot en de zon voorstellen, en welk lot van de teruggekeerde filosoof aan Socrates herinnert.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — literatuur (Plato: ideeenleer) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Ethiek en politiek: de ziel en de ideale staat#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-grieks-vwo-literatuur-filosofie

Kernpunten

Plato's filosofie is niet alleen kennisleer maar ook ethiek en politiek: de vraag hoe je goed moet leven en hoe een rechtvaardige samenleving eruitziet. In de Politeia (De Staat) verbindt hij die twee met een beroemde parallel tussen de ziel en de staat. Afb. 4 zet de structuur uiteen. De menselijke ziel bestaat volgens Plato uit drie delen: het redelijke deel (τὸ λογιστικόν, de rede, die weet en overweegt), het „moedige” of wilskrachtige deel (τὸ θυμοειδές, de bron van eergevoel en strijdlust) en het begerende deel (τὸ ἐπιθυμητικόν, de lichamelijke driften en verlangens). Een mens is rechtvaardig en in harmonie wanneer elk deel zijn eigen taak vervult en de rede, geholpen door de wilskracht, de begeerten beheerst.

Afb. 4 — De ziel en de ideale staat

Ziel en staat bij PlatoBoomdiagram, 4 paden, Gegevens: Rede (logistikon) — deugd: wijsheid → in de staat: de filosoof-heersers; Wilskracht (thymoeides) — deugd: moed → in de staat: de wachters/soldaten; Begeerte (epithymetikon) — deugd: matigheid → in de staat: de producenten; Rechtvaardigheid = harmonie → elk deel/stand doet het zijneRede (logistikon) — deugd: wijsheidWilskracht (thymoeides) — deugd: moedBegeerte (epithymetikon) — deugd: matig…Rechtvaardigheid = harmonieZiel en staatin de staat: de filosoof-heersersin de staat: de wachters/soldatenin de staat: de producentenelk deel/stand doet het zijne
Afb. 4De parallel ziel–staat: elk deel/stand heeft zijn deugd, en rechtvaardigheid is de harmonie waarin elk het zijne doet.
Deze driedeling van de ziel spiegelt Plato in de opbouw van de ideale staat, en dat is de kern van zijn politieke filosofie. Zoals de rede in de ziel hoort te heersen, zo horen in de staat de wijzen te regeren: de filosofen, die de Ideeën en het Goede kennen. Zoals de wilskracht de rede dient, zo verdedigen de wachters (de soldaten) de staat en handhaven ze de orde. En zoals de begeerten voorzien in de behoeften, zo zorgen de producenten (boeren, ambachtslieden, handelaars) voor het materiële onderhoud van de gemeenschap. Elk van de drie standen heeft, net als elk zieldeel, een eigen deugd: wijsheid bij de heersers, moed bij de wachters, matigheid (zelfbeheersing) bij allen. De rechtvaardigheid, de vierde deugd, bestaat erin dat elke stand — en elk zieldeel — het zijne doet en zich niet met de taak van een ander bemoeit.
Uit deze parallel volgt Plato's bekendste en meest omstreden politieke stelling: de staat kan pas goed geregeerd worden wanneer de filosofen koning worden, of de koningen filosofen — wanneer, met andere woorden, de kennis van het ware en het goede samenvalt met de macht. Alleen wie de Ideeën en het Goede kent, kan immers werkelijk weten wat rechtvaardig is en de staat daarnaar inrichten; wie enkel op meningen (δόξα) of op eigenbelang afgaat, regeert blind. Plato's ideale staat is daarom sterk hiërarchisch en op deskundigheid gebaseerd: niet de meerderheid beslist, maar de wijzen. Deze visie is een scherpe, en bewust provocerende, kritiek op de Atheense democratie van zijn tijd, die Socrates ter dood had veroordeeld.
Plato's ethiek en politiek zijn zo één geheel met zijn kennisleer: goed leven en goed regeren berusten op kennis van het Goede, precies de kennis die de weg uit de grot oplevert. Voor het examen is het belangrijk om de parallel ziel–staat te kunnen uitleggen (drie delen, drie standen, hun deugden, en de rechtvaardigheid als harmonie) en te kunnen zien hoe die uit de ideeenleer voortkomt. Tegelijk mag je Plato's ideale staat kritisch bekijken: zijn afwijzing van de democratie, zijn hiërarchie en zijn vertrouwen op een kleine elite van wijzen roepen ook tegenwerpingen op — precies het soort afweging dat bij een reflectie- of oordeelsvraag wordt gewaardeerd.
Uitgewerkt voorbeeld

De parallel ziel–staat toepassen

Leg uit welke deugd hoort bij het redelijke deel van de ziel en bij de daarmee corresponderende stand in de staat.

  1. 01Het zieldeel

    Het redelijke deel (τὸ λογιστικόν) is het deel dat weet en overweegt; de deugd die daarbij hoort, is de wijsheid.

  2. 02De corresponderende stand

    In de parallel met de staat komt de rede overeen met de stand die hoort te heersen: de filosofen (de filosoof-koningen), die de Ideeën en het Goede kennen.

  3. 03De samenhang

    Zoals de rede in de ziel de leiding hoort te hebben, zo horen in de staat de wijzen te regeren; hun deugd, de wijsheid, kwalificeert hen daarvoor.

Resultaat: Bij het redelijke deel van de ziel hoort de deugd wijsheid, en dat deel correspondeert met de stand van de filosoof-heersers. De parallel — rede/wijsheid/heersers — verklaart waarom volgens Plato de wijzen moeten regeren.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de driedeling van de ziel (rede, wilskracht, begeerte) en de parallel met de drie standen van de ideale staat uitleggen, met de bijbehorende deugden en de rechtvaardigheid als harmonie.
  • Examendoel: Plato's stelling van de filosoof-koning verklaren en verbinden met zijn ideeenleer en zijn kritiek op de democratie.

Veelgemaakte fouten

  • De parallel ziel–staat verwarren of de deugden aan de verkeerde delen/standen toewijzen (wijsheid bij de heersers, moed bij de wachters, matigheid als beheersing).
  • Plato's ideale staat als een democratie voorstellen, terwijl hij juist een hiërarchische heerschappij van de wijzen (filosoof-koningen) bepleit en de democratie bekritiseert.

Actieve herhaling

Leg de parallel tussen de drie delen van de ziel en de drie standen van de ideale staat uit, met de bijbehorende deugden. Verklaar waarom volgens Plato de filosofen moeten regeren, en formuleer één argument vóór en één tegen zijn ideale staat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — literatuur (Plato: ethiek en politiek) (CvTE / Examenblad)

§ 04

De Apologie en de doorwerking van het platonisme#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-grieks-vwo-literatuur-filosofie

Afb. 5 — Het proces van Socrates in het werk van Plato

Het proces van SocratesTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Dialoog · Moment · Kern; Apologie · het proces (399 v.Chr.) · verdediging van zijn manier van leven; veroordeling; Kriton · in de gevangenis · weigering te ontsnappen; respect voor de wetten; Phaedo · de laatste dag · de onsterfelijkheid van de ziel; de gifbekerDIALOOGMOMENTKERNApologiehet proces (399 v.Chr.)verdediging van zijn maniervan leven; veroordelingKritonin de gevangenisweigering te ontsnappen;respect voor de wettenPhaedode laatste dagde onsterfelijkheid van deziel; de gifbeker
Afb. 5Drie dialogen maken van Socrates' proces en dood een filosofisch getuigenis.

Kernpunten

Een van de indringendste teksten van Plato is de Apologie: zijn weergave van de verdedigingsrede die Socrates in 399 v.Chr. voor de Atheense rechtbank hield. Socrates was aangeklaagd wegens het niet erkennen van de goden van de stad (goddeloosheid) en het bederven van de jeugd. In werkelijkheid speelden politieke wrevel en zijn onophoudelijke, ongemakkelijke ondervragingen van vooraanstaande burgers mee. In de Apologie verdedigt Socrates niet zozeer zijn leven als wel zijn manier van leven: hij weigert zijn kritische zoektocht te staken, want „een onderzocht leven is pas een leven dat de moeite waard is”. Hij verklaart liever de goden te gehoorzamen dan de rechters, en aanvaardt het risico. De rechtbank veroordeelt hem ter dood.
De Apologie en de omringende dialogen (de Kriton, waarin Socrates weigert te ontsnappen omdat hij de wetten van de stad niet wil schenden, en de Phaedo, waarin hij op zijn laatste dag over de onsterfelijkheid van de ziel spreekt en de gifbeker drinkt) maken van Socrates' dood een filosofisch getuigenis. Socrates sterft voor zijn overtuiging en toont dat een filosoof de dood niet vreest, omdat hij weet dat het kwaad niet in de dood ligt maar in het onrecht doen. Zo wordt zijn proces meer dan een historische episode: het is de botsing tussen de vrije, kritische denker en de gemeenschap die zijn vragen niet verdraagt — een botsing die in de gelijkenis van de grot al was voorafgeschaduwd. Voor Plato was het proces bovendien de aanleiding om te wanhopen aan de democratie en zijn eigen filosofie uit te bouwen.
De invloed van Plato op de latere cultuur is nauwelijks te overschatten. Zijn ideeenleer, zijn onderscheid tussen een hogere, geestelijke werkelijkheid en de lagere zintuiglijke wereld, en zijn beeld van de onsterfelijke ziel die naar het goddelijke streeft, hebben de hele westerse filosofie gestempeld. In de late oudheid ontwikkelde zich het neoplatonisme, dat Plato's denken tot een omvattende metafysica uitbouwde; via die weg oefende Plato een diepe invloed uit op het vroege christendom en op middeleeuwse en latere denkers. De filosoof Alfred North Whitehead vatte het beroemd samen met de opmerking dat de hele Europese wijsbegeerte bestaat uit „voetnoten bij Plato”. Ook Plato's beelden — de grot, de gevleugelde ziel, de ideale staat — zijn cultureel gemeengoed geworden.
Voor de eindexamenkandidaat is de filosofie daarmee dubbel waardevol. Ten eerste leveren de dialogen, wanneer ze in het pensum staan, prachtige teksten op om vertaal- en analysevaardigheden op te oefenen: helder gebouwde gesprekken met een duidelijke gedachtegang, waarin je de socratische methode en de kernbegrippen kunt terugvinden. Ten tweede nodigt de filosofie bij uitstek uit tot reflectie en oordeelsvorming: Plato's stellingen — over kennis, deugd, de ideale staat, de vrijheid van de denker — zijn nog altijd de moeite van het bediscussiëren waard, en lenen zich uitstekend voor de vragen die je vragen om zelf een beargumenteerd standpunt in te nemen. Zo verbindt dit onderwerp de taal- en tekstvaardigheden met het zelfstandig, kritisch nadenken dat het vak uiteindelijk beoogt.
Uitgewerkt voorbeeld

Socrates' houding in de Apologie verklaren

Leg uit waarom Socrates in de Apologie weigert zijn filosofische activiteit te staken, zelfs op straffe van de dood.

  1. 01Zijn opdracht

    Socrates ziet zijn kritische ondervragen als een opdracht die hem door de god (via het orakel) is gegeven; die gehoorzaamt hij liever dan de rechters.

  2. 02Zijn waardenhiërarchie

    Voor Socrates is onrecht doen erger dan onrecht lijden, en is het kwaad niet de dood maar het opgeven van een goed, onderzocht leven. ‘Een onderzocht leven is pas de moeite waard.’

  3. 03De consequentie

    Daarom weigert hij zijn manier van leven af te zweren, ook al betekent dat zijn dood; hij blijft trouw aan zijn overtuiging dat deugd en kennis boven het lijfsbehoud gaan.

Resultaat: Socrates weigert zijn filosoferen te staken omdat hij het als een goddelijke opdracht ziet en omdat voor hem onrecht doen en een onbezonnen leven erger zijn dan de dood. Zijn houding maakt de Apologie tot een getuigenis van zijn overtuiging dat deugd kennis is en het goede leven boven het naakte leven gaat.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de kern van de Apologie (Socrates' verdediging van zijn manier van leven, zijn veroordeling) weergeven en op zijn methode en waarden betrekken.
  • Examendoel: de doorwerking van het platonisme in de latere filosofie en cultuur benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • De aanklacht tegen Socrates (goddeloosheid, bederven van de jeugd) voor de werkelijke reden houden en de politieke en persoonlijke achtergrond negeren.
  • De Apologie als een gewone rechtszaak lezen in plaats van als een filosofisch getuigenis over de vrije, kritische denker en de gemeenschap.

Actieve herhaling

Vat de kern van Socrates' verdediging in de Apologie samen en leg uit hoe zijn houding samenhangt met zijn overtuiging dat deugd kennis is en dat onrecht doen erger is dan onrecht lijden. Noem daarna twee manieren waarop Plato's filosofie in de latere cultuur heeft doorgewerkt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — literatuur (Apologie en doorwerking) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De sofisten, Socrates en de socratische methode○
    • 02Plato: dialoog, ideeenleer en de gelijkenis van de grot◐
    • 03Ethiek en politiek: de ziel en de ideale staat◐
    • 04De Apologie en de doorwerking van het platonisme●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Filosofie: Plato en Socrates

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~19
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Griekse taal en cultuur VWO — literatuur (Socrates)

Vorig onderwerp

Tragedie en drama (Aischylos, Sophocles, Euripides)

Volgend onderwerp

Lyriek, retorica en redenaars

EuraStudy·Samenvattingen T·10·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.