EuraStudy
Samenvattingen/Frans/Literatuurgeschiedenis (Franse literaire periodes)
Samenvattingen · FransNL · VWO

Literatuurgeschiedenis (Franse literaire periodes)

Literatuurgeschiedenis plaatst Franstalige werken in hun literair-historische en cultuurhistorische context: je kent de grote periodes (Moyen Âge, Renaissance, classicisme, Lumières, romantisme, réalisme en naturalisme, symbolisme, 20e siècle en de hedendaagse literatuur) met hun kenmerken en sleutelauteurs. Het hoort bij domein E (Literatuur), subdomein literatuurgeschiedenis (E3), dat nadrukkelijk tot de VWO-eindtermen behoort (op de HAVO blijft het lichter) en in het schoolexamen (SE) wordt getoetst — niet in het centraal examen.

4 Onderdelen·~18 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·151515 / 16
Examenprofiel
De grote periodes van de Franse literatuur benoemen, globaal dateren en op volgorde zettenKenmerken van een periode of stroming herkennen in een fragment en verbinden met de tijdgeestSleutelauteurs en -werken per periode plaatsen (o.a. Molière, Voltaire, Hugo, Zola, Baudelaire, Camus) en een werk in zijn context duidenBeseffen dat literatuurgeschiedenis (E3) nadrukkelijk VWO-stof is en in het schoolexamen (domein E) wordt getoetst
Operatoren:plaats in de tijdbenoemherkenverbind met de contextleg uitvergelijk

basisniveau

Literatuurgeschiedenis is schoolexamenstof (domein E); je kent de hoofdlijnen van de periodisering en de belangrijkste Franse auteurs.

verhoogd niveau

Literatuurgeschiedenis (E3) is nadrukkelijk VWO-stof — op de HAVO blijft het lichter. Je herkent periodekenmerken in een fragment en verbindt een werk met zijn cultuurhistorische context.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Literatuurgeschiedenis (Franse literaire periodes)
    • 01Middeleeuwen en Renaissance (Moyen Âge, Renaissance)○
    • 02De 17e en 18e eeuw: classicisme en Lumières◐
    • 03Romantiek, Réalisme en Naturalisme (19e eeuw)◐
    • 04Van symbolisme naar de 20e eeuw en heden●
§ 01

Middeleeuwen en Renaissance (Moyen Âge, Renaissance)#

●○○BasisLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-E

Kernpunten

De Franse literatuurgeschiedenis strekt zich uit over bijna duizend jaar, en Afb. 1 zet de hoofdlijn op een tijdlijn: van de middeleeuwen tot de hedendaagse literatuur. De vroegste periode is de Moyen Âge (de middeleeuwen, ruwweg de elfde tot en met de vijftiende eeuw). Het oudste grote werk is La Chanson de Roland (omstreeks 1100), een chanson de geste: een heldenepos in het Oudfrans over de ridder Roland die sneuvelt in dienst van Karel de Grote. Het bezingt eer, moed en trouw aan vorst en geloof — de idealen van de feodale, christelijke wereld. Afb. 1 helpt je deze en de volgende periodes in de juiste volgorde en tijd te plaatsen.

Afb. 1 — Tijdlijn van de Franse literaire periodes

Franse literaire periodesGetallenlijn, Moyen Age · Chanson de Roland, Renaissance · Rabelais, Montaigne, Classicisme · Moliere, Racine, Lumieres · Voltaire, Rousseau, Romantisme · Hugo, Realisme & Naturalisme · Zola, Symbolisme · Baudelaire, Rimbaud, 20e siecle · Proust, Camus, Contemporain12001400160018002000Moyen Age ·Chanson de RolandRenaissance ·Rabelais, Montaig…Classicisme ·Moliere, RacineLumieres ·Voltaire, RousseauRomantisme · HugoRealisme &Naturalisme · ZolaSymbolisme ·Baudelaire, Rimba…20e siecle ·Proust, CamusContemporain
Afb. 1De hoofdlijn van de Franse literatuurgeschiedenis op een jaaras. De jaartallen zijn bij benadering (periodemidden), niet exact — ze plaatsen elke periode ten opzichte van de andere.
Binnen de middeleeuwen groeit de literatuur van heldenepiek naar hoofse verfijning. Chrétien de Troyes (twaalfde eeuw) schrijft de beroemde romans courtois rond koning Arthur en de ridders van de Ronde Tafel (Lancelot, Perceval), waarin de amour courtois — de verfijnde, verheven liefdesdienst aan de dame — centraal staat. Aan het einde van de periode, in de vijftiende eeuw, klinkt met François Villon een heel andere, persoonlijke stem: een dichter-vagebond wiens Testament en Ballade des pendus de dood, de vergankelijkheid en de menselijke zwakheid onopgesmukt bezingen. Zo loopt de middeleeuwse literatuur van collectieve heldenzang naar individuele, doorleefde poëzie.
In de zestiende eeuw brengt de Renaissance de wedergeboorte van de klassieke oudheid en het humanisme naar Frankrijk. De mens, de rede en het klassieke leren komen centraal te staan, gedragen door de boekdrukkunst en de ontdekkingsreizen. François Rabelais schept in Gargantua (1534) en Pantagruel de uitbundige, komische en satirische reuzenverhalen waarin geleerdheid en volkse humor samengaan. Michel de Montaigne vindt met zijn Essais (vanaf 1580) een nieuw genre uit: het persoonlijke, tastende essay waarin hij zichzelf en de mens onderzoekt („Que sais-je?”). Beiden ademen de humanistische geest: nieuwsgierig, kritisch en gericht op het volle menselijke leven.
De poëzie vernieuwt zich in dezelfde eeuw door la Pléiade, een groep dichters onder wie Pierre de Ronsard en Joachim du Bellay. Zij willen de Franse taal verheffen tot een waardig instrument voor grote literatuur — Du Bellay bepleit dat in zijn manifest Défense et illustration de la langue française (1549) — en nemen daarbij de klassieke en Italiaanse dichtkunst tot voorbeeld. Ronsard schrijft muzikale sonnetten en odes met het beroemde carpe-diem-motief („Mignonne, allons voir si la rose…”): pluk de dag, want schoonheid en jeugd vergaan. Zo maakt de Renaissance het Frans rijp voor de grote eeuw die volgt.
Voor het examen moet je La Chanson de Roland, Chrétien de Troyes, Villon, Rabelais, Montaigne en Ronsard in de juiste periode kunnen plaatsen en globaal dateren, en de kenmerken herkennen. Een heldenepos over eer en trouw wijst op de middeleeuwse chanson de geste; een hoofs Arthur-verhaal op de roman courtois; een uitbundig-satirisch reuzenverhaal of een tastend zelfonderzoek op de humanistische Renaissance. Verbind het werk telkens met de tijdgeest: de collectieve, feodaal-christelijke wereld van de middeleeuwen tegenover het individuele, klassiek geschoolde mensbeeld van de Renaissance (Afb. 1).
Uitgewerkt voorbeeld

Een fragment aan een periode toewijzen

Een episch gedicht in het Oudfrans bezingt hoe een dappere ridder in dienst van zijn keizer tot de laatste man standhoudt tegen een overmacht, trouw aan vorst en geloof. Bepaal de periode, het genre en (waarschijnlijk) het werk.

  1. 01De kenmerken herkennen

    Eer, moed en absolute trouw aan vorst en geloof, verwoord in een episch heldenlied: dat zijn de idealen van de feodale, christelijke middeleeuwen.

  2. 02Het genre benoemen

    Een heldenepos over een ridder in dienst van zijn heer is een chanson de geste, het typische middeleeuwse epische genre.

  3. 03Periode en werk plaatsen

    Het Oudfrans en het motief plaatsen het rond 1100, in de Moyen Âge; het bekendste voorbeeld is La Chanson de Roland.

Resultaat: De Moyen Âge (omstreeks 1100): een chanson de geste, met als bekendste voorbeeld La Chanson de Roland — herkenbaar aan de feodaal-christelijke idealen van eer en trouw.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: La Chanson de Roland, Chrétien de Troyes, Rabelais en Montaigne in de juiste periode (Moyen Âge of Renaissance) plaatsen en globaal dateren.
  • Examendoel: kenmerken van de Renaissance (humanisme, terugkeer naar de klassieke oudheid, de Pléiade) in een fragment herkennen en aan de tijdgeest koppelen.

Veelgemaakte fouten

  • De middeleeuwen en de Renaissance als één „oude” periode zien; de feodaal-christelijke Chanson de Roland en het humanistische werk van Rabelais of Montaigne scheiden eeuwen en een heel ander mensbeeld.
  • Denken dat de Franse literatuur pas in de Renaissance begint; La Chanson de Roland dateert al van omstreeks 1100, ruim vier eeuwen eerder.

Actieve herhaling

Zet La Chanson de Roland, een roman van Chrétien de Troyes en een werk van Rabelais of Montaigne op de tijdlijn van Afb. 1 en benoem per werk één kenmerk dat bij de periode hoort.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

§ 02

De 17e en 18e eeuw: classicisme en Lumières#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-E

Kernpunten

De zeventiende eeuw is le Grand Siècle, de eeuw van het classicisme onder Lodewijk XIV, waarin het toneel bloeit — zie de derde markering op Afb. 1. De idealen zijn rede, orde, maat en het naleven van regels, naar het voorbeeld van de klassieke oudheid. Het strengst zijn de règles van het klassieke theater: de trois unités (de eenheid van tijd, plaats en handeling) en de bienséance (het welvoeglijke). In de tragedie schrijven Pierre Corneille (Le Cid, 1637) en vooral Jean Racine (Phèdre, 1677) over de botsing tussen hartstocht en plicht, in strakke alexandrijnen. Het doel van de klassieke kunst vat men samen als „plaire et instruire” — behagen én onderrichten.
Naast de tragedie bloeit de komedie. Molière (1622–1673) hekelt in zijn komedies de dwaasheden en de huichelarij van zijn tijd: de schijnvroomheid in Le Tartuffe, de gierigheid in L'Avare, de ingebeelde ziekte in Le Malade imaginaire. Zijn lachen is nooit vrijblijvend — het corrigeert de zeden („castigat ridendo mores”). Jean de La Fontaine giet in zijn Fables (vanaf 1668) morele en maatschappelijke lessen in korte dierenverhalen vol ironie en mensenkennis, zoals „Le Corbeau et le Renard”. Zo verenigt het classicisme vermaak en zedenles, altijd binnen de banden van helderheid, maat en vorm.
De achttiende eeuw staat in het teken van de Lumières (de Verlichting): het licht van de rede tegen onwetendheid, bijgeloof en willekeur. De philosophes bepleiten tolerantie, vrijheid en vooruitgang en bekritiseren scherp kerk en absolute macht. Voltaire (1694–1778) is de scherpste pen: in de conte philosophique Candide (1759) drijft hij de spot met het naïeve optimisme dat „alles ten beste is in de beste van alle mogelijke werelden”, en pleit hij tussen de regels door voor gezond verstand en verdraagzaamheid. Satire en ironie zijn hier geen grap maar een wapen: lachen om te verbeteren.
Naast Voltaire staan drie andere grote namen. Jean-Jacques Rousseau (1712–1778) stelt het gevoel, de natuur en de volkssoevereiniteit centraal: in Du contrat social (1762) formuleert hij het idee dat de macht bij het volk berust — gedachtegoed dat de Franse Revolutie van 1789 zou voeden. Montesquieu ontvouwt in De l'esprit des lois (1748) de scheiding der machten. En Denis Diderot leidt samen met d'Alembert de reusachtige Encyclopédie, het monument van de Verlichting dat alle kennis van de tijd wilde bundelen en verspreiden. Samen leggen zij de intellectuele fundamenten onder de moderne, democratische wereld.
Voor het examen plaats je Corneille, Racine, Molière en La Fontaine in het classicisme van de zeventiende eeuw, en Voltaire, Rousseau, Diderot en Montesquieu in de Lumières van de achttiende (Afb. 1). Herken de kenmerken: strakke vorm, de trois unités, hartstocht tegen plicht en „plaire et instruire” wijzen op het classicisme; rede, kritiek op kerk en macht, tolerantie en vooral satire wijzen op de Verlichting. Denk erom dat de klassieke tragedie in verzen (alexandrijnen) is geschreven, terwijl de Verlichtingsauteurs vooral in proza betogen, vertellen en bespotten.
Uitgewerkt voorbeeld

Een werk aan een periode toewijzen

Een prozawerk uit 1759 laat een naïeve held door een wereld vol rampen reizen, terwijl zijn leermeester blijft volhouden dat „alles ten beste is”. De schrijver hekelt zo het blinde optimisme. Bepaal de periode, de stroming, het genre en de auteur.

  1. 01Het kenmerk herkennen

    Het bespotten van een filosofische dwaling (het naïeve optimisme) om de lezer tot rede te brengen, is satire — het centrale wapen van de Verlichting.

  2. 02Periode en stroming plaatsen

    Het jaartal 1759 en de satirische, kritische inslag plaatsen het in de achttiende eeuw, de tijd van de Lumières.

  3. 03Genre en auteur benoemen

    Het is een conte philosophique (filosofische vertelling); het werk is Candide van Voltaire, de bekendste Verlichtingssatiricus.

Resultaat: De Lumières (1759): de conte philosophique Candide van Voltaire — herkenbaar aan de satire waarmee hij het naïeve optimisme ontmaskert.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de kenmerken van het classicisme (rede, orde, de trois unités, „plaire et instruire”) herkennen en Corneille, Racine, Molière of La Fontaine plaatsen.
  • Examendoel: de Lumières benoemen als de achttiende-eeuwse Verlichting (rede, tolerantie, kritiek, satire) en Voltaire, Rousseau, Diderot of Montesquieu met een sleutelwerk plaatsen.

Veelgemaakte fouten

  • Het classicisme (zeventiende eeuw) en de Lumières (achttiende eeuw) door elkaar halen; het strakke klassieke versdrama en de betogende, satirische Verlichtingsprozastukken horen bij twee verschillende eeuwen.
  • Satire bij Voltaire lezen als „grappig bedoeld” in plaats van als kritiek met een doel — de spot in Candide ontmaskert het naïeve optimisme en pleit voor rede en tolerantie.

Actieve herhaling

Leg in een korte alinea het verschil uit tussen het classicisme en de Lumières; noem per periode twee auteurs met een sleutelwerk en één kenmerk dat je bij een fragment zou herkennen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

§ 03

Romantiek, Réalisme en Naturalisme (19e eeuw)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-E

Kernpunten

De negentiende eeuw opent met het Romantisme (de romantiek, ruwweg 1820–1850), dat breekt met de klassieke rede en regels en het gevoel, de verbeelding en het ik centraal stelt — de vijfde markering op Afb. 1. De kernwoorden zijn sentiment, lyrisme, natuur en vrijheid, ook vrijheid in de kunst: de romantici verwerpen de strakke klassieke règles. De onbetwiste reus is Victor Hugo (1802–1885), dichter (Les Contemplations), toneelschrijver (Hernani, 1830) én romancier (Notre-Dame de Paris, Les Misérables). Zijn Préface de Cromwell (1827) geldt als het manifest van de romantiek. Alphonse de Lamartine (Méditations poétiques, 1820, met „Le Lac”) en Alfred de Musset geven stem aan het melancholieke mal du siècle.
Rond het midden van de eeuw verschuift het zwaartepunt naar het Réalisme (het realisme), dat de werkelijkheid nauwkeurig en zonder verfraaiing wil weergeven, vaak met scherpe maatschappijkritiek. Honoré de Balzac (1799–1850) bouwt met La Comédie humaine een immens romanpanorama van de Franse samenleving — Le Père Goriot (1835) toont er de macht van geld en eerzucht. Stendhal ontleedt in Le Rouge et le Noir (1830) de ambitie van een jonge man in een verstarde standenmaatschappij. En Gustave Flaubert brengt in Madame Bovary (1857) het realisme tot volmaaktheid met zijn streven naar le mot juste — het exact juiste woord — en een afstandelijke, onpersoonlijke verteltrant.
Aan het einde van de eeuw radicaliseert het Naturalisme (het naturalisme) het realisme: Émile Zola (1840–1902) wil de romanschrijver tot een soort wetenschapper maken die toont hoe erfelijkheid en milieu de mens bepalen. In zijn reeks Les Rougon-Macquart schildert hij de negentiende-eeuwse maatschappij; Germinal (1885) verbeeldt de ellende en de opstand van de mijnwerkers met verpletterende kracht. Guy de Maupassant (1850–1893) bewijst zich als meester van de realistisch-naturalistische novelle en het korte verhaal (Boule de Suif). Later toont Zola ook maatschappelijk engagement buiten de literatuur met zijn strijdschrift „J'accuse…!” (1898) in de zaak-Dreyfus.
Deze stromingen begrijp je vanuit hun tijd. De Romantiek reageert op de nasleep van de Franse Revolutie en de teleurstelling daarna: het individu zoekt houvast in gevoel en natuur. Het Réalisme en het Naturalisme spiegelen de tweede helft van de eeuw — de industriële revolutie, de groei van de steden, de opkomst van de burgerij en de arbeidersklasse, en het geloof in de wetenschap. Waar de romanticus naar binnen en omhoog kijkt (het ik, het verhevene), richt de realist en de naturalist de blik naar buiten en omlaag: op de maatschappij, het geld, de fabriek en de sloppen. Zo verschuift binnen één eeuw het zwaartepunt van het gevoel naar de maatschappij.
Voor het examen is het cruciaal het Romantisme niet als één blok met het Réalisme en Naturalisme te zien, maar als tegengestelde accenten binnen de negentiende eeuw (Afb. 1). Een fragment vol gevoel, natuur, het ik en verheven lyriek wijst op de romantiek; een fragment met nuchtere, gedetailleerde maatschappijbeschrijving en kritiek op geld, klasse of milieu op het realisme of naturalisme. Het verschil tussen realisme en naturalisme is een kwestie van graad: het naturalisme voegt aan het realisme de „wetenschappelijke” nadruk op erfelijkheid en milieu toe. Plaats Hugo, Balzac, Flaubert en Zola daarom trefzeker in hun stroming.
Uitgewerkt voorbeeld

Een fragment aan een stroming toewijzen

Een romanfragment beschrijft minutieus de uitputtende arbeid, de honger en de opstand van mijnwerkers, en suggereert dat hun milieu en afkomst hun lot bepalen. Aan welke stroming schrijf je het toe, en waarom?

  1. 01De kenmerken benoemen

    Een nauwkeurige, onopgesmukte beschrijving van harde arbeid en armoede, met maatschappijkritiek: dat is realistisch. De nadruk op milieu en afkomst als bepalende krachten voegt daar de naturalistische dimensie aan toe.

  2. 02Uitsluiten wat niet past

    Er is geen verheven natuurgevoel, geen lyrisch ik of romantische verbeelding; dat sluit het Romantisme uit.

  3. 03De stroming en auteur plaatsen

    De combinatie van realisme en de „wetenschappelijke” nadruk op milieu en erfelijkheid wijst op het Naturalisme; het schoolvoorbeeld is Germinal van Émile Zola (1885).

Resultaat: Het Naturalisme (late negentiende eeuw): realistische maatschappijbeschrijving plus de nadruk op milieu en erfelijkheid; het voorbeeld bij uitstek is Zola's Germinal (1885).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: Romantische en realistisch-naturalistische kenmerken aan de hand van een fragment contrasteren (gevoel, natuur en het ik tegenover maatschappijbeschrijving en -kritiek).
  • Examendoel: Hugo, Balzac, Flaubert en Zola in de juiste stroming (Romantisme, Réalisme, Naturalisme) plaatsen en globaal dateren.

Veelgemaakte fouten

  • Het Romantisme en het Réalisme/Naturalisme als één negentiende-eeuws geheel behandelen; het zijn stromingen met tegengestelde waarden (gevoel en het ik tegenover nuchtere maatschappijbeschrijving).
  • „Romantisch” lezen als „over de liefde” in plaats van als de literaire stroming (gevoel, verbeelding, natuur, het ik, vrijheid in de vorm).

Actieve herhaling

Analyseer twee korte fragmenten — één vol natuur en gevoel, één met nuchtere maatschappijbeschrijving — en wijs met Afb. 1 aan welk fragment bij het Romantisme en welk bij het Réalisme/Naturalisme hoort, met een kenmerk per fragment.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

§ 04

Van symbolisme naar de 20e eeuw en heden#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-frans-vwo-domein-E

Kernpunten

In de tweede helft van de negentiende eeuw vernieuwt de poëzie zich radicaal, zoals de zevende markering op Afb. 1 aangeeft. Charles Baudelaire (1821–1867) staat aan het begin: zijn bundel Les Fleurs du mal (1857) verbindt de spanning tussen spleen (walging, zwaarmoedigheid) en idéal, en zijn leer van de correspondances — geheime overeenkomsten tussen zintuigen en dingen — wijst vooruit naar het Symbolisme. De symbolisten willen niet beschrijven maar suggereren: via symbolen, muzikaliteit en beelden reiken ze naar een werkelijkheid achter de zichtbare. Paul Verlaine bezingt de muziek van het vers („De la musique avant toute chose”), Arthur Rimbaud maakt zich tot ziener (voyant), en Stéphane Mallarmé drijft de suggestie tot het uiterste.
De twintigste eeuw breekt met vertrouwde vormen. Marcel Proust (1871–1922) onderzoekt in zijn monumentale romancyclus À la recherche du temps perdu (vanaf 1913) de werking van het geheugen: de beroemde episode van de in thee gedoopte madeleine laat zien hoe één smaak een hele verzonken wereld doet herleven — de mémoire involontaire. Na de Eerste Wereldoorlog lanceert André Breton met het Manifeste du surréalisme (1924) het Surréalisme: geïnspireerd door Freud en de droom zoeken de surrealisten via de écriture automatique (het automatische schrijven) toegang tot het onbewuste, voorbij de controle van de rede. Vorm en werkelijkheid worden opengebroken.
Rond en na de Tweede Wereldoorlog stellen schrijvers de grote vragen naar zin en vrijheid. Albert Camus (1913–1960) verbeeldt de filosofie van het absurde: in L'Étranger (1942) botst de onverschillige Meursault op een wereld zonder vanzelfsprekende zin, en in La Peste onderzoekt Camus hoe de mens tóch waardig kan handelen. Jean-Paul Sartre (1905–1980), het kopstuk van het existentialisme, stelt dat de mens „veroordeeld is tot vrijheid” en zijn bestaan zelf betekenis moet geven (La Nausée, 1938). Bij beiden hoort het engagement: literatuur die zich rekenschap geeft van de menselijke conditie en de geschiedenis. Camus ontving in 1957 de Nobelprijs.
Sinds het midden van de eeuw waaiert de literatuur verder uit, zoals de laatste markering op Afb. 1 (Contemporain) aangeeft. In het théâtre de l'absurde tonen Eugène Ionesco en Samuel Beckett (En attendant Godot) een wereld zonder houvast of zin. Het nouveau roman (onder anderen Alain Robbe-Grillet en Nathalie Sarraute) breekt met plot en personage. En de literatuur wordt steeds meer francophone: schrijvers uit België, Québec, de Maghreb en Sub-Saharaans Afrika verrijken het Franstalige landschap met nieuwe stemmen en thema's, waaronder de dekolonisatie. Recenter won de autofictie-schrijfster Annie Ernaux in 2022 de Nobelprijs — een teken dat het Frans een levende wereldliteratuur draagt.
Voor het examen herken je de symbolistische en twintigste-eeuwse kenmerken en plaats je Baudelaire, Rimbaud, Verlaine, Proust, Camus en Sartre in hun context. Afb. 2 vat de vier kernstromingen samen die je door de eeuwen heen moet kunnen contrasteren: het classicisme (rede, regels, orde), het romantisme (gevoel, natuur, het ik), het réalisme/naturalisme (werkelijkheid, maatschappij) en de twintigste eeuw (twijfel, het absurde, experiment). Let op de valkuil dat „modern” (hedendaags) iets anders is dan een concrete stroming; en verbind een werk altijd met zijn tijd — de gebroken vorm van de twintigste eeuw is het antwoord op een wereld die haar zekerheden verloor.

Afb. 2 — De vier kernstromingen

KernstromingenBoomdiagram, 4 paden, Gegevens: Classicisme (rede, regels, orde); Romantisme (gevoel, natuur, het ik); Réalisme/Naturalisme (werkelijkheid, maatschappij); 20e siècle (twijfel, het absurde, experiment)KernstromingenClassicisme (rede, regels, orde)Romantisme (gevoel, natuur, het ik)Réalisme/Naturalisme (werkelijkheid, ma…20e siècle (twijfel, het absurde, exper…
Afb. 2De vier kernstromingen die je door de eeuwen heen moet kunnen contrasteren, elk met hun sleutelwaarden. Verbind een fragment altijd met de tijdgeest die de stroming voortbracht.
Uitgewerkt voorbeeld

Een stroming herkennen aan de kenmerken

Een korte roman uit 1942 volgt een verteller die de dood van zijn moeder en later een moord met vlakke onverschilligheid beleeft, in een wereld die hem geen vanzelfsprekende zin biedt. Bepaal de stroming, het thema en de auteur.

  1. 01Het thema herkennen

    Een wereld zonder vanzelfsprekende zin en een held die het bestaan als vreemd en onverschillig ervaart: dat is de filosofie van het absurde.

  2. 02De stroming en tijd plaatsen

    Het jaartal 1942 en het thema van het absurde plaatsen het in de twintigste eeuw, in de kring rond het existentialisme (Afb. 2).

  3. 03Werk en auteur benoemen

    De vlakke ik-verteller Meursault en het thema van het absurde wijzen op L'Étranger van Albert Camus.

Resultaat: De twintigste eeuw, de filosofie van het absurde (verwant aan het existentialisme): L'Étranger van Albert Camus (1942) — herkenbaar aan de onverschillige verteller in een zinloze wereld.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: symbolistische kenmerken (suggestie, symbool, muzikaliteit) en twintigste-eeuwse vernieuwing (surréalisme, het absurde, existentialisme) in een fragment herkennen.
  • Examendoel: met Afb. 2 de vier kernstromingen (classicisme, romantisme, réalisme/naturalisme, twintigste eeuw) contrasteren en Baudelaire, Proust of Camus in hun context plaatsen.

Veelgemaakte fouten

  • Het Symbolisme als „beschrijvende” poëzie lezen; de symbolisten willen juist suggereren en niet benoemen, via symbool en muzikaliteit naar een werkelijkheid achter de zichtbare.
  • Alle twintigste-eeuwse stromingen op één hoop gooien; het surréalisme (droom, onbewuste), het existentialisme en het absurde (Camus, Sartre) en het nouveau roman zijn verschillende antwoorden op de crisis van de moderne wereld.

Actieve herhaling

Analyseer een gedicht of prozafragment uit de late negentiende of de twintigste eeuw: benoem de stroming (symbolisme, surréalisme, existentialisme/het absurde), wijs één kenmerk aan en verbind het met de historische context, met behulp van Afb. 2.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Middeleeuwen en Renaissance (Moyen Âge, Renaissance)○
    • 02De 17e en 18e eeuw: classicisme en Lumières◐
    • 03Romantiek, Réalisme en Naturalisme (19e eeuw)◐
    • 04Van symbolisme naar de 20e eeuw en heden●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Literatuurgeschiedenis (Franse literaire periodes)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~18
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Frans VWO — domein E Literatuur

Vorig onderwerp

Literaire ontwikkeling (drie werken)

Volgend onderwerp

Frankofone cultuur (la francophonie)

EuraStudy·Samenvattingen T·15·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.