EuraStudy
Samenvattingen/Filosofie/Persoon, lichaam, geest en emotie
Samenvattingen · FilosofieNL · VWO

Persoon, lichaam, geest en emotie

Hoe verhouden lichaam en geest zich tot elkaar? Dit onderwerp behandelt het lichaam-geestprobleem en de belangrijkste posities (dualisme, materialisme, functionalisme), de raadsels van bewustzijn en qualia (het „moeilijke probleem”), en de vraag wat maakt dat je door de tijd heen dezelfde persoon blijft. Het hoort bij domein B, de wijsgerige antropologie.

4 Onderdelen·~17 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0333 / 14
Examenprofiel
Het lichaam-geestprobleem formuleren en het interactieprobleem uitleggenDualisme, materialisme en functionalisme onderscheiden en beoordelenHet begrip qualia en het „moeilijke probleem” van het bewustzijn uitleggenTheorieën over persoonlijke identiteit door de tijd vergelijken
Operatoren:leg uitonderscheidvergelijkbeoordeelberedeneer

basisniveau

Ken het lichaam-geestprobleem, het onderscheid dualisme/materialisme en het geheugencriterium voor identiteit.

verhoogd niveau

Kun je functionalisme, qualia-argumenten (Mary's kamer) en Parfits kritiek op persoonlijke identiteit uitleggen en tegen elkaar afwegen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Persoon, lichaam, geest en emotie
    • 01Het lichaam-geestprobleem○
    • 02Posities: dualisme, materialisme en functionalisme◐
    • 03Bewustzijn, qualia en het moeilijke probleem●
    • 04Persoonlijke identiteit door de tijd◐
§ 01

Het lichaam-geestprobleem#

●○○BasisLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-B

Kernpunten

Je hebt een lichaam — vlees, bloed, hersenen — dat je in de spiegel ziet, en je hebt een geestesleven — gedachten, gevoelens, een besef „van binnen” — dat niemand anders kan zien. Het lichaam-geestprobleem (mind-body problem) is de vraag hoe deze twee zich tot elkaar verhouden: is de geest iets anders dan het lichaam, of is hij uiteindelijk niets dan hersenactiviteit? En als geest en lichaam verschillend zijn, hoe kunnen ze dan op elkaar inwerken? Afb. 1 maakt juist dat laatste, het interactieprobleem, zichtbaar.

Het interactieprobleem

Hoe raken twee substanties elkaar?Graaf, Geest (res cogitans) → Lichaam (res extensa), Lichaam (res extensa) → Geest (res cogitans)Geest (rescogitans)Lichaam (resextensa)de wil beweegtde armeen prikkelwordt pijn
Afb. 1Afb. 1 — Het interactieprobleem: hoe kan een immateriële geest inwerken op een materieel lichaam, en omgekeerd?
De klassieke formulering komt van Descartes. Hij onderscheidt twee substanties: de res cogitans (het denkende ding, de geest, die niet in de ruimte is en niet deelbaar) en de res extensa (het uitgebreide ding, de materie, die ruimte inneemt en meetbaar is). De mens is een denkende substantie die tijdelijk met een lichaam verbonden is. Dit substantiedualisme sluit aan bij de alledaagse ervaring dat mijn gedachten van een heel andere orde lijken dan de neuronen in mijn hoofd, en bij de religieuze gedachte dat de ziel het lichaam kan overleven.
Descartes onderbouwt het dualisme met een argument: ik kan mij duidelijk en helder een geest zónder lichaam voorstellen (ik kan aan mijn denken niet twijfelen, maar wel aan het bestaan van mijn lichaam), en wat duidelijk en helder als gescheiden kan worden gedacht, kán ook gescheiden bestaan; dus zijn geest en lichaam werkelijk verschillend. Kritiek: uit het feit dat ik iets gescheiden kan dénken, volgt niet dat het gescheiden kan bestáán — de sprong van denkbaarheid naar mogelijkheid is aanvechtbaar (dit is een goede oefening in de argumentatievaardigheden van domein A).
Het grootste probleem voor het dualisme is het interactieprobleem: als de geest immaterieel is en geen plaats in de ruimte heeft, hoe kan hij dan een materieel lichaam in beweging zetten (ik wíl mijn arm optillen en hij gaat omhoog), en hoe kan een fysieke prikkel (een speldenprik) een mentale gewaarwording (pijn) veroorzaken? Twee zo verschillende substanties lijken elkaar niet te kunnen raken. Descartes' eigen antwoord — dat de interactie in de pijnappelklier plaatsvindt — verschuift het probleem slechts, want het maakt niet begrijpelijk hóé het immateriële het materiële beweegt.
Het interactieprobleem drijft veel filosofen naar alternatieven. Als de wisselwerking tussen geest en lichaam onbegrijpelijk is zolang ze wezenlijk verschillen, ligt de gedachte voor de hand dat er in feite maar één soort werkelijkheid is — meestal de materiële. Zo ontstaan de materialistische en functionalistische posities uit de volgende paragraaf. Het lichaam-geestprobleem is daarmee geen schoolvoorbeeld uit de mottenballen, maar de motor achter de moderne filosofie van de geest én achter actuele vragen over hersenen, bewustzijn en kunstmatige intelligentie.
Uitgewerkt voorbeeld

Het interactieprobleem uitleggen

Leg uit waarom het interactieprobleem een ernstig bezwaar tegen het substantiedualisme van Descartes vormt.

  1. 01Vat het dualisme samen

    Geest en lichaam zijn volgens Descartes wezenlijk verschillende substanties: de geest is immaterieel en niet in de ruimte, het lichaam is materieel en uitgebreid.

  2. 02Stel de vraag

    Bij elke waarneming en handeling werken ze op elkaar in: ik wil iets en mijn lichaam beweegt; mijn lichaam wordt geraakt en ik voel pijn.

  3. 03Wijs het probleem aan

    Fysieke oorzaken werken via contact en krachten in de ruimte. Iets dat géén plaats in de ruimte heeft, kan niet duwen of geduwd worden — dus is onbegrijpelijk hóé geest en lichaam elkaar beïnvloeden.

  4. 04Trek de conclusie

    Het dualisme maakt de dagelijkse, onmiskenbare wisselwerking tussen geest en lichaam juist onverklaarbaar; dat is een sterk bezwaar tegen de theorie.

Resultaat: Het interactieprobleem laat zien dat het dualisme de alledaagse interactie tussen geest en lichaam niet kan verklaren, omdat een immateriële geest niet op ruimtelijke wijze kan inwerken op materie.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het lichaam-geestprobleem en het interactieprobleem helder formuleren.
  • Examendoel: Descartes' substantiedualisme (res cogitans/res extensa) uitleggen en er een bezwaar tegen geven.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat „dualisme” betekent dat er twee mensen of twee hersenen zijn — het gaat om twee soorten werkelijkheid (het geestelijke en het lichamelijke).
  • De sprong in Descartes' argument overslaan: uit „ik kan geest zonder lichaam dénken” volgt niet zonder meer dat geest zonder lichaam kan bestáán.

Actieve herhaling

Leg uit hoe Descartes van „ik kan aan mijn lichaam twijfelen maar niet aan mijn denken” naar het dualisme redeneert, en geef één zwakke schakel in die redenering aan.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein B (lichaam en geest) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Posities: dualisme, materialisme en functionalisme#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-B

Posities in het lichaam-geestdebat

Van dualisme tot functionalismeTabel met 4 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Positie · Kernidee · Sterk punt · Zwak punt; Substantiedualisme · geest en lichaam zijn twee substanties · eert de eigenheid van de geest · interactieprobleem; Eigenschapsdualisme · één substantie, twee soorten eigenschappen · verklaart qualia · hoe hangen ze samen?; Identiteitstheorie · mentaal = hersentoestand · sluit aan bij wetenschap · reduceert de beleving; Eliminatief materialisme · mentale begrippen verdwijnen · consequent naturalistisch · ontkent de ervaring; Functionalisme · geest = functionele rol · meervoudige realiseerbaarheid · qualia / Chinese kamer, gemarkeerde cel: geest = functionele rolPOSITIEKERNIDEESTERK PUNTZWAK PUNTSUBSTANTIEDUALISMEgeest en lichaam zijn tweesubstantieseert de eigenheid van degeestinteractieprobleemEIGENSCHAPSDUALISMEéén substantie, twee soorteneigenschappenverklaart qualiahoe hangen ze samen?IDENTITEITSTHEORIEmentaal = hersentoestandsluit aan bij wetenschapreduceert de belevingELIMINATIEFMATERIALISMEmentale begrippen verdwijnenconsequent naturalistischontkent de ervaringFUNCTIONALISMEgeest = functionele rolmeervoudigerealiseerbaarheidqualia / Chinese kamerVijf posities op het lichaam-geestprobleem
Afb. 2Afb. 1 — De belangrijkste posities op het lichaam-geestprobleem, met kernidee en kritiek.

Kernpunten

Op het lichaam-geestprobleem bestaan enkele grote antwoorden, die Afb. 1 naast elkaar zet met hun sterke en zwakke punten. Grofweg lopen ze van „geest en lichaam zijn twee dingen” (dualisme) naar „er is alleen het lichaam/de hersenen” (materialisme) tot „het gaat niet om de stof maar om de functie” (functionalisme). Het examen vraagt je deze posities te onderscheiden, uit te leggen en te beoordelen.
Naast Descartes' substantiedualisme staat het gematigder eigenschapsdualisme: er is maar één substantie (de hersenen), maar die heeft twee onherleidbare soorten eigenschappen — fysische (meetbaar) en mentale (het beleefde, de qualia). De mentale eigenschappen zijn geen aparte substantie, maar laten zich ook niet volledig tot de fysische herleiden. Dit vermijdt het scherpste interactieprobleem maar houdt vast aan het idee dat het geestelijke iets eigens is dat de natuurwetenschap niet volledig vangt.
Het materialisme (of fysicalisme) stelt dat alles, ook de geest, uiteindelijk materie is. In de identiteitstheorie (reductief materialisme) zíjn mentale toestanden hersentoestanden: pijn is niets anders dan een bepaald patroon van neuronale activiteit, zoals water niets anders is dan H₂O. Het radicalere eliminatief materialisme (Churchland) gaat verder: onze alledaagse begrippen zoals „overtuiging” en „verlangen” horen bij een verouderde volkstheorie die, net als het begrip „flogiston” in de scheikunde, door de neurowetenschap vervangen zal worden. Sterke punt van het materialisme: het past bij de wetenschap en lost het interactieprobleem op (alles is één soort stof). Zwakke punt: het worstelt met de subjectieve beleving — waarom zou een hoop neuronen überhaupt iets voelen?
Het functionalisme verschuift de vraag van „waaruit is de geest gemaakt?” naar „wat doet de geest?”. Een mentale toestand is wat ze is door haar functionele rol: pijn is die toestand die typisch door beschadiging wordt veroorzaakt, kreunen en vermijdingsgedrag oproept en andere mentale toestanden beïnvloedt. Zoals een klok van tandwielen óf van elektronica kan zijn zolang ze de tijd bijhoudt (meervoudige realiseerbaarheid), zo zou dezelfde mentale toestand in een mensenbrein én in een computer of alien gerealiseerd kunnen zijn. Dit is de filosofische basis onder de vraag of een machine kan denken (Turingtest).
Elke positie heeft een prijs. Het dualisme redt de eigenheid van de geest maar strandt op de interactie. Het materialisme sluit aan bij de wetenschap maar dreigt het bewustzijn weg te verklaren. Het functionalisme verklaart hoe heel verschillende systemen geestelijke toestanden kunnen hebben, maar krijgt het verwijt dat een systeem alle juiste functies kan vervullen zónder dat er van binnen íéts wordt beleefd — Searles Chinese kamer en het probleem van de qualia. Bij het examen laat je zien dat je de posities niet alleen kent, maar hun ruil van sterke tegen zwakke punten begrijpt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een positie herkennen en beoordelen

„Of pijn nu door neuronen of door siliciumchips wordt gerealiseerd maakt niet uit; het is pijn zolang het door letsel wordt veroorzaakt en tot kreunen en ontwijken leidt.” Welke positie is dit, en geef er een sterk en een zwak punt van.

  1. 01Herken de positie

    Het criterium is de functionele rol (oorzaak, gevolg, relaties), niet de stof; en de nadruk op verschillende realisaties (neuronen óf chips) is meervoudige realiseerbaarheid. Dit is functionalisme.

  2. 02Geef een sterk punt

    Het verklaart waarom heel verschillende systemen — mensen, dieren, misschien machines — dezelfde mentale toestand kunnen hebben, en het lost het interactieprobleem op.

  3. 03Geef een zwak punt

    Een systeem kan alle juiste functies vervullen zonder dat er iets wordt beleefd: het qualiaprobleem en Searles Chinese kamer suggereren dat functie het bewuste voelen niet garandeert.

Resultaat: De uitspraak is functionalistisch; sterk is de meervoudige realiseerbaarheid, zwak is dat de juiste functie het subjectieve voelen (qualia) niet lijkt te verzekeren.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: dualisme, materialisme (identiteitstheorie/eliminativisme) en functionalisme onderscheiden en de kern van elk uitleggen.
  • Examendoel: van een gegeven standpunt de positie bepalen en er een sterk en een zwak punt van geven.

Veelgemaakte fouten

  • Materialisme en functionalisme gelijkstellen: het functionalisme laat juist in het midden waaruit de geest is gemaakt, zolang de functie klopt.
  • Denken dat de identiteitstheorie het bewustzijn „bewijst”; ze stelt gelijk (pijn = hersentoestand) maar verklaart nog niet waarom die toestand voelt zoals hij voelt.

Actieve herhaling

Leg het verschil tussen de identiteitstheorie en het functionalisme uit aan de hand van de vraag of een robot ooit pijn zou kunnen hebben.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein B (posities lichaam-geest) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Bewustzijn, qualia en het moeilijke probleem#

●●●VerdiepingLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-B

Kernpunten

De hardnekkigste kern van het lichaam-geestprobleem is het bewustzijn: het feit dat er voor jou iets is „hoe het is” om iets te ervaren. De subjectieve, kwalitatieve kant van ervaring — de roodheid van rood, de pijnlijkheid van pijn, de smaak van koffie — noemen filosofen qualia. Thomas Nagel maakte dit scherp met de vraag „hoe is het om een vleermuis te zijn?”: ook al zouden we alles weten over het echolocatiesysteem van de vleermuis, dan nog weten we niet hoe het van binnenuit vóélt om via echo's de wereld te ervaren. Er lijkt een onoverbrugbare kloof tussen objectieve kennis en subjectieve beleving.
David Chalmers onderscheidt daarom de „gemakkelijke” en het „moeilijke” probleem van het bewustzijn. De gemakkelijke problemen (hoe onderscheidt het brein kleuren, hoe stuurt het gedrag, hoe integreert het informatie) zijn in principe met de gewone hersenwetenschap oplosbaar. Het moeilijke probleem is: waaróm gaat al die informatieverwerking gepaard met beleving? Waarom zijn we geen „zombies” die zich net als wij gedragen maar van binnen volstrekt donker zijn? Op die waarom-vraag lijkt de fysische verklaring geen greep te hebben.
Een beroemd argument tegen het materialisme is Mary's kamer (Frank Jackson). Mary is een geniale kleurwetenschapster die haar leven lang in een zwart-witte kamer opgroeit en langs beeldschermen álle fysische feiten over kleurwaarneming leert — elke golflengte, elk neuron. Toch, zo luidt de intuïtie, leert ze iets nieuws op het moment dat ze voor het eerst een rode roos ziet: hoe rood eruitziet. Als ze iets nieuws leert terwijl ze alle fysische feiten al kende, dan is dat nieuwe (het quale) blijkbaar geen fysisch feit — en is het materialisme onvolledig. Dit kennisargument is een van de sterkste uitdagingen voor de reductie van geest tot materie.
Materialisten reageren op verschillende manieren. Sommigen ontkennen dat Mary iets nieuws leert: ze verwerft geen nieuw feit maar een nieuw vermogen (herkennen, zich voorstellen) of een nieuwe manier om hetzelfde fysische feit te kennen. Anderen (eliminativisten) betwisten dat qualia in de veronderstelde vorm überhaupt bestaan — het „gevoel dat er iets extra's is” zou een illusie zijn die de wetenschap zal ontrafelen. Zo blijft het een levend debat: de intuïtie dat beleving iets eigens is, botst met de wetenschappelijke ambitie om álles fysisch te verklaren.
Voor het examen hoef je het bewustzijnsprobleem niet op te lossen, maar moet je het zuiver kunnen formuleren en de posities kunnen wegen. Let op de verbinding met de vorige paragraaf: het qualiaprobleem is precies de zwakke plek van materialisme én functionalisme, en de kracht van (eigenschaps)dualisme. En let op de verbinding met de vaardigheden: gedachte-experimenten als Mary's kamer, de vleermuis en de zombie zijn argumenten — je mag ze reconstrueren (wat zijn de premissen? waar zit de aanvechtbare aanname?) en beoordelen, precies zoals domein A vraagt.
Uitgewerkt voorbeeld

Mary's kamer als argument reconstrueren

Reconstrueer het argument van Mary's kamer tot premissen en conclusie, en geef aan welke premisse een materialist het beste kan aanvallen.

  1. 01Premisse 1

    Mary kent vóór haar bevrijding alle fysische feiten over kleurwaarneming.

  2. 02Premisse 2

    Toch leert ze iets nieuws wanneer ze voor het eerst rood ziet (namelijk hoe rood eruitziet).

  3. 03Conclusie

    Dus is er een feit over kleurbeleving (het quale) dat geen fysisch feit is; het materialisme is onvolledig.

  4. 04Waar valt het aan te vallen?

    Een materialist bestrijdt het beste premisse 2: Mary leert geen nieuw féít maar verwerft een nieuw vermogen of een nieuwe kennismanier van een feit dat ze al kende. Zo blijft het materialisme overeind.

Resultaat: Het argument gaat van „alle fysische feiten gekend” + „toch iets nieuws geleerd” naar „er zijn niet-fysische feiten”. De materialist ontkent het beste dat het geleerde een nieuw feit is.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het begrip qualia en het onderscheid tussen het gemakkelijke en het moeilijke probleem van het bewustzijn uitleggen.
  • Examendoel: een gedachte-experiment (Mary's kamer, de vleermuis) reconstrueren als argument en beoordelen.

Veelgemaakte fouten

  • Qualia verwarren met emoties of met hersengolven: het gaat om de subjectieve kwaliteit van de beleving zelf, „hoe iets voelt van binnenuit”.
  • Het moeilijke probleem gelijkstellen aan „we weten nog niet genoeg over de hersenen”: het probleem is juist waaróm hersenactiviteit überhaupt met beleving samengaat.

VWO-verdieping

Verdieping: bespreek het zombie-argument van Chalmers (een wezen dat fysisch identiek aan ons is maar geen bewustzijn heeft is denkbaar, dus bewustzijn is niet louter fysisch). Vergelijk de logische structuur met Descartes' denkbaarheidsargument en met Mary's kamer, en onderzoek of „denkbaar” hier werkelijk „mogelijk” impliceert.

Actieve herhaling

Leg uit hoe het qualiaprobleem zowel het materialisme als het functionalisme onder druk zet, en welke positie er juist door versterkt wordt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein B (bewustzijn) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Persoonlijke identiteit door de tijd#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-B

Criteria voor persoonlijke identiteit

Persoonlijke identiteitTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Criterium · Zelfde persoon = · Probleem; Lichaam/brein · zelfde levende lichaam of brein · overzet-intuïtie: geest gaat mee; Geheugen (Locke) · keten van herinnerd bewustzijn · valse/vervagende herinneringen; niet transitief; Relatie R (Parfit) · psychologische continuïteit; identiteit telt niet · splitsing: twee even goede kopieën; Narratief · het samenhangende levensverhaal · wie schrijft het verhaal; zelfbedrog, gemarkeerde cel: psychologische continuïteit; identiteit telt nietCRITERIUMZELFDE PERSOON =PROBLEEMLICHAAM/BREINzelfde levende lichaam ofbreinoverzet-intuïtie: geest gaatmeeGEHEUGEN (LOCKE)keten van herinnerdbewustzijnvalse/vervagendeherinneringen; niettransitiefRELATIE R (PARFIT)psychologische continuïteit;identiteit telt nietsplitsing: twee even goedekopieënNARRATIEFhet samenhangendelevensverhaalwie schrijft het verhaal;zelfbedrogCriteria voor identiteit door de tijd
Afb. 3Afb. 1 — Vier antwoorden op de vraag wat je dezelfde persoon door de tijd maakt.

Kernpunten

Je bent vandaag dezelfde persoon als het kind op je oude schoolfoto, hoewel bijna elke cel is vervangen, je herinneringen zijn veranderd en je karakter is gegroeid. Wat maakt dat je door al die verandering heen dezelfde persoon blijft? Dat is het probleem van de persoonlijke identiteit door de tijd. Afb. 1 zet de belangrijkste criteria naast elkaar. De vraag is niet psychologisch (voel je je dezelfde?) maar metafysisch: wat maakt het letterlijk waar dat de persoon van toen en de persoon van nu één en dezelfde zijn?
Het lichaamscriterium zegt: je bent dezelfde persoon zolang je hetzelfde levende lichaam (of, verfijnd, dezelfde hersenen) hebt. Dit past bij ons alledaagse identificeren van mensen en bij de rechtspraak. Maar het botst met sterke intuïties: in gedachte-experimenten waarin jouw herinneringen en karakter naar een ander lichaam zouden worden overgezet, neigen we te zeggen dat jíj met je geest bent meegegaan, niet dat je in je oude, nu geestloze lichaam bent achtergebleven. Het lichaam lijkt dan niet doorslaggevend.
Locke stelde daarom het geheugen- of psychologische-continuïteitscriterium voor: je bent dezelfde persoon als degene wiens ervaringen je je van binnenuit kunt herinneren; identiteit loopt langs de keten van bewustzijn, niet langs de stof. Dit vangt de intuïtie in de overzet-experimenten en verklaart waarom we mensen ná ingrijpende lichamelijke verandering nog steeds als dezelfde persoon zien. Maar het criterium kent problemen: herinneringen kunnen vals zijn, ze vervagen (herinner jij je nog wat de kleuter zich herinnerde?), en de „brave officier” van Reid laat zien dat geheugen niet transitief hoeft te zijn — precies de eigenschap die identiteit wél moet hebben.
Derek Parfit trekt een radicale conclusie uit teleportatie- en splitsingsexperimenten. Stel dat een machine jou volledig scant, vernietigt en op Mars een exacte kopie met al je herinneringen samenstelt — of erger: twee kopieën. Wie ben jij dan? Bij twee kopieën kun je niet met beide identiek zijn, en het is willekeurig om er één te kiezen. Parfit concludeert dat persoonlijke identiteit „niet is wat telt”: wat er werkelijk toe doet is niet de metafysische identiteit, maar de mate van psychologische continuïteit en verbondenheid (Relatie R). Identiteit kan onbepaald zijn, en dat is minder verontrustend dan het lijkt.
Een derde benadering is de narratieve identiteit: je bent de persoon van het samenhangende levensverhaal dat je (met anderen) over jezelf vertelt. Het zelf is dan geen ding en geen kale keten van herinneringen, maar een verhaal dat verleden, heden en toekomst tot een eenheid smeedt. Voor het examen moet je deze criteria kunnen onderscheiden, met gedachte-experimenten toetsen en tegen elkaar afwegen — en de link leggen met het bredere debat: wie de geest sterk van het lichaam onderscheidt (dualisme), leunt eerder op een psychologisch criterium; wie de mens materieel opvat, eerder op een lichaamscriterium.
Uitgewerkt voorbeeld

Een teleportatiegeval beoordelen

Een teleporter scant en vernietigt je op aarde en bouwt op Mars een exacte kopie met al je herinneringen. Beoordeel volgens het lichaamscriterium en het geheugencriterium of de persoon op Mars jij bent.

  1. 01Lichaamscriterium

    Nee: je oorspronkelijke lichaam is vernietigd en de kopie bestaat uit nieuwe materie. Volgens dit criterium ben jij gestorven en is er een ander ontstaan.

  2. 02Geheugencriterium

    Ja: er is volledige psychologische continuïteit — de kopie herinnert zich van binnenuit jouw leven. Volgens dit criterium ben jij het, verplaatst.

  3. 03Parfits complicatie

    Zou de machine twee kopieën maken, dan kunnen ze niet allebei jou zijn; dat toont dat identiteit hier onbepaald wordt en dat — aldus Parfit — vooral de continuïteit telt, niet de identiteit zelf.

Resultaat: De twee criteria geven tegengestelde antwoorden (lichaam: nee; geheugen: ja); het splitsingsgeval laat zien dat de vraag naar strikte identiteit misschien de verkeerde vraag is.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het lichaamscriterium en het psychologische-continuïteitscriterium onderscheiden en met een gedachte-experiment toetsen.
  • Examendoel: Parfits stelling dat identiteit „niet is wat telt” uitleggen en beoordelen.

Veelgemaakte fouten

  • Persoonlijke identiteit verwarren met karakter of persoonlijkheid: het gaat om de vraag of het numeriek dezelfde persoon is, niet of iemand veranderd is.
  • Het geheugencriterium als sluitend zien en de problemen (valse herinneringen, niet-transitiviteit, splitsing) negeren.

Actieve herhaling

Leg uit waarom het geheugencriterium moeite heeft met het geval van de „brave officier” (iemand herinnert zich zijn jeugddaad wél maar niet meer als bejaarde, terwijl hij zich als officier die jeugd nog herinnerde).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein B (persoonlijke identiteit) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Het lichaam-geestprobleem○
    • 02Posities: dualisme, materialisme en functionalisme◐
    • 03Bewustzijn, qualia en het moeilijke probleem●
    • 04Persoonlijke identiteit door de tijd◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Persoon, lichaam, geest en emotie

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~17
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma filosofie VWO — domein B (lichaam en geest)

Vorig onderwerp

Wijsgerige antropologie: centrale begrippen en toonaangevende visies

Volgend onderwerp

De mens als redelijk wezen

EuraStudy·Samenvattingen T·03·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.