EuraStudy
Samenvattingen/Filosofie/Filosofische vaardigheden: argumentatie, analyse en evaluatie
Samenvattingen · FilosofieNL · VWO

Filosofische vaardigheden: argumentatie, analyse en evaluatie

De wijsgerige vaardigheden vormen domein A van het examenprogramma en zijn de kern van het centraal examen: een filosofische tekst analyseren, een argumentatie reconstrueren, de geldigheid en houdbaarheid ervan beoordelen en zelf een beargumenteerd standpunt innemen. Deze vaardigheden pas je op élk domein en op het examenthema toe.

4 Onderdelen·~18 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0111 / 14
Examenprofiel
Een argumentatie reconstrueren: premissen, conclusie en impliciete aannames herkennenDeductieve geldigheid en deugdelijkheid onderscheiden en beoordelenGeldige argumentvormen en veelvoorkomende drogredenen herkennenFilosofische begrippen analyseren en een helder betoog opbouwen
Operatoren:analyseerreconstrueerleg uitbeoordeelbeargumenteerweerlegtoon aan

basisniveau

Beheers minimaal het reconstrueren van een argument (premissen + conclusie) en het onderscheid geldig/deugdelijk; herken de vier klassieke drogredenen.

verhoogd niveau

Kun je impliciete premissen expliciteren, argumentvormen formeel noteren en in een essay een tegenwerping formuleren én weerleggen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Filosofische vaardigheden: argumentatie, analyse en evaluatie
    • 01Wat is filosoferen? Argumenten herkennen en reconstrueren○
    • 02Geldigheid, deugdelijkheid en argumentvormen◐
    • 03Drogredenen herkennen◐
    • 04Begripsanalyse en het filosofisch betoog●
§ 01

Wat is filosoferen? Argumenten herkennen en reconstrueren#

●○○BasisLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-A

Kernpunten

Filosofie is geen verzameling meningen maar een manier van redeneren: je onderbouwt beweringen met argumenten en onderwerpt die argumenten aan kritiek. Het hart van elke filosofische tekst is daarom een argument, en de eerste vaardigheid die het examen toetst is het reconstrueren daarvan. Afb. 1 laat de basisvorm zien: een of meer premissen (de aannames of redenen) die samen een conclusie (het standpunt) ondersteunen. Reconstrueren betekent dat je uit lopende tekst dit skelet blootlegt: welke zin is de conclusie, en welke zinnen worden aangevoerd om die te steunen?

De structuur van een argument

Premissen → conclusieGraaf, P1: Alle mensen zijn sterfelijk → C: Socrates is sterfelijk, P2: Socrates is een mens → C: Socrates is sterfelijkP1: Alle mensenzijn sterfelijkP2: Socrates iseen mensC: Socrates issterfelijksteuntsteunt
Afb. 1Afb. 1 — Een deductief argument gereconstrueerd: twee premissen ondersteunen samen de conclusie (hier benadrukt).
Je herkent de conclusie vaak aan signaalwoorden als „dus”, „daarom”, „bijgevolg” of „hieruit volgt”, en de premissen aan „omdat”, „want”, „aangezien” of „immers”. Maar signaalwoorden ontbreken vaak. Een betrouwbaarder methode is de waaromvraag: formuleer de these van de auteur en vraag „waarom zou ik dit geloven?” — de zinnen die dát beantwoorden zijn de premissen. Onderscheid daarbij een argument (dat een bewering wíl rechtvaardigen) scherp van een loutere bewering (een standpunt zónder redenen) en van een verklaring (die niet wíl overtuigen dat iets zo is, maar wíl uitleggen waaróm iets gebeurt).
Veel argumenten steunen op een premisse die de auteur niet uitspreekt omdat ze vanzelfsprekend lijkt: de impliciete premisse of vooronderstelling. „Socrates is een mens, dus hij is sterfelijk” mist de algemene premisse „alle mensen zijn sterfelijk”. Zulke verzwegen aannames expliciteren is een kernvaardigheid: pas als álle premissen op tafel liggen, kun je een argument eerlijk beoordelen, en juist in de impliciete premisse schuilt vaak het aanvechtbare punt. Een argument charitabel reconstrueren betekent dat je de sterkste, meest redelijke versie ervan opschrijft (het principe van welwillendheid), niet een karikatuur.
Argumenten komen in twee grondvormen. Een deductief argument claimt dat de conclusie met noodzaak uit de premissen volgt: als de premissen waar zijn, móét de conclusie waar zijn (het Socrates-voorbeeld). Een inductief argument levert alleen waarschijnlijkheid: uit „elke zwaan die ik zag was wit” volgt „alle zwanen zijn wit” slechts met een zekere mate van steun, nooit met noodzaak. Dit onderscheid bepaalt met welke maatstaf je een argument beoordeelt — deductieve argumenten toets je op geldigheid, inductieve op sterkte — en het keert terug in de wetenschapsfilosofie bij het inductieprobleem.
Reconstrueren doe je gestructureerd: nummer de premissen (P1, P2, …), zet de conclusie eronder met een streep of „∴ ” (dus), en controleer of elke premisse echt bijdraagt en of de sprong naar de conclusie klopt. Deze schematische weergave — precies wat Afb. 1 toont — maakt zichtbaar waar een argument staat of valt, en is het gereedschap voor alle volgende stappen: geldigheid toetsen, drogredenen opsporen en een eigen betoog bouwen.
P1,  P2,  …,  Pn    ∴    CP_1,\; P_2,\; \ldots,\; P_n \;\;\therefore\;\; CP1​,P2​,…,Pn​∴C

Argumentschema

Een of meer premissen P ondersteunen een conclusie C. Het teken ∴ betekent „dus/derhalve”.

Uitgewerkt voorbeeld

Een lopende tekst reconstrueren tot een argumentschema

Reconstrueer het argument in de volgende passage tot premissen en conclusie, en maak de impliciete premisse expliciet: „We moeten de doodstraf afschaffen. Een rechtssysteem mag immers geen onherstelbare fouten maken, en bij de doodstraf is elke gerechtelijke dwaling onherstelbaar.”

  1. 01Zoek de conclusie

    De these die verdedigd wordt, herken je aan de waaromvraag. Hier: „We moeten de doodstraf afschaffen.” Het woord „immers” signaleert dat wat volgt de reden is.

  2. 02Zoek de expliciete premissen

    P1: Een rechtssysteem mag geen onherstelbare fouten maken. P2: Bij de doodstraf is elke gerechtelijke dwaling onherstelbaar.

  3. 03Expliciteer de impliciete premisse

    Om van P1 en P2 naar de conclusie te komen is een verzwegen aanname nodig: P3 (impliciet): Een straf die tot onherstelbare fouten kan leiden, moet worden afgeschaft — óf: er kómen gerechtelijke dwalingen voor.

  4. 04Noteer het schema

    P1, P2, (P3) ∴ De doodstraf moet worden afgeschaft. Nu is zichtbaar dat de discussie zich richt op P3: kloppen de aanname dat dwalingen voorkomen en de norm over onherstelbaarheid?

Resultaat: Het gereconstrueerde argument is: P1 (geen onherstelbare fouten) + P2 (doodstraf is onherstelbaar) + impliciete P3 → conclusie (afschaffen). Door P3 te expliciteren wordt het aanvechtbare punt zichtbaar.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: uit een gegeven tekstfragment de conclusie en de premissen halen en het argument in een helder schema weergeven.
  • Examendoel: een impliciete premisse of vooronderstelling van een auteur benoemen en uitleggen waarom die nodig is voor het argument.

Veelgemaakte fouten

  • De conclusie verwarren met de eerste zin: de conclusie kan aan het begin, midden of eind staan — bepaal haar met de waaromvraag, niet met de plaats in de tekst.
  • Een bewering of voorbeeld voor een argument aanzien: zonder aangevoerde redenen is er geen argument, alleen een standpunt of illustratie.

Actieve herhaling

Reconstrueer het volgende argument tot P1, P2, … ∴ C en benoem de impliciete premisse: „Kunstmatige intelligentie kan nooit echt denken, want denken vereist bewustzijn en een machine heeft geen bewustzijn.”

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein A (vaardigheden) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Geldigheid, deugdelijkheid en argumentvormen#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-A

Geldige vormen en hun bedrieglijke tweelingen

Geldig vs. ongeldig bij „als-dan”Tabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Vorm · Schema · Oordeel; Modus ponens · als p dan q; p ∴ q · geldig; Modus tollens · als p dan q; niet-q ∴ niet-p · geldig; Bevestiging consequens · als p dan q; q ∴ p · ongeldig (drogreden); Ontkenning antecedens · als p dan q; niet-p ∴ niet-q · ongeldig (drogreden), gemarkeerde cel: geldigVORMSCHEMAOORDEELMODUS PONENSals p dan q; p ∴ qgeldigMODUS TOLLENSals p dan q; niet-q ∴ niet-pgeldigBEVESTIGINGCONSEQUENSals p dan q; q ∴ pongeldig (drogreden)ONTKENNINGANTECEDENSals p dan q; niet-p ∴ niet-qongeldig (drogreden)Vier conditionele argumentvormen
Afb. 3Afb. 2 — Twee geldige vormen (ponens, tollens) tegenover twee drogredenen met dezelfde „als-dan”-premisse.

Kernpunten

Een deductief argument beoordeel je op twee losse eigenschappen die je nooit mag verwarren. Geldigheid gaat over de vórm: een argument is geldig als het onmogelijk is dat de premissen waar zijn terwijl de conclusie onwaar is — de waarheid wordt met noodzaak van premissen naar conclusie doorgegeven. Deugdelijkheid (Engels: soundness) is méér: een argument is deugdelijk als het geldig ís én alle premissen feitelijk waar zijn. Een geldig argument met een valse premisse kan een valse conclusie hebben; alleen een deugdelijk argument garandeert een ware conclusie.
Cruciaal is dat geldigheid onafhankelijk is van de feitelijke waarheid van de premissen. „Alle katten kunnen vliegen; Minoes is een kat; dus Minoes kan vliegen” is volkomen geldig — de vorm klopt — maar niet deugdelijk, want de eerste premisse is onwaar. Omgekeerd kan een argument met louter ware zinnen tóch ongeldig zijn als de conclusie er niet uit vólgt. Bij het examen moet je daarom apart aangeven of je een argument op de vorm (geldig?) of op de inhoud (zijn de premissen waar?) aanvalt.
De geldigheid van veel alledaagse argumenten hangt aan het woordje „als … dan”. De materiële implicatie „als p, dan q” is per afspraak alleen onwaar wanneer p waar is en q onwaar; in alle andere gevallen is ze waar. Afb. 1 geeft deze waarheidstabel: onthoud haar goed, want ze verklaart waarom sommige „als-dan”-redeneringen geldig zijn en andere bedrieglijk. Op deze implicatie berusten de twee belangrijkste geldige argumentvormen én twee beruchte drogredenen.
De twee geldige vormen zijn modus ponens en modus tollens. Modus ponens (de bevestigende wijs): „als p dan q; p is het geval; dus q”. Modus tollens (de ontkennende wijs): „als p dan q; q is níét het geval; dus p is niet het geval”. Beide geven de waarheid noodzakelijk door. Afb. 2 zet ze naast hun bedrieglijke tweelingen: het bevestigen van het consequens („als p dan q; q; dus p”) en het ontkennen van het antecedens („als p dan q; niet-p; dus niet-q”) — beide óngeldig, hoe overtuigend ze ook klinken.

Waarheidstabel van de materiële implicatie

Waarheidstabel: p → qTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: p · q · p → q; waar · waar · waar; waar · onwaar · onwaar; onwaar · waar · waar; onwaar · onwaar · waar, gemarkeerde cel: onwaarPQP → QwaarwaarwaarwaaronwaaronwaaronwaarwaarwaaronwaaronwaarwaarWaarheidstabel materiële implicatie
Afb. 2Afb. 1 — De implicatie „als p, dan q” is alleen onwaar bij een ware p en een onware q.
Naast de deductieve geldigheid ken je ook andere argumentvormen die het examen noemt: het analogieargument (twee gevallen lijken op elkaar, dus wat voor het ene geldt, geldt voor het andere — sterk of zwak naargelang de gelijkenis relevant is), het argument uit gezag (een deskundige beweert x — alleen steekhoudend als de bron werkelijk deskundig en onpartijdig is) en het inductieve generalisatieargument. Deze zijn niet deductief geldig maar kunnen wél sterk of zwak zijn; je beoordeelt ze op de relevantie en representativiteit van wat wordt aangevoerd.
Modus ponens:(p→q),  p    ⊢    q\text{Modus ponens:}\quad (p \rightarrow q),\; p \;\;\vdash\;\; qModus ponens:(p→q),p⊢q

Geldig

Als de implicatie waar is en het antecedens p waar is, volgt het consequens q met noodzaak.

Modus tollens:(p→q),  ¬q    ⊢    ¬p\text{Modus tollens:}\quad (p \rightarrow q),\; \neg q \;\;\vdash\;\; \neg pModus tollens:(p→q),¬q⊢¬p

Geldig

Als de implicatie waar is en het consequens q onwaar is, moet ook het antecedens p onwaar zijn.

Uitgewerkt voorbeeld

Geldig én deugdelijk? Twee argumenten toetsen

Beoordeel voor elk argument (a) of het geldig is en (b) of het deugdelijk is. Argument 1: „Als het regent, is de straat nat. De straat is nat. Dus het regent.” Argument 2: „Als het regent, is de straat nat. Het regent. Dus de straat is nat.”

  1. 01Herken de vorm van argument 1

    „als p dan q; q; dus p” — dit is het bevestigen van het consequens. De straat kan ook nat zijn door een sproei-installatie.

  2. 02Oordeel over argument 1

    Ongeldig: de premissen kunnen waar zijn (regen → nat, straat nat) terwijl de conclusie (het regent) onwaar is. Omdat het al ongeldig is, is het sowieso niet deugdelijk.

  3. 03Herken de vorm van argument 2

    „als p dan q; p; dus q” — dit is modus ponens, een geldige vorm.

  4. 04Oordeel over argument 2

    Geldig. En als de premissen feitelijk waar zijn (regen maakt de straat inderdaad nat, en het regent), dan is het ook deugdelijk en is de conclusie gegarandeerd waar.

Resultaat: Argument 1 is ongeldig (bevestiging van het consequens). Argument 2 is geldig (modus ponens) en bij ware premissen deugdelijk.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: aangeven of een deductief argument geldig is en dat scheiden van de vraag of het deugdelijk is (zijn de premissen waar?).
  • Examendoel: modus ponens en modus tollens herkennen en onderscheiden van het bevestigen van het consequens en het ontkennen van het antecedens.

Veelgemaakte fouten

  • Geldigheid en waarheid verwarren: een geldig argument kan valse premissen en een valse conclusie hebben; een argument met ware premissen kan ongeldig zijn.
  • Het bevestigen van het consequens voor modus ponens aanzien, omdat de zinnen op elkaar lijken — let scherp op wélke term wordt bevestigd.

Actieve herhaling

Noteer het volgende argument als „als-dan”-schema, benoem de vorm en beoordeel de geldigheid: „Als iemand vrij handelt, is hij verantwoordelijk. Kaya is niet verantwoordelijk. Dus Kaya handelde niet vrij.”

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein A (argumentatie en logica) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Drogredenen herkennen#

●●○StandaardLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-A

Veelvoorkomende drogredenen

Vijf klassieke drogredenenTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Drogreden · Wat er misgaat · Voorbeeld; Ad hominem · aanval op de persoon i.p.v. op het argument · „Negeer haar pleidooi, ze is partijdig.”; Stroman · vervormt het standpunt tot een karikatuur · „Je wilt dus totale anarchie?”; Cirkelredenering · neemt de conclusie al aan in een premisse · „Het is waar want het staat er.”; Vals dilemma · doet alsof er maar twee opties zijn · „Voor ons of tegen ons.”; Hellend vlak · claimt een onvermijdelijke rampketen · „Eén uitzondering en alles stort in.”DROGREDENWAT ER MISGAATVOORBEELDAD HOMINEMaanval op de persoon i.p.v.op het argument„Negeer haar pleidooi, ze ispartijdig.”STROMANvervormt het standpunt toteen karikatuur„Je wilt dus totaleanarchie?”CIRKELREDENERINGneemt de conclusie al aan ineen premisse„Het is waar want het staater.”VALS DILEMMAdoet alsof er maar tweeopties zijn„Voor ons of tegen ons.”HELLEND VLAKclaimt een onvermijdelijkerampketen„Eén uitzondering en allesstort in.”Drogredenen op het examen
Afb. 4Afb. 1 — De drogredenen die het centraal examen het vaakst vraagt, met omschrijving en voorbeeld.

Kernpunten

Een drogreden (Latijn: fallacia) is een redenering die overtuigend lijkt maar niet steekhoudend is: de conclusie volgt niet werkelijk uit de premissen, of er wordt iets binnengesmokkeld dat niet ter zake doet. Afb. 1 zet de drogredenen op een rij die het examen het vaakst vraagt. Het herkennen ervan is een evaluatievaardigheid: je laat zien niet alleen wát iemand beweert, maar of de manier van redeneren deugt. Drogredenen zijn gevaarlijk juist omdat ze retorisch werken — ze spelen in op emotie, gezag of onze neiging tot vereenvoudiging.
De persoonsgerichte drogreden (argumentum ad hominem) valt niet het argument aan maar de persoon die het geeft: „je hoeft niet te luisteren naar haar pleidooi voor gezond eten, ze is zelf te dik”. De waarheid van een bewering hangt echter niet af van wie haar uitspreekt. Verwant is het beroep op ongepast gezag (argumentum ad verecundiam): een bewering waar aannemen alleen omdat een beroemdheid of een deskundige-buiten-zijn-vakgebied haar steunt. Een beroep op gezag is niet altijd fout — bij een echte deskundige is het redelijk — maar wél als de bron niet ter zake deskundig of niet onpartijdig is.
De stromandrogreden (stro-manargument) vervormt het standpunt van de tegenstander tot een zwakkere, karikaturale versie die makkelijk te weerleggen is, en doet alsof dáármee het echte standpunt is verslagen. Het is de tegenpool van charitabel reconstrueren. De cirkelredenering (petitio principii, begging the question) neemt in een van de premissen al aan wat bewezen moet worden: „God bestaat, want dat staat in de Bijbel, en de Bijbel is waar omdat ze het woord van God is.” De conclusie zit verstopt in de premisse, dus er wordt niets bewezen.
Het valse dilemma stelt twee opties voor alsof het de enige zijn, terwijl er meer mogelijkheden zijn: „je bent vóór ons of tégen ons”. De hellend-vlakdrogreden (slippery slope) beweert dat één stap onvermijdelijk tot een reeks rampen leidt, zonder die noodzakelijke keten aannemelijk te maken: „als we euthanasie toestaan, eindigen we onvermijdelijk bij het doden van iedereen die de maatschappij tot last is”. Andere veelgevraagde drogredenen zijn de cirkel van oorzaak en gevolg (na elkaar ≠ door elkaar, post hoc), het beroep op onwetendheid (niet bewezen dat het níét zo is, dus het is zo) en het beroep op de massa (iedereen doet het, dus het is goed).
Bij het examen volstaat het niet om de Latijnse naam te noemen: je moet uitleggen wáárom de redenering niet deugt. De vaste formule is: (1) benoem de drogreden, (2) geef aan welk verband tussen premissen en conclusie ontbreekt of welke sprong onterecht is, en (3) laat zien wat er nodig zou zijn om het argument wél steekhoudend te maken. Zo koppel je het herkennen van drogredenen terug aan de geldigheids- en deugdelijkheidsanalyse uit de vorige paragraaf.
Uitgewerkt voorbeeld

Een drogreden benoemen én uitleggen waarom hij niet deugt

In een debat zegt een politicus: „Mijn tegenstander pleit voor lagere straffen. Maar hij heeft zelf ooit een boete gehad, dus we hoeven niet naar hem te luisteren.” Welke drogreden is dit? Leg uit waarom de redenering niet steekhoudend is.

  1. 01Benoem de drogreden

    Dit is een argumentum ad hominem: de spreker valt de persoon (zijn verleden) aan, niet het inhoudelijke standpunt over strafmaat.

  2. 02Wijs de ontbrekende schakel aan

    Of iemand ooit een boete kreeg, staat volledig los van de vraag of lagere straffen een goed idee zijn. De premisse is niet relevant voor de conclusie.

  3. 03Laat zien wat wél nodig was

    Om het pleidooi te weerleggen had de politicus inhoudelijke tegenargumenten moeten geven — bijvoorbeeld dat lagere straffen de afschrikking verminderen — niet een verwijzing naar het verleden van de tegenstander.

Resultaat: Het is een ad hominem: de relevantie tussen premisse (het verleden) en conclusie (niet luisteren) ontbreekt; alleen inhoudelijke tegenargumenten zouden steekhoudend zijn.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: in een tekst of debat een drogreden aanwijzen, correct benoemen én uitleggen waarom de redenering niet steekhoudend is.
  • Examendoel: onderscheiden wanneer een beroep op gezag of een analogie legitiem is en wanneer het een drogreden wordt.

Veelgemaakte fouten

  • Alleen de naam van de drogreden noemen zonder uit te leggen welke sprong of welk ontbrekend verband de redenering ondeugdelijk maakt.
  • Elke felle of persoonlijke opmerking meteen „ad hominem” noemen: het is pas een drogreden als de persoonsaanval de plááts inneemt van een inhoudelijk argument.

Actieve herhaling

Benoem de drogreden en leg uit waarom hij niet deugt: „Bijna iedereen gelooft in een leven na de dood, dus het zal wel bestaan.”

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein A (evaluatie van argumentatie) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Begripsanalyse en het filosofisch betoog#

●●●VerdiepingLPexamenblad-filosofie-vwo-domein-A

De structuur van een filosofisch betoog

Opbouw van een betoogGraaf, Stelling (these) → Argumenten voor, Argumenten voor → Onderbouwde conclusie, Stelling (these) → Tegenwerping, Tegenwerping → Weerlegging, Weerlegging → Onderbouwde conclusieStelling (these)Argumenten voorTegenwerpingWeerleggingOnderbouwdeconclusiesteuntroept opversterkt
Afb. 5Afb. 1 — De dialectische opbouw van een essay: stelling en argumenten, met een tegenwerping die wordt weerlegd.

Kernpunten

Filosofie draait om precisie in begrippen: „vrijheid”, „kennis”, „rechtvaardig” of „mens” betekenen in het dagelijks spraakgebruik van alles, en een groot deel van het filosofische werk bestaat uit het analyseren en scherp definiëren van zulke begrippen. Begripsanalyse zoekt naar de voorwaarden waaronder een begrip terecht wordt toegepast. Het krachtigste instrument daarbij is het onderscheid tussen een noodzakelijke voorwaarde (zonder haar valt het begrip niet toe te passen) en een voldoende voorwaarde (haar aanwezigheid garandeert de toepassing). Afb. 1 toont hoe een filosofisch betoog rond zo'n analyse en de bijbehorende argumenten wordt opgebouwd.
Een noodzakelijke voorwaarde voor „vrijgezel” is „ongehuwd”: wie gehuwd is, is beslist geen vrijgezel. Maar „ongehuwd” is niet voldoende, want een ongehuwde vrouw is ook geen vrijgezel; pas de combinatie „ongehuwd én man én volwassen” is voldoende. In de kennisleer draait de klassieke definitie „kennis is ware, gerechtvaardigde overtuiging” om precies zulke voorwaarden, en het Gettierprobleem toont dat ze samen tóch niet voldoende zijn. Een definitie testen doe je met tegenvoorbeelden: bedenk een geval dat wél onder de definitie valt maar intuïtief niet onder het begrip (of andersom). Eén raak tegenvoorbeeld weerlegt een voorgestelde definitie.
Sommige begrippen laten zich niet in scherpe noodzakelijke-en-voldoende voorwaarden vangen. Wittgensteins beroemde voorbeeld is „spel”: bordspelen, balspelen en rollenspelen delen geen enkel kenmerk dat álle spelen én alléén spelen hebben. In plaats daarvan is er een web van overlappende gelijkenissen — familiegelijkenis (Familienähnlichkeit). Dit inzicht matigt de zoektocht naar dé definitie: soms is het filosofisch juister de samenhangende variatie van een begrip in kaart te brengen dan één sluitende definitie te forceren.
Het examen vraagt niet alleen om analyse maar ook om een eigen, beargumenteerd standpunt: het filosofisch betoog of essay. Een goed betoog heeft een heldere stelling (these), enkele expliciete argumenten die haar steunen, en — dat is het niveau van het vwo — minstens één serieuze tegenwerping die je eerlijk (charitabel) weergeeft en vervolgens weerlegt of inperkt. Afb. 1 geeft deze dialectische structuur weer: stelling → argumenten → tegenwerping → weerlegging → conclusie. Door de sterkste tegenwerping te bespreken maak je je eigen positie geloofwaardiger, niet zwakker.
De kwaliteit van een betoog beoordeel je met alle voorgaande vaardigheden tegelijk: zijn de argumenten geldig en deugdelijk (paragraaf 2), vermijd je drogredenen (paragraaf 3), en zijn je kernbegrippen zuiver gedefinieerd (deze paragraaf)? Let ook op consistentie (geen tegenstrijdige aannames), op relevantie (elk argument moet echt bijdragen) en op het onderscheid tussen descriptieve beweringen (hoe iets ís) en normatieve beweringen (hoe iets hóórt te zijn) — dat laatste onderscheid keert terug in de ethiek als de is-hoort-kwestie. Zo is domein A geen losstaand trucje maar het gereedschap waarmee je élk ander domein en het examenthema binnengaat.
Uitgewerkt voorbeeld

Een definitie toetsen met een tegenvoorbeeld

Iemand stelt voor: „Een leugen is een onware bewering.” Toets deze definitie met de begrippen noodzakelijke en voldoende voorwaarde, en bedenk een tegenvoorbeeld.

  1. 01Vraag: is onwaarheid noodzakelijk?

    Niet duidelijk: iemand kan liegen door iets te zeggen dat toevallig waar blijkt, terwijl hij denkt dat het onwaar is. Onwaarheid is dus zelfs niet zeker noodzakelijk.

  2. 02Vraag: is onwaarheid voldoende?

    Nee. Wie zich vergist en te goeder trouw iets onwaars zegt, liegt niet. Er ontbreekt de intentie om te misleiden.

  3. 03Geef een tegenvoorbeeld

    Een arts die per ongeluk een verkeerde diagnose stelt, doet een onware bewering maar liegt niet. Dit geval valt wél onder de definitie maar niet onder het begrip „leugen”.

  4. 04Verbeter de definitie

    Voeg de ontbrekende voorwaarde toe: een leugen is een bewering die de spreker zélf voor onwaar houdt en met de bedoeling te misleiden doet. Het tegenvoorbeeld valt daar terecht buiten.

Resultaat: De definitie „onware bewering” faalt: onwaarheid is niet voldoende (de misleidende intentie ontbreekt). Het tegenvoorbeeld van de vergissende arts dwingt tot een betere definitie.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een begrip analyseren in termen van noodzakelijke en voldoende voorwaarden en een voorgestelde definitie toetsen met een tegenvoorbeeld.
  • Examendoel: een beargumenteerd standpunt innemen in een betoog waarin je een tegenwerping eerlijk weergeeft en weerlegt.

Veelgemaakte fouten

  • Noodzakelijke en voldoende voorwaarde verwisselen: „ongehuwd” is noodzakelijk maar niet voldoende voor „vrijgezel”.
  • In een essay de tegenwerping weglaten of als karikatuur neerzetten (stroman) in plaats van haar sterkste versie te weerleggen.

VWO-verdieping

Verdieping: Wittgensteins familiegelijkenis stelt de klassieke definitie-eis ter discussie. Bespreek voor een begrip naar keuze (bijv. „religie” of „spel”) of het zich in scherpe voorwaarden laat vangen dan wel beter als een cluster van overlappende gelijkenissen te begrijpen is — en wat dat betekent voor de haalbaarheid van sluitende definities in de filosofie.

Actieve herhaling

Analyseer het begrip „kunstwerk” in noodzakelijke en voldoende voorwaarden en bedenk één tegenvoorbeeld tegen de definitie „een kunstwerk is een voorwerp dat in een museum staat”.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein A (begripsanalyse en betoog) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Wat is filosoferen? Argumenten herkennen en reconstrueren○
    • 02Geldigheid, deugdelijkheid en argumentvormen◐
    • 03Drogredenen herkennen◐
    • 04Begripsanalyse en het filosofisch betoog●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Filosofische vaardigheden: argumentatie, analyse en evaluatie

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~18
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma filosofie VWO — domein A (vaardigheden)

Volgend onderwerp

Wijsgerige antropologie: centrale begrippen en toonaangevende visies

EuraStudy·Samenvattingen T·01·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.