EuraStudy
Samenvattingen/Engels/Literatuurgeschiedenis (English literary history)
Samenvattingen · EngelsNL · VWO

Literatuurgeschiedenis (English literary history)

Literatuurgeschiedenis plaatst Engelstalige werken in hun literair-historische en cultuurhistorische context: je kent de grote periodes (Medieval, Renaissance, Restoration en 18e eeuw, Romanticism, Victorian, Modernism, Postmodern) met hun kenmerken en sleutelauteurs. Dit is nadrukkelijk VWO-stof — op de HAVO blijft het lichter. Het hoort bij domein E (Literatuur), subdomein literatuurgeschiedenis, en wordt in het schoolexamen (SE) getoetst — niet in het centraal examen.

4 Onderdelen·~16 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·141414 / 15
Examenprofiel
De grote periodes van de Engelse literatuur benoemen, globaal dateren en op volgorde zettenKenmerken van een periode of stroming herkennen in een fragment en verbinden met de tijdgeestSleutelauteurs en -werken per periode plaatsen en een werk in zijn cultuurhistorische context duiden
Operatoren:plaats in de tijdbenoemherkenverbind met de contextleg uitvergelijk

basisniveau

Literatuurgeschiedenis is schoolexamenstof (domein E); je kent de hoofdlijnen van de periodisering en de belangrijkste auteurs.

verhoogd niveau

Literatuurgeschiedenis is nadrukkelijk VWO-stof: je herkent periodekenmerken in een fragment en verbindt een werk met zijn cultuurhistorische context — op de HAVO blijft dit lichter.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Literatuurgeschiedenis (English literary history)
    • 01Middeleeuwen en Renaissance○
    • 02De 17e en 18e eeuw: Restoration, Verlichting en de opkomst van de roman◐
    • 03Romantiek en het Victoriaanse tijdperk◐
    • 04De twintigste eeuw: modernisme en postmodernisme●
§ 01

Middeleeuwen en Renaissance#

●○○BasisLPexamenblad-nl-engels-vwo-domein-E

Kernpunten

De Engelse literatuurgeschiedenis strekt zich uit over meer dan duizend jaar, en Afb. 1 zet de hoofdlijn op een tijdlijn: van het Oudengels rond het jaar 1000 tot de hedendaagse literatuur. De vroegste periode is die van het Oudengels (Old English of Angelsaksisch, circa 450–1066). Het bekendste werk is het heldenepos Beowulf, overgeleverd in één handschrift van omstreeks het jaar 1000 en geschreven in allitererend vers zonder eindrijm. Oudengels is voor de moderne lezer onverstaanbaar zonder vertaling: het is een Germaanse taal die nog nauwelijks op het huidige Engels lijkt. Afb. 1 helpt je deze en de volgende periodes in de juiste volgorde en tijd te plaatsen.

Afb. 1 — Tijdlijn van de Engelse literaire periodes

Engelse literaire periodesGetallenlijn, Oudengels · Beowulf, Middelengels · Chaucer, Renaissance · Shakespeare, Restoration & 18e eeuw, Romantiek, Victoriaans, Modernisme, Postmodern800100012001400160018002000Oudengels ·BeowulfMiddelengels ·ChaucerRenaissance ·ShakespeareRestoration & 18eeeuwRomantiekVictoriaansModernismePostmodern
Afb. 1De hoofdlijn van de Engelse literatuurgeschiedenis op een jaaras. De jaartallen zijn bij benadering (periodemidden), niet exact — ze plaatsen elke periode ten opzichte van de andere.
Met de Normandische verovering van 1066 begint het Middelengels (Middle English, circa 1066–1500): het Frans van de nieuwe heersers vermengt zich met het Engels, dat daardoor sterk verandert. De grote naam is Geoffrey Chaucer (circa 1343–1400), wiens onvoltooide The Canterbury Tales (eind veertiende eeuw) een bonte groep pelgrims op weg naar Canterbury elk een verhaal laat vertellen — een raamvertelling die een dwarsdoorsnede van de middeleeuwse samenleving toont. Chaucers Middelengels is met enige moeite en wat hulp al herkenbaar als Engels, anders dan het Oudengels van Beowulf.
De Renaissance (of Early Modern period, circa 1500–1660) brengt de wedergeboorte van de klassieke oudheid en het humanisme naar Engeland. Het is de bloeitijd van het sonnet en vooral van het drama: in het Elizabethaanse en Jacobijnse theater (met de Globe in Londen) schrijft William Shakespeare (1564–1616) zijn toneelstukken en sonnetten, naast tijdgenoten als Christopher Marlowe. Veel toneel is in blank verse geschreven. Aan het einde van de periode staat John Milton (1608–1674) met zijn grote epos Paradise Lost (1667). Zo verschuift het zwaartepunt van de verhalende poëzie van Chaucer naar het bloeiende drama en de lyriek van de Renaissance.
Deze werken zijn niet los te zien van hun tijd. De middeleeuwse en vroegmoderne wereld dacht in een vaste ordening — de Great Chain of Being, de keten die alles van God tot steen een vaste plaats gaf — terwijl het humanisme van de Renaissance de mens en het klassieke leren centraal stelde. De ontdekkingsreizen verbreedden de horizon, en de Reformatie zette kerk en samenleving op hun kop. Die spanning tussen orde en vernieuwing zie je terug in de literatuur: Shakespeares tragedies draaien vaak om een verstoorde orde die hersteld moet worden.
Voor het examen moet je Beowulf, Chaucer en Shakespeare in de juiste periode kunnen plaatsen en globaal dateren, en de kenmerken herkennen. Een fragment in onbegrijpelijk, Germaans ogend Engels wijst op Oudengels (Beowulf); een fragment in vreemd gespeld maar herkenbaar Engels op Middelengels (Chaucer); en een toneelfragment in blank verse met humanistische thema's op de Renaissance (Shakespeare). Het taalbeeld is vaak je snelste aanwijzing voor de periode.
Uitgewerkt voorbeeld

Een fragment dateren op taalkenmerken

Een fragment opent met de regels „Whan that Aprille with his shoures soote / The droghte of Marche hath perced to the roote”. Bepaal de periode, de taal, het werk en de auteur.

  1. 01De taal typeren

    De spelling („Whan”, „Aprille”, „shoures soote”, „droghte”) is vreemd maar met moeite herkenbaar als Engels: dit is Middelengels, niet het onverstaanbare Oudengels.

  2. 02Het werk herkennen

    Deze beroemde openingsregels over april en de lente horen bij de proloog van The Canterbury Tales.

  3. 03Auteur en tijd plaatsen

    De auteur is Geoffrey Chaucer; het werk dateert uit de late veertiende eeuw, de Middelengelse periode.

Resultaat: Middelengels; The Canterbury Tales van Geoffrey Chaucer, eind veertiende eeuw — herkenbaar aan de Middelengelse spelling en de pelgrimsproloog.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: Beowulf, The Canterbury Tales en een werk van Shakespeare in de juiste periode plaatsen en globaal dateren.
  • Examendoel: kenmerken van de Renaissance (humanisme, het sonnet, bloeiend drama, blank verse) in een fragment herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • Chaucer en Shakespeare in dezelfde periode plaatsen; Chaucer schrijft Middelengels in de veertiende eeuw, Shakespeare in de Renaissance van de late zestiende en vroege zeventiende eeuw.
  • „Old English” lezen als „oud maar leesbaar Engels”; het Oudengels van Beowulf is voor de moderne lezer onverstaanbaar zonder vertaling.

Actieve herhaling

Zet Beowulf, The Canterbury Tales en een toneelstuk van Shakespeare op de tijdlijn van Afb. 1 en benoem per werk één taalkundig of inhoudelijk kenmerk dat bij de periode hoort.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

§ 02

De 17e en 18e eeuw: Restoration, Verlichting en de opkomst van de roman#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-engels-vwo-domein-E

Kernpunten

In 1660 keert met de troonsbestijging van Charles II de monarchie terug, en die Restoration geeft haar naam aan de periode. De onder de puriteinen gesloten theaters gaan weer open, en op het toneel bloeit de comedy of manners: geestige, satirische komedies over de zeden van de hogere kringen. De toon is werelds, gevat en scherp — een reactie op de strenge jaren daarvoor. Zo vormt de Restoration de brug tussen de Renaissance en de achttiende eeuw.
De achttiende eeuw staat in het teken van de Verlichting (the Enlightenment) en van het neoclassicisme, ook wel de Augustan age genoemd. De idealen zijn rede, orde, maat en helderheid, en het scherpste wapen is de satire: het bespotten van dwaasheid en misstanden om te verbeteren. Alexander Pope perfectioneert de heroic couplet in verzen vol geestige spot; Jonathan Swift hekelt in Gulliver's Travels (1726) via reizen naar fictieve landen de politiek en de menselijke hoogmoed; en Samuel Johnson stelt in 1755 zijn gezaghebbende Dictionary of the English Language samen. Rede en vernuft, niet gevoel, staan hier voorop.
De belangrijkste ontwikkeling van de eeuw is de opkomst van de roman (the rise of the novel) als nieuwe, dominante vorm. Daniel Defoe schrijft met Robinson Crusoe (1719) een van de eerste; Samuel Richardson vernieuwt met de brief- of epistolaire roman Pamela (1740); en Henry Fielding levert met Tom Jones (1749) een breed, komisch panorama. De roman biedt iets nieuws: een lang prozaverhaal over gewone individuen en hun dagelijkse, realistische ervaring, in plaats van goden en helden. Daarmee ontstaat het genre dat de negentiende en twintigste eeuw zal domineren.
Waarom kwam de roman juist toen op? Het antwoord ligt in de maatschappelijke context. De Verlichting waardeerde het individu en de rede; het empirisme richtte de aandacht op de concrete, waarneembare werkelijkheid; de boekdrukkunst en een groeiende, geletterde middenklasse schiepen een lezerspubliek met tijd, geld en belangstelling voor verhalen over mensen zoals zijzelf. In de koffiehuizen werd volop gelezen en gedebatteerd. De roman, met zijn realisme en zijn aandacht voor het individu, paste precies bij deze nieuwe, burgerlijke wereld.
Voor het examen moet je de opkomst van de roman als een achttiende-eeuwse ontwikkeling kunnen plaatsen en Swift, Defoe en Pope kunnen thuisbrengen. Herken de periodekenmerken in een fragment: rede, orde en vooral satire wijzen op de neoclassicistische achttiende eeuw. Denk erom dat satire geen grap om de grap is, maar kritiek met een doel — bij Swift is de humor het middel om misstanden te ontmaskeren.
Uitgewerkt voorbeeld

Een werk dateren op periodekenmerken

Een prozawerk uit 1726 laat de hoofdpersoon naar fictieve landen reizen en hekelt zo de politiek van de tijd en de menselijke hoogmoed. Bepaal het werk, de auteur, de periode en het kenmerk.

  1. 01Het kenmerk herkennen

    Fictieve reizen die de politiek en de menselijke ijdelheid bespotten, zijn een schoolvoorbeeld van satire — het centrale middel van de achttiende eeuw.

  2. 02De periode plaatsen

    Het jaartal 1726 valt in de achttiende eeuw, de tijd van de Verlichting en het neoclassicisme.

  3. 03Werk en auteur benoemen

    Het werk is Gulliver's Travels van Jonathan Swift, de bekendste satiricus van de periode.

Resultaat: Gulliver's Travels (Jonathan Swift, 1726), een achttiende-eeuwse verlichtingssatire — herkenbaar aan de satire als middel voor maatschappijkritiek.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de opkomst van de roman als een achttiende-eeuwse ontwikkeling benoemen en één sleutelwerk met auteur noemen.
  • Examendoel: neoclassicistische kenmerken (rede, orde, satire) in een fragment herkennen en aan de Verlichting koppelen.

Veelgemaakte fouten

  • De roman als vorm te vroeg dateren; als dominant genre komt hij pas in de achttiende eeuw op, niet in de Renaissance.
  • Satire lezen als „grappig bedoeld” in plaats van als kritiek met een verbeterend doel (Swift hekelt de politiek en de hoogmoed).

Actieve herhaling

Leg in een korte alinea uit waarom de roman juist in de achttiende eeuw opkwam; noem twee maatschappelijke factoren en één sleutelwerk met auteur en jaartal.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

§ 03

Romantiek en het Victoriaanse tijdperk#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-engels-vwo-domein-E

Kernpunten

De Romantiek (circa 1798–1830) breekt met de achttiende-eeuwse rede en stelt gevoel en verbeelding centraal, zoals de linkertak van Afb. 2 samenvat. Als startpunt geldt de bundel Lyrical Ballads (1798) van William Wordsworth en Samuel Taylor Coleridge. De kernkenmerken zijn: de natuur als bron van troost en ontzag, het gevoel en de verbeelding boven de rede, het individu en zijn innerlijk, en het sublieme (the sublime) — de ontzagwekkende, haast beangstigende grootsheid van de natuur. Naast Wordsworth en Coleridge horen William Blake, Lord Byron, Percy Bysshe Shelley en John Keats tot de Romantics; Mary Shelley schreef met Frankenstein (1818) een van de beroemdste werken van de periode.

Afb. 2 — Romantiek tegenover het Victoriaanse tijdperk

Romantiek — VictoriaansBoomdiagram, 6 paden, Gegevens: Romantiek → Natuur & het sublieme; Romantiek → Gevoel & verbeelding; Romantiek → Het individu; Victoriaans → Realisme; Victoriaans → Moraal & fatsoen; Victoriaans → Maatschappijkritiek & industrieRomantiekVictoriaansDe 19e eeuwNatuur & het subliemeGevoel & verbeeldingHet individuRealismeMoraal & fatsoenMaatschappijkritiek & industrie
Afb. 2Twee onderscheiden negentiende-eeuwse periodes met tegengestelde waarden: de Romantiek van natuur en gevoel tegenover het Victoriaanse realisme en de maatschappijkritiek.
De Romantiek is een reactie op haar tijd. De Industriële Revolutie liet fabrieken en steden uit de grond rijzen en vervreemdde de mens van de natuur; de Franse Revolutie wekte hoop op vrijheid en individuele waardigheid. Tegen de rationele, mechanische wereld in verheerlijkten de Romantici het gevoel, de natuur en de scheppende verbeelding. De dichter werd gezien als een ziener, iemand die dieper voelt en verder kijkt dan de gewone mens. Wie een fragment leest waarin een berglandschap ontzag en verheven gevoelens oproept, herkent onmiddellijk de Romantische geest.
Het Victoriaanse tijdperk (1837–1901, de regeringsjaren van koningin Victoria) heeft heel andere waarden, zoals de rechtertak van Afb. 2 toont. De kenmerken zijn: realisme, morele ernst en fatsoen (respectability), scherpe maatschappijkritiek en een sterke aandacht voor de gevolgen van de industrialisatie. De roman is nu het dominante genre. Charles Dickens stelt in romans als Oliver Twist en Great Expectations de armoede en het onrecht aan de kaak; de zussen Brontë (Charlotte met Jane Eyre, Emily met Wuthering Heights, beide 1847), George Eliot en Thomas Hardy verdiepen de roman verder, terwijl dichters als Alfred Tennyson en Robert Browning (met zijn dramatic monologue) de poëzie dragen.
Ook het Victoriaanse tijdperk begrijp je pas vanuit zijn context. Het Britse Rijk was op zijn hoogtepunt, de industriële steden groeiden explosief, en de kloof tussen arm en rijk was enorm — precies wat Dickens blootlegde. Tegelijk wankelde het wereldbeeld: de wetenschap, met Charles Darwins evolutietheorie, botste met het geloof en zaaide twijfel onder de uiterlijke zekerheid. Vooruitgang en onbehagen gingen hand in hand. De Victoriaanse literatuur weerspiegelt die dubbelheid: zelfvertrouwen en moraal aan de oppervlakte, onzekerheid en kritiek eronder.
Voor het examen is het cruciaal Romantiek en Victoriaans niet als één negentiende-eeuws blok te zien, maar als twee onderscheiden periodes met tegengestelde accenten — de tegenstelling die Afb. 2 vasthoudt. Een fragment vol natuur, gevoel en het sublieme wijst op de Romantiek; een fragment met realistische maatschappijkritiek en morele ernst op het Victoriaanse tijdperk. Zo verschuift het zwaartepunt binnen de negentiende eeuw van de poëzie van het gevoel naar de roman van de samenleving.
Uitgewerkt voorbeeld

Een fragment aan een periode toewijzen

Een gedicht bezingt de troostende, verheven kracht van een eenzaam berglandschap en de diepe gevoelens die het bij de spreker wekt. Aan welke periode of stroming schrijf je het toe, en waarom?

  1. 01De kenmerken benoemen

    Natuur als bron van troost, het verheven bergdecor (het sublieme) en de nadruk op het eigen gevoel zijn drie kernkenmerken.

  2. 02Uitsluiten wat niet past

    Er is geen realistische maatschappijkritiek of morele ernst rond industrie of klasse; dat sluit het Victoriaanse tijdperk uit.

  3. 03De periode kiezen en dateren

    Natuur, het sublieme en gevoel wijzen op de Romantiek, globaal begin negentiende eeuw (circa 1800–1830).

Resultaat: De Romantiek (circa begin negentiende eeuw): de natuur, het sublieme en het gevoel zijn de kernkenmerken; de afwezigheid van realistische maatschappijkritiek sluit het Victoriaanse tijdperk uit.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: Romantische en Victoriaanse kenmerken (Afb. 2) aan de hand van een fragment contrasteren.
  • Examendoel: Wordsworth, Dickens en de zussen Brontë in de juiste periode plaatsen.

Veelgemaakte fouten

  • „Romantisch” lezen als „over de liefde” in plaats van als de literaire stroming (natuur, gevoel, verbeelding, het sublieme).
  • Romantiek en Victoriaans als één negentiende-eeuws geheel behandelen; het zijn twee periodes met andere waarden en een ander dominant genre.

Actieve herhaling

Analyseer twee korte fragmenten — één over natuur en gevoel, één met realistische maatschappijkritiek — en wijs met Afb. 2 aan welk fragment bij de Romantiek en welk bij het Victoriaanse tijdperk hoort, met een kenmerk per fragment.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

§ 04

De twintigste eeuw: modernisme en postmodernisme#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-engels-vwo-domein-E

Kernpunten

Rond 1900 kantelt het wereldbeeld, en Afb. 3 schetst de trajectlijn van de twintigste eeuw: van Victoriaanse zekerheid via modernistische twijfel naar postmoderne ironie. Het modernisme (circa 1900/1910–1945) breekt bewust met de traditie en de realistische verteltrant. De kenmerken zijn experiment, fragmentatie, en de stream of consciousness (bewustzijnsstroom): de ongeordende, associatieve gedachtestroom van een personage rechtstreeks weergegeven. Sleutelfiguren zijn Virginia Woolf (Mrs Dalloway, 1925), James Joyce (Ulysses, 1922) en de dichter T.S. Eliot (The Waste Land, 1922). Waar de Victoriaan een geordend verhaal vertelde, laat de modernist de vorm zelf de verwarring van de moderne mens weerspiegelen.

Afb. 3 — Van Victoriaanse zekerheid naar postmoderne ironie

De twintigste eeuwGraaf, Victoriaans — zekerheid & realisme → Modernisme — twijfel & fragmentatie, Modernisme — twijfel & fragmentatie → Postmodernisme — ironie & spelVictoriaans —zekerheid &realismeModernisme —twijfel &fragmentatiePostmodernisme —ironie & spelna WO Ina 1945
Afb. 3De trajectlijn van de twintigste eeuw: de Victoriaanse zekerheid breekt na de Eerste Wereldoorlog in modernistische twijfel, die na 1945 doorslaat in postmoderne ironie.
De modernistische technieken dienen een doel: ze verbeelden een gebroken, onzekere wereld. De stream of consciousness en de vrije indirecte rede brengen de lezer diep in het onrustige bewustzijn van een personage; niet-lineaire tijd, een onbetrouwbare verteller, dichte verwijzingen (allusion) en een zekere moeilijkheidsgraad horen erbij. De aanleiding lag in de tijd: de Eerste Wereldoorlog verbrijzelde het geloof in vooruitgang en zekerheid, en nieuwe ideeën — de psychologie van Freud, de moderne natuurwetenschap — ondermijnden het vertrouwde wereldbeeld. De literatuur reageerde met vormen die de verbrokkeling zelf uitdrukten.
Het postmodernisme (circa 1945/1960 tot heden) zet de breuk voort maar met een andere toon, zoals de rechterknoop van Afb. 3 aangeeft: ironie en speelsheid in plaats van modernistische ernst. De kenmerken zijn metafictie (fictie die zichzelf als fictie toont), intertekstualiteit, pastiche, het vermengen van hoge en lage cultuur, onbetrouwbare vertellers en wantrouwen tegen de grote verhalen (grand narratives) die pretenderen alles te verklaren. Samuel Beckett verbeeldt in Waiting for Godot (begin jaren vijftig) een wereld zonder zin of houvast; latere auteurs als Salman Rushdie verbreden bovendien de canon met postkoloniale stemmen.
Ook deze stromingen spiegelen hun tijd. Na de Tweede Wereldoorlog, met de dekolonisatie, de opkomst van de massamedia en de globalisering, groeide de scepsis tegenover elke absolute waarheid of gezaghebbend verhaal. De postmoderne literatuur speelt met vorm en verwachting, knipoogt naar andere teksten en weigert de lezer een simpele, geruststellende betekenis. Tegelijk verbreedde de literatuur zich: stemmen uit de voormalige koloniën en van tot dan toe ondervertegenwoordigde groepen kwamen het Engelstalige literaire landschap verrijken.
Voor het examen moet je modernistische en postmodernistische kenmerken herkennen en Woolf, Joyce, Eliot en Beckett kunnen plaatsen, en met Afb. 3 het traject van de eeuw schetsen. Let op twee valkuilen die in de volgende sectie terugkomen: „modern” (hedendaags) is iets anders dan het „modernisme” (de stroming van ongeveer 1910–1945), en een stream of consciousness is geen gewone ik-vertelling maar bootst de ongeordende gedachtestroom na. Verbind de techniek altijd met de context: de fragmentatie van de vorm is het antwoord op een gefragmenteerde wereld.
Uitgewerkt voorbeeld

Modernisme herkennen aan de techniek

Een romanfragment volgt zonder duidelijke interpunctie en zonder logische ordening de associatieve gedachtestroom van één personage over slechts enkele seconden. Bepaal de stroming, het gebruikte middel en de context.

  1. 01Het middel benoemen

    De ongeordende, associatieve gedachtestroom zonder nette interpunctie is een stream of consciousness (bewustzijnsstroom).

  2. 02De stroming bepalen

    Deze bewuste breuk met de geordende, realistische Victoriaanse verteltrant is kenmerkend voor het modernisme (circa 1910–1945).

  3. 03De context koppelen

    De vorm weerspiegelt een gefragmenteerde, onzekere wereld na de Eerste Wereldoorlog — het verlies van gedeelde zekerheden (Afb. 3).

Resultaat: Modernisme; het middel is de stream of consciousness, die als breuk met de Victoriaanse traditie de gefragmenteerde wereld na WO I verbeeldt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: modernistische kenmerken (stream of consciousness, fragmentatie, breuk met de traditie) in een fragment herkennen.
  • Examendoel: met Afb. 3 de overgang van Victoriaanse zekerheid via modernistische twijfel naar postmoderne ironie schetsen en aan de historische context koppelen.

Veelgemaakte fouten

  • „Modern” (hedendaags) en „modernisme” (de stroming van circa 1910–1945) door elkaar halen.
  • Een stream of consciousness verwarren met een gewone eerste-persoonsvertelling; het bootst juist de ongeordende, associatieve gedachtestroom na.

Actieve herhaling

Analyseer een fragment met innerlijke monoloog of stream of consciousness: benoem twee modernistische kenmerken en verbind ze met de historische context (Afb. 3).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Middeleeuwen en Renaissance○
    • 02De 17e en 18e eeuw: Restoration, Verlichting en de opkomst van de roman◐
    • 03Romantiek en het Victoriaanse tijdperk◐
    • 04De twintigste eeuw: modernisme en postmodernisme●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Literatuurgeschiedenis (English literary history)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Engels VWO — domein E Literatuur

Vorig onderwerp

Literaire ontwikkeling (drie werken)

Volgend onderwerp

Oriëntatie op studie en beroep

EuraStudy·Samenvattingen T·14·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.