EuraStudy
Samenvattingen/Engels/Grammatica en taalverzorging
Samenvattingen · EngelsNL · VWO

Grammatica en taalverzorging

Grammatica en taalverzorging vormen geen apart examendomein, maar een voorwaardelijke (ondersteunende) vaardigheid: correct en verzorgd Engels op B2-niveau maakt alle andere vaardigheden mogelijk. Taalverzorging wordt vooral beoordeeld binnen de schrijfvaardigheid (schoolexamen, domein D), en de kerngrammatica — werkwoordstijden, woordvolgorde, betrekkelijke en voorwaardelijke bijzinnen — is deels herhaling van de onderbouw. Dit onderwerp frist die kern op en richt zich op de contrastieve valkuilen tussen het Nederlands en het Engels.

4 Onderdelen·~16 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0777 / 15
Examenprofiel
Beseffen dat grammatica een voorwaardelijke (ondersteunende) vaardigheid is — geen apart toetsdomein — die vooral binnen de schrijfvaardigheid (SE, domein D) wordt beoordeeldDe Engelse werkwoordstijden correct kiezen en vormen (simple, continuous en perfect)Woordvolgorde, betrekkelijke bijzinnen (defining/non-defining) en voorwaardelijke zinnen (conditionals) toepassenVeelgemaakte contrastieve fouten vermijden (dutchisms, false friends, congruentie)
Operatoren:verbetervervoegkies de juiste tijdvul inherschrijf

basisniveau

Grammatica ondersteunt de hele examentraining: correct Engels helpt bij het lezen in het CE en is voorwaarde voor het schrijven in het SE.

verhoogd niveau

Wie naar C1 reikt, beheerst niet alleen de vormen maar ook het subtiele betekenisverschil (aspect, modaliteit) en past het bewust toe in eigen productie.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Grammatica en taalverzorging
    • 01Waarom grammatica: ondersteunend, geen apart toetsdomein○
    • 02Werkwoordstijden en het aspectverschil (simple/continuous/perfect)◐
    • 03Zinsbouw: woordvolgorde, vragen en indirecte rede◐
    • 04Betrekkelijke en voorwaardelijke bijzinnen; veelgemaakte fouten●
§ 01

Waarom grammatica: ondersteunend, geen apart toetsdomein#

●○○BasisLPexamenblad-nl-engels-vwo-domein-D

Kernpunten

Grammatica is bij Engels geen apart examendomein en er is geen los grammaticatoetsonderdeel; het is een voorwaardelijke, ondersteunende vaardigheid. Dat betekent dat grammaticale correctheid dienstbaar is aan de vier echte vaardigheden: je hebt haar nodig om teksten goed te begrijpen (leesvaardigheid, het CE), om te luisteren, te spreken en vooral om te schrijven. Waar grammatica expliciet wordt beoordeeld, is binnen de schrijfvaardigheid van het schoolexamen (domein D): daar telt taalverzorging — correcte tijden, zinsbouw, spelling en interpunctie — als een apart beoordelingsaspect mee. Grammatica leren is dus geen doel op zich, maar een investering die zich in álle vaardigheden uitbetaalt.
Een groot deel van de kerngrammatica is herhaling van de onderbouw (herhaling): de basale woordvolgorde, de vorming van de tegenwoordige en verleden tijd, en de eenvoudige vraag- en ontkenningszinnen ken je in principe al. In de bovenbouw ligt de nadruk op verfijning en op de constructies die op B2/C1-niveau het verschil maken: het correcte gebruik van de present perfect, de continuous-vormen, de voorwaardelijke zinnen (conditionals), de indirecte rede en de betrekkelijke bijzinnen. Het loont om de onderbouwbasis kort op te frissen voordat je je op deze verfijningen stort, want fouten in de basis (bijvoorbeeld congruentie) wegen net zo zwaar als fouten in de complexe vormen.
De meeste fouten van Nederlandstalige leerlingen zijn contrastief: ze ontstaan doordat het Engels net iets anders werkt dan het Nederlands, en de leerling het Nederlandse patroon overneemt. Zulke fouten heten dutchisms. Voorbeelden zijn het verkeerde tijdgebruik („I have seen him yesterday” naar het Nederlandse „ik heb hem gisteren gezien”, terwijl het Engels „I saw him yesterday” eist), de woordvolgorde na tijdsbepalingen, en de false friends — woorden die op een Nederlands woord lijken maar iets anders betekenen. Wie weet wáár het Engels van het Nederlands afwijkt, kan gericht op die punten letten en de meeste fouten voorkomen.
Omdat taalverzorging binnen het schrijven wordt beoordeeld, is de revisiefase (zie het onderwerp schrijfvaardigheid) de plek waar grammaticakennis punten oplevert. Een effectieve aanpak is een persoonlijke foutenchecklist: noteer de drie of vier fouten die jíj systematisch maakt — bijvoorbeeld present perfect versus past simple, de derde persoon enkelvoud-s („he works”), of de plaats van bijwoorden — en werk die checklist bij het nalezen bewust af. Deze gerichte zelfcontrole is efficiënter dan hopen dat je fouten „vanzelf” opvallen, en ze sluit precies aan bij de manier waarop taalverzorging in het SE wordt gewogen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een dutchism verklaren

Waarom is „I have seen him yesterday” fout, en hoe hoort het? Verklaar de contrastieve oorzaak.

  1. 01De Nederlandse bron herkennen

    De zin is een letterlijke vertaling van „Ik heb hem gisteren gezien”, waarin het Nederlands de voltooid tegenwoordige tijd gebruikt.

  2. 02De Engelse regel toepassen

    Het Engels koppelt een afgesloten tijdstip (yesterday) verplicht aan de past simple, niet aan de present perfect. De present perfect verdraagt geen concreet verleden tijdstip.

  3. 03Corrigeren

    De juiste vorm is „I saw him yesterday.”.

Resultaat: „I have seen him yesterday” (fout) tegenover „I saw him yesterday” (correct). De fout is een dutchism: het Nederlandse voltooid-tijdgebruik wordt ten onrechte op het Engels geplakt, terwijl „yesterday” in het Engels de past simple afdwingt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: beseffen dat grammatica een ondersteunende vaardigheid is en dat taalverzorging vooral binnen de schrijfvaardigheid (SE, domein D) wordt beoordeeld — niet als apart toetsonderdeel.
  • Examendoel: de eigen systematische (contrastieve) fouten kennen en er bij het reviseren van geschreven werk gericht op controleren.

Veelgemaakte fouten

  • Grammatica als los weetje leren in plaats van als middel. De vormen tellen pas als je ze correct toepast in je eigen schrijven en spreken.
  • De onderbouwbasis onderschatten. Een congruentiefout („he don't”, „the students is”) weegt in de beoordeling even zwaar als een fout in een complexe constructie.

Actieve herhaling

Verzamel drie eigen geschreven Engelse teksten (bijvoorbeeld oude SE-oefeningen) en noteer welke grammaticale fouten er terugkeren. Stel op basis daarvan je persoonlijke taalverzorgingschecklist van maximaal vier punten op.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels VWO — taalverzorging binnen domein D (schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Werkwoordstijden en het aspectverschil (simple/continuous/perfect)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-engels-vwo-domein-D

Kernpunten

De Engelse werkwoordstijden ordenen zich langs twee assen: de tijd (verleden, heden, toekomst) en het aspect (simple, continuous, perfect). Afb. 1 plaatst de belangrijkste tijden op een tijdas, met het verleden links van „nu” en de toekomst rechts. De simple-vormen (I work, I worked, I will work) drukken feiten, gewoonten en afgeronde handelingen uit; de continuous-vormen (I am working, I was working) benadrukken dat een handeling op een bepaald moment aan de gang is; en de perfect-vormen (I have worked, I had worked) leggen een verband tussen twee tijdstippen. Het Engels onderscheidt deze vormen veel scherper dan het Nederlands, en juist daar ontstaan de meeste fouten.

Afb. 1 — Werkwoordstijden op de tijdas

Verleden — nu — toekomstGetallenlijn, past perfect, past simple, present perfect, nu (present), future (will)−10−50510past perfectpast simplepresent perfectnu (present)future (will)
Afb. 1De belangrijkste werkwoordstijden op een tijdas: verleden links, nu op nul, toekomst rechts. De present perfect ligt vlak vóór nu omdat zij het verleden met het heden verbindt.
Het lastigste — en het meest getoetste — is het verschil tussen present perfect en past simple, dat ook Afb. 1 verbeeldt. De past simple (I saw, I did) hoort bij een afgesloten tijdstip in het verleden dat losstaat van nu; herkenningswoorden zijn „yesterday”, „last week”, „in 2010”, „two years ago”. De present perfect (I have seen, I have done) legt een brug naar het heden: de handeling gebeurde in het verleden maar heeft nu-relevantie, of de periode loopt nog door. Herkenningswoorden zijn „since”, „for”, „already”, „yet”, „ever”, „never”, „recently”. Vergelijk „I saw him yesterday” (afgesloten, past simple) met „I have known him for years” (nog steeds, present perfect); de fout „I have seen him yesterday” ontstaat door het Nederlandse tijdgevoel te volgen.
De continuous- (of progressive-) vorm — to be plus werkwoord plus -ing — is nodig zodra je benadrukt dat iets op een moment gáánde is of tijdelijk is. „I read every evening” (gewoonte, simple) verschilt van „I am reading a great novel at the moment” (nu bezig, continuous), en „What did you do at eight?” (welke handeling) verschilt van „What were you doing at eight?” (welke handeling was toen aan de gang, past continuous). Let op de stative verbs — werkwoorden van toestand als „know”, „believe”, „like”, „understand” en „want” — die normaal géén continuous krijgen: „I am knowing the answer” is fout, het moet „I know the answer” zijn. Dit is een klassieke B2-valkuil.
De toekomst kan het Engels op meerdere manieren uitdrukken, en de keuze draagt betekenis. „Will” gebruik je voor voorspellingen, spontane besluiten en beloften („I think it will rain”; „I'll help you”). „Be going to” gebruik je voor plannen en voor iets waarvoor nu al aanwijzingen zijn („Look at those clouds — it's going to rain”; „We are going to move house”). Daarnaast dient de present continuous voor vaste afspraken in de nabije toekomst („I'm meeting Sarah tomorrow”). Voor het examen hoef je geen fijnslijperij te leveren, maar het grove onderscheid — will voor voorspelling of spontaan besluit, going to voor plan of aanwijzing — voorkomt de meest opvallende fouten.
Uitgewerkt voorbeeld

Present perfect of past simple?

Kies de juiste tijd en licht toe: „I ___ (not / see) that film yet, but I ___ (see) its trailer last week.”.

  1. 01Het eerste signaalwoord lezen

    „yet” wijst op present perfect: de handeling is (tot nu toe) niet gebeurd maar staat in verbinding met het heden. Dus: „I have not seen that film yet.”.

  2. 02Het tweede signaalwoord lezen

    „last week” is een afgesloten tijdstip in het verleden en dwingt de past simple af. Dus: „I saw its trailer last week.”.

  3. 03De contrasterende zin controleren

    In één zin staan beide tijden naast elkaar, elk met hun eigen signaalwoord — precies het onderscheid dat het examen toetst.

Resultaat: „I have not seen that film yet, but I saw its trailer last week.” „yet” → present perfect (nu-relevantie); „last week” → past simple (afgesloten tijdstip).

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de juiste werkwoordstijd kiezen op grond van tijd én aspect, met bijzondere aandacht voor het onderscheid present perfect (nu-relevantie, doorlopende periode) versus past simple (afgesloten tijdstip).
  • Examendoel: continuous-vormen correct inzetten voor lopende of tijdelijke handelingen en de stative verbs daarvan uitsluiten.

Veelgemaakte fouten

  • Present perfect combineren met een afgesloten tijdstip: „I have seen him yesterday” in plaats van „I saw him yesterday”. Een concreet verleden tijdstip vraagt altijd past simple.
  • Stative verbs in de continuous zetten: „I am wanting”, „She is knowing” in plaats van „I want”, „She knows”. Werkwoorden van toestand krijgen normaal geen -ing-vorm.

Actieve herhaling

Vul de juiste tijd in en verantwoord je keuze: (1) „We ___ (live) here since 2015.” (2) „I ___ (call) you an hour ago.” (3) „Listen — someone ___ (knock) at the door.” (4) „By the time we arrived, the film ___ (already / start).” Benoem per zin het signaalwoord dat de tijd bepaalt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels VWO — taalverzorging binnen domein D (schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Zinsbouw: woordvolgorde, vragen en indirecte rede#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-engels-vwo-domein-D

Kernpunten

De Engelse basiswoordvolgorde is strenger dan de Nederlandse: het Engels houdt vast aan Subject–Verb–Object (SVO), en het werkwoord blijft dicht bij het onderwerp. Waar het Nederlands het werkwoord graag naar achteren schuift of vooropzet („Gisteren ging ik naar school”), houdt het Engels de volgorde onderwerp-werkwoord vast, ook na een vooropgeplaatste bepaling: „Yesterday I went to school” — niet „Yesterday went I to school”. Deze zogenoemde inversie na een tijdsbepaling is een typische dutchism. Onthoud: behalve in vragen en na een beperkt aantal ontkennende openingswoorden blijft in het Engels het onderwerp vóór de persoonsvorm staan.
De plaats van bijwoorden volgt vaste regels. Bijwoorden van frequentie (always, often, usually, never, sometimes) staan vóór het hoofdwerkwoord maar ná het werkwoord „to be”: „She always arrives early” tegenover „She is always late”. Bijwoorden van wijze (carefully, quickly) staan doorgaans achter het lijdend voorwerp: „He read the letter carefully” — niet „He read carefully the letter”. En de volgorde van bepalingen aan het eind van de zin is meestal manner–place–time (wijze–plaats–tijd): „She sang beautifully (manner) at the concert (place) last night (time)”. Deze vaste plaatsen wijken af van het flexibelere Nederlands en zijn daarom foutgevoelig.
Vragen en ontkenningen vormt het Engels met het hulpwerkwoord „do/does/did”, behalve wanneer er al een hulpwerkwoord of „to be” staat. „Do you like tea?”, „She doesn't understand”, „Did they win?” — het hoofdwerkwoord staat dan in de basisvorm (geen -s, geen verleden tijd, want die zit al in het hulpwerkwoord: „Did they win?”, niet „Did they won?”). Deze do-support bestaat niet in het Nederlands en wordt daarom vaak vergeten of verkeerd toegepast. Bij een hulpwerkwoord of „to be” vervalt de do-constructie: „Can you swim?”, „Are you ready?”, „Have you finished?”.
De indirecte rede (reported speech) geeft weer wat iemand zei zonder het letterlijk te citeren, en daarbij verschuift de werkwoordstijd één stap naar het verleden (backshift). Directe rede „I am tired” wordt „She said (that) she was tired”; „I have finished” wordt „He said he had finished”; „I will come” wordt „She said she would come”. Behalve de tijd verschuiven ook de persoonlijke voornaamwoorden (I → she/he) en de tijds- en plaatsaanduidingen (now → then, today → that day, here → there). Bij vragen in de indirecte rede vervalt bovendien de vraagvolgorde: „Where do you live?” wordt „She asked where I lived” — dus weer gewone SVO-volgorde, zonder do en zonder vraagteken.
Uitgewerkt voorbeeld

Directe rede omzetten naar indirecte rede

Zet om in de indirecte rede: Tom zei: „I will finish the report tomorrow.”.

  1. 01De backshift toepassen

    „will” verschuift naar „would”: de toekomende vorm gaat één stap terug in de tijd.

  2. 02Voornaamwoorden aanpassen

    „I” verwijst naar Tom, dus wordt het „he”: „He would finish…”.

  3. 03Tijdsaanduiding verschuiven

    „tomorrow” wordt vanuit het vertelmoment „the next day” (of „the following day”).

Resultaat: „Tom said (that) he would finish the report the next day.” De drie verschuivingen — tijd (will → would), voornaamwoord (I → he) en tijdsaanduiding (tomorrow → the next day) — zijn alle drie toegepast.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de vaste Engelse woordvolgorde (SVO, geen inversie na een tijdsbepaling, plaats van bijwoorden) correct toepassen.
  • Examendoel: vragen en ontkenningen met do-support vormen en directe rede correct omzetten naar indirecte rede (backshift, verschoven voornaamwoorden en tijdsaanduidingen).

Veelgemaakte fouten

  • Inversie na een vooropgeplaatste bepaling, naar Nederlands model: „Yesterday went I…” in plaats van „Yesterday I went…”. Buiten vragen blijft het onderwerp vóór de persoonsvorm.
  • In de indirecte rede de vraagvolgorde of het vraagteken behouden: „She asked where do I live?” in plaats van „She asked where I lived.”. De indirecte vraag krijgt gewone volgorde, geen do, geen vraagteken.

Actieve herhaling

Zet de volgende zinnen om in de indirecte rede, ingeleid met „She said” of „She asked”: (1) „I am reading a book.” (2) „We have seen the film.” (3) „Where are you going?” (4) „I will call you tomorrow.” Let per zin op de backshift, de voornaamwoorden en de tijds- en plaatsaanduidingen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels VWO — taalverzorging binnen domein D (schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Betrekkelijke en voorwaardelijke bijzinnen; veelgemaakte fouten#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-engels-vwo-domein-D

Kernpunten

De voorwaardelijke zinnen (conditionals) drukken een voorwaarde en haar gevolg uit, en het Engels onderscheidt er vier, elk met een vaste tijdcombinatie, zoals Afb. 2 samenvat. De zero conditional beschrijft een algemene waarheid (if + present, present): „If you heat ice, it melts”. De first conditional beschrijft een reële mogelijkheid in de toekomst (if + present, will): „If it rains, we will stay inside”. De second conditional beschrijft een onwaarschijnlijke of onwerkelijke situatie in het heden (if + past, would): „If I won the lottery, I would travel the world”. De third conditional beschrijft een onvervulde situatie in het verleden (if + past perfect, would have): „If I had studied, I would have passed”.

Afb. 2 — De vier conditionals

De vier conditionalsBoomdiagram, 4 paden, Gegevens: Zero — algemene waarheid: if + present, present; First — reële toekomst: if + present, will; Second — onwerkelijk heden: if + past, would; Third — onvervuld verleden: if + past perfect, would haveConditionals (if-zinnen)Zero — algemene waarheid: if + present,…First — reële toekomst: if + present, w…Second — onwerkelijk heden: if + past, …Third — onvervuld verleden: if + past p…
Afb. 2De vier conditionals met hun vaste tijdcombinatie. Let op: na „if” staat nooit „would” — dat hoort in de hoofdzin (het gevolg).
De grootste valkuil bij de conditionals is de „if + would”-fout. Na „if” komt in de tweede en derde conditional géén „would”, maar respectievelijk de verleden tijd en de voltooid verleden tijd: „If I would win…” is fout, het moet „If I won…” zijn; „If I would have known…” is fout, het moet „If I had known…” zijn. Deze fout is opnieuw een dutchism, want het Nederlands gebruikt „zou” wél in de als-bijzin („als ik zou winnen”). Onthoud de vuistregel: „would” hoort in de hoofdzin (het gevolg), niet in de if-bijzin (de voorwaarde).
De betrekkelijke bijzinnen (relative clauses) geven extra informatie over een zelfstandig naamwoord met behulp van een betrekkelijk voornaamwoord: „who” voor personen, „which” voor dingen, „that” voor beide (in defining clauses), en „whose” voor bezit. Cruciaal is het onderscheid tussen defining en non-defining. Een defining (bepalende) bijzin is noodzakelijk om te weten over wie of wat het gaat en staat zónder komma's: „The student who sits next to me is from Spain” — zonder de bijzin weet je niet welke student. Een non-defining (uitbreidende) bijzin geeft niet-noodzakelijke extra informatie en staat mét komma's: „My brother, who lives in London, is a teacher” — er is maar één broer, de bijzin is extra.
Het defining/non-defining-onderscheid heeft praktische gevolgen die het examen toetst. In een defining clause mag je „that” gebruiken en mag het voornaamwoord zelfs wegvallen als het lijdend voorwerp is: „The book (that) I read was great”. In een non-defining clause mag „that” níét en kan het voornaamwoord niet wegvallen: „This book, which I read last week, was great” — nooit „that”, altijd met komma's. Naast de conditionals en de relative clauses blijven de bekende struikelblokken aandacht vragen: false friends zoals „eventually” (uiteindelijk, níét „eventueel”), „actual” (werkelijk, níét „actueel”) en „sympathetic” (meelevend, níét „sympathiek”), en de congruentie tussen onderwerp en persoonsvorm. Wie deze contrastieve valkuilen kent, verzorgt zijn taal gericht.
Uitgewerkt voorbeeld

De juiste conditional kiezen

Vul in en benoem het type: „If I ___ (know) about the traffic, I ___ (leave) home earlier this morning.”.

  1. 01De tijd van de situatie bepalen

    „this morning” en de strekking (het is niet gebeurd, het is voorbij) wijzen op een onvervulde situatie in het verleden: dit is een third conditional.

  2. 02De if-bijzin vormen

    Third conditional: if + past perfect. Dus „If I had known about the traffic…” — nadrukkelijk géén „would” na „if”.

  3. 03De hoofdzin vormen

    Het gevolg krijgt „would have” plus voltooid deelwoord: „…I would have left home earlier this morning.”.

Resultaat: „If I had known about the traffic, I would have left home earlier this morning.” Type: third conditional (onvervuld verleden). Let op: „would have” staat in de hoofdzin, na „if” staat het past perfect.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de vier conditionals correct vormen (juiste tijdcombinatie) en de „if + would”-fout vermijden.
  • Examendoel: defining en non-defining betrekkelijke bijzinnen onderscheiden (komma's, keuze van voornaamwoord, weglaatbaarheid) en veelvoorkomende false friends correct gebruiken.

Veelgemaakte fouten

  • „would” in de if-bijzin zetten: „If I would win…” of „If I would have known…” in plaats van „If I won…” of „If I had known…”. „would” hoort in de hoofdzin, niet na „if”.
  • False friends letterlijk vertalen: „eventually” als „eventueel” (moet „possibly / perhaps”), „actual” als „actueel” (moet „current”), „sympathetic” als „sympathiek” (moet „nice / likeable”).

Actieve herhaling

Maak de conditionals af en benoem het type: (1) „If you ___ (mix) blue and yellow, you ___ (get) green.” (2) „If it ___ (be) sunny tomorrow, we ___ (go) to the beach.” (3) „If I ___ (be) you, I ___ (accept) the offer.” (4) „If she ___ (study) harder, she ___ (pass) the exam last year.” Let bij (3) en (4) op dat er na „if” géén „would” staat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels VWO — taalverzorging binnen domein D (schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Waarom grammatica: ondersteunend, geen apart toetsdomein○
    • 02Werkwoordstijden en het aspectverschil (simple/continuous/perfect)◐
    • 03Zinsbouw: woordvolgorde, vragen en indirecte rede◐
    • 04Betrekkelijke en voorwaardelijke bijzinnen; veelgemaakte fouten●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Grammatica en taalverzorging

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Engels VWO — taalverzorging binnen domein D (schoolexamen)

Vorig onderwerp

Argumentatie, betoog en bronkritiek

Volgend onderwerp

Schrijfvaardigheid (formele en informele teksten)

EuraStudy·Samenvattingen T·07·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.