EuraStudy
Samenvattingen/Engels/Examenvraagvormen (open, meerkeuze, citeer, gat)
Samenvattingen · EngelsNL · VWO

Examenvraagvormen (open, meerkeuze, citeer, gat)

Het centraal examen Engels hanteert een klein aantal vaste vraagvormen: de meerkeuzevraag, de open vraag, de citeervraag en de invoeg-/gatvraag. Dit onderwerp leert je wat elke vorm toetst en volgens welke antwoordconventies je hem beantwoordt — de juiste taal, exact citeren, de gevraagde omvang. Deze examentechniek hoort bij domein A (leesvaardigheid), de kern van het centraal examen, en levert, goed toegepast, punten op die je met inhoudelijk begrip alleen soms nog misloopt.

4 Onderdelen·~15 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0333 / 15
Examenprofiel
De vier CE-vraagvormen herkennen en weten wat elke vorm toetstMeerkeuzevragen oplossen door de tekstplaats te lokaliseren en afleiders systematisch uit te sluitenOpen vragen en citeervragen in de juiste taal, vorm en omvang beantwoordenInvoeg-/gatvragen oplossen met cohesie en signaalwoorden
Operatoren:citeerleg uitgeef aanwelke beweringwelke zin pastbepaal

basisniveau

De examenvraagvormen en hun antwoordconventies gelden voor elke VWO-kandidaat bij het centraal examen Engels.

verhoogd niveau

Wie de vraagvormen doorziet, beantwoordt ook de toetsvragen bij literatuur en de andere vaardigheden gerichter.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Examenvraagvormen (open, meerkeuze, citeer, gat)
    • 01De vraagvormen van het CE in overzicht○
    • 02Meerkeuzevragen: afleiders uitsluiten◐
    • 03Open vragen en citeervragen: precies en in de juiste taal◐
    • 04Invoeg- en gatvragen: cohesie als sleutel●
§ 01

De vraagvormen van het CE in overzicht#

●○○BasisLPexamenblad-nl-engels-vwo-domein-A

Kernpunten

Het centraal examen Engels werkt met een klein, vast repertoire aan vraagvormen, dat Afb. 1 op een rij zet: de meerkeuzevraag, de open vraag, de citeervraag en de invoeg-/gatvraag. Elke vorm toetst een net iets andere vaardigheid en, minstens zo belangrijk, elke vorm kent zijn eigen antwoordconventie — de afgesproken manier waarop je moet antwoorden. Wie de vormen en hun conventies kent, verliest geen punten meer door een goed begrepen antwoord in de verkeerde gedaante op te schrijven. Examentechniek is hier geen bijzaak, maar een bron van punten.

Afb. 1 — De vier examenvraagvormen

De vier vraagvormen en wat ze toetsenBoomdiagram, 4 paden, Gegevens: Meerkeuzevraag → Kies uit A–D; sluit afleiders uit; Open vraag → Antwoord in het Nederlands, precies op de vraag; Citeervraag → Neem exact het Engelse tekstelement over; Invoeg-/gatvraag → Kies de zin/alinea via cohesieMeerkeuzevraagOpen vraagCiteervraagInvoeg-/gatvraagCE-vraagvormenKies uit A–D; sluit afleiders uitAntwoord in het Nederlands, precies op …Neem exact het Engelse tekstelement overKies de zin/alinea via cohesie
Afb. 1De vier vraagvormen van het CE, elk met wat de vorm toetst. De vraagvorm bepaalt telkens de vorm, taal en omvang van je antwoord.
De meerkeuzevraag geeft je een aantal opties, meestal vier (A tot en met D), waarvan er precies één juist is; de overige zijn afleiders (distractors) — aantrekkelijke maar onjuiste opties. Deze vorm toetst of je de juiste interpretatie kunt onderscheiden van plausibele alternatieven. Het antwoord is één letter. De kunst zit niet in het herkennen van het juiste antwoord alleen, maar vooral in het systematisch wegstrepen van de afleiders (zie de volgende sectie).
De open vraag laat je in eigen woorden antwoorden, en wel — tenzij anders vermeld — in het Nederlands, beknopt en precies. Deze vorm toetst of je de inhoud of de betekenis van (een deel van) de tekst hebt begrepen en die zelf onder woorden kunt brengen. Je antwoordt niet met een lang Engels citaat, maar met een kort, dekkend antwoord op precies wat gevraagd wordt: een „waarom” vraagt een reden, een „hoe” een manier, een „welk verschil” een contrast.
De citeervraag (ook aanhaalvraag) vraagt je exact een tekstelement over te nemen — een woord, een zinsdeel of een hele zin — in het Engels, letterlijk zoals het in de tekst staat. Deze vorm toetst of je de juiste plek precies kunt aanwijzen. Je vertaalt niet, je parafraseert niet en je neemt niet meer of minder over dan gevraagd. Het antwoord is dus een stukje originele Engelse tekst, binnen de gevraagde omvang.
De invoeg-/gatvraag ten slotte biedt een tekst met een gat (een verwijderde zin of alinea) en vraagt welke optie erin past, of waar een gegeven zin thuishoort. Deze vorm toetst je gevoel voor cohesie en structuur: het samenspel van signaalwoorden en verwijswoorden dat een tekst samenhang geeft. Bij alle vier de vormen geldt dezelfde gouden regel: lees eerst welke vorm de vraag heeft, want de vraagvorm schrijft de vorm van je antwoord voor.
Uitgewerkt voorbeeld

De vraagvorm en de antwoordvorm koppelen

Vier opdrachten: (a) „Wat is de belangrijkste reden die de schrijver noemt?” (b) „Citeer de zin waarin de schrijver zijn conclusie samenvat.” (c) „What is the writer's main point in paragraph 3? A/B/C/D” (d) „Welke zin past in gat 5?” Bepaal per opdracht de vraagvorm en de antwoordvorm.

  1. 01De opdrachten typeren

    (a) open vraag; (b) citeervraag; (c) meerkeuzevraag; (d) invoeg-/gatvraag.

  2. 02De antwoordvorm bepalen

    (a) beknopt in het Nederlands; (b) exact de Engelse zin overnemen; (c) één letter (A tot en met D); (d) het nummer of de letter van de passende zin.

  3. 03De valkuil benoemen

    Elke vorm vraagt een andere output; wie bij (b) parafraseert of bij (a) in het Engels schrijft, verliest punten ondanks goed begrip.

Resultaat: (a) open → Nederlands; (b) citeer → exact Engels; (c) meerkeuze → een letter; (d) gatvraag → de passende zin. De vraagvorm schrijft steeds de antwoordvorm voor.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de vier CE-vraagvormen herkennen en per vorm weten wat wordt getoetst en hoe je moet antwoorden.
  • Examendoel: het antwoord in de door de vraagvorm vereiste vorm, taal en omvang leveren.

Veelgemaakte fouten

  • De antwoordvorm negeren: een letter geven waar een citaat wordt gevraagd, of andersom. De vraagvorm schrijft de antwoordvorm voor.
  • De taal van het antwoord verkeerd kiezen: een open vraag in het Engels beantwoorden of een citaat naar het Nederlands vertalen.

Actieve herhaling

Neem een oud CE Engels erbij en tel per vraagvorm hoeveel vragen er zijn. Noteer bij drie vragen wat de vorm toetst en in welke vorm, taal en omvang je moet antwoorden.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 02

Meerkeuzevragen: afleiders uitsluiten#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-engels-vwo-domein-A

Kernpunten

Een meerkeuzevraag heeft één juist antwoord en een stel zorgvuldig gemaakte afleiders; de betrouwbare aanpak is daarom niet „het goede antwoord aanwijzen”, maar „de foute antwoorden uitsluiten”. Afb. 2 geeft dit als een beslismodel: lokaliseer eerst de tekstplaats, bedenk zélf een antwoord, vergelijk daarna elke optie met de tekst, streep de afleiders weg, en kies wat overblijft. Het accent (de benadrukte stap in Afb. 2) ligt op die wegstreepstap: door opties te elimineren die de tekst tegenspreekt, houd je het antwoord over dat wél volledig gedekt is.

Afb. 2 — Beslismodel bij een meerkeuzevraag

Beslismodel bij een meerkeuzevraagGraaf, Lokaliseer de tekstplaats → Bedenk zelf het antwoord, Bedenk zelf het antwoord → Vergelijk elke optie met de tekst, Vergelijk elke optie met de tekst → Streep afleiders weg, Streep afleiders weg → Kies de resterende optieLokaliseer detekstplaatsBedenk zelf hetantwoordVergelijk elkeoptie met detekstStreep afleiderswegKies deresterende optie
Afb. 2Het beslismodel voor meerkeuze: eerst zelf antwoorden, dan opties met de tekst vergelijken en afleiders wegstrepen. Wat als enige overeind blijft, is het antwoord.
De sleutelstap is dat je zélf een antwoord bedenkt vóórdat je de opties goed bekijkt. Wie eerst de opties leest, laat zich makkelijk verleiden door een afleider die goed klinkt of een woord uit de tekst herhaalt. Formuleer daarom, na het lezen van de vraag en de tekstplaats, in je eigen woorden wat het antwoord ongeveer moet zijn; zoek daarna de optie die daar het dichtst bij komt. Zo gebruik je de opties als controle, niet als verleiding.
Afleiders zijn van een beperkt aantal herkenbare types, en dat type benoemen helpt je ze te ontmaskeren. Een afleider is te ruim (algemener dan de tekst toelaat), te specifiek (enger dan wat de tekst beweert), waar maar niet gevraagd (klopt met de tekst, maar beantwoordt niet déze vraag), of niet in de tekst (steunt op je eigen aanname of wereldkennis in plaats van op de tekst). Wie bij een verdachte optie kan zeggen „dit is te ruim” of „dit is waar maar niet gevraagd”, heeft haar daarmee weerlegd.
Streep systematisch weg en baseer je oordeel altijd op de tekst, niet op je wereldkennis. Een cruciale regel: een optie moet in haar geheel door de tekst worden gedekt; klopt één deel van de optie niet, dan valt de hele optie af, hoe juist de rest ook klinkt. Ga elke optie langs met de vraag „wordt dit, precies zó, door de tekst gesteund?”. De optie die als enige overeind blijft, is het antwoord.
Blijf je twijfelen tussen twee opties, ga dan terug naar de tekst en zoek de precieze regel die de beslissing forceert. Vaak verschillen de twee opties op één punt, en één zinsnede in de tekst geeft de doorslag; kies de optie die de tekst het nauwkeurigst dekt. En mocht je er echt niet uitkomen: laat een meerkeuzevraag nooit open. Er is geen aftrek voor een fout antwoord, dus een beredeneerde gok tussen twee overgebleven opties kost niets en levert mogelijk een punt op.
Uitgewerkt voorbeeld

Een afleider ontmaskeren

De tekst zegt dat een maatregel „in some cities” tot minder verkeer leidde. Optie B stelt: „The measure reduced traffic everywhere.” Waarom is B een afleider en van welk type?

  1. 01De optie naast de tekst leggen

    De tekst beperkt het effect tot „in some cities”; optie B maakt er „everywhere” van.

  2. 02De afwijking benoemen

    B trekt de bewering breder dan de tekst toelaat: van „sommige steden” naar „overal”.

  3. 03Het afleidertype bepalen

    Een optie die de tekst te algemeen maakt, is „te ruim” — een klassieke afleider.

Resultaat: B is een afleider van het type „te ruim”: de tekst zegt „in some cities”, B veralgemeent naar „everywhere”. Omdat een deel niet door de tekst wordt gedekt, valt de hele optie af.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een meerkeuzevraag oplossen door te lokaliseren, zelf een antwoord te bedenken en de opties met de tekst te vergelijken.
  • Examendoel: de vier afleidertypen herkennen (te ruim, te specifiek, waar maar niet gevraagd, niet in de tekst) en afleiders wegstrepen.

Veelgemaakte fouten

  • Een optie kiezen omdat ze „waar” is. Een afleider kan kloppen met de tekst en tóch niet het antwoord op de gestelde vraag zijn (waar maar niet gevraagd).
  • Op eigen wereldkennis afgaan in plaats van op de tekst. Het juiste antwoord moet volledig door de tekst worden gedekt; klopt een deel niet, dan valt de hele optie af.

Actieve herhaling

Los drie meerkeuzevragen uit een oud CE op met het beslismodel: lokaliseer, bedenk zelf het antwoord, vergelijk elke optie met de tekst en benoem per afgevallen optie het afleidertype.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 03

Open vragen en citeervragen: precies en in de juiste taal#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-engels-vwo-domein-A

Kernpunten

De open vraag beantwoord je in je eigen woorden, doorgaans in het Nederlands, beknopt en volledig. „Beknopt” betekent: geen inleidende beleefdheden, geen overgeschreven Engelse zinnen, geen informatie die niet gevraagd is — alleen de kern. „Volledig” betekent: alle door de vraag gevraagde elementen. Antwoord bovendien op precies wat gevraagd wordt: sluit met je antwoord aan op het vraagwerkwoord, zodat een „waarom” een reden krijgt en een „welk verschil” een contrast.
Precisie en volledigheid gaan hier hand in hand, want het correctievoorschrift kent punten toe aan specifieke elementen. Vraagt de opgave „Noem twee redenen …”, dan levert één reden hooguit het halve antwoord op; noem er dan ook twee, elk kort en duidelijk. Overbodige informatie is niet neutraal: een fout die je erbij schrijft, kan een op zich goed antwoord alsnog onjuist maken. Mik daarom op een antwoord dat precies dekt wat gevraagd is — niet meer en niet minder.
De citeervraag vraagt het tegenovergestelde: niet je eigen woorden, maar de woorden van de tekst, exact overgenomen in het Engels. Neem precies de gevraagde eenheid over — één woord, een zinsdeel of een hele zin — en verander er niets aan: niet vertalen, niet parafraseren, niet moderniseren, niet inkorten. Ook de spelling neem je letterlijk over. Een citaat dat je vertaalt of naar het Nederlands ombuigt, is per definitie fout, hoe goed je de tekst ook begrepen hebt.
Let scherp op de gevraagde omvang en op eventuele regelverwijzingen. „Citeer het woord” betekent precies één woord; „citeer de zin” betekent de hele zin, van hoofdletter tot eindleesteken, niet slechts een stukje ervan. Geeft de vraag regelnummers, dan zoek je uitsluitend binnen die regels. Te veel citeren (een hele zin waar één woord wordt gevraagd) of te weinig (een fragment waar een zin wordt gevraagd) kost het punt, ook al zit het gezochte element in je antwoord.
De open vraag en de citeervraag zijn elkaars spiegelbeeld, en juist daarom worden ze zo vaak verward. Open = jouw Nederlandse woorden; citeer = de Engelse woorden van de tekst. De twee klassieke fouten zijn dan ook spiegelbeeldig: een open vraag beantwoorden door hele Engelse zinnen over te schrijven, en een citeervraag beantwoorden door de gevonden zin te vertalen. Vraag je bij elk antwoord af welke van de twee vormen aan de orde is, en lever consequent in de bijbehorende taal en vorm.
Uitgewerkt voorbeeld

Precies citeren binnen de gevraagde omvang

De opdracht luidt: „Citeer de twee Engelse woorden waarmee de schrijver de nieuwe wet typeert (alinea 2).” In alinea 2 staat: „This is, frankly, a reckless gamble with public health.” Wat citeer je?

  1. 01De omvang lezen

    Gevraagd zijn precies twee woorden waarmee de wet wordt getypeerd — geen hele zin en geen los woord.

  2. 02De typering zoeken

    De wet wordt getypeerd als „a reckless gamble”; de kern-typering in twee woorden is „reckless gamble”.

  3. 03Exact overnemen

    Neem „reckless gamble” letterlijk over, in het Engels, zonder lidwoord, vertaling of extra woorden.

Resultaat: Je citeert „reckless gamble” — exact twee Engelse woorden, letterlijk overgenomen, binnen de gevraagde omvang en zonder vertaling.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een open vraag beknopt en volledig in het Nederlands beantwoorden, precies op de vraag.
  • Examendoel: bij een citeervraag exact het gevraagde Engelse tekstelement overnemen, binnen de gevraagde omvang en zonder te vertalen.

Veelgemaakte fouten

  • Bij een open vraag hele Engelse zinnen overschrijven. Gevraagd is een beknopt antwoord in je eigen (Nederlandse) woorden, precies op de vraag.
  • Bij een citeervraag te veel of te weinig citeren, of het citaat vertalen. Neem exact de gevraagde eenheid (woord, zinsdeel of zin) in het Engels over.

Actieve herhaling

Beantwoord bij een oude tekst twee open vragen (beknopt, Nederlands) en twee citeervragen (exact, Engels, juiste omvang). Controleer of je taal en omvang per vorm kloppen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)

§ 04

Invoeg- en gatvragen: cohesie als sleutel#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-engels-vwo-domein-A

Kernpunten

Bij een invoeg-/gatvraag is er een zin of alinea uit de tekst weggehaald (een gat), en jij moet kiezen welke van de aangeboden opties er precies in past — of, omgekeerd, waar een gegeven zin thuishoort. Deze vraag toetst geen losse feitenkennis, maar je gevoel voor cohesie: de onzichtbare draden die de zinnen van een tekst tot een samenhangend geheel binden. De sleutel ligt niet in „welke optie klinkt het beste”, maar in de aantoonbare aansluiting van een optie op haar omgeving (vergelijk het onderwerp „Tekststructuur en verbanden”).
Het eerste cohesiemiddel zijn de signaalwoorden aan het begin van de ontbrekende of aangeboden zin: die moeten kloppen met de logische relatie met wat ervoor en erna staat. Begint een optie met „However”, dan moet er vóór het gat een bewering staan waarmee ze contrasteert; begint ze met „For example”, dan moet er vóór het gat een algemene uitspraak staan die het voorbeeld illustreert; „Moreover” vraagt een voorafgaand punt om iets aan toe te voegen. Een signaalwoord dat nergens op slaat, verraadt een foute optie.
Het tweede cohesiemiddel is de verwijzing: voornaamwoorden en aanwijzende woorden („this”, „these”, „it”, „such”, „the former”) in een optie moeten een passend antecedent hebben in de omringende tekst. Begint een optie met „These measures …”, dan moet er vlak vóór het gat over maatregelen (meervoud) zijn gesproken; is dat niet zo, dan valt de optie af. Verwijswoorden koppelen een zin dwingend aan zijn context, en dat maakt ze tot een scherp bewijsmiddel bij gatvragen.
De beslissende toets is dat een juiste invoeging aan béíde kanten past — op de zin ervóór én op de zin erná. Lees daarom het gat proef met de gekozen optie erin en controleer de aansluiting in twee richtingen: loopt de gedachtegang soepel door naar wat volgt, en sluit het aan op wat voorafgaat? Inhoudelijke samenhang (hetzelfde onderwerp, een logische voortgang) en grammaticale of verwijzende samenhang moeten allebei kloppen. Een optie die keurig op de vorige zin aansluit maar de volgende zin in de lucht laat hangen, is fout.
Werk dus niet op gevoel, maar op bewijs. Streep opties weg waarvan het signaalwoord of het verwijswoord botst met de context, en kies de optie die door beide cohesiemiddelen wordt gedragen. Zo verander je een vage „welke past het beste?” in een controleerbare redenering: het signaalwoord „However” markeert de tegenstelling, en „they” verwijst naar de eerder genoemde bewoners. Precies die onderbouwing met cohesiemiddelen maakt een gatvraag betrouwbaar oplosbaar — en is wat het correctievoorschrift van je verwacht.
Uitgewerkt voorbeeld

Een gat vullen met cohesie

Vóór het gat staat: „The council promised more cycle lanes.” Eén van de opties past in het gat. Optie A begint met „However, none of them were ever built.” Waarom past A, en welke cohesiemiddelen bewijzen dat?

  1. 01Het signaalwoord toetsen

    „However” kondigt een tegenstelling aan: de belofte (meer fietspaden) tegenover wat volgt.

  2. 02Het verwijswoord koppelen

    „none of them” verwijst terug naar „cycle lanes” uit de vorige zin — het antecedent klopt in getal en betekenis.

  3. 03De aansluiting bevestigen

    Belofte → maar niet uitgevoerd is een logische, samenhangende voortzetting; A sluit inhoudelijk én qua verwijzing aan.

Resultaat: A past: „However” markeert de tegenstelling met de belofte, en „none of them” verwijst naar „cycle lanes”. Het signaalwoord en het verwijswoord samen bewijzen de plek.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: bij een invoeg-/gatvraag de passende zin of alinea kiezen op grond van cohesie (signaalwoorden en verwijswoorden).
  • Examendoel: een keuze verantwoorden met de aansluiting op zowel de voorafgaande als de volgende zin.

Veelgemaakte fouten

  • Alleen op de inhoud letten en de signaal- en verwijswoorden negeren. Juist die cohesiemiddelen wijzen de plek aan.
  • Een optie kiezen die op de vorige zin aansluit maar niet op de volgende. De ingevoegde zin moet aan beide kanten passen.

Actieve herhaling

Los een invoeg-/gatvraag op uit een oude tekst. Onderbouw je keuze expliciet met (a) het signaalwoord en (b) een verwijswoord met zijn antecedent, en toets de aansluiting vóór én na het gat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01De vraagvormen van het CE in overzicht○
    • 02Meerkeuzevragen: afleiders uitsluiten◐
    • 03Open vragen en citeervragen: precies en in de juiste taal◐
    • 04Invoeg- en gatvragen: cohesie als sleutel●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Examenvraagvormen (open, meerkeuze, citeer, gat)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~15
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Engels VWO — domein A Leesvaardigheid

Vorig onderwerp

Leesstrategieën en tekstbegrip

Volgend onderwerp

Woordenschat en woordbetekenis in context

EuraStudy·Samenvattingen T·03·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.