EuraStudy
Samenvattingen/Duits/Literatuurgeschiedenis van het Duitse taalgebied (domein E3)
Samenvattingen · DuitsNL · VWO

Literatuurgeschiedenis van het Duitse taalgebied (domein E3)

Literatuurgeschiedenis plaatst Duitstalige werken in hun literair-historische en cultuurhistorische context: je kent de grote periodes — van de Aufklärung, de Sturm und Drang en de Weimarer Klassik via de Romantik en het Realismus tot de Moderne, het Expressionismus en de literatuur na 1945 — met hun kenmerken en sleutelauteurs. Het hoort bij domein E (Literatuur), subdomein literatuurgeschiedenis (E3), dat nadrukkelijk tot de VWO-eindtermen behoort en in het schoolexamen wordt getoetst — niet in het centraal examen, dat bij Duits alleen leesvaardigheid meet.

4 Onderdelen·~20 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·131313 / 15
Examenprofiel
De grote periodes van de Duitse literatuur benoemen, globaal dateren en op volgorde zetten (Aufklärung, Sturm und Drang, Weimarer Klassik, Romantik, Realismus, Moderne/Expressionismus, Nachkriegs- en Gegenwartsliteratur)Kenmerken van een periode of stroming in een fragment herkennen en met de tijdgeest verbindenSleutelauteurs en -werken plaatsen (o.a. Lessing, Goethe, Schiller, Eichendorff, Heine, Fontane, Mann, Kafka, Brecht, Böll, Grass, Schlink) en een werk in zijn context duidenBeseffen dat literatuurgeschiedenis (E3) nadrukkelijk VWO-stof is en in het schoolexamen wordt getoetst, niet in het centraal examen
Operatoren:plaats in de tijdbenoemherkenverbind met de contextleg uitvergelijk

basisniveau

Literatuurgeschiedenis is schoolexamenstof (subdomein E3); je kent de hoofdlijnen van de periodisering en de belangrijkste Duitstalige auteurs en werken.

verhoogd niveau

Literatuurgeschiedenis (E3) is nadrukkelijk VWO-stof — op de HAVO blijft het lichter; je herkent periodekenmerken in een fragment en verbindt een werk met zijn cultuurhistorische context.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Literatuurgeschiedenis van het Duitse taalgebied (domein E3)
    • 01Aufklärung, Sturm und Drang en Weimarer Klassik (18e eeuw)○
    • 02Romantik en Realismus (19e eeuw)◐
    • 03Moderne en Expressionismus (rond 1900–1930)◐
    • 04Nachkriegs- en Gegenwartsliteratur (na 1945)●
§ 01

Aufklärung, Sturm und Drang en Weimarer Klassik (18e eeuw)#

●○○BasisLPexamenblad-nl-duits-vwo-domein-E3

Kernpunten

Literatuurgeschiedenis (subdomein E3) is schoolexamenstof en nadrukkelijk VWO-stof — ze wordt níét in het centraal examen getoetst, dat bij Duits alleen de leesvaardigheid meet. Afb. 1 zet de hoofdlijn van de Duitse literatuur op een tijdlijn, van de achttiende eeuw tot vandaag, zodat je de periodes in de juiste volgorde en bij benadering in de tijd kunt plaatsen. De achttiende eeuw kent drie opeenvolgende stromingen die nauw op elkaar reageren: de rationele Aufklärung, de gevoelvolle en opstandige Sturm und Drang, en de evenwichtige Weimarer Klassik. Samen laten ze een beweging zien van de rede, via het opstandige gevoel, naar een bewuste verzoening van beide. Wie deze drie kent, begrijpt meteen de spanning tussen verstand en gevoel die de hele latere Duitse literatuur blijft voeden. De jaartallen op Afb. 1 zijn periodemiddens bij benadering, niet exact — ze ordenen de stromingen ten opzichte van elkaar.

Afb. 1 — Tijdlijn van de Duitse literaire periodes

Duitse literaire periodesGetallenlijn, Aufklärung, Sturm und Drang, Weimarer Klassik · Goethe, Romantik · Eichendorff, Realismus · Fontane, Moderne · Kafka, Mann, Nachkriegszeit · Böll, Grass, Gegenwart · Schlink175018001850190019502000Aufklärung, Sturmund DrangWeimarer Klassik ·GoetheRomantik ·EichendorffRealismus ·FontaneModerne · Kafka,MannNachkriegszeit ·Böll, GrassGegenwart ·Schlink
Afb. 1De hoofdlijn van de Duitse literatuurgeschiedenis op een jaaras. De jaartallen zijn periodemiddens bij benadering, niet exact — ze plaatsen elke periode ten opzichte van de andere.
De Aufklärung (de Verlichting, grofweg de achttiende eeuw) stelt de rede, de kennis en de verdraagzaamheid centraal en keert zich tegen bijgeloof en willekeur — Kants leus „Habe Mut, dich deines eigenen Verstandes zu bedienen” vat de geest samen. De grote schrijver van de Duitse Verlichting is Gotthold Ephraim Lessing (1729–1781). In zijn toneelstuk „Nathan der Weise” (1779) pleit hij hartstochtelijk voor tolerantie tussen de godsdiensten: de beroemde Ringparabel laat zien dat geen enkele religie kan bewijzen de enige ware te zijn, en dat het aankomt op goed handelen. Lessing schreef ook „Emilia Galotti” en „Minna von Barnhelm” en dacht als criticus na over de regels van het theater. Zijn werk is helder, redelijk en gericht op de opvoeding van de mens — kenmerkend voor de Aufklärung.
Rond 1770 komt een jonge generatie in opstand tegen de koele redelijkheid: de Sturm und Drang (letterlijk „storm en drang”). Zij verheerlijkt het gevoel, de hartstocht, de natuur, de vrijheid en het genie, en zet zich af tegen regels en conventies. Het beroemdste werk is de jonge Goethes „Die Leiden des jungen Werthers” (1774), een briefroman waarin de gevoelige Werther hopeloos verliefd wordt op de al verloofde Lotte en uiteindelijk uit wanhoop zelfmoord pleegt; het boek maakte Goethe in heel Europa beroemd en ontketende een ware „Werther-Fieber”. Ook de jonge Schiller hoort hier thuis: zijn drama „Die Räuber” (1781) laat de edele rebel Karl Moor als roverhoofdman tegen een verrotte, onrechtvaardige orde vechten. Gevoel, opstand en de botsing van het individu met de maatschappij zijn de kernwoorden van deze korte, hevige stroming.
Uit de rijpere samenwerking van Goethe en Schiller in het stadje Weimar ontstaat de Weimarer Klassik (ongeveer 1786–1805): een verzoening van het Verlichte verstand en het romantische gevoel in een ideaal van maat, harmonie en Humanität, naar het voorbeeld van de klassieke oudheid. Johann Wolfgang von Goethe (1749–1832) en Friedrich Schiller (1759–1805) streven naar het schone én het goede, naar de vorming van de hele mens. Goethes levenswerk is „Faust” (deel I, 1808; deel II, 1832), het drama van de geleerde die met de duivel Mephistopheles een weddenschap aangaat en in zijn rusteloze streven de onschuldige Gretchen ten val brengt. Schiller schrijft grote historische drama's als „Wilhelm Tell” en „Maria Stuart” en denkt in zijn brieven na over de esthetische opvoeding van de mens. Voor het examen is de kunst deze drie achttiende-eeuwse fasen niet door elkaar te halen: de rede (Aufklärung), het opstandige gevoel (Sturm und Drang) en de harmonie van beide (Klassik) volgen elkaar op (Afb. 1).
Uitgewerkt voorbeeld

Een fragment aan een stroming toewijzen

Een briefroman uit 1774 laat een jonge, overgevoelige man zijn hopeloze liefde voor een al verloofde vrouw opbiechten; verscheurd door zijn gevoel maakt hij ten slotte een einde aan zijn leven. Bepaal de stroming, het genre, het werk en de auteur.

  1. 01De kenmerken herkennen

    Overweldigend gevoel, hartstochtelijke liefde en de botsing van het lijdende individu met de wereld: dat zijn de idealen van de Sturm und Drang, niet de koele rede van de Aufklärung.

  2. 02Genre en tijd bepalen

    Een verhaal dat volledig uit brieven bestaat, is een briefroman (Briefroman); het jaartal 1774 plaatst het midden in de Sturm und Drang.

  3. 03Werk en auteur plaatsen

    De jonge man, de onbereikbare geliefde en de zelfmoord wijzen op „Die Leiden des jungen Werthers” van de jonge Johann Wolfgang von Goethe.

Resultaat: De Sturm und Drang (1774): de briefroman „Die Leiden des jungen Werthers” van de jonge Goethe — herkenbaar aan het allesbeheersende gevoel en de tragische botsing van het individu met zijn omgeving.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de Aufklärung, de Sturm und Drang en de Weimarer Klassik onderscheiden, globaal dateren en Lessing, de jonge Goethe (Werther) en Schiller (Die Räuber) in de juiste fase plaatsen.
  • Examendoel: kenmerken van de drie stromingen in een fragment herkennen — rede en tolerantie (Aufklärung), gevoel en opstand (Sturm und Drang), maat en harmonie (Klassik) — en aan de tijdgeest koppelen.

Veelgemaakte fouten

  • De Sturm und Drang en de Weimarer Klassik gelijkstellen omdat beide om Goethe en Schiller draaien. Het zijn opeenvolgende fasen: eerst het jeugdige, opstandige gevoel (Werther, Die Räuber), daarna de rijpe harmonie van rede en gevoel.
  • Denken dat „Faust” een Sturm-und-Drang-werk is omdat het over hartstocht gaat. Goethes „Faust” verscheen als voltooid deel I pas in 1808 en hoort bij zijn klassieke, rijpe periode.

Actieve herhaling

Plaats Lessing („Nathan der Weise”), de jonge Goethe („Die Leiden des jungen Werthers”) en Schiller („Die Räuber”) op de tijdlijn van Afb. 1 en benoem per werk één kenmerk dat bij de bijbehorende stroming (Aufklärung, Sturm und Drang) hoort. Leg daarna in twee zinnen uit wat de Weimarer Klassik toevoegt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duitse taal en literatuur VWO — domein E, subdomein E3 (literatuurgeschiedenis, schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Romantik en Realismus (19e eeuw)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-duits-vwo-domein-E3

Kernpunten

De negentiende eeuw opent met de Romantik (de romantiek, grofweg 1798–1835), die zich juist afkeert van de klassieke maat en rede en het gevoel, het verlangen en de verbeelding vooropstelt. Afb. 2 zet dat contrast scherp neer: waar de Weimarer Klassik draait om rede, maat en harmonie, draait de Romantik om gevoel en verlangen (Sehnsucht), om de natuur en het nachtelijke, en om het oneindige en het wonderbaarlijke. De romantici koesteren de droom, het sprookje, de middeleeuwen en de onbereikbare verte; hun symbool bij uitstek is de „blaue Blume”, de blauwe bloem van het eeuwige verlangen. Waar de klassieke dichter streeft naar evenwicht, wil de romanticus juist voorbij het eindige reiken. Die tegenstelling tussen rede en gevoel (Afb. 2) is een van de vruchtbaarste spanningen in de Duitse literatuur.

Afb. 2 — Weimarer Klassik tegenover Romantik

Klassik tegenover RomantikBoomdiagram, 6 paden, Gegevens: Weimarer Klassik → Rede en beheersing; Weimarer Klassik → Maat en vorm; Weimarer Klassik → Harmonie; Romantik → Gevoel en verlangen; Romantik → Natuur en nacht; Romantik → Het oneindige (Sehnsucht)Weimarer KlassikRomantikKlassik tegenover RomantikRede en beheersingMaat en vormHarmonieGevoel en verlangenNatuur en nachtHet oneindige (Sehnsucht)
Afb. 2Het kerncontrast van de eeuwwisseling rond 1800: de Weimarer Klassik zoekt rede, maat en harmonie, de Romantik het gevoel, de natuur en het oneindige. Verbind een fragment altijd met de waarden van zijn stroming.
De Romantik kent verschillende grote namen. Novalis (1772–1801) is de dichter van de Frühromantik: in zijn „Hymnen an die Nacht” bezingt hij de nacht en de dood als poort naar het oneindige, en van hem stamt de blauwe bloem uit de roman „Heinrich von Ofterdingen”. Joseph von Eichendorff (1788–1857) verbeeldt de romantische Wanderlust en het natuurgevoel in gedichten als „Mondnacht” en in de novelle „Aus dem Leben eines Taugenichts”. En de gebroeders Jacob (1785–1863) en Wilhelm (1786–1859) Grimm verzamelen in hun „Kinder- und Hausmärchen” (vanaf 1812) de volkssprookjes die de hele wereld zou leren kennen — „Aschenputtel”, „Hänsel und Gretel”, „Rotkäppchen” — waarmee zij de romantische liefde voor het volkse, het oude en het wonderbaarlijke belichamen. Het sprookje, de natuur en het verlangen zijn hun gemeenschappelijke grond.
Een bijzondere plaats neemt Heinrich Heine (1797–1856) in, die de brug slaat naar een nieuwe tijd. In zijn vroege „Buch der Lieder” (1827) — met het beroemde „Die Lorelei” — klinkt hij nog volop romantisch, met liefde, natuur en melancholie. Maar Heine kijkt tegelijk met ironie en spot naar de romantiek terug en mengt er scherpe maatschappijkritiek doorheen; in „Deutschland. Ein Wintermärchen” (1844) hekelt hij de politieke toestanden van zijn vaderland. Zo staat Heine met één been in de Romantik en met het andere in de kritische, realistische geest die de eeuw zal beheersen. Hij laat mooi zien dat literaire periodes niet als blokken naast elkaar staan, maar in elkaar overlopen — precies het soort verband dat je bij een fragment moet kunnen zien.
Rond het midden van de eeuw verschuift het zwaartepunt naar het Realismus, in Duitsland vaak Poetischer Realismus genoemd (ongeveer 1848–1890): de literatuur wil de werkelijkheid, en vooral de burgerlijke samenleving, nauwkeurig en geloofwaardig weergeven, maar in een gekozen, „verklaarde” vorm — niet grauw, maar met oog voor het betekenisvolle detail. De grootste is Theodor Fontane (1819–1898). Zijn roman „Effi Briest” (1895) toont hoe de jonge Effi, veel te vroeg uitgehuwelijkt aan de veel oudere baron von Innstetten, ten onder gaat aan een starre erecode: jaren na een kortstondige affaire wordt die alsnog ontdekt, met een noodlottige afloop. Naast Fontane horen ook Gottfried Keller en Theodor Storm („Der Schimmelreiter”) bij het realisme. Voor het examen is de opdracht de negentiende eeuw als een tweeluik te zien (Afb. 2): eerst het gevoel en het verlangen van de Romantik, daarna de nuchtere maatschappijbeschrijving van het Realismus.
Uitgewerkt voorbeeld

Een gedicht aan een stroming toewijzen

Een gedicht bezingt in de stilte van een maanverlichte nacht hoe de ziel haar vleugels uitslaat en over de landen wegvliegt, vervuld van een naamloos verlangen naar het oneindige. Bepaal de stroming, wijs met Afb. 2 een kenmerk aan en noem een passende auteur.

  1. 01De kenmerken herkennen

    De nacht, de maan, de natuur en een naamloos, oneindig verlangen (Sehnsucht) zijn typisch romantisch — precies de rechtertak van Afb. 2, tegenover de rede en de maat van de Klassik.

  2. 02De waarde benoemen

    Het gedicht wil niet ordenen of beheersen maar juist voorbij het eindige reiken; dat oneindigheidsverlangen is het hart van de Romantik.

  3. 03Een auteur plaatsen

    Zulke natuur- en nachtgedichten met Wanderlust en Sehnsucht passen bij Joseph von Eichendorff (denk aan „Mondnacht”).

Resultaat: De Romantik: een natuur- en nachtgedicht vol Sehnsucht naar het oneindige (de rechtertak van Afb. 2), zoals bij Joseph von Eichendorff — herkenbaar aan het gevoel, de natuur, de nacht en het verlangen in plaats van de klassieke maat en rede.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: met behulp van Afb. 2 de Weimarer Klassik en de Romantik contrasteren (rede, maat en harmonie tegenover gevoel, verlangen, natuur en het oneindige) en romantische kenmerken in een fragment herkennen.
  • Examendoel: Novalis, Eichendorff, de gebroeders Grimm, Heine en Fontane in de juiste stroming (Romantik of Realismus) plaatsen en de overgang tussen beide herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • „Romantisch” lezen als „over de liefde”. De Romantik is een literaire stroming met een heel programma: gevoel, verlangen (Sehnsucht), natuur, het nachtelijke, het sprookje en het oneindige.
  • De Romantik en het Realismus als één negentiende-eeuws geheel behandelen. Het zijn tegengestelde accenten: het naar binnen en omhoog gerichte verlangen van de romanticus tegenover de nuchtere, naar buiten gerichte maatschappijbeschrijving van de realist.

Actieve herhaling

Vergelijk met Afb. 2 een kort romantisch natuurgedicht (bijvoorbeeld in de geest van Eichendorffs „Mondnacht”) en een fragment uit een realistische maatschappijroman als „Effi Briest”. Benoem per fragment twee kenmerken en leg uit welke waarden (gevoel/verlangen tegenover werkelijkheid/maatschappij) eruit spreken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duitse taal en literatuur VWO — domein E, subdomein E3 (literatuurgeschiedenis, schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Moderne en Expressionismus (rond 1900–1930)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-duits-vwo-domein-E3

Kernpunten

Rond 1900 breekt de Moderne aan: onder de indruk van de grote stad, de industrie, de nieuwe psychologie (Freud) en een diep gevoel van crisis breken schrijvers met de vertrouwde vormen en zekerheden van de negentiende eeuw. De taal zelf, het ik en de werkelijkheid worden problematisch; de literatuur wordt experimenteler, innerlijker en vaak somberder. In deze periode schrijven enkele van de grootste namen van de wereldliteratuur in het Duits, en ze staan alle voor die ervaring van een wereld die haar houvast verliest. Anders dan de vorige eeuwen laat de Moderne zich niet in één leus vangen: ze is eerder een veelstemmige overgang naar de twintigste eeuw. Kenmerkend is de blik naar binnen — op het bewustzijn, de angst, de vervreemding — en het besef dat de oude, hele wereld voorbij is.
Thomas Mann (1875–1955) verbeeldt de Moderne in de grote, kunstig gebouwde roman. Zijn debuut „Buddenbrooks” (1901) draagt de veelzeggende ondertitel „Verfall einer Familie” en beschrijft hoe een deftige koopmansfamilie uit Lübeck over vier generaties langzaam verkommert — een beeld van het verval van de burgerlijke wereld. Mann schreef daarna onder meer „Der Tod in Venedig” (1912) en de ideeënroman „Der Zauberberg” (1924) en ontving in 1929 de Nobelprijs voor Literatuur. Zijn thema is telkens de spanning tussen de burger en de kunstenaar, tussen leven en geest. Met zijn ironische, afstandelijke stijl en zijn zorgvuldige compositie is hij de grote romancier van de Duitse Moderne.
Franz Kafka (1883–1924), een Duitstalige joodse schrijver uit Praag, geeft de moderne vervreemding haar scherpste beeld. In zijn vertelling „Die Verwandlung” (1915) wordt de handelsreiziger Gregor Samsa op een ochtend wakker als een reusachtig ongedierte, en de nuchtere, feitelijke toon waarmee dat ongehoorde wordt verteld maakt het des te beklemmender. Kafka's romans „Der Process” en „Das Schloss” verschenen pas na zijn dood; ze tonen een mens die machteloos staat tegenover een ondoorgrondelijke macht of bureaucratie. Zo beklemmend en absurd is dat, dat er een eigen bijvoeglijk naamwoord voor bestaat: „kafkaesk”. Naast het proza vernieuwt ook de poëzie zich: Rainer Maria Rilke (1875–1926) schrijft in zijn „Neue Gedichte” het beroemde „Dinggedicht” („Der Panther”) en in de „Duineser Elegien” een diepzinnige, moderne lyriek.
Ongeveer tegelijk, tussen circa 1910 en 1925, bloeit het Expressionismus, vooral in de lyriek. De expressionisten willen niet de buitenwereld weergeven maar de innerlijke ervaring naar buiten schreeuwen: hun gedichten zijn heftig, vervormd en vol tegenstellingen. Terugkerende thema's zijn de verpletterende grote stad (Großstadt), de vervreemding, de oorlog en het naderende wereldeinde (Weltuntergang). Dichters als Georg Trakl (met „Grodek”, over de gruwel van de Eerste Wereldoorlog), Georg Heym en Gottfried Benn geven daar stem aan; de beroemde bloemlezing „Menschheitsdämmerung” (1919/20) verzamelde deze stemmen. Voor het examen is het van belang de Moderne (breuk met de traditie, vervreemding, crisis) en het Expressionismus (heftige, vervormde uitdrukking van het innerlijk) te herkennen, en Mann, Kafka en Rilke in hun tijd te plaatsen — met de wereldoorlog als donkere achtergrond.
Uitgewerkt voorbeeld

Een fragment aan een periode toewijzen

Een vertelling uit 1915 opent ermee dat een handelsreiziger op een ochtend wakker wordt en zichzelf in een reusachtig insect veranderd vindt; het ongehoorde wordt in een kalme, zakelijke toon verteld, waarna zijn gezin zich geleidelijk van hem afkeert. Bepaal de periode, het thema, het werk en de auteur.

  1. 01Het thema herkennen

    Een mens die van de ene op de andere dag vreemd en overbodig wordt, is een beeld van vervreemding en uitsluiting — een kernthema van de Moderne.

  2. 02De toon duiden

    Juist de nuchtere, feitelijke verteltoon bij een volstrekt ongehoorde gebeurtenis maakt het beklemmend; dat effect noemen we „kafkaesk”.

  3. 03Periode, werk en auteur plaatsen

    Het jaartal 1915, het motief en de toon wijzen ondubbelzinnig op „Die Verwandlung” van Franz Kafka, midden in de Moderne.

Resultaat: De Moderne (1915): „Die Verwandlung” van Franz Kafka — herkenbaar aan het thema van de vervreemding en de nuchtere, „kafkaeske” toon waarmee het ongehoorde wordt verteld.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: kenmerken van de Moderne (breuk met de traditie, vervreemding, taal- en identiteitscrisis) en van het Expressionismus (heftige, vervormde uitdrukking, Großstadt, oorlog, wereldeinde) in een fragment herkennen.
  • Examendoel: Thomas Mann („Buddenbrooks”, 1901), Franz Kafka („Die Verwandlung”, 1915) en Rilke in de periode rond 1900–1930 plaatsen en met de tijdgeest verbinden.

Veelgemaakte fouten

  • Kafka's „Die Verwandlung” als een sprookje of fantasieverhaal lezen. De vervorming staat juist voor moderne vervreemding en machteloosheid; de nuchtere verteltoon maakt het onheimelijk, niet wonderbaarlijk.
  • De Moderne en het Expressionismus als hetzelfde zien. De Moderne is de brede breuk met de negentiende eeuw (o.a. bij Mann en Kafka), het Expressionismus een heftige, vooral lyrische stroming daarbinnen.

Actieve herhaling

Lees een kort fragment uit Kafka's „Die Verwandlung” en een expressionistisch grootstadgedicht. Benoem per tekst twee moderne kenmerken (bijvoorbeeld vervreemding, de nuchtere toon bij het ongehoorde, de dreigende stad) en leg uit hoe die de ervaring van een wereld in crisis uitdrukken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duitse taal en literatuur VWO — domein E, subdomein E3 (literatuurgeschiedenis, schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Nachkriegs- en Gegenwartsliteratur (na 1945)#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-duits-vwo-domein-E3

Kernpunten

Na de nederlaag en de misdaden van het naziregime staat de Duitse literatuur in 1945 voor een puinhoop, letterlijk en figuurlijk. De eerste jaren spreekt men van Trümmerliteratur (puinliteratuur) of Kahlschlagliteratur: schrijvers zoeken een eenvoudige, eerlijke taal om over de oorlog, de schuld en de verwoesting te schrijven, ontdaan van grote woorden. Wolfgang Borchert verwoordt met het toneelstuk „Draußen vor der Tür” (1947) de ontheemding van de teruggekeerde soldaat. In 1947 richt een groep schrijvers de invloedrijke Gruppe 47 op, die de naoorlogse literatuur jarenlang mede vorm zou geven. Als een rode draad loopt door al deze literatuur de Vergangenheitsbewältigung: het pijnlijke, aanhoudende verwerken van het nationaalsocialistische verleden. Die verantwoordelijkheid tegenover de geschiedenis kenmerkt de Duitse literatuur tot op vandaag.
Twee grote namen bepalen de vroege naoorlogse jaren. Heinrich Böll (1917–1985) schrijft eerst korte verhalen (Kurzgeschichten) over de oorlog en het lot van gewone mensen, en later romans als „Ansichten eines Clowns” (1963) en „Die verlorene Ehre der Katharina Blum” (1974), waarin hij de naoorlogse maatschappij, de macht van de pers en de schijnheiligheid kritisch tegen het licht houdt; in 1972 ontving hij de Nobelprijs. Naast hem staat Bertolt Brecht (1898–1956), de vernieuwer van het toneel. Zijn „episches Theater” doorbreekt bewust de illusie: door het Verfremdungseffekt (het vervreemdingseffect) moet de toeschouwer niet meeleven maar nadenken en oordelen. Brechts belangrijkste stukken — zoals „Mutter Courage und ihre Kinder” (in première in 1941), „Leben des Galilei” en „Der gute Mensch von Sezuan” — ontstonden tussen de late jaren twintig en de jaren veertig; na de oorlog werkte hij in de DDR, waar hij in 1949 het Berliner Ensemble oprichtte.
De grote afrekening met het naziverleden komt in 1959 met Günter Grass (1927–2015) en zijn roman „Die Blechtrommel”. Daarin weigert de kleine Oskar Matzerath op zijn derde nog verder te groeien; met zijn blikken trommel en zijn glasverbrijzelende schreeuw bekijkt hij de opkomst van het nationaalsocialisme in Danzig als het ware van onderaf. Het boek, deel van de „Danziger Trilogie”, gold als een moedige literaire confrontatie met een verleden waarover velen liever zwegen; in 1999 kreeg Grass de Nobelprijs. Intussen ontwikkelde zich in het gedeelde Duitsland ook een aparte literatuur in de DDR: Christa Wolf (1929–2011) schreef met „Der geteilte Himmel” (1963) en „Kassandra” (1983) werken die het leven en de moraal in de socialistische staat onderzochten. Zo weerspiegelt de literatuur na 1945 ook de deling van het land.
In de meer recente Gegenwartsliteratur blijft de geschiedenis een centraal thema. Bernhard Schlink (geboren 1944) bereikte met „Der Vorleser” (1995) een wereldwijd publiek: het verhaal van de jonge Michael en de veel oudere Hanna, van wie later blijkt dat zij als kampbewaakster betrokken was bij de misdaden, en die haar analfabetisme angstvalliger verbergt dan haar schuld. De roman stelt de moeilijke vraag hoe de tweede generatie zich verhoudt tot de schuld van de eerste — opnieuw Vergangenheitsbewältigung, nu vanuit de naoorlogse generatie. Voor het examen komt het erop aan de hoofdlijn na 1945 te overzien (Afb. 1): van de Trümmerliteratur, via Böll, Brecht, Grass en de DDR-literatuur van Christa Wolf, tot de hedendaagse literatuur van Schlink — met de verwerking van het nationaalsocialistische verleden en de deling van Duitsland als de grote, verbindende thema's.
Uitgewerkt voorbeeld

Een fragment aan een periode en auteur toewijzen

Een roman uit 1959 wordt verteld door een jongen die op zijn derde besluit niet meer te groeien; met een blikken trommel en een schrille schreeuw slaat hij de opkomst van het nationaalsocialisme in zijn stad gade. Bepaal de periode, het thema, het werk en de auteur.

  1. 01Het thema herkennen

    Een literaire terugblik op de naziperiode, gezien door de ogen van een buitenstaander, is typisch voor de Vergangenheitsbewältigung van de naoorlogse literatuur.

  2. 02De periode plaatsen

    Het jaartal 1959 valt in de Nachkriegsliteratur, de literatuur die met het recente verleden in het reine probeert te komen (Afb. 1).

  3. 03Werk en auteur benoemen

    De niet-groeiende jongen, de blikken trommel en de glasbrekende schreeuw wijzen ondubbelzinnig op „Die Blechtrommel” van Günter Grass.

Resultaat: De Nachkriegsliteratur (1959): „Die Blechtrommel” van Günter Grass — herkenbaar aan de literaire verwerking van het nationaalsocialistische verleden (Vergangenheitsbewältigung), gezien door de niet-groeiende Oskar Matzerath.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de hoofdlijn van de literatuur na 1945 overzien — Trümmerliteratur, Heinrich Böll, Bertolt Brecht (episches Theater), Günter Grass („Die Blechtrommel”, 1959), Christa Wolf (DDR) en Bernhard Schlink („Der Vorleser”, 1995) — en globaal dateren.
  • Examendoel: de verbindende thema's herkennen (Vergangenheitsbewältigung en de deling van Duitsland) en Brechts episches Theater met zijn Verfremdungseffekt kunnen uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat Brechts stukken pas na 1945 ontstonden. Zijn episches Theater en de meeste grote stukken dateren van de late jaren twintig tot de jaren veertig; ná de oorlog richtte hij in de DDR wél het Berliner Ensemble op.
  • „Die Blechtrommel” en „Der Vorleser” als losse verhalen lezen zonder hun kernthema te zien. Beide draaien om de Vergangenheitsbewältigung — de literaire verwerking van het nationaalsocialistische verleden.

Actieve herhaling

Zet Böll, Brecht, Grass en Schlink in een korte tijdlijn (met behulp van Afb. 1) en formuleer per auteur in één zin welke bijdrage hij aan de naoorlogse literatuur leverde. Leg daarna uit wat het begrip Vergangenheitsbewältigung betekent en bij welke van deze werken het duidelijk speelt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duitse taal en literatuur VWO — domein E, subdomein E3 (literatuurgeschiedenis, schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Aufklärung, Sturm und Drang en Weimarer Klassik (18e eeuw)○
    • 02Romantik en Realismus (19e eeuw)◐
    • 03Moderne en Expressionismus (rond 1900–1930)◐
    • 04Nachkriegs- en Gegenwartsliteratur (na 1945)●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Literatuurgeschiedenis van het Duitse taalgebied (domein E3)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~20
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Duitse taal en literatuur VWO — domein E, subdomein E3 (literatuurgeschiedenis, schoolexamen)

Vorig onderwerp

Literaire begrippen en tekstinterpretatie (domein E2)

Volgend onderwerp

Landeskunde en cultuur van het Duitse taalgebied

EuraStudy·Samenvattingen T·13·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.