EuraStudy
Samenvattingen/Duits/Gespreksvaardigheid: gesprekken voeren en spreken (domein C)
Samenvattingen · DuitsNL · VWO

Gespreksvaardigheid: gesprekken voeren en spreken (domein C)

Gespreksvaardigheid (domein C) is de productieve mondelinge vaardigheid en valt uiteen in twee delen: gesprekken voeren (interactie: informatie en meningen uitwisselen en reageren) en spreken (een monoloog of presentatie houden). Dit domein wordt in het schoolexamen (SE) getoetst en niet in het centraal examen, want het CE Duits toetst uitsluitend leesvaardigheid. Het productieve streefniveau ligt volgens de taalprofielen doorgaans rond ERK B1: het gaat om verstaanbaar en samenhangend Duits, waarbij communicatie vóór foutloosheid gaat.

4 Onderdelen·~19 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0999 / 15
Examenprofiel
Beseffen dat gespreksvaardigheid (domein C: gesprekken voeren én spreken/presenteren) in het schoolexamen wordt getoetst en niet in het CE — het productieve streefniveau ligt rond ERK B1Een gesprek beginnen, gaande houden en afsluiten: de beurt nemen en teruggeven en op de ander reagerenRedemittel inzetten voor mening geven, instemmen, tegenspreken, nuanceren en vragen, met het juiste register (du/Sie)Herstelstrategieën gebruiken (omschrijven bij een woordhiaat, om herhaling vragen) en een korte presentatie opbouwen
Operatoren:voer een gesprekreageergeef je meningstem in of spreek tegenvraag om verhelderinghoud een presentatie

basisniveau

Gespreksvaardigheid is schoolexamenstof (domein C): je kunt in het Duits een alledaags gesprek voeren, informatie en meningen uitwisselen, op de ander reageren en een korte presentatie houden.

verhoogd niveau

Wie boven B1 uitkomt, voert ook een vlottere discussie over abstractere onderwerpen, nuanceert en weerlegt beleefd, en stemt register en beleefdheidsvormen (du/Sie) trefzeker af op de situatie.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Gespreksvaardigheid: gesprekken voeren en spreken (domein C)
    • 01Gespreksvaardigheid in het schoolexamen (gesprek en presentatie)○
    • 02De gespreksbeurt: beginnen, gaande houden, nemen en teruggeven◐
    • 03Redemittel: mening, instemming, tegenspraak en register (du/Sie)◐
    • 04Herstelstrategieën en de presentatie●
§ 01

Gespreksvaardigheid in het schoolexamen (gesprek en presentatie)#

●○○BasisLPexamenblad-nl-duits-vwo-domein-C

Kernpunten

Gespreksvaardigheid vormt domein C van het examenprogramma Duits en is de productieve mondelinge vaardigheid: je brengt zelf Duits voort in plaats van het alleen te begrijpen. Het domein valt in twee delen uiteen. Het eerste is gesprekken voeren: de interactie, waarin je met een of meer sprekers informatie en meningen uitwisselt en op elkaar reageert. Het tweede is spreken: de monoloog of presentatie, waarin je zelf een samenhangend verhaal of betoog houdt. Beide delen vragen andere vaardigheden — een gesprek is onvoorspelbaar en interactief, een presentatie is voorbereid en aaneengesloten — en dit onderwerp behandelt ze allebei, met de nadruk eerst op het gesprek en aan het slot op de presentatie.
Gespreksvaardigheid is schoolexamenstof. Het centraal examen Duits toetst uitsluitend leesvaardigheid (domein A); spreken en gesprekken voeren komen dus niet in het CE voor, maar worden door je school in het schoolexamen (SE) getoetst. In de praktijk gebeurt dat vaak met een gesprek of discussie met je docent of een medeleerling, en/of met een korte presentatie over een gegeven onderwerp. De precieze vorm, de duur, de onderwerpen en de beoordelingscriteria legt je school vast in het Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA). Omdat de opzet per school verschilt, loont het om te weten hoe jóuw toets is ingericht en waarop je docent let — meestal op een combinatie van inhoud, interactie, woordenschat en grammatica, en vlotheid en uitspraak.
Het productieve streefniveau ligt lager dan het leesniveau van het CE. Waar het lezen streeft naar ERK B2, liggen de productieve vaardigheden — spreken en schrijven — volgens de taalprofielen doorgaans rond ERK B1. Dat is een belangrijk en geruststellend gegeven: je hoeft niet foutloos of vloeiend als een moedertaalspreker te zijn. Op B1 kun je deelnemen aan een gesprek over vertrouwde onderwerpen, je mening geven en op die van anderen reageren, en een eenvoudige, samenhangende presentatie houden. Het uitgangspunt is „communicatie boven perfectie”: een gesprek of presentatie slaagt als de boodschap overkomt, ook met een enkele grammaticale fout of een omschrijving in plaats van het precieze woord. Wie uit angst voor fouten zwijgt of stokt, scoort lager dan wie doorpraat en compenseert.
Het bijzondere aan een gesprek is dat je het niet volledig kunt voorbereiden. Een presentatie kun je uitschrijven en instuderen, maar een gesprek ontstaat pas op het moment zelf, omdat het afhangt van wat je gesprekspartner zegt. Je moet dus voortdurend twee dingen tegelijk doen: begrijpen wat de ander bedoelt én zelf een passende bijdrage formuleren. Het Europees Referentiekader (ERK) beschrijft deze interactie dan ook apart. Bereid je daarom voor door veel te spreken over de gangbare examenthema's — samenleving, milieu, jongeren, media en het Duitstalige gebied — zodat je woordenschat en standaardwendingen (Redemittel) paraat zijn wanneer het gesprek daarheen gaat. Voor de presentatie kun je de opbouw en de kernzinnen wél instuderen; dat contrast tussen voorbereidbaar en onvoorspelbaar is de rode draad van dit onderwerp.
Uitgewerkt voorbeeld

Gesprek of presentatie?

Je docent zegt: „Ich stelle dir Fragen und du reagierst auf meine Antworten — das ist kein Vortrag.” Wat betekent dit voor je aanpak, en welk deel van domein C wordt getoetst?

  1. 01De opdracht lezen

    „du reagierst auf meine Antworten” en „das ist kein Vortrag” (dit is geen voordracht) maken duidelijk dat je moet reageren op de ander — het is interactie, geen voorbereide monoloog.

  2. 02Het onderdeel benoemen

    Dit is gesprekken voeren (domein C, interactie), niet de presentatie. Je kunt het gesprek niet volledig voorbereiden, want het hangt af van de vragen en reacties van je docent.

  3. 03De aanpak bepalen

    Zet in op luisteren en reageren, doorvragen en Redemittel om tijd te winnen — niet op een uit het hoofd geleerd verhaal. Woordenschat over het thema bereid je wél voor.

Resultaat: Het is een interactietoets (gesprekken voeren, domein C): je bereidt woordenschat en wendingen voor, maar bouwt het gesprek op door te reageren op je gesprekspartner, niet door een monoloog af te draaien.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: beseffen dat gespreksvaardigheid (domein C: gesprekken voeren én spreken) in het schoolexamen wordt getoetst en niet in het CE, dat uitsluitend leesvaardigheid toetst.
  • Examendoel: productief deelnemen op streefniveau rond B1 — een gesprek voeren en een korte presentatie houden waarbij de boodschap overkomt (communicatie boven perfectie).

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat spreken of gesprekken voeren in het centraal examen zit. Het CE Duits toetst alleen leesvaardigheid; domein C is schoolexamenstof.
  • Een gesprek willen instuderen als een monoloog. Een gesprek ontstaat op het moment zelf; je moet reageren op wat de ander zegt, niet een voorbereid verhaal afdraaien.

Actieve herhaling

Bespreek met een medeleerling drie minuten lang in het Duits een stelling, bijvoorbeeld „Soziale Medien schaden Jugendlichen mehr, als sie nützen.” Spreek af dat je allebei minstens twee keer op de ander reageert. Kijk na afloop samen na wat het gesprek gaande hield en waar het stokte.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits VWO — domein C, gespreksvaardigheid (schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

§ 02

De gespreksbeurt: beginnen, gaande houden, nemen en teruggeven#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-duits-vwo-domein-C

Kernpunten

Een gesprek is een kringloop van beurten, en Afb. 1 laat die cyclus zien: jij bent aan het woord, dan volgt luisteren en reageren, dan is je partner aan het woord, en daarna geef je de beurt weer terug. De benadrukte stap is „luisteren en reageren”: dat is het scharnier van het gesprek. Zonder die reactiestap zou een gesprek uiteenvallen in twee losse monologen die elkaar niet raken. Beurtwisseling (der Sprecherwechsel) betekent dat je op het juiste moment het woord neemt én het op het juiste moment weer teruggeeft. Wie de beurt nooit neemt, blijft passief; wie hem nooit teruggeeft, domineert en luistert niet. Goede gespreksvoering is een ritmische afwisseling waarin beide sprekers ruimte krijgen.

Afb. 1 — De gespreksbeurt-cyclus

De gespreksbeurt-cyclusGraaf, Jij aan het woord → Luisteren & reageren, Luisteren & reageren → Partner aan het woord, Partner aan het woord → Beurt teruggeven, Beurt teruggeven → Jij aan het woordJij aan hetwoordLuisteren &reagerenPartner aan hetwoordBeurt teruggeven
Afb. 1Een gesprek is een kringloop van beurten: na elke bijdrage volgt luisteren en reageren (benadrukt) voordat de beurt wisselt. Zonder die reactiestap valt het gesprek uiteen in twee monologen.
Een gesprek begin en sluit je met vaste wendingen. Openen doe je met een groet en een aanknoping — informeel „Hallo, wie geht's?” of formeel „Guten Tag, schön, Sie kennenzulernen.” — en afsluiten met een afronding als „Also, dann bis bald.” of formeel „Vielen Dank für das Gespräch.” Daartussen houd je het gesprek gaande. Het woord nemen doe je met korte inleidende wendingen die beleefd aankondigen dat je iets wilt zeggen: „Darf ich kurz etwas sagen?”, „Ich möchte etwas hinzufügen.” of het eenvoudige „Genau, und …”. Zulke formules kopen je bovendien een seconde bedenktijd. Ze voorkomen dat je de ander abrupt in de rede valt en laten zien dat je een gesprek kunt sturen.
Het woord teruggeven — de beurt uitnodigen — doe je door de ander een vraag te stellen of expliciet naar zijn mening te vragen: „Und du, wie siehst du das?”, „Was meinst du dazu?” of „Bist du nicht auch der Meinung, dass …?”. Zo houd je het gesprek in beweging en toon je dat je de ander betrekt. Terwijl de ander praat, laat je met korte luistersignalen merken dat je volgt: „ach so”, „genau”, „verstehe”, „stimmt”. Deze gambits zijn het hoorbare bewijs dat het een gesprek is en geen toespraak. Reageer daarna ook op de inhoud: pak op wat de ander zei en bouw erop voort („Du sprichst von … — genau da denke ich …”). Zo ontstaat samenhang tussen de beurten en voelt de ander zich gehoord.
Het bewust afwisselen van nemen en geven is precies wat bij de interactie wordt beoordeeld. Een veelgemaakte fout is de beurt nooit teruggeven, waardoor je gesprek in een monoloog verandert; een andere is passief wachten tot je iets gevraagd wordt. Op streefniveau neem je zelf initiatief: je brengt punten in, stelt wedervragen en stuurt het gesprek mee. Let daarbij ook op de non-verbale signalen — een dalende intonatie, een pauze of een blik jouw kant op betekent „nu mag jij”. Wie die signalen leest en zelf geeft, laat het gesprek natuurlijk lopen. Het gaat er niet om zoveel mogelijk aan het woord te zijn, maar om samen een gesprek te dragen waarin de beurten soepel heen en weer gaan.
Uitgewerkt voorbeeld

De beurt nemen en teruggeven

Je gesprekspartner houdt een lang betoog en je wilt iets toevoegen zonder onbeleefd te onderbreken, en daarna de beurt teruggeven. Hoe pak je dat aan (Afb. 1)?

  1. 01Wachten op een beurt-signaal

    Let op een dalende intonatie, een pauze of een blik jouw kant op — dat zijn de signalen dat de beurt vrijkomt (zie de kringloop in Afb. 1).

  2. 02Beleefd de beurt nemen

    Markeer je beurt met een wending: „Darf ich kurz etwas hinzufügen?” of „Genau, und ich denke …”. Zo neem je initiatief zonder abrupt af te kappen.

  3. 03De beurt teruggeven

    Sluit je bijdrage af met een vraag die de beurt teruggeeft: „Und du, wie siehst du das?” Zo houd je de kringloop in beweging.

Resultaat: Wacht op een beurt-signaal, kom binnen met „Darf ich kurz etwas hinzufügen?”, bouw voort op wat gezegd is en geef de beurt terug met „Und du, wie siehst du das?” — zo neem en geef je de beurt en houd je het gesprek levend.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de beurtwisseling beheersen (Afb. 1) — op het juiste moment het woord nemen met een inleidende wending en het teruggeven door de ander te betrekken.
  • Examendoel: een gesprek openen, gaande houden en afsluiten met passende Duitse wendingen en met luistersignalen die tonen dat je actief reageert.

Veelgemaakte fouten

  • De beurt nooit teruggeven, waardoor je het gesprek in een monoloog verandert en niet laat zien dat je op de ander kunt reageren.
  • Passief wachten tot je iets gevraagd wordt, in plaats van zelf een punt in te brengen of een wedervraag te stellen („Und du, wie siehst du das?”).

Actieve herhaling

Voer een gesprek van drie minuten en spreek af dat je elke beurt begint met een reactie op wat de ander zei („Genau …”, „Du sprichst von …”) en eindigt met een vraag die de beurt teruggeeft („Und du, wie siehst du das?”). Oefen daarnaast bewust één opening en één afsluiting, zowel informeel (du) als formeel (Sie).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits VWO — domein C, gespreksvaardigheid (schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Redemittel: mening, instemming, tegenspraak en register (du/Sie)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl-duits-vwo-domein-C

Kernpunten

In een gesprek doe je met taal telkens iets — je geeft je mening, stemt in, spreekt tegen, nuanceert of vraagt door — en voor elke functie bestaan vaste wendingen, de Redemittel. Afb. 2 zet de belangrijkste per gespreksfunctie op een rij, elk met een voorbeeld: mening geven („meiner Meinung nach …”), instemmen („da stimme ich zu”), tegenspreken („das sehe ich anders”), nuanceren („einerseits … andererseits”) en vragen of verhelderen („wie meinst du das?”). Wie deze wendingen paraat heeft, hoeft in het gesprek niet naar de vorm te zoeken en kan de aandacht op de inhoud richten. Ze zijn het gereedschap waarmee je op streefniveau je standpunt inbrengt en op dat van de ander reageert. Leer per functie een paar zinnen uit het hoofd, zodat ze vanzelf komen.

Afb. 2 — Redemittel per gespreksfunctie

Redemittel per gespreksfunctieBoomdiagram, 10 paden, Gegevens: Mening geven → „meiner Meinung nach …”; Mening geven → „ich finde, dass …”; Instemmen → „da stimme ich zu”; Instemmen → „genau, das sehe ich auch so”; Tegenspreken → „das sehe ich anders”; Tegenspreken → „da bin ich anderer Meinung”; Nuanceren → „einerseits … andererseits”; Nuanceren → „das kommt darauf an”; Vragen / verhelderen → „wie meinst du das?”; Vragen / verhelderen → „was hältst du von …?”Mening gevenInstemmenTegensprekenNuancerenVragen / verhelderenRedemittel per gespreksfunctie„meiner Meinung nach …”„ich finde, dass …”„da stimme ich zu”„genau, das sehe ich auch so”„das sehe ich anders”„da bin ich anderer Meinung”„einerseits … andererseits”„das kommt darauf an”„wie meinst du das?”„was hältst du von …?”
Afb. 2De belangrijkste gespreksfuncties met vaste Duitse wendingen. Houd per functie een paar Redemittel paraat, zodat je aandacht naar de inhoud kan; tegenspreken verzacht eerst en weerlegt dan.
Je mening geven begint met een vaste opening: „meiner Meinung nach”, „ich finde, dass …”, „ich denke, dass …” of „ich bin der Meinung, dass …”. Daarna volgt het standpunt, en — cruciaal — de onderbouwing, want een mening zonder reden overtuigt niet. Verbind standpunt en argument met „weil” of „denn”, en illustreer met „zum Beispiel”. Bijvoorbeeld: „Meiner Meinung nach sind Elektroautos eine gute Lösung, weil sie die Luft in den Städten sauberer machen.” Let op de zinsbouw: na „weil” gaat de persoonsvorm naar het eind van de bijzin. In een gesprek gaat begrijpelijkheid echter vóór grammaticale finesse: een helder standpunt met een concrete reden is sterker dan een vage mening in perfect Duits.
Instemmen en nuanceren tonen dat je meedenkt. Volledige instemming klinkt in „da stimme ich (dir) zu”, „genau, das sehe ich auch so” of „das stimmt”. Maar in een echte discussie ben je het zelden helemáál eens; dan nuanceer je met „einerseits … andererseits”, „das kommt darauf an” of „ja, aber …”. Tegenspreken is de lastigste functie, want je moet het oneens zijn zónder onbeleefd te worden. Een bruusk „Nein, du hast unrecht” komt hard aan; verzacht daarom eerst en weerleg dan: „Ich verstehe, was du meinst, aber …”, „Da bin ich anderer Meinung, weil …”. Formuleer ook de afwijzing zelf zacht — „das sehe ich etwas anders” klinkt vriendelijker dan een kaal „das ist falsch” — en geef altijd een reden, want tegenspreken zonder argument is enkel tegenwerpen.
Het register bepaalt tot slot welke aanspreekvorm en welke toon passen, en in het Duits is de keuze tussen „du” en „Sie” daarvan het scherpst. „du” is informeel (vrienden, klasgenoten, jongeren onderling), „Sie” (met een hoofdletter) is beleefd of formeel (onbekenden, ouderen, gezagsdragers, een klantcontact). Die keuze werkt door in de hele werkwoordsvorm en in de bezittelijke voornaamwoorden („dein” tegenover „Ihr”), en ook in de wendingen: informeel „Wie siehst du das?” tegenover formeel „Wie sehen Sie das?”, informeel „Kannst du …?” tegenover formeel „Könnten Sie …?”. Stem je register af op de situatie van de toets: een rollenspel „beim Arzt” of „am Schalter” vraagt „Sie” en beleefdheid, een gesprek met een leeftijdsgenoot verdraagt „du” en een lossere toon. Belangrijk is de consistentie: wissel niet halverwege zonder reden van „du” naar „Sie”.
Uitgewerkt voorbeeld

Beleefd tegenspreken en nuanceren opbouwen

Je gesprekspartner zegt: „Soziale Medien sind nur schädlich.” Je bent het maar deels eens. Bouw een beleefde, genuanceerde reactie in het Duits op (informeel, met „du”).

  1. 01Eerst erkennen

    Verzacht door de ander te erkennen: „Ich verstehe, was du meinst, und teilweise stimmt das …”. Zo komt je verzet niet hard aan.

  2. 02Nuanceren en tegenspreken

    Geef je afwijkende kant met een zachte formule en een nuancering: „…aber das sehe ich etwas anders: einerseits gibt es Risiken, andererseits helfen soziale Medien auch, in Kontakt zu bleiben.”

  3. 03Onderbouwen

    Sluit af met een reden, zodat het geen kale tegenwerping is: „…deshalb würde ich nicht sagen, dass sie nur schädlich sind.”

Resultaat: „Ich verstehe, was du meinst, und teilweise stimmt das, aber das sehe ich etwas anders: einerseits gibt es Risiken, andererseits helfen soziale Medien auch, in Kontakt zu bleiben. Deshalb würde ich nicht sagen, dass sie nur schädlich sind.” — erkennen, nuanceren, onderbouwen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: per gespreksfunctie de juiste Redemittel inzetten (Afb. 2) — mening geven en onderbouwen („meiner Meinung nach …, weil …”), instemmen, nuanceren en beleefd tegenspreken.
  • Examendoel: het register en de aanspreekvorm du/Sie correct kiezen op grond van de gesprekspartner en de situatie, en die keuze consequent volhouden.

Veelgemaakte fouten

  • Een mening geven zonder onderbouwing; een standpunt zonder „weil …” of voorbeeld overtuigt niet en verzandt in „ik vind gewoon van wel”.
  • Bruusk tegenspreken („Nein, du hast unrecht”) zonder te verzachten of een reden te geven, of „du” en „Sie” door elkaar gebruiken binnen hetzelfde gesprek.

Actieve herhaling

Neem een stelling en oefen met een klasgenoot alle vier de reacties op elkaars mening: volledig instemmen, nuanceren (einerseits … andererseits), beleefd tegenspreken en om verheldering vragen. Gebruik bij elke reactie de bijbehorende Duitse Redemittel uit Afb. 2 en geef telkens een reden. Speel de stelling daarna nog eens formeel (met „Sie”) en let op de vervoeging.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits VWO — domein C, gespreksvaardigheid (schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Herstelstrategieën en de presentatie#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl-duits-vwo-domein-C

Kernpunten

Er gaat altijd iets mis in een gesprek — je verstaat iets niet, of het juiste woord schiet je niet te binnen. Herstellen hoort erbij en is geen zwakte, maar juist een strategie die op streefniveau wordt gewaardeerd. Begrijp je iets niet, vraag dan om herhaling of verheldering: „Wie bitte?”, „Können Sie das bitte wiederholen?”, „Was bedeutet …?” of „Wie meinst du das genau?”. Mist je een woord, dan is de sterkste zet het te omschrijven (parafraseren) of ernaar te vragen: „Wie sagt man … auf Deutsch?”. En om tijd te winnen zonder te zwijgen gebruik je vulwoorden: „also …”, „nun ja …”, „sagen wir mal …”, „wie soll ich sagen …”. Deze compenserende strategieën voorkomen dat het gesprek stokt en tonen dat je een gesprek gaande kunt houden ondanks hobbels.
De belangrijkste herstelstrategie is het omschrijven bij een woordhiaat. Als het precieze woord ontbreekt, val dan niet stil en schakel zeker niet over op het Nederlands, maar beschrijf wat je bedoelt met woorden die je wél kent. Wil je „nachhaltig” (duurzaam) zeggen maar schiet het je niet te binnen, dan omschrijf je: „etwas, das gut für die Umwelt ist und lange hält”. Vaak reikt je gesprekspartner het woord dan aan, of begrijpt hij je ook zonder. Deze vaardigheid — de boodschap redden met andere middelen — is precies wat een taalgebruiker op B1-niveau moet kunnen: je hoeft niet elk woord te kennen, je moet je erdoorheen kunnen redden. Beoordelaars waarderen dit doorzettingsvermogen; stilvallen of terugvallen op het Nederlands wordt daarentegen als een breuk gezien.
Naast het gesprek kent domein C de presentatie: een voorbereide monoloog waarin je zelf een samenhangend verhaal of betoog houdt. Anders dan een gesprek kun je een presentatie wél instuderen, en dat maakt een heldere opbouw je grootste kans op punten. Volg de klassieke driedeling. Begin met een inleiding (Einleitung) waarin je het onderwerp aankondigt („Ich möchte heute über … sprechen.”), gevolgd door een kern (Hauptteil) waarin je je punten ordent met signaalwoorden („zunächst”, „außerdem”, „ein weiterer Punkt ist …”). Sluit ten slotte af met een slot (Schluss) waarin je samenvat en afrondt („Zusammenfassend lässt sich sagen, dass …”, „Vielen Dank für Ihre Aufmerksamkeit.”). Oefen de kernzinnen hardop, houd de tijd in de gaten en spreek liever langzaam en verstaanbaar dan snel en onduidelijk.
Zowel bij het gesprek als bij de presentatie geldt dat je verstaanbaarheid en samenhang zwaarder wegen dan foutloosheid. Bereid je Redemittel en je woordenschat over het thema voor, en oefen hardop — spreekvaardigheid train je alleen door te spreken, niet door te lezen. Bouw een presentatie op rond een handvol kernzinnen in plaats van een volledig uitgeschreven tekst, want voorlezen klinkt vlak en houdt geen contact met je publiek. Houd bij een presentatie oogcontact en spreek met intonatie; nodig aan het slot eventueel vragen uit („Habt ihr noch Fragen?” of formeel „Haben Sie noch Fragen?”). Wie zijn herstelstrategieën beheerst en zijn presentatie helder opbouwt, laat zien dat hij zich in het Duits weet te redden — het doel van domein C op streefniveau B1.
Uitgewerkt voorbeeld

Een woordhiaat overbruggen

Midden in een gesprek wil je zeggen dat iets „duurzaam” is, maar het Duitse woord „nachhaltig” schiet je niet te binnen. Hoe houd je het gesprek gaande in plaats van stil te vallen?

  1. 01Niet stilvallen

    Zwijgen of in het Nederlands „eh, hoe zeg je dat” mompelen breekt het gesprek. Win eerst tijd met een vulwoord: „Also, wie soll ich sagen …”.

  2. 02Omschrijven of vragen

    Omschrijf het begrip met woorden die je wél kent: „etwas, das gut für die Umwelt ist und lange hält.” Of vraag het na: „Wie sagt man 'duurzaam' auf Deutsch?”.

  3. 03Doorgaan

    Met het aangereikte of omschreven woord pak je de draad weer op: „Genau, nachhaltig — das meinte ich.”

Resultaat: Door tijd te winnen, te omschrijven of om het woord te vragen, houd je het gesprek gaande. Compenseren telt als een sterke gespreksstrategie; stilvallen of Nederlands gebruiken juist niet.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: herstelstrategieën inzetten zodat het gesprek niet stokt — om herhaling of verheldering vragen, een ontbrekend woord omschrijven en vulwoorden gebruiken in plaats van stil te vallen of over te schakelen op het Nederlands.
  • Examendoel: een korte presentatie helder opbouwen met een inleiding, kern en slot en passende Duitse signaalwoorden en afsluitformules.

Veelgemaakte fouten

  • Het gesprek laten stokken of overschakelen op het Nederlands zodra een woord ontbreekt, in plaats van het te omschrijven of ernaar te vragen („Wie sagt man … auf Deutsch?”).
  • Een presentatie volledig uitschrijven en voorlezen; dat klinkt vlak, houdt geen contact met het publiek en gaat vaak te snel om verstaanbaar te blijven.

Actieve herhaling

Doe twee opdrachtjes. (1) Oefen drie herstelwendingen voor als je een woord mist, en omschrijf daarna in het Duits het woord „nachhaltig” (duurzaam) zonder het te noemen. (2) Bereid een presentatie van twee minuten voor over een examenthema en schrijf alleen de kernzinnen van de inleiding, de kern en het slot uit; houd de presentatie daarna hardop en vrij.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Duits VWO — domein C, gespreksvaardigheid (schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Gespreksvaardigheid in het schoolexamen (gesprek en presentatie)○
    • 02De gespreksbeurt: beginnen, gaande houden, nemen en teruggeven◐
    • 03Redemittel: mening, instemming, tegenspraak en register (du/Sie)◐
    • 04Herstelstrategieën en de presentatie●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Gespreksvaardigheid: gesprekken voeren en spreken (domein C)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~19
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Duits VWO — domein C, gespreksvaardigheid (schoolexamen)

Vorig onderwerp

Kijk- en luistervaardigheid (domein B)

Volgend onderwerp

Schrijfvaardigheid (domein D)

EuraStudy·Samenvattingen T·09·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.