EuraStudy
Samenvattingen/Biologie/Stofwisseling van het organisme
Samenvattingen · BiologieNL · VWO

Stofwisseling van het organisme

De stofwisseling op het niveau van het hele organisme: de fotosynthese die met lichtenergie glucose maakt, de dissimilatie die glucose afbreekt tot bruikbare energie (ATP), de vertering en resorptie van voedsel, het transport van stoffen door de bloedsomloop en het hart, en de uitscheiding van afvalstoffen door de nieren. Samen zorgen deze orgaanstelsels voor de aan- en afvoer van stoffen en energie.

5 Onderdelen·~16 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Standaard 4 · Verdieping 1

T·0999 / 21
Examenprofiel
Fotosynthese beschrijven en de beperkende factoren interpreterenDe aerobe en anaerobe dissimilatie ordenen en vergelijkenVertering, resorptie, transport (bloedsomloop) en uitscheiding (nier) beschrijven
Operatoren:beschrijfleg uitverklaarinterpreteerbereken

basisniveau

Voor het CE interpreteer je fotosynthesegrafieken en beschrijf je de weg van voedsel, gassen en afvalstoffen door het lichaam.

verhoogd niveau

Verdieping ligt in de deelprocessen van de dissimilatie en de fijne bouw van het nefron.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 5 onderdelen▾
  1. Stofwisseling van het organisme
    • 01Fotosynthese◐
    • 02Dissimilatie en celademhaling◐
    • 03Vertering en resorptie◐
    • 04Transport: bloedsomloop en hart◐
    • 05Uitscheiding en de nier●
§ 01

Fotosynthese#

●●○StandaardLPfotosyntheseLPlichtreactieLPCalvincyclusLPbeperkende factor

Fotosynthesesnelheid en de beperkende factor

Beperkende factorSchaubild von fotosynthese, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 10, waagerechte Asymptote bei y = 10246810246810licht beperkendplateau: anderefactor beperkendfotosynthesefotosynthesesnelheidlichtintensiteit
Afb. 1Afb. 1 — Fotosynthesesnelheid tegen lichtintensiteit: bij lage intensiteit is licht beperkend (stijging), bij het plateau beperkt een andere factor (CO₂ of temperatuur).

Kernpunten

Fotosynthese is het proces waarmee planten (en algen en sommige bacteriën) met lichtenergie uit koolstofdioxide en water glucose maken, waarbij zuurstof vrijkomt. Het is een assimilatieproces (opbouw) dat plaatsvindt in de chloroplasten met behulp van het pigment bladgroen (chlorofyl). De samenvattende reactie is: koolstofdioxide plus water levert, met lichtenergie, glucose plus zuurstof. Fotosynthese legt zonlichtenergie vast in de chemische bindingen van glucose en vormt daarmee de basis van vrijwel alle voedselketens en van de zuurstof in de atmosfeer.
Het proces verloopt in twee stappen. In de lichtreactie wordt met behulp van geabsorbeerd licht water gesplitst; hierbij komt zuurstof vrij en wordt energie vastgelegd in energiedragers. In de daaropvolgende donkerreactie (de Calvincyclus) wordt met die energie koolstofdioxide vastgelegd en omgezet in glucose; deze stap heeft geen licht nodig, maar wel de producten van de lichtreactie. De naam „donkerreactie” is misleidend: ze verloopt overdag, maar heeft zelf geen licht nodig.
De snelheid van de fotosynthese hangt af van drie factoren: de lichtintensiteit, de koolstofdioxideconcentratie en de temperatuur. Op elk moment wordt de snelheid bepaald door de factor die het meest tekortschiet — de beperkende factor (afbeelding 1). Verhoog je een factor die op dat moment beperkend is, dan stijgt de fotosynthesesnelheid; verhoog je een factor die al voldoende aanwezig is, dan verandert er niets, want een andere factor beperkt dan al. Dit principe van de beperkende factor is een centraal examenonderwerp.
In een grafiek van de fotosynthesesnelheid tegen bijvoorbeeld de lichtintensiteit zie je dit terug: bij lage lichtintensiteit stijgt de snelheid recht evenredig met het licht (licht is dan beperkend), maar bij hoge lichtintensiteit vlakt de curve af tot een plateau. Op dat plateau is licht niet langer beperkend en wordt de snelheid begrensd door een andere factor, zoals de koolstofdioxideconcentratie of de temperatuur. Uit de vorm van zo'n grafiek kun je dus aflezen welke factor onder welke omstandigheden de fotosynthese beperkt — en voorspellen wat er gebeurt als je een factor verandert.
Uitgewerkt voorbeeld

De beperkende factor achterhalen

Een fotosynthesegrafiek tegen lichtintensiteit bereikt bij hoge intensiteit een plateau. Leg uit welke factor dan beperkend is en hoe je dat toetst.

  1. 01Interpretatie van het plateau

    Op het plateau doet extra licht niets meer; licht is dus niet langer beperkend, maar een andere factor begrenst de snelheid.

  2. 02Kandidaten

    De overige factoren zijn de koolstofdioxideconcentratie en de temperatuur; een van beide is nu beperkend.

  3. 03Toetsen

    Verhoog bij gelijk (hoog) licht de CO₂-concentratie: stijgt de snelheid, dan was CO₂ beperkend; zo niet, dan de temperatuur.

Resultaat: Op het plateau is licht niet langer beperkend; door bij hoog licht de CO₂-concentratie (of temperatuur) te verhogen en op stijging te letten, achterhaal je welke factor de fotosynthese begrenst.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de reactie en de twee stappen (lichtreactie en Calvincyclus) van de fotosynthese beschrijven en de plaats (chloroplast) benoemen.
  • Examendoel: uit een fotosynthesegrafiek de beperkende factor aflezen en voorspellen wat het verhogen van een factor doet.

Veelgemaakte fouten

  • De donkerreactie letterlijk „in het donker” laten verlopen; ze heeft geen licht nodig, maar wel de producten van de lichtreactie en verloopt overdag.
  • Denken dat het verhogen van élke factor de fotosynthese versnelt; alleen het verhogen van de op dat moment beperkende factor helpt.

Actieve herhaling

In een fotosynthese-experiment stijgt de snelheid met de lichtintensiteit tot ze bij hoge lichtintensiteit een plateau bereikt. Leg uit welke factor bij hoge lichtintensiteit beperkend is en hoe je dat kunt controleren.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — fotosynthese (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Dissimilatie en celademhaling#

●●○StandaardLPdissimilatieLPaeroobLPanaeroobLPgistingLPATP

Aerobe en anaerobe dissimilatie

DissimilatieGraaf, glucose → glycolyse, glycolyse → pyruvaat, pyruvaat → citroenzuurcyclus, citroenzuurcyclus → ademhalingsketen, ademhalingsketen → veel ATP + CO2 + H2O, pyruvaat → gisting: melkzuur/alcohol (weinig ATP)glucoseglycolysepyruvaatcitroenzuurcyclusademhalingsketenveel ATP + CO2 +H2Ogisting:melkzuur/alcohol(weinig ATP)met O2zonder O2
Afb. 2Afb. 2 — Dissimilatie: glucose wordt via de glycolyse tot pyruvaat afgebroken; mét zuurstof volgt de aerobe route (veel ATP), zónder zuurstof de gisting (weinig ATP).

Kernpunten

Dissimilatie is de afbraak van energierijke stoffen (vooral glucose) om er bruikbare energie (ATP) uit vrij te maken. Bij de aerobe dissimilatie — de celademhaling — wordt glucose met behulp van zuurstof volledig afgebroken tot koolstofdioxide en water, waarbij veel ATP ontstaat. De samenvattende reactie is het spiegelbeeld van de fotosynthese: glucose plus zuurstof levert koolstofdioxide plus water plus energie. De aerobe dissimilatie levert per glucosemolecuul de meeste energie en is daarom de belangrijkste energiebron van dieren en planten.
De aerobe dissimilatie verloopt in deelprocessen (afbeelding 2). In de glycolyse wordt glucose in het cytoplasma gesplitst tot pyruvaat, met een kleine ATP-opbrengst. Als er zuurstof is, gaat het pyruvaat de mitochondriën in, waar het in de citroenzuurcyclus verder wordt afgebroken tot koolstofdioxide en er energiedragers worden gevuld. In de laatste stap, de ademhalingsketen (oxidatieve fosforylering), geven die energiedragers hun energie af aan de vorming van veel ATP, en wordt de zuurstof gebruikt om water te vormen.
Zonder zuurstof kan de citroenzuurcyclus en de ademhalingsketen niet verlopen; dan treedt de anaerobe dissimilatie (gisting) op. Bij gisting wordt het pyruvaat uit de glycolyse omgezet zonder zuurstof, bijvoorbeeld tot melkzuur (in spiercellen bij zware inspanning) of tot alcohol en koolstofdioxide (in gistcellen). Gisting levert veel minder ATP dan de aerobe route — alleen de kleine opbrengst van de glycolyse — maar heeft als voordeel dat ze snel en zonder zuurstof energie kan leveren.
Het onderscheid tussen aeroob en anaeroob is een geliefd examenonderwerp. Aerobe dissimilatie: mét zuurstof, volledige afbraak tot CO₂ en water, veel ATP, in de mitochondriën. Anaerobe dissimilatie (gisting): zónder zuurstof, onvolledige afbraak tot melkzuur of alcohol, weinig ATP, in het cytoplasma. Beide beginnen met dezelfde glycolyse. Deze processen verbinden de celstofwisseling met het hele organisme: de zuurstof komt via de longen en het bloed, de brandstof via de vertering, en het geproduceerde koolstofdioxide wordt weer afgevoerd.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarom een sprinter melkzuur vormt

Leg uit waarom spiercellen tijdens een sprint overgaan op gisting, welk product ontstaat, en hoe de ATP-opbrengst zich verhoudt tot de aerobe dissimilatie.

  1. 01Zuurstoftekort

    Bij een sprint verbruiken de spieren zoveel zuurstof dat de aanvoer via bloed en longen tekortschiet; er is te weinig zuurstof voor de volledige aerobe afbraak.

  2. 02Overgang op gisting

    Zonder voldoende zuurstof zet de spiercel het pyruvaat uit de glycolyse zonder zuurstof om tot melkzuur (anaerobe dissimilatie).

  3. 03Energie en gevolg

    Gisting levert alleen de kleine ATP-opbrengst van de glycolyse, veel minder dan de aerobe route; de melkzuurophoping draagt bij aan de vermoeidheid.

Resultaat: Door zuurstoftekort schakelt de spiercel over op gisting; er ontstaat melkzuur en er komt veel minder ATP vrij dan bij de aerobe dissimilatie, wat vermoeidheid geeft.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de aerobe dissimilatie ordenen in glycolyse, citroenzuurcyclus en ademhalingsketen, met de plaats en de energieopbrengst.
  • Examendoel: aerobe en anaerobe dissimilatie (gisting) vergelijken op zuurstof, eindproducten en ATP-opbrengst.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat gisting evenveel energie oplevert als de aerobe dissimilatie; gisting levert veel minder ATP.
  • De glycolyse in de mitochondriën plaatsen; de glycolyse verloopt in het cytoplasma, de rest van de aerobe afbraak in de mitochondriën.

Actieve herhaling

Bij een sprint gaan spiercellen over op gisting. Leg uit waarom dit gebeurt en waarom dit tot melkzuurvorming en vermoeidheid leidt, en vergelijk de ATP-opbrengst met die van de aerobe dissimilatie.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — dissimilatie (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Vertering en resorptie#

●●○StandaardLPverteringLPverteringsenzymLPresorptieLPdunne darm

Vertering langs het spijsverteringskanaal

SpijsverteringskanaalTabel met 2 kolommen en 4 rijen, Gegevens: orgaan · vertering / functie; mond · amylase splitst zetmeel; voedsel wordt fijngemaakt; maag · zoutzuur + pepsine starten de eiwitvertering; dunne darm · enzymen (alvleesklier) + gal; volledige vertering en resorptie; dikke darm · terugresorptie van water; vorming van ontlastingORGAANVERTERING / FUNCTIEmondamylase splitst zetmeel;voedsel wordt fijngemaaktmaagzoutzuur + pepsine startende eiwitverteringdunne darmenzymen (alvleesklier) +gal; volledige vertering enresorptiedikke darmterugresorptie van water;vorming van ontlasting
Afb. 3Afb. 3 — De vertering verloopt trapsgewijs: elk orgaan levert zijn eigen bijdrage aan het afbreken en opnemen van voedsel.

Kernpunten

Voedsel bestaat uit grote moleculen (koolhydraten, eiwitten, vetten) die te groot zijn om door de darmwand het bloed in te gaan; de vertering breekt ze eerst af tot kleine, opneembare bouwstenen (afbeelding 3). Dit gebeurt met verteringsenzymen die elk op één stofgroep werken: koolhydraten worden tot enkelvoudige suikers (o.a. glucose) afgebroken, eiwitten tot aminozuren en vetten tot vetzuren en glycerol. De vertering verloopt trapsgewijs langs het spijsverteringskanaal, waarbij elk orgaan zijn eigen bijdrage levert.
In de mond begint met het speekselenzym amylase de vertering van zetmeel. In de maag zorgen zoutzuur en het enzym pepsine voor het begin van de eiwitvertering; het zure milieu doodt bovendien veel bacteriën. Het grootste deel van de vertering vindt plaats in de dunne darm, waar enzymen uit de alvleesklier (en de darmwand) en gal uit de lever samenkomen. De gal is geen enzym, maar emulgeert de vetten tot kleine druppeltjes, zodat de vetsplitsende enzymen er beter bij kunnen — een mooi voorbeeld van vorm-functiesamenwerking.
Na de vertering worden de kleine bouwstenen opgenomen in het bloed (of de lymfe): dat is de resorptie. De resorptie vindt vooral plaats in de dunne darm, die daarvoor optimaal is gebouwd: darmplooien, darmvlokken en microvilli vergroten samen het inwendige oppervlak enorm, en elke darmvlok bevat haarvaten (voor suikers en aminozuren) en een lymfevat (voor vetten). Dit grote, sterk doorbloede oppervlak zorgt voor een snelle en volledige opname — opnieuw een vorm-functieaanpassing die je op meerdere schaalniveaus kunt uitleggen.
Wat niet verteerd of opgenomen is, gaat verder naar de dikke darm. Daar wordt vooral water (en zouten) uit de darminhoud teruggeresorbeerd, zodat de resten indikken tot ontlasting. In de dikke darm leven bovendien nuttige darmbacteriën die onder meer bepaalde vitaminen produceren. De vertering en resorptie leveren zo de bouwstoffen (voor assimilatie) en de brandstof (glucose voor de dissimilatie) die de rest van het lichaam nodig heeft, en verbinden daarmee het spijsverteringsstelsel met de celstofwisseling.
Uitgewerkt voorbeeld

Vorm-functie van de dunne darm

Leg uit hoe de bouw van de dunne darm bijdraagt aan een snelle en volledige resorptie.

  1. 01Oppervlaktevergroting

    Darmplooien, darmvlokken en microvilli vergroten samen het inwendige oppervlak enorm, zodat er veel plaats is voor opname.

  2. 02Korte afstand en afvoer

    Elke darmvlok bevat haarvaten (voor suikers en aminozuren) en een lymfevat (voor vetten) vlak onder een dunne wand, zodat de opgenomen stoffen snel worden afgevoerd.

  3. 03Gevolg

    Het grote, sterk doorbloede oppervlak met korte diffusieafstand zorgt voor een snelle en vrijwel volledige resorptie.

Resultaat: De oppervlaktevergroting (plooien, vlokken, microvilli) en de dichte doorbloeding maken de dunne darm optimaal voor een snelle, volledige resorptie — een vorm-functieaanpassing.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: per orgaan van het spijsverteringskanaal de vertering benoemen (enzym en stofgroep) en de rol van gal uitleggen.
  • Examendoel: de vorm-functieaanpassing van de dunne darm aan de resorptie uitleggen (oppervlaktevergroting, haarvaten).

Veelgemaakte fouten

  • Gal een enzym noemen; gal is geen enzym maar emulgeert vetten zodat enzymen er beter bij kunnen.
  • Vertering en resorptie verwarren: vertering is het afbreken van grote moleculen, resorptie is het opnemen van de bouwstenen in het bloed.

Actieve herhaling

Leg uit hoe de bouw van de dunne darm (plooien, vlokken, microvilli, haarvaten) bijdraagt aan een snelle en volledige resorptie van voedingsstoffen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — vertering en resorptie (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Transport: bloedsomloop en hart#

●●○StandaardLPdubbele bloedsomloopLPhartLPkleine bloedsomloopLPgrote bloedsomloop

De dubbele bloedsomloop

Dubbele bloedsomloopGraaf, rechterharthelft → longen (O2 op), longen (O2 op) → linkerharthelft, linkerharthelft → lichaam (O2 af), lichaam (O2 af) → rechterharthelftrechterharthelftlongen (O2 op)linkerharthelftlichaam (O2 af)zuurstofarmzuurstofrijkzuurstofrijkzuurstofarm
Afb. 4Afb. 4 — De dubbele bloedsomloop: de kleine bloedsomloop (hart-longen-hart) en de grote bloedsomloop (hart-lichaam-hart) achter elkaar.

Kernpunten

Het transport van stoffen door het lichaam verloopt via het bloedvatenstelsel, aangedreven door het hart. De mens heeft een dubbele bloedsomloop: het bloed passeert per rondgang tweemaal het hart (afbeelding 4). In de kleine bloedsomloop pompt de rechterharthelft zuurstofarm bloed naar de longen, waar het zuurstof opneemt en koolstofdioxide afgeeft; in de grote bloedsomloop pompt de linkerharthelft dit zuurstofrijke bloed naar de rest van het lichaam, waar de weefsels zuurstof opnemen en afvalstoffen afgeven.
Het hart bestaat uit twee gescheiden helften, elk met een boezem (die bloed ontvangt) en een kamer (die bloed wegpompt). De rechterhelft verwerkt zuurstofarm bloed (naar de longen), de linkerhelft zuurstofrijk bloed (naar het lichaam). De scheiding tussen de twee helften voorkomt dat zuurstofrijk en zuurstofarm bloed zich vermengen — een vorm-functieaanpassing die een efficiënt zuurstoftransport mogelijk maakt. Kleppen in het hart en in de aderen zorgen ervoor dat het bloed maar één kant op stroomt.
De bloedvaten verschillen in bouw naar hun functie. Slagaders (arteriën) voeren bloed van het hart weg, hebben een dikke, elastische wand die de hoge druk van de hartslag opvangt. Aders (venen) voeren bloed naar het hart, hebben een dunnere wand en kleppen die terugstroming voorkomen. De haarvaten (capillairen) zijn de allerkleinste vaten met een wand van één cellaag; juist daar vindt de uitwisseling van stoffen met de weefsels plaats, doordat de dunne wand een korte diffusieafstand geeft — opnieuw vorm-functie.
Let goed op de begrippen: „slagader” en „ader” gaan over de richting ten opzichte van het hart (van/naar), niet over zuurstofrijk of -arm. In de grote bloedsomloop voert de slagader (aorta) zuurstofríjk bloed, maar in de kleine bloedsomloop voert de longslagader juist zuurstofárm bloed naar de longen. Dit is een klassieke valkuil. De dubbele bloedsomloop met een volledig gescheiden hart zorgt er per saldo voor dat de weefsels voortdurend zuurstofrijk bloed onder voldoende druk ontvangen — de aan- en afvoerlijn tussen longen, darm, nieren en alle cellen.
Uitgewerkt voorbeeld

De weg van het bloed volgen

Beschrijf de weg van bloed vanaf de rechterkamer via de longen terug door het hart naar een teen, met per stap zuurstofrijk of -arm.

  1. 01Naar de longen

    De rechterkamer pompt zuurstofarm bloed via de longslagader naar de longen (kleine bloedsomloop).

  2. 02In de longen

    In de longen neemt het bloed zuurstof op en geeft het koolstofdioxide af; het wordt zuurstofrijk en gaat via de longader naar de linkerboezem en -kamer.

  3. 03Naar de teen

    De linkerkamer pompt het zuurstofrijke bloed via de aorta en slagaders naar het lichaam, tot in de haarvaten van de teen, waar het zuurstof afgeeft en zuurstofarm wordt.

Resultaat: Rechterkamer (arm) → longen → linkerhart (rijk) → aorta → teen (rijk, wordt daar arm); daarna keert het zuurstofarme bloed via de aders naar de rechterharthelft terug.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de kleine en grote bloedsomloop en de weg van het bloed door de vier hartholten beschrijven.
  • Examendoel: de vorm-functierelatie van slagaders, aders en haarvaten uitleggen en zuurstofrijk/-arm correct koppelen aan de bloedsomloop.

Veelgemaakte fouten

  • Aannemen dat elke slagader zuurstofrijk bloed voert; de longslagader voert zuurstofarm bloed naar de longen.
  • De linker- en rechterharthelft verwisselen: rechts pompt naar de longen (zuurstofarm), links naar het lichaam (zuurstofrijk).

Actieve herhaling

Beschrijf de weg van een druppel bloed vanaf de rechterkamer, via de longen, terug door het hart en naar een teen, en geef per stap aan of het bloed zuurstofrijk of zuurstofarm is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — bloedsomloop en hart (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 05

Uitscheiding en de nier#

●●●VerdiepingLPuitscheidingLPnierLPnefronLPfiltratieLPterugresorptie

Werking van het nefron

NefronGraaf, bloed → filtratie (niervlichaampje), filtratie (niervlichaampje) → voorurine, voorurine → terugresorptie (nierbuisje), terugresorptie (nierbuisje) → bloed, terugresorptie (nierbuisje) → urinebloedfiltratie(niervlichaampje)voorurineterugresorptie(nierbuisje)urinewater, zout,glucose, ureumglucose, waterterugureum blijft
Afb. 5Afb. 5 — In het nefron wordt het bloed eerst gefilterd tot voorurine; daarna gaan glucose, zouten en water via terugresorptie terug naar het bloed en blijft urine over.

Kernpunten

Bij de stofwisseling ontstaan afvalstoffen die het lichaam moet kwijtraken; de uitscheiding verwijdert deze uit het bloed. De nieren zijn het centrale uitscheidingsorgaan: ze zuiveren het bloed van afvalstoffen (vooral ureum, het afbraakproduct van eiwitten) en regelen tegelijk de water- en zoutbalans van het lichaam. Elke nier bevat ontelbare kleine filtereenheden, de nefronen, waar de eigenlijke zuivering in twee stappen plaatsvindt: filtratie en terugresorptie (afbeelding 5).
In de eerste stap, de filtratie, wordt in het niervlichaampje onder druk een groot deel van het bloedplasma door een filter geperst. Kleine deeltjes — water, zouten, glucose en afvalstoffen — gaan door het filter en vormen de voorurine; grote deeltjes zoals bloedcellen en eiwitten blijven in het bloed. De voorurine bevat dus nog veel nuttige stoffen (zoals glucose en het meeste water) die het lichaam niet wil verliezen; die moeten in de volgende stap worden teruggewonnen.
In de tweede stap, de terugresorptie, worden uit de voorurine de nuttige stoffen weer opgenomen in het bloed terwijl deze door de nierbuisjes stroomt. Vrijwel alle glucose, veel zouten en het grootste deel van het water gaan terug naar het bloed; de afvalstoffen (ureum) blijven grotendeels achter. Wat overblijft, is de urine: een geconcentreerde oplossing van afvalstoffen en overtollig water en zout, die via de urineleiders naar de blaas wordt afgevoerd.
De nier is zo tegelijk een zuiveringsstation en een regelorgaan voor de homeostase. Door meer of minder water terug te resorberen, regelt ze de hoeveelheid en concentratie van de urine en houdt ze de water- en zoutbalans van het bloed constant — hormonaal gestuurd (zie de zelfregulatie). Dat de nier eerst ruim filtert en daarna gericht terugwint, lijkt omslachtig, maar geeft juist een fijne controle: het lichaam kan per stof nauwkeurig bepalen hoeveel het terughaalt en hoeveel het uitscheidt. Verschijnt er glucose in de urine, dan wijst dat op een verstoring (bijvoorbeeld bij diabetes), omdat normaal alle glucose wordt teruggeresorbeerd.
Uitgewerkt voorbeeld

Glucose in de urine verklaren

Bij een patiënt zit glucose in de urine. Leg met de nierwerking uit wat er normaal met glucose gebeurt en wat dit kan betekenen.

  1. 01Filtratie

    Glucose is een klein molecuul en wordt bij de filtratie met de voorurine uit het bloed geperst; voorurine bevat dus normaal glucose.

  2. 02Terugresorptie

    Normaal wordt in de nierbuisjes alle glucose weer teruggeresorbeerd in het bloed, zodat de eindurine geen glucose bevat.

  3. 03Interpretatie

    Zit er toch glucose in de urine, dan was er meer glucose dan kon worden teruggeresorbeerd (te hoge bloedglucose, zoals bij diabetes) of werkt de terugresorptie niet goed.

Resultaat: Normaal wordt alle gefilterde glucose teruggeresorbeerd; glucose in de urine wijst op een te hoge bloedglucose (bijv. diabetes) of een verstoorde terugresorptie.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de twee stappen van de nierwerking (filtratie en terugresorptie) beschrijven en aangeven welke stoffen waar blijven of teruggaan.
  • Examendoel: verklaren waarom er normaal geen glucose in de urine zit en wat de aanwezigheid ervan betekent.

Veelgemaakte fouten

  • Filtratie en terugresorptie verwarren of de volgorde omdraaien: eerst wordt ruim gefilterd, daarna wordt het nuttige teruggewonnen.
  • Denken dat de voorurine al de eindurine is; de voorurine bevat nog veel glucose en water die worden teruggeresorbeerd.

Actieve herhaling

Bij een patiënt wordt glucose in de urine aangetroffen. Leg met de nierwerking (filtratie en terugresorptie) uit wat er normaal met glucose gebeurt en wat de aanwezigheid ervan in de urine kan betekenen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — uitscheiding en de nier (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 05

    • 01Fotosynthese◐
    • 02Dissimilatie en celademhaling◐
    • 03Vertering en resorptie◐
    • 04Transport: bloedsomloop en hart◐
    • 05Uitscheiding en de nier●

0/5 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Stofwisseling van het organisme

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~16
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma biologie VWO — fotosynthese

Vorig onderwerp

Reproductie van het organisme: voortplanting

Volgend onderwerp

Zelfregulatie van het organisme

EuraStudy·Samenvattingen T·09·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.