EuraStudy
Samenvattingen/Biologie/Interactie in ecosystemen
Samenvattingen · BiologieNL · VWO

Interactie in ecosystemen

De wisselwerkingen tussen soorten en de plaats van de mens daarin. Je bestudeert de relaties tussen soorten (concurrentie, predatie, symbiose), de voedselrelaties in voedselketens en -webben met het begrip niche, en de invloed van de mens op ecosystemen met duurzame ontwikkeling als centraal thema.

3 Onderdelen·~10 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Standaard 2 · Verdieping 1

T·191919 / 21
Examenprofiel
Relaties tussen soorten (concurrentie, predatie, symbiose) onderscheidenVoedselketens en voedselwebben analyseren en het begrip niche toepassenDe invloed van de mens op ecosystemen en duurzame ontwikkeling beoordelen
Operatoren:leg uitverklaarberedeneerbeoordeelanalyseer

basisniveau

Voor het CE onderscheid je soortrelaties en analyseer je een voedselweb.

verhoogd niveau

Verdieping ligt in het beoordelen van duurzaamheidsvraagstukken en menselijke ingrepen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Interactie in ecosystemen
    • 01Relaties tussen soorten◐
    • 02Voedselrelaties en niche◐
    • 03Mens, ecosysteem en duurzaamheid●
§ 01

Relaties tussen soorten#

●●○StandaardLPconcurrentieLPpredatieLPmutualismeLPparasitismeLPcommensalisme

Relaties tussen soorten

SoortrelatiesTabel met 4 kolommen en 5 rijen, Gegevens: relatie · soort A · soort B · voorbeeld; predatie · + · - · vos en konijn; concurrentie · - · - · planten om licht; mutualisme · + · + · bij en bloem; parasitisme · + · - · teek en gastheer; commensalisme · + · 0 · zeepok op walvisRELATIESOORT ASOORT BVOORBEELDpredatie+-vos en konijnconcurrentie--planten om lichtmutualisme++bij en bloemparasitisme+-teek en gastheercommensalisme+0zeepok op walvis
Afb. 1Afb. 1 — Soortrelaties geordend naar het effect (+, −, 0) op elke betrokken soort.

Kernpunten

Soorten in een ecosysteem staan in allerlei relaties tot elkaar, en je kunt die ordenen naar het effect (voordeel +, nadeel −, of geen effect 0) dat de relatie op elke betrokken soort heeft (afbeelding 1). Bij concurrentie (−/−) benadelen twee soorten elkaar doordat ze om dezelfde beperkte hulpbron strijden, bijvoorbeeld twee plantensoorten om licht of water. Bij predatie (+/−) heeft de ene soort (de predator) voordeel en de andere (de prooi) nadeel; ook het eten van planten door herbivoren en het parasiteren horen in deze categorie van „de een profiteert ten koste van de ander”.
Een bijzondere groep vormen de symbioserelaties, waarin twee soorten nauw en langdurig samenleven. Bij mutualisme (+/+) hebben beide soorten voordeel: de bij haalt nectar uit de bloem en bestuift die tegelijk, en de stikstofbindende bacteriën in de wortelknolletjes van een vlinderbloemige krijgen suikers en leveren bruikbare stikstof. Bij parasitisme (+/−) leeft de ene soort (de parasiet) ten koste van de andere (de gastheer), zoals een teek of een lintworm. Bij commensalisme (+/0) heeft de ene soort voordeel en ondervindt de andere geen merkbaar effect.
Deze relaties bepalen mede hoe soorten samenleven en elkaars aantallen beïnvloeden. Predatie en parasitisme reguleren de prooi- of gastheerpopulatie; concurrentie kan ertoe leiden dat de ene soort de andere verdringt of dat beide zich specialiseren om elkaar te ontwijken; mutualisme maakt soorten juist van elkaar afhankelijk. Het net van al deze relaties houdt het ecosysteem in stand en verklaart veel van de dynamiek die bij de regulatie en het evenwicht aan bod kwam.
Bij het classificeren van een relatie is de sleutelvraag steeds: welk effect (+, −, 0) heeft de relatie op elk van de twee soorten? Let op dat je predatie (de een eet de ander en die gaat dood) onderscheidt van parasitisme (de parasiet leeft langdurig ten koste van een gastheer die meestal niet meteen sterft), en mutualisme (beide voordeel) van commensalisme (een voordeel, de ander onaangedaan). Dit +/−-schema is een handig hulpmiddel dat in het examen vaak terugkomt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een relatie classificeren

Klaver levert suikers aan de stikstofbindende bacteriën in haar wortelknolletjes; de bacteriën leveren bruikbare stikstof. Classificeer deze relatie.

  1. 01Effect op de klaver

    De klaver krijgt bruikbare stikstof die ze voor haar eiwitten nodig heeft — een voordeel (+).

  2. 02Effect op de bacteriën

    De bacteriën krijgen suikers (energie) van de plant — eveneens een voordeel (+).

  3. 03Classificeren

    Beide soorten hebben voordeel van de langdurige samenleving; dit is mutualisme (+/+).

Resultaat: Beide partners profiteren (+/+): het is mutualisme, een vorm van symbiose.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een gegeven soortrelatie classificeren met het +/−/0-effect op beide soorten.
  • Examendoel: mutualisme, parasitisme en commensalisme onderscheiden en met voorbeelden toelichten.

Veelgemaakte fouten

  • Elke symbiose als „voordelig voor beide” zien; parasitisme (+/−) en commensalisme (+/0) zijn ook symbioserelaties.
  • Predatie en parasitisme verwarren: een predator doodt de prooi, een parasiet leeft langdurig ten koste van een gastheer die meestal blijft leven.

Actieve herhaling

Klaverplanten bevatten in hun wortelknolletjes stikstofbindende bacteriën; de plant levert suikers, de bacteriën leveren bruikbare stikstof. Classificeer deze relatie met het +/−-schema en verklaar je antwoord.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — relaties tussen soorten (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Voedselrelaties en niche#

●●○StandaardLPvoedselketenLPvoedselwebLPnicheLPconcurrentie-uitsluiting

Een voedselweb

VoedselwebGraaf, gras → konijn, gras → muis, konijn → vos, muis → vos, muis → uilgraskonijnmuisvosuil
Afb. 2Afb. 2 — Een voedselweb: meerdere in elkaar grijpende voedselketens; de pijlen wijzen van de gegeten soort naar de eter (richting van de energiestroom).

Kernpunten

Wie eet wie, geef je weer in een voedselketen: een lineaire reeks van producent via consumenten naar toppredator, met pijlen in de richting waarin de energie stroomt (van gegeten naar eter). In werkelijkheid eten de meeste soorten van, en worden gegeten door, meerdere andere soorten; de vele in elkaar grijpende voedselketens vormen samen een voedselweb (afbeelding 2). Zo'n web geeft een realistischer beeld van de energiestroom en laat zien hoe soorten via meerdere wegen met elkaar verbonden zijn.
Een voedselweb maakt de onderlinge afhankelijkheid zichtbaar. Verdwijnt een soort uit het web, dan werkt dat door op de soorten die ervan aten (die verliezen voedsel) en op de soorten die het at (die kunnen toenemen). Doordat er meerdere wegen door het web lopen, is een web met veel soorten en verbindingen doorgaans stabieler dan een korte, enkelvoudige keten: valt één schakel weg, dan zijn er alternatieve routes. Het analyseren van zulke doorwerkingen — „wat gebeurt er als soort X verdwijnt?” — is een typische examenvaardigheid.
Elke soort neemt in het ecosysteem een eigen plaats in: haar niche. De niche is niet alleen wáár een soort leeft (het leefgebied of habitat), maar het geheel van haar rol: wat ze eet, wanneer ze actief is, waar ze schuilt en zich voortplant, en hoe ze met andere soorten omgaat. De niche beschrijft dus hoe een soort haar „beroep” in het ecosysteem uitoefent, breder dan alleen het adres waar ze woont.
Uit het nichebegrip volgt het concurrentie-uitsluitingsprincipe: twee soorten met een exact dezelfde niche kunnen niet blijvend naast elkaar bestaan, want ze concurreren om precies dezelfde hulpbronnen en de sterkste verdringt de ander. In de praktijk lossen soorten dit op door hun niche te scheiden: ze specialiseren zich op iets ander voedsel, een andere tijd of een andere plek, zodat de concurrentie afneemt en ze kunnen samenleven. Dit verklaart de grote soortenrijkdom in complexe ecosystemen — een verbinding tussen soortrelaties, evolutie en biodiversiteit.
Uitgewerkt voorbeeld

Doorwerking in een voedselweb

In een voedselweb eten zowel vossen als uilen muizen. Wat gebeurt er naar verwachting met de uilen als de vossen sterk toenemen?

  1. 01Gedeeld voedsel

    Vossen en uilen eten allebei muizen; om dit voedsel bestaat er concurrentie tussen hen.

  2. 02Meer vossen, minder muizen

    Nemen de vossen sterk toe, dan eten zij meer muizen, waardoor de muizenpopulatie afneemt.

  3. 03Gevolg voor de uilen

    Met minder muizen is er ook voor de uilen minder voedsel; naar verwachting neemt de uilenpopulatie af.

Resultaat: Meer vossen doen de muizen afnemen, waardoor de uilen — die om dezelfde muizen concurreren — minder voedsel hebben en in aantal afnemen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een voedselweb analyseren en de doorwerking van het verdwijnen of toenemen van een soort beredeneren.
  • Examendoel: het nichebegrip toepassen en met het concurrentie-uitsluitingsprincipe verklaren hoe soorten samenleven.

Veelgemaakte fouten

  • De pijlen in een voedselweb verkeerd om tekenen; de pijl wijst van de gegeten soort naar de eter (de richting van de energiestroom).
  • Niche gelijkstellen aan alleen het leefgebied; de niche omvat de hele rol (voedsel, tijd, plaats, relaties), niet alleen het adres.

Actieve herhaling

In een voedselweb eten zowel vossen als uilen muizen. Leg uit wat er naar verwachting met de uilen gebeurt als de vossen sterk in aantal toenemen, en gebruik daarbij het web en het begrip concurrentie.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — voedselrelaties en niche (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Mens, ecosysteem en duurzaamheid#

●●●VerdiepingLPmenselijke invloedLPduurzame ontwikkelingLPecologische voetafdrukLPbiodiversiteit

Menselijke bedreigingen voor de biodiversiteit

BedreigingenGraaf, habitatverlies → biodiversiteitsverlies, vervuiling → biodiversiteitsverlies, overexploitatie → biodiversiteitsverlies, klimaatverandering → biodiversiteitsverlies, invasieve exoten → biodiversiteitsverlieshabitatverliesvervuilingoverexploitatieklimaatveranderinginvasieve exotenbiodiversiteitsverlies
Afb. 3Afb. 3 — De belangrijkste menselijke oorzaken van biodiversiteitsverlies; ze grijpen alle in op de kringlopen en het evenwicht van ecosystemen.

Kernpunten

De mens is onderdeel van de ecosystemen, maar grijpt er sterker in dan enige andere soort, en die invloed is grotendeels negatief voor de natuur (afbeelding 3). De belangrijkste bedreigingen zijn: habitatverlies (het verdwijnen van leefgebied door landbouw, verstedelijking en ontbossing), vervuiling (van lucht, water en bodem), overexploitatie (overbevissing, overbejaging), klimaatverandering (door de verhoogde uitstoot van broeikasgassen) en de introductie van invasieve exoten (soorten die de mens naar nieuwe gebieden brengt en die inheemse soorten verdringen). Deze factoren leiden samen tot een sterke afname van de biodiversiteit.
De ingrepen van de mens verstoren de kringlopen en het evenwicht die bij de vorige onderwerpen zijn behandeld. Overbemesting brengt te veel stikstof in het milieu (vermesting/eutrofiëring), waardoor water dichtgroeit en zuurstofarm wordt; het verbranden van fossiele brandstoffen verhoogt de CO₂-concentratie en verstoort de koolstofkringloop en het klimaat; en het wegvallen van soorten verstoort voedselwebben. Doordat alles in een ecosysteem samenhangt, kan een ingreep op één plek ver doorwerken — een toepassing van het systeemdenken op een maatschappelijk vraagstuk.
Als tegenwicht staat het streven naar duurzame ontwikkeling: een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Duurzaamheid vraagt om het in balans houden van economische, sociale en ecologische belangen: hulpbronnen niet sneller gebruiken dan ze worden aangevuld, kringlopen sluiten (recycling), en de biodiversiteit en de ecosysteemdiensten (bestuiving, waterzuivering, klimaatregeling) behouden. Het gaat om verstandig beheer, niet om het stilzetten van alle menselijke activiteit.
Een hulpmiddel om de menselijke druk te meten is de ecologische voetafdruk: de oppervlakte die nodig is om de hulpbronnen die iemand (of een land) verbruikt te leveren en het afval te verwerken. Is de totale voetafdruk van de mensheid groter dan wat de aarde kan leveren, dan wordt het natuurlijk kapitaal uitgeput — dan leven we „boven onze stand”. Het beoordelen van maatregelen op hun bijdrage aan de duurzaamheid — verminderen ze het habitatverlies, de vervuiling of de voetafdruk? — is precies het soort afweging dat het examen bij dit onderwerp vraagt, waarbij eerlijk gewogen wordt tussen ecologische en andere belangen.
Uitgewerkt voorbeeld

Een maatregel beoordelen op duurzaamheid

Beoordeel of het met elkaar verbinden van natuurgebieden (ecologische verbindingszones) bijdraagt aan duurzame ontwikkeling.

  1. 01Probleem

    Habitatverlies en versnippering isoleren populaties in kleine gebieden, wat leidt tot minder genetische variatie en een groter uitsterfrisico.

  2. 02Effect van de maatregel

    Verbindingszones laten dieren tussen gebieden trekken; dat vergroot de leefruimte, herstelt uitwisseling van individuen (genen) en verlaagt het uitsterfrisico.

  3. 03Duurzaamheidsoordeel

    De maatregel behoudt biodiversiteit en ecosysteemdiensten voor toekomstige generaties zonder de menselijke activiteit stil te leggen; ze draagt dus bij aan duurzame ontwikkeling.

Resultaat: Ja: door versnippering tegen te gaan en de uitwisseling tussen populaties te herstellen, behouden verbindingszones de biodiversiteit voor de toekomst — een bijdrage aan duurzame ontwikkeling.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de belangrijkste menselijke bedreigingen voor ecosystemen en biodiversiteit benoemen en hun doorwerking beredeneren.
  • Examendoel: het begrip duurzame ontwikkeling en de ecologische voetafdruk toepassen bij het beoordelen van een maatregel.

Veelgemaakte fouten

  • Duurzaamheid gelijkstellen aan het stopzetten van alle menselijke activiteit; het gaat om verstandig beheer binnen de grenzen van het ecosysteem.
  • Een ingreep alleen lokaal beoordelen; door de samenhang in het ecosysteem kan een ingreep ver doorwerken (systeemdenken).

Actieve herhaling

Beoordeel of het aanleggen van grote natuurgebieden die met elkaar verbonden zijn (ecologische verbindingszones) bijdraagt aan duurzame ontwikkeling, en onderbouw je oordeel met begrippen uit de ecologie.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — mens en duurzaamheid (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Relaties tussen soorten◐
    • 02Voedselrelaties en niche◐
    • 03Mens, ecosysteem en duurzaamheid●

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Interactie in ecosystemen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~10
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma biologie VWO — relaties tussen soorten

Vorig onderwerp

Zelforganisatie van ecosystemen

Volgend onderwerp

Biodiversiteit

EuraStudy·Samenvattingen T·19·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.