EuraStudy
Samenvattingen/Biologie/Gedrag, interactie en seksualiteit
Samenvattingen · BiologieNL · VWO

Gedrag, interactie en seksualiteit

Hoe organismen zich gedragen en met elkaar omgaan, en hoe gedrag evolutionair te begrijpen is. Je bestudeert aangeboren en aangeleerd gedrag, sociaal gedrag en communicatie, seksualiteit en seksuele selectie, en het onderscheid tussen de directe oorzaak (proximaat) en de evolutionaire functie (ultiem) van gedrag, met fitness als verbindende maat.

4 Onderdelen·~12 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·141414 / 21
Examenprofiel
Aangeboren en aangeleerd gedrag onderscheiden en vormen van leren benoemenSociaal gedrag en communicatie tussen organismen beschrijvenSeksualiteit en seksuele selectie uitleggenGedrag proximaat (oorzaak) en ultiem (functie/fitness) verklaren
Operatoren:leg uitverklaarberedeneeronderscheid

basisniveau

Voor het CE onderscheid je gedragstypen en verklaar je gedrag vanuit de functie (fitness).

verhoogd niveau

Verdieping ligt in de kosten-batenanalyse van gedrag en het proximaat-ultiem-onderscheid.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Gedrag, interactie en seksualiteit
    • 01Aangeboren en aangeleerd gedrag○
    • 02Sociaal gedrag en communicatie◐
    • 03Seksualiteit en seksuele selectie◐
    • 04Gedrag, functie en fitness●
§ 01

Aangeboren en aangeleerd gedrag#

●○○BasisLPaangeboren gedragLPinstinctLPlerenLPconditioneringLPimprinting

Vormen van gedrag

GedragstypenBoomdiagram, 4 paden, Gegevens: aangeboren → reflex; aangeboren → instinct; aangeleerd → conditionering; aangeleerd → inprentingaangeborenaangeleerdgedragreflexinstinctconditioneringinprenting
Afb. 1Afb. 1 — Gedrag is deels aangeboren (reflex, instinct) en deels aangeleerd (gewenning, conditionering, inprenting); veel gedrag combineert beide.

Kernpunten

Gedrag is alles wat een organisme waarneembaar doet als reactie op prikkels uit zijn omgeving of zijn eigen lichaam. Gedrag is deels aangeboren en deels aangeleerd, en meestal een combinatie van beide (afbeelding 1). Aangeboren gedrag is erfelijk vastgelegd, van de geboorte af aanwezig en hoeft niet geleerd te worden; het verloopt bij alle leden van de soort vrijwel gelijk. Voorbeelden zijn reflexen (zoals de zuigreflex van een baby) en instinctief gedrag (zoals het bouwen van een nest volgens een vast patroon).
Aangeleerd gedrag ontstaat juist door ervaring: het organisme verandert zijn gedrag op grond van wat het meemaakt. Er zijn verschillende vormen van leren. Bij gewenning (habituatie) verdwijnt een reactie op een prikkel die vaak en zonder gevolg optreedt. Bij conditionering leert een dier een verband tussen een prikkel en een gevolg — bijvoorbeeld tussen een geluid en voedsel (klassieke conditionering) of tussen een handeling en een beloning of straf (operante conditionering). Bij inprenting (imprinting) leert een jong dier in een korte, gevoelige periode iets blijvend, zoals een gansje dat het eerste bewegende object als „moeder” volgt.
Het onderscheid tussen aangeboren en aangeleerd is zelden absoluut; veel gedrag heeft een aangeboren basis die door ervaring wordt bijgeschaafd. Vogelzang bijvoorbeeld is deels aangeboren (de aanleg voor het zingen) en deels aangeleerd (de precieze melodie leert het jong van soortgenoten). Bij het beoordelen of gedrag aangeboren of aangeleerd is, let je op kenmerken: aangeboren gedrag is soortkenmerkend, direct aanwezig en weinig variabel; aangeleerd gedrag verschilt tussen individuen, ontwikkelt zich met ervaring en is flexibel.
Het vermogen om te leren is zelf een aangeboren, evolutionair voordelig kenmerk: dieren die hun gedrag aan de omstandigheden kunnen aanpassen, overleven vaak beter in een veranderlijke omgeving. Aangeboren gedrag heeft als voordeel dat het meteen goed werkt zonder risicovolle leerperiode, maar is star; aangeleerd gedrag is flexibel maar kost tijd en ervaring om te ontwikkelen. Deze afweging tussen betrouwbaarheid en flexibiliteit verklaart waarom soorten verschillen in de mate waarin hun gedrag aangeboren of aangeleerd is.
Uitgewerkt voorbeeld

Een leervorm herkennen

Een hond gaat kwijlen zodra hij het geluid van de voerbak hoort. Welke vorm van leren is dit en welk verband is geleerd?

  1. 01Prikkel en reactie

    Het geluid van de voerbak (een op zichzelf neutrale prikkel) roept nu al kwijlen op, nog voordat er voer is.

  2. 02Geleerd verband

    De hond heeft een verband geleerd tussen twee prikkels: het geluid en het daaropvolgende voer.

  3. 03Leervorm

    Het koppelen van een neutrale prikkel aan een prikkel met een vast gevolg is klassieke conditionering.

Resultaat: Dit is klassieke conditionering: de hond heeft geleerd dat het geluid van de voerbak voedsel voorspelt, waardoor hij al op het geluid gaat kwijlen.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: aangeboren en aangeleerd gedrag onderscheiden aan kenmerken (soortkenmerkend/variabel, direct/na ervaring).
  • Examendoel: vormen van leren (gewenning, conditionering, inprenting) herkennen en benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • Aangeboren en aangeleerd als een strikte tweedeling zien; veel gedrag heeft een aangeboren basis die door leren wordt bijgeschaafd.
  • Klassieke en operante conditionering verwarren: klassiek koppelt twee prikkels, operant koppelt gedrag aan beloning/straf.

Actieve herhaling

Een hond gaat kwijlen zodra hij het geluid van de voerbak hoort, nog voordat hij het voer ziet. Benoem de vorm van leren en leg uit welk verband de hond heeft geleerd.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — gedrag en leren (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Sociaal gedrag en communicatie#

●●○StandaardLPsociaal gedragLPcommunicatieLPterritoriumLPrangorde

Communicatie tussen dieren

CommunicatieGraaf, zender → signaal (geluid, geur, kleur), signaal (geluid, geur, kleur) → ontvanger, ontvanger → gedragsveranderingzendersignaal (geluid,geur, kleur)ontvangergedragsveranderinggeeft afvangt op
Afb. 2Afb. 2 — Communicatie: een zender geeft een signaal (geluid, kleur, geur) af dat een ontvanger opvangt en waarop deze zijn gedrag aanpast.

Kernpunten

Veel dieren leven in groepen, en binnen die groepen vertonen ze sociaal gedrag: gedrag dat gericht is op soortgenoten. Groepsleven biedt voordelen zoals bescherming tegen predatoren, gezamenlijk jagen en het gemakkelijker vinden van een partner, maar brengt ook nadelen mee zoals concurrentie om voedsel en de snellere verspreiding van ziekten. Of groepsleven loont, hangt af van de balans tussen deze kosten en baten voor de fitness van het individu.
Sociaal gedrag berust op communicatie: het overbrengen van informatie van een zender naar een ontvanger, waarna de ontvanger zijn gedrag aanpast (afbeelding 2). Dieren communiceren met signalen via verschillende zintuigen: geluid (vogelzang, alarmroep), zicht (kleuren, houdingen, gebaren), geur (geurstoffen, feromonen) en aanraking. Een signaal is functioneel als het de fitness van de zender vergroot — bijvoorbeeld een alarmroep die soortgenoten waarschuwt, of een baltsdans die een partner lokt.
Binnen sociale groepen ordenen dieren hun onderlinge verhoudingen vaak met een rangorde (hiërarchie): een vaste volgorde die bepaalt wie voorrang heeft bij voedsel of partners. Een gevestigde rangorde vermindert voortdurende gevechten, wat voor alle leden energie en verwondingen bespaart. Daarnaast verdedigen veel dieren een territorium: een gebied met voedsel, nestgelegenheid of partners dat ze tegen soortgenoten beschermen. Territoriaal gedrag verdeelt de beschikbare hulpbronnen en voorkomt dat de dichtheid te hoog wordt.
Sociaal gedrag laat zich vaak verklaren als een afweging van kosten en baten voor de fitness. Een alarmroep kost de roeper energie en verraadt zijn positie aan de predator (kosten), maar redt soortgenoten — vaak verwanten die dezelfde genen dragen (baten). Zulke redeneringen verbinden gedrag met de evolutie: gedrag dat de eigen overleving en voortplanting (of die van naaste verwanten) bevordert, wordt door natuurlijke selectie in stand gehouden. Dit vormt de brug naar het proximaat-ultiemonderscheid en naar de seksuele selectie.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarom een alarmroep loont

Een marmot geeft bij een naderende roofvogel een luide alarmroep. Verklaar met kosten en baten waarom dit gedrag door selectie behouden blijft.

  1. 01Kosten

    De alarmroep kost energie en trekt de aandacht van de roofvogel; de roeper loopt dus zelf extra risico.

  2. 02Baten

    De roep waarschuwt soortgenoten, die vaak naaste verwanten zijn en dezelfde genen dragen; zij kunnen zich in veiligheid brengen.

  3. 03Fitnessafweging

    Als het redden van verwanten (die de genen voor dit gedrag delen) opweegt tegen het eigen risico, blijft het gedrag door selectie behouden.

Resultaat: De baten (redden van verwante soortgenoten die dezelfde genen dragen) wegen op tegen de kosten (eigen risico), zodat de alarmroep evolutionair loont en behouden blijft.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: sociaal gedrag (rangorde, territorium, communicatie) beschrijven en de functie ervan met kosten en baten verklaren.
  • Examendoel: communicatie beschrijven als zender-signaal-ontvanger en de fitnesswaarde van een signaal benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • Sociaal gedrag als „voor het goed van de soort” verklaren; selectie werkt op de fitness van het individu (en zijn verwanten), niet op het soortbelang.
  • Communicatie beperken tot geluid; dieren communiceren ook met kleur, houding, geur en aanraking.

Actieve herhaling

Een marmot die een naderende roofvogel ziet, geeft een luide alarmroep. Leg met kosten en baten voor de fitness uit waarom dit gedrag ondanks het risico door selectie in stand blijft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — sociaal gedrag (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Seksualiteit en seksuele selectie#

●●○StandaardLPseksualiteitLPpartnerkeuzeLPseksuele selectieLPvoortplantingsstrategie

Seksuele selectie

Seksuele selectieGraaf, opvallend kenmerk → vaker gekozen als partner, vaker gekozen als partner → meer nakomelingen, meer nakomelingen → hogere fitnessopvallendkenmerkvaker gekozenals partnermeernakomelingenhogere fitnessaantrekkelijk
Afb. 3Afb. 3 — Seksuele selectie: een opvallend kenmerk maakt aantrekkelijker, levert meer paringen op en verhoogt zo de fitness, ook al kost het kenmerk overlevingskansen.

Kernpunten

Seksueel gedrag is gericht op de voortplanting en omvat het vinden, kiezen en veroveren van een partner. Bij veel soorten gaat de voortplanting gepaard met balts: opvallend gedrag (zang, dans, kleurenpracht) waarmee dieren een partner aantrekken en overtuigen. De partnerkeuze is daarbij vaak niet willekeurig: dieren kiezen partners met kenmerken die op een goede conditie of goede genen wijzen. Deze keuze heeft evolutionaire gevolgen, want de gekozen kenmerken worden vaker doorgegeven.
Deze vorm van selectie heet seksuele selectie: selectie die niet werkt via de overleving, maar via het voortplantingssucces — het vermogen om een partner te vinden en zich voort te planten (afbeelding 3). Seksuele selectie kan kenmerken bevorderen die voor de overleving juist nadelig zijn, zoals de enorme staart van een pauw of het opvallende verenkleed van veel mannetjes: die maken het dier zichtbaarder voor predatoren, maar leveren zoveel extra paringen op dat ze per saldo de fitness vergroten. Zo verklaart seksuele selectie opvallende, „overdreven” kenmerken die de gewone natuurlijke selectie niet zou verklaren.
Vaak zijn het de mannetjes die om de vrouwtjes concurreren en de vrouwtjes die kiezen; dat hangt samen met de investering in de nakomelingen. Het vrouwtje investeert doorgaans meer (grote eicellen, dracht, zorg) en is daardoor kieskeurig, terwijl het mannetje met veel partners zijn voortplantingssucces kan vergroten. Deze asymmetrie verklaart veel verschillen tussen de geslachten (geslachtsdimorfisme), zoals verschillen in grootte, kleur en gedrag. Het is een klassiek voorbeeld van hoe voortplantingsstrategieën door selectie worden gevormd.
Seksuele selectie is een vorm van natuurlijke selectie in bredere zin en past volledig binnen het evolutionaire denken: kenmerken die het voortplantingssucces vergroten, nemen in de populatie toe. Bij het analyseren van een baltskenmerk redeneer je daarom vanuit de fitness: welk voordeel voor de voortplanting levert het kenmerk op, en weegt dat op tegen eventuele overlevingskosten? Zo verbindt dit onderwerp gedrag, voortplanting en evolutie tot één samenhangend verhaal.
Uitgewerkt voorbeeld

De pauwenstaart verklaren

De lange staart van een pauwhaan maakt hem kwetsbaarder voor predatoren. Verklaar met seksuele selectie waarom deze staart toch is ontstaan.

  1. 01Overlevingskosten

    De grote, opvallende staart maakt de haan zichtbaarder en trager, dus kwetsbaarder voor roofdieren — een nadeel voor de overleving.

  2. 02Voortplantingsvoordeel

    Pauwinnen kiezen bij voorkeur hanen met een grote, mooie staart (teken van goede conditie); zulke hanen krijgen veel meer nakomelingen.

  3. 03Netto-effect op fitness

    Het voortplantingsvoordeel weegt op tegen de overlevingskosten, zodat de allelen voor een grote staart in de populatie toenemen.

Resultaat: De staart verlaagt de overlevingskans maar verhoogt via de partnerkeuze het voortplantingssucces zoveel dat de fitness per saldo stijgt; daardoor blijft de staart door seksuele selectie behouden.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: seksuele selectie uitleggen als selectie via het voortplantingssucces en er opvallende kenmerken mee verklaren.
  • Examendoel: de asymmetrie in investering tussen de geslachten koppelen aan partnerkeuze en geslachtsdimorfisme.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat elk opvallend kenmerk de overleving bevordert; seksueel geselecteerde kenmerken kunnen de overleving juist schaden maar het voortplantingssucces vergroten.
  • Seksuele selectie los zien van evolutie; het is een vorm van selectie die via de voortplanting op de allelfrequenties werkt.

Actieve herhaling

De lange, opvallende staart van een pauwhaan maakt hem kwetsbaarder voor roofdieren. Leg met seksuele selectie uit waarom deze staart toch is ontstaan en in stand blijft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — seksuele selectie (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Gedrag, functie en fitness#

●●●VerdiepingLPproximaatLPultiemLPfitnessLPkosten-baten

Proximate en ultieme verklaring

Proximaat en ultiemTabel met 3 kolommen en 2 rijen, Gegevens: verklaring · beantwoordt · voorbeeld (vogeltrek); proximaat · hoe ontstaat het gedrag? · kortere daglengte wekt via hormonen de trekdrang op; ultiem · waarom bestaat het (functie)? · trekken ontloopt winterse voedselschaarste, meer fitnessVERKLARINGBEANTWOORDTVOORBEELD (VOGELTREK)proximaathoe ontstaat het gedrag?kortere daglengte wekt viahormonen de trekdrang opultiemwaarom bestaat het(functie)?trekken ontloopt wintersevoedselschaarste, meerfitness
Afb. 4Afb. 4 — Twee verklaringsniveaus van gedrag: de proximate verklaring geeft het mechanisme, de ultieme de evolutionaire functie (fitness).

Kernpunten

Gedrag kun je op twee heel verschillende manieren verklaren, en het is belangrijk die te onderscheiden (afbeelding 4). Een proximate verklaring geeft de directe oorzaak: welke prikkel, welk hormoon, welk zenuwmechanisme of welke ontwikkeling brengt het gedrag teweeg? Een ultieme verklaring geeft de evolutionaire functie: welk voordeel voor de overleving en voortplanting (fitness) levert het gedrag op, waardoor het door selectie is ontstaan en behouden? Beide verklaringen zijn juist en vullen elkaar aan; ze beantwoorden verschillende vragen over hetzelfde gedrag.
Neem de vogeltrek als voorbeeld. Een proximate verklaring is dat de kortere daglengte in de herfst hormonale veranderingen veroorzaakt die de trekdrang opwekken. Een ultieme verklaring is dat vogels die naar het zuiden trekken de winterse voedselschaarste ontlopen en zo meer overleven en nakomelingen krijgen. De eerste verklaart hóé het gedrag ontstaat, de tweede wáárom het evolutionair bestaat. Verwar deze niveaus niet: „de daglengte” is geen antwoord op een vraag naar de functie, en „meer overleven” is geen antwoord op een vraag naar het mechanisme.
De ultieme verklaring drukt men vaak uit als een kosten-batenanalyse: gedrag heeft kosten (energie, tijd, risico) en baten (voedsel, veiligheid, partners), beide te vertalen in fitness. Gedrag dat door selectie is gevormd, levert gemiddeld meer baten dan kosten op — anders zou het zijn verdwenen. Zo kun je voorspellen hoe een dier zich zal gedragen: het „kiest” (door selectie gevormd, niet bewust) de optie die de netto-fitness maximaliseert, bijvoorbeeld foerageren waar de opbrengst per tijd het hoogst is.
Ook schijnbaar onbaatzuchtig gedrag (altruïsme) past in dit kader. Een dier dat een verwant helpt ten koste van zichzelf, bevordert indirect de verspreiding van zijn eigen genen, omdat verwanten die genen delen. Deze verwantenselectie verklaart bijvoorbeeld de opoffering van werksters in een bijenvolk. Het proximaat-ultiemonderscheid en de fitnessredenering zijn zo de gereedschappen waarmee je elk gedrag — van foerageren tot ouderzorg — evolutionair kunt analyseren, precies wat het examen bij dit onderwerp vraagt.
Uitgewerkt voorbeeld

Twee verklaringen voor broedgedrag

Geef voor het broeden van vogels in het voorjaar een proximate en een ultieme verklaring.

  1. 01Proximate verklaring

    De toenemende daglengte in het voorjaar veroorzaakt hormonale veranderingen die het broedgedrag (nestbouw, paren, eieren leggen) opwekken — het directe mechanisme.

  2. 02Ultieme verklaring

    In het voorjaar is er veel voedsel voor de jongen; wie dan broedt, brengt meer jongen groot en heeft een hogere fitness — de evolutionaire functie.

  3. 03Onderscheid

    De proximate verklaring beantwoordt hóé het gedrag ontstaat, de ultieme wáárom het door selectie bestaat.

Resultaat: Proximaat: de langere dagen wekken via hormonen het broedgedrag op; ultiem: broeden in het voedselrijke voorjaar levert meer overlevende jongen en dus hogere fitness op.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een proximate (mechanisme) en een ultieme (functie/fitness) verklaring van hetzelfde gedrag onderscheiden en beide correct formuleren.
  • Examendoel: gedrag analyseren met een kosten-batenafweging in termen van fitness (incl. verwantenselectie).

Veelgemaakte fouten

  • Een proximate en een ultieme verklaring door elkaar halen (bijv. „de daglengte” als antwoord op een functievraag geven).
  • Altruïsme onverklaarbaar achten; via verwantenselectie bevordert het helpen van verwanten de eigen genen.

Actieve herhaling

Geef voor het broedgedrag van vogels in het voorjaar een proximate én een ultieme verklaring, en maak duidelijk welke vraag elke verklaring beantwoordt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — functie van gedrag (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Aangeboren en aangeleerd gedrag○
    • 02Sociaal gedrag en communicatie◐
    • 03Seksualiteit en seksuele selectie◐
    • 04Gedrag, functie en fitness●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Gedrag, interactie en seksualiteit

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~12
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma biologie VWO — gedrag en leren

Vorig onderwerp

Zelforganisatie van het organisme

Volgend onderwerp

Selectie: variatie, mutatie en natuurlijke selectie

EuraStudy·Samenvattingen T·14·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.