EuraStudy
Samenvattingen/Biologie/Eiwitsynthese: van DNA naar eiwit
Samenvattingen · BiologieNL · VWO

Eiwitsynthese: van DNA naar eiwit

Hoe de erfelijke informatie in het DNA wordt omgezet in eiwitten — het centrale dogma van de moleculaire biologie. Je bestudeert de structuur van DNA en RNA, de transcriptie van DNA naar mRNA in de kern, en de translatie van mRNA naar een aminozuurvolgorde aan het ribosoom met behulp van de genetische code, en je verbindt de eiwitstructuur met de functie en met erfelijke eigenschappen.

4 Onderdelen·~13 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0222 / 21
Examenprofiel
De bouw van DNA en RNA beschrijven (nucleotiden, basenparing, dubbele helix)Transcriptie beschrijven: van DNA naar mRNA met RNA-polymeraseTranslatie beschrijven en de genetische code toepassen (codon-anticodon, ribosoom, tRNA)De relatie tussen gen, eiwit, functie en erfelijke eigenschap leggen
Operatoren:beschrijfleg uitverklaarleid afgeef aan

basisniveau

Voor het CE moet je een basenvolgorde via mRNA kunnen vertalen naar aminozuren met de genetische code en de rollen van RNA-polymerase, ribosoom en tRNA benoemen.

verhoogd niveau

Verdieping ligt in het verband met genregulatie, alternatieve splicing en de gevolgen van mutaties voor de eiwitstructuur.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Eiwitsynthese: van DNA naar eiwit
    • 01Structuur van DNA en RNA○
    • 02Transcriptie: van DNA naar mRNA◐
    • 03Translatie en de genetische code◐
    • 04Van gen tot eiwit en erfelijke eigenschap●
§ 01

Structuur van DNA en RNA#

●○○BasisLPnucleotideLPbasenparingLPdubbele helixLPgenLPDNA versus RNA

Basenparing in de DNA-dubbele helix

DNA-basenparingSchema met 6 elementen, ruggengraat, A — T, G — C, T — A, C — GruggengraatA — TG — CT — AC — G
Afb. 1Afb. 1 — De dubbele helix als touwladder: twee ruggengraten verbonden door complementaire basenparen (A-T met twee, G-C met drie waterstofbruggen).

Kernpunten

DNA (desoxyribonucleïnezuur) is het molecuul dat de erfelijke informatie draagt. Het is opgebouwd uit bouwstenen die nucleotiden heten; elk nucleotide bestaat uit drie delen: een fosfaatgroep, een suiker (desoxyribose) en een stikstofbase. Er zijn vier basen: adenine (A), thymine (T), guanine (G) en cytosine (C). De volgorde van deze vier basen langs de streng vormt de code — precies zoals letters een tekst vormen. De informatie zit dus niet in de suiker of het fosfaat, maar in de basenvolgorde.
DNA is een dubbele helix: twee lange nucleotidenstrengen die om elkaar heen gedraaid zijn, als een gedraaide touwladder (afbeelding 1). De „bomen” van de ladder zijn de suiker-fosfaatruggengraten; de „sporten” zijn de basenparen die de strengen bij elkaar houden. De basen paren volgens een vaste regel — de complementaire basenparing: A paart altijd met T (via twee waterstofbruggen) en G altijd met C (via drie waterstofbruggen). Hierdoor is de ene streng de complementaire spiegel van de andere: uit de volgorde van één streng volgt automatisch die van de andere.
Deze complementariteit is de sleutel tot zowel het kopiëren (replicatie) als het aflezen (transcriptie) van DNA: omdat elke streng als mal voor de andere kan dienen, kan de informatie exact worden verdubbeld en overgeschreven. De twee waterstofbruggen bij A-T en drie bij G-C zijn zwak genoeg om de strengen te kunnen scheiden, maar samen sterk genoeg om de dubbele helix stabiel te houden. Een DNA-gebied dat de bouwtekening voor één eiwit (of RNA-product) bevat, heet een gen; het menselijke genoom bestaat uit vele duizenden genen verdeeld over de chromosomen.
RNA (ribonucleïnezuur) verschilt op drie punten van DNA en je moet die verschillen scherp kennen. Ten eerste is RNA meestal enkelstrengs in plaats van dubbelstrengs. Ten tweede bevat RNA de suiker ribose in plaats van desoxyribose. Ten derde gebruikt RNA de base uracil (U) in plaats van thymine (T); uracil paart net als thymine met adenine. RNA komt in verschillende soorten voor die elk een rol spelen in de eiwitsynthese: mRNA (boodschapper), tRNA (transport van aminozuren) en rRNA (bouwstof van het ribosoom).
Uitgewerkt voorbeeld

Complementaire streng en mRNA bepalen

Een matrijsstreng (template) van DNA heeft de volgorde 3'-T A C G G A-5'. Bepaal de complementaire DNA-streng en het mRNA.

  1. 01Complementaire DNA-streng

    Pas A-T en G-C toe: T→A, A→T, C→G, G→C, G→C, A→T geeft 5'-A T G C C T-3'.

  2. 02mRNA opstellen

    Het mRNA is complementair aan de matrijsstreng, met U in plaats van T: T→A, A→U, C→G, G→C, G→C, A→U geeft 5'-A U G C C U-3'.

  3. 03Controle

    Het mRNA is identiek aan de complementaire DNA-streng, maar met U op de plaats van T — precies wat je verwacht.

Resultaat: De complementaire DNA-streng is 5'-A T G C C T-3'; het mRNA is 5'-A U G C C U-3'.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de bouw van een nucleotide en de complementaire basenparing (A-T, G-C, en A-U in RNA) benoemen en toepassen.
  • Examendoel: de drie verschillen tussen DNA en RNA (enkel-/dubbelstrengs, ribose/desoxyribose, U/T) geven.

Veelgemaakte fouten

  • De basenparing verwarren: G met T of A met C paren, of vergeten dat in RNA uracil (U) de plaats van thymine inneemt.
  • Denken dat de informatie in de suiker of het fosfaat zit; de code zit uitsluitend in de volgorde van de basen.

Actieve herhaling

Van een DNA-streng is de basenvolgorde 5'-A T G C C T A G-3'. Geef de basenvolgorde van de complementaire DNA-streng en van het mRNA dat van deze streng als matrijs zou worden afgeschreven.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — DNA en eiwitsynthese (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 02

Transcriptie: van DNA naar mRNA#

●●○StandaardLPtranscriptieLPRNA-polymeraseLPmatrijsstrengLPpre-mRNALPsplicing

Het centraal dogma

Centraal dogmaGraaf, DNA (kern) → mRNA, mRNA → eiwitDNA (kern)mRNAeiwittranscriptietranslatie
Afb. 2Afb. 2 — Het centraal dogma: DNA wordt door transcriptie overgeschreven naar mRNA, dat door translatie wordt vertaald in een eiwit.

Kernpunten

Transcriptie is het overschrijven van de informatie van een gen van DNA naar mRNA en vindt plaats in de celkern (afbeelding 2). Het enzym RNA-polymerase bindt aan het begin van het gen, opent daar plaatselijk de dubbele helix en leest één van de twee strengen af: de matrijsstreng (template). Terwijl het enzym langs de matrijsstreng schuift, koppelt het vrije RNA-nucleotiden aan elkaar volgens de complementaire basenparing (A-U en G-C), zodat een mRNA-molecuul ontstaat dat de basenvolgorde van het gen bevat.
Omdat het mRNA complementair aan de matrijsstreng wordt gemaakt, is het qua volgorde gelijk aan de andere DNA-streng — de coderende streng — met alleen U op de plaats van T. Zo wordt de code van het gen getrouw overgeschreven. Anders dan bij DNA-replicatie wordt bij transcriptie maar één streng afgelezen en ontstaat er een enkelstrengs mRNA-kopie; het DNA zelf blijft ongewijzigd achter en de dubbele helix sluit weer achter het enzym.
Bij eukaryoten (organismen met een celkern, zoals de mens) wordt eerst een pre-mRNA gemaakt dat nog bewerkt moet worden. In het pre-mRNA zitten coderende stukken (exons) afgewisseld met niet-coderende stukken (introns). Voordat het mRNA de kern verlaat, worden de introns eruit geknipt en de exons aan elkaar geplakt — dit heet splicing. Pas na deze bewerking is het mRNA rijp en kan het door een kernporie naar het cytoplasma, waar de translatie plaatsvindt.
Door alternatieve splicing kunnen uit één pre-mRNA verschillende rijpe mRNA's ontstaan, doordat exons op verschillende manieren worden gecombineerd. Zo kan één gen de bouwtekening voor meerdere eiwitten leveren, wat een deel verklaart van hoe een genoom met een beperkt aantal genen toch een grote verscheidenheid aan eiwitten voortbrengt. De scheiding tussen kern (transcriptie) en cytoplasma (translatie) maakt deze tussenbewerking mogelijk en is een belangrijk verschil met prokaryoten, waar beide processen tegelijk in dezelfde ruimte verlopen.
Uitgewerkt voorbeeld

Transcriptie van een genfragment

De matrijsstreng van een gen luidt 3'-T A C A A G C G T-5'. Geef de basenvolgorde van het gevormde mRNA en benoem het enzym en de plaats.

  1. 01Enzym en plaats

    RNA-polymerase leest in de celkern de matrijsstreng af en bouwt het complementaire mRNA op.

  2. 02mRNA opstellen

    Complementair met U in plaats van T: T→A, A→U, C→G, A→U, A→U, G→C, C→G, G→C, T→A geeft 5'-A U G U U C G C A-3'.

  3. 03Interpretatie

    Dit mRNA leest van 5' naar 3' als de codons AUG-UUC-GCA, die bij de translatie in aminozuren worden vertaald.

Resultaat: Het mRNA is 5'-A U G U U C G C A-3', gemaakt door RNA-polymerase in de celkern.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: het verloop van de transcriptie beschrijven met de rol van RNA-polymerase en de matrijsstreng.
  • Examendoel: het knippen van introns en samenvoegen van exons (splicing) uitleggen en de plaats (kern) van transcriptie benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat beide DNA-strengen worden afgeschreven; er wordt slechts één streng (de matrijsstreng) als mal gebruikt.
  • Introns en exons verwisselen: exons blijven in het rijpe mRNA, introns worden eruit geknipt.

Actieve herhaling

Leg uit waarom een gemuteerd nucleotide in een intron vaak geen gevolg heeft voor het uiteindelijke eiwit, terwijl een mutatie in een exon dat vaak wél heeft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — transcriptie (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 03

Translatie en de genetische code#

●●○StandaardLPtranslatieLPribosoomLPtRNALPcodonLPanticodonLPgenetische code

Fragment van de genetische code

Genetische code (fragment)Tabel met 2 kolommen en 6 rijen, Gegevens: codon (mRNA) · betekenis; AUG · methionine (start); UUC · fenylalanine; GGC · glycine; UGG · tryptofaan; GCA · alanine; UAA / UAG / UGA · stopCODON (MRNA)BETEKENISAUGmethionine (start)UUCfenylalanineGGCglycineUGGtryptofaanGCAalanineUAA / UAG / UGAstop
Afb. 3Afb. 3 — Enkele codons uit de genetische code: elk mRNA-codon (drie basen) codeert voor één aminozuur of een start-/stopsignaal.

Kernpunten

Translatie is het vertalen van de basenvolgorde van het mRNA naar de aminozuurvolgorde van een eiwit, en vindt plaats aan de ribosomen in het cytoplasma. De basen van het mRNA worden per drie afgelezen; zo'n groepje van drie basen heet een codon en codeert voor één aminozuur. Er zijn 4³ = 64 mogelijke codons voor 20 aminozuren, plus een startsignaal en stopsignalen. Het codon AUG is het startcodon (en codeert tevens voor het aminozuur methionine); drie codons (UAA, UAG, UGA) zijn stopcodons die geen aminozuur coderen maar het einde van de eiwitketen aangeven.
De vertaalsleutel tussen codon en aminozuur is de genetische code (afbeelding 3), die je met de codontabel in BINAS toepast. De code is nagenoeg universeel — vrijwel alle organismen gebruiken dezelfde tabel — wat een sterke aanwijzing is voor de gemeenschappelijke afstamming van al het leven. De code is ook redundant (gedegenereerd): meerdere codons kunnen hetzelfde aminozuur coderen, waardoor sommige mutaties in de derde basepositie geen effect hebben op het eiwit.
Het overzetten van codon naar aminozuur gebeurt met tRNA-moleculen. Elk tRNA draagt aan de ene kant een specifiek aminozuur en heeft aan de andere kant een anticodon: drie basen die complementair zijn aan een codon op het mRNA. In het ribosoom paart het anticodon van een tRNA met het passende codon van het mRNA, waarna het meegebrachte aminozuur aan de groeiende eiwitketen wordt gekoppeld. Het ribosoom schuift steeds één codon op, zodat de aminozuren in precies de door het mRNA voorgeschreven volgorde aan elkaar komen te zitten.
De translatie verloopt in drie fasen. Bij de initiatie herkent het ribosoom het startcodon AUG en plaatst het eerste tRNA. Bij de elongatie worden telkens nieuwe tRNA's aangevoerd, hun aminozuren via peptidebindingen aan de keten gekoppeld en het ribosoom opgeschoven. Bij de terminatie bereikt het ribosoom een stopcodon; er past geen tRNA en de voltooide aminozuurketen komt vrij. Zo bepaalt de basenvolgorde van het gen, via het mRNA, exact de aminozuurvolgorde van het eiwit.
Uitgewerkt voorbeeld

mRNA vertalen naar een eiwit

Vertaal het mRNA 5'-A U G G G C U G G U A A-3' naar aminozuren met de codontabel.

  1. 01In codons verdelen

    Lees per drie vanaf het startcodon: AUG - GGC - UGG - UAA.

  2. 02Codons vertalen

    AUG = methionine (start), GGC = glycine, UGG = tryptofaan, UAA = stopcodon.

  3. 03Keten samenstellen

    De aminozuurketen wordt methionine - glycine - tryptofaan; bij het stopcodon UAA komt de keten vrij.

Resultaat: Het eiwit bestaat uit de aminozuren methionine - glycine - tryptofaan; het stopcodon UAA beëindigt de translatie.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: met de genetische code (codontabel) een mRNA-volgorde vertalen naar de juiste aminozuurvolgorde, inclusief start- en stopcodon.
  • Examendoel: de rol van codon, anticodon, tRNA en ribosoom in de translatie beschrijven.

Veelgemaakte fouten

  • Het mRNA in de verkeerde richting of niet per drie (codon) aflezen, waardoor het leesraam verschuift en de vertaling fout wordt.
  • Vergeten dat een stopcodon geen aminozuur oplevert, of AUG niet als startcodon herkennen.

Actieve herhaling

Een mRNA luidt 5'-A U G G G C U G G U A A-3'. Bepaal met de genetische code de aminozuurvolgorde van het eiwit, en geef aan waar de eiwitketen stopt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — translatie en de genetische code (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

§ 04

Van gen tot eiwit en erfelijke eigenschap#

●●●VerdiepingLPeiwitstructuurLPenzymLPgenotype-fenotypeLPmutatie

Van gen tot erfelijke eigenschap

Genotype naar fenotypeGraaf, gen (DNA) → eiwit, eiwit → functie in cel, functie in cel → kenmerk (fenotype)gen (DNA)eiwitfunctie in celkenmerk(fenotype)eiwitsynthesevorm-functie
Afb. 4Afb. 4 — De informatiestroom van gen naar fenotype: een gen codeert een eiwit, het eiwit vervult een functie, en de functies bepalen samen het waarneembare kenmerk.

Kernpunten

De aminozuurvolgorde die bij de translatie ontstaat, is nog geen werkzaam eiwit: de keten vouwt zich op tot een specifieke driedimensionale vorm, en juist die ruimtelijke structuur bepaalt de functie. Deze vouwing wordt gestuurd door de wisselwerkingen tussen de aminozuren onderling. Een enzym heeft bijvoorbeeld een precies gevormd actief centrum dat als een sleutel-slotpassing bij zijn substraat past; een structuureiwit zoals collageen dankt zijn stevigheid aan zijn langgerekte vorm. De keten van oorzaak en gevolg loopt dus van gen via eiwit naar functie en uiteindelijk naar een erfelijke eigenschap (afbeelding 4).
Hiermee wordt het verband tussen genotype en fenotype op moleculair niveau begrijpelijk. Een gen (genotype) bepaalt via de eiwitsynthese welk eiwit wordt gemaakt; dat eiwit vervult een functie in de cel; en het geheel van al die eiwitfuncties bepaalt de waarneembare kenmerken (fenotype) van het organisme. Zo is een erfelijke eigenschap als oogkleur, bloedgroep of een stofwisselingskenmerk terug te voeren op de eiwitten waarvoor de betreffende genen coderen.
Een mutatie — een verandering in de basenvolgorde van het DNA — kan via de eiwitsynthese doorwerken in het fenotype. Verandert door een mutatie een codon zó dat een ander aminozuur wordt ingebouwd, dan kan de vouwing en daarmee de functie van het eiwit veranderen. Door de redundantie van de genetische code hebben sommige mutaties (vooral in de derde basepositie) geen effect — dan blijft het aminozuur hetzelfde (een „stille” mutatie). Een mutatie die een stopcodon te vroeg introduceert, levert een afgebroken, meestal niet-functioneel eiwit op.
Niet in elke cel worden dezelfde genen afgelezen: alle lichaamscellen bevatten hetzelfde DNA, maar door genregulatie (het aan- en uitzetten van genen) maakt elke celsoort alleen de eiwitten die ze nodig heeft. Zo verklaart differentiële genexpressie waarom een spiercel andere eiwitten bevat dan een zenuwcel, terwijl beide hetzelfde genoom hebben. De eiwitsynthese vormt daarmee de schakel tussen de moleculaire code en alle hogere biologische niveaus — van celstofwisseling en celdifferentiatie tot erfelijkheid en evolutie.
Uitgewerkt voorbeeld

Effect van een puntmutatie

In een gen verandert één base zó dat het mRNA-codon CAC in CAU verandert. Uit de codontabel blijkt dat zowel CAC als CAU voor histidine coderen. Beredeneer het effect op het eiwit en het fenotype.

  1. 01Codons vergelijken

    CAC en CAU verschillen alleen in de derde base; beide coderen voor hetzelfde aminozuur, histidine.

  2. 02Effect op het eiwit

    Omdat hetzelfde aminozuur wordt ingebouwd, verandert de aminozuurvolgorde niet en blijft de vouwing en functie van het eiwit gelijk.

  3. 03Effect op het fenotype

    Het eiwit is ongewijzigd, dus het fenotype verandert niet; dit is een stille mutatie, mogelijk door de redundantie van de code.

Resultaat: Deze mutatie is stil: dankzij de redundante genetische code blijft het aminozuur histidine, het eiwit ongewijzigd en het fenotype onveranderd.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de keten gen → eiwit → functie → kenmerk beschrijven en het verband tussen genotype en fenotype op moleculair niveau uitleggen.
  • Examendoel: het effect van een puntmutatie op het eiwit beredeneren (geen effect, veranderd aminozuur, of te vroeg stopcodon).

Veelgemaakte fouten

  • Aannemen dat elke mutatie het eiwit verandert; door de redundante code kan het aminozuur gelijk blijven (stille mutatie).
  • Denken dat elke cel andere genen bevat; alle cellen hebben hetzelfde DNA, maar lezen door genregulatie verschillende genen af.

Actieve herhaling

Door een mutatie verandert in een gen het codon dat op het mRNA GAA (glutaminezuur) was in GUA (valine). Leg uit hoe deze ene basenverandering het fenotype kan beïnvloeden.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — van gen tot eigenschap (College voor Toetsen en Examens (CvTE))

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Structuur van DNA en RNA○
    • 02Transcriptie: van DNA naar mRNA◐
    • 03Translatie en de genetische code◐
    • 04Van gen tot eiwit en erfelijke eigenschap●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Eiwitsynthese: van DNA naar eiwit

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~13
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

College voor Toetsen en Examens (CvTE)

  • Examenprogramma biologie VWO — DNA en eiwitsynthese

Vorig onderwerp

Vaardigheden: biologische denkwijzen en onderzoek

Volgend onderwerp

Stofwisseling van de cel

EuraStudy·Samenvattingen T·02·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.