EuraStudy
Samenvattingen/Bedrijfseconomie/De oprichting van een eenmanszaak
Samenvattingen · BedrijfseconomieNL · VWO

De oprichting van een eenmanszaak

Wie een onderneming start, moet plannen en rekenen. Dit onderwerp behandelt het ondernemingsplan en de rechtsvorm eenmanszaak, de investeringsbegroting (wat heb ik nodig?) en de financieringsbegroting (hoe betaal ik dat?), de openingsbalans waarin activa gelijk zijn aan het totale vermogen, en de exploitatie- en liquiditeitsbegroting die de verwachte winst en de verwachte kasstroom vooruit berekenen. De rode draad is dat debet altijd gelijk is aan credit en dat winst iets anders is dan geld op de bank.

4 Onderdelen·~14 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0333 / 16
Examenprofiel
Het ondernemingsplan en de keuze voor de rechtsvorm eenmanszaak verklaren (domein B2).Een investeringsbegroting en een financieringsbegroting opstellen.Een sluitende openingsbalans opstellen (activa = eigen vermogen + vreemd vermogen).Een exploitatiebegroting en een liquiditeitsbegroting opstellen en het verschil tussen winst en kasstroom uitleggen.
Operatoren:stel opberekenbepaalleg uitverklaarbeoordeel

basisniveau

Voor iedereen: de investerings- en financieringsbegroting, de openingsbalans en de exploitatiebegroting vormen de kern van het opzetten van een eenmanszaak.

verhoogd niveau

Verdieping: het onderscheid tussen winst (exploitatie) en liquiditeit (kasstroom) scherp maken, en zien hoe afschrijving en aflossing daarin verschillend meetellen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. De oprichting van een eenmanszaak
    • 01Ondernemingsplan en de rechtsvorm eenmanszaak○
    • 02Investerings- en financieringsbegroting◐
    • 03De openingsbalans◐
    • 04Exploitatie- en liquiditeitsbegroting◐
§ 01

Ondernemingsplan en de rechtsvorm eenmanszaak#

●○○BasisLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-B2

Kernpunten

Een onderneming begint met een ondernemingsplan: een document waarin de starter zijn idee, zijn markt en zijn financiën uitwerkt, zowel om zichzelf te dwingen alles te doordenken als om een bank of investeerder te overtuigen. Het plan bevat een beschrijving van de ondernemer en het product, een marktplan (afnemers, concurrenten, marketing) en — het bedrijfseconomische hart — een financieel plan met de begrotingen. Afb. 1 laat zien hoe dat financiële plan is opgebouwd: van de investeringsbegroting en de financieringsbegroting, via de openingsbalans, naar de exploitatie- en liquiditeitsbegroting.

Het financiële plan van een startende onderneming

Opbouw van het financiële planGraaf, ondernemingsplan → investeringsbegroting, ondernemingsplan → financieringsbegroting, investeringsbegroting → openingsbalans, financieringsbegroting → openingsbalans, openingsbalans → exploitatiebegroting, openingsbalans → liquiditeitsbegrotingondernemingsplaninvesteringsbegrotingfinancieringsbegrotingopeningsbalansexploitatiebegrotingliquiditeitsbegrotingwat nodig?hoe betalen?activapassivaverwachtewinstverwachtekasstroom
Afb. 1Afb. 1 — De opbouw van het financiële plan: de investerings- en financieringsbegroting leiden tot de openingsbalans; de exploitatie- en liquiditeitsbegroting voorspellen de winst en de kasstroom.
De rechtsvorm bepaalt de juridische ‘jas’ van de onderneming. De eenvoudigste en meest gekozen vorm voor een starter is de eenmanszaak: één eigenaar die de onderneming leidt en de winst geniet. De eenmanszaak is snel en goedkoop op te richten (geen notaris nodig, alleen inschrijving bij de Kamer van Koophandel) en kent weinig administratieve verplichtingen. De ondernemer betaalt over de winst inkomstenbelasting en kan gebruikmaken van fiscale voordelen voor ondernemers, zoals de zelfstandigenaftrek.
Het grote kenmerk — en het grote risico — van de eenmanszaak is dat er geen juridische scheiding is tussen de onderneming en de eigenaar. De eenmanszaak is géén rechtspersoon: het privévermogen en het ondernemingsvermogen zijn juridisch één geheel. Daardoor is de ondernemer met zijn hele privévermogen aansprakelijk voor de schulden van de zaak: gaat de onderneming failliet, dan kunnen schuldeisers zich ook op zijn privébezit (huis, spaargeld) verhalen. Dit is de reden dat ondernemers bij groei en groter risico vaak overstappen op een bv (het onderwerp ‘van eenmanszaak naar rechtspersoon’).
‘Eenmanszaak’ betekent niet dat er maar één persoon werkt: de eigenaar mag personeel in dienst nemen. Het slaat op het aantal eigenaren: er is één ondernemer die de leiding heeft en het volledige eigen vermogen inbrengt en de volledige winst ontvangt (maar ook het volledige verlies draagt). Voor een starter met een overzichtelijk risico is de eenmanszaak vaak de logische keuze; de begrotingen die we hierna opstellen, gelden echter voor elke rechtsvorm. Ze beantwoorden telkens dezelfde vragen: wat heb ik nodig, hoe betaal ik dat, en levert het genoeg winst en genoeg geld op?
Uitgewerkt voorbeeld

Aansprakelijkheid bij een eenmanszaak

De eenmanszaak van een ondernemer gaat failliet met €30.000 schulden. Het ondernemingsvermogen dat de schuldeisers kunnen uitwinnen is €18.000. De ondernemer heeft daarnaast €25.000 privé spaargeld. Leg uit tot welk bedrag de schuldeisers zich kunnen verhalen en waarom.

  1. 01Rechtsvorm

    Een eenmanszaak is geen rechtspersoon; het onderneming- en privévermogen zijn juridisch één geheel.

  2. 02Ondernemingsvermogen

    Uit de zaak is €18.000 beschikbaar voor de schuldeisers.

  3. 03Resterende schuld

    Er blijft 30.000−18.000= EUR12.00030.000-18.000=\,\text{EUR}12.00030.000−18.000=EUR12.000 schuld over.

  4. 04Privéaansprakelijkheid

    Voor die €12.000 is de ondernemer met zijn privévermogen aansprakelijk; de schuldeisers kunnen zich op het spaargeld verhalen tot de schuld is voldaan.

Resultaat: De schuldeisers krijgen €18.000 uit de zaak en mogen de resterende €12.000 verhalen op het privévermogen; de ondernemer is volledig aansprakelijk.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: de onderdelen van een ondernemingsplan en de opbouw van het financiële plan benoemen.
  • Examendoel: de kenmerken van de eenmanszaak (één eigenaar, geen rechtspersoon, volledige privéaansprakelijkheid, inkomstenbelasting) uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat ‘eenmanszaak’ betekent dat er maar één persoon werkt; het gaat om één eigenaar, die wel personeel mag hebben.
  • De eenmanszaak als rechtspersoon zien; er is juist géén scheiding tussen privé- en ondernemingsvermogen, dus volledige aansprakelijkheid.

Actieve herhaling

Leg uit waarom een startende ondernemer met een laag risico vaak voor een eenmanszaak kiest, en welke twee nadelen hem later kunnen doen overstappen naar een bv.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein B2 (oprichting eenmanszaak) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Investerings- en financieringsbegroting#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-B2

Kernpunten

De investeringsbegroting beantwoordt de vraag: welke bezittingen heb ik nodig om te kunnen starten, en wat kosten die? Ze somt alle benodigde activa op: vaste activa (bezittingen voor langere tijd, zoals een gebouw, machines en inventaris), vlottende activa (zoals de beginvoorraad) en de liquide middelen (een buffer op de bank om de eerste tijd te overbruggen). Het totaal is het totale investeringsbedrag: de som die de onderneming nodig heeft om te kunnen beginnen. In Afb. 2 telt de investeringsbegroting op tot €100.000.

Investeringsbegroting

InvesteringsbegrotingTabel met 2 kolommen en 5 rijen, Gegevens: benodigde bezitting · bedrag (€); gebouw · 40000; inventaris · 25000; beginvoorraad · 20000; liquide middelen (bank) · 15000; totale investering · 100000, gemarkeerde cel: 100000BENODIGDE BEZITTINGBEDRAG (€)gebouw40000inventaris25000beginvoorraad20000liquide middelen (bank)15000totale investering100000
Afb. 2Afb. 2 — De investeringsbegroting: alle benodigde bezittingen, samen €100.000. Vaste activa (gebouw, inventaris), vlottende activa (voorraad) en een buffer aan liquide middelen.
De financieringsbegroting beantwoordt de spiegelvraag: waar haal ik het geld vandaan om die investering te betalen? Ze verdeelt het benodigde bedrag over de financieringsbronnen: eigen vermogen (het geld dat de ondernemer zelf inbrengt) en vreemd vermogen (geleend geld). Het vreemd vermogen splitst zich in lang vreemd vermogen (leningen met een looptijd langer dan een jaar, zoals een hypothecaire lening) en kort vreemd vermogen (schulden korter dan een jaar, zoals leverancierskrediet). In Afb. 3 dekt de financieringsbegroting exact dezelfde €100.000.

Financieringsbegroting

FinancieringsbegrotingTabel met 2 kolommen en 5 rijen, Gegevens: financieringsbron · bedrag (€); eigen vermogen · 40000; hypothecaire lening (lang VV) · 40000; banklening (lang VV) · 15000; leverancierskrediet (kort VV) · 5000; totale financiering · 100000, gemarkeerde cel: 100000FINANCIERINGSBRONBEDRAG (€)eigen vermogen40000hypothecaire lening (langVV)40000banklening (lang VV)15000leverancierskrediet (kortVV)5000totale financiering100000
Afb. 3Afb. 3 — De financieringsbegroting dekt dezelfde €100.000: eigen vermogen plus lang en kort vreemd vermogen.
De twee begrotingen zijn onlosmakelijk verbonden: het totaal van de investeringsbegroting moet gelijk zijn aan het totaal van de financieringsbegroting. Je kunt immers geen euro uitgeven die je niet ergens vandaan haalt. Deze gelijkheid — bezittingen even groot als de bronnen waarmee ze betaald zijn — is precies wat de openingsbalans straks vastlegt. Bij het opstellen zoek je vaak naar één ontbrekend bedrag: als je de investering en het meeste van de financiering kent, is het benodigde eigen vermogen (of de benodigde lening) het sluitstuk.
Bij de verdeling over eigen en vreemd vermogen spelen twee overwegingen. Kredietverstrekkers eisen meestal dat de ondernemer zelf een flink deel inbrengt (eigen vermogen), omdat dat vertrouwen geeft en als buffer dient bij tegenvallers. Tegelijk mag het vreemd vermogen niet te hoog zijn: elke lening kost rente, en die rente moet uit de winst worden betaald. Een gezonde startverhouding zorgt dat de onderneming zowel voldoende buffer heeft (solvabiliteit) als een betaalbare rentelast. Deze afweging tussen eigen en vreemd vermogen werken we verder uit bij het onderwerp financieren.
totale investering=totale financiering\text{totale investering}=\text{totale financiering}totale investering=totale financiering

Sluitstuk van de begrotingen

Bezittingen zijn even groot als de bronnen (eigen + vreemd vermogen) waarmee ze betaald zijn.

Uitgewerkt voorbeeld

Het benodigde eigen vermogen als sluitstuk

Een starter heeft nodig: gebouw €40.000, inventaris €25.000, voorraad €20.000 en €15.000 liquide middelen. Hij kan een hypothecaire lening van €40.000, een banklening van €15.000 en €5.000 leverancierskrediet krijgen. Bereken hoeveel eigen vermogen hij zelf moet inbrengen.

  1. 01Totale investering

    40.000+25.000+20.000+15.000= EUR100.00040.000+25.000+20.000+15.000=\,\text{EUR}100.00040.000+25.000+20.000+15.000=EUR100.000.

  2. 02Beschikbaar vreemd vermogen

    40.000+15.000+5.000= EUR60.00040.000+15.000+5.000=\,\text{EUR}60.00040.000+15.000+5.000=EUR60.000.

  3. 03Eigen vermogen als sluitstuk

    100.000−60.000= EUR40.000100.000-60.000=\,\text{EUR}40.000100.000−60.000=EUR40.000 moet de ondernemer zelf inbrengen.

    100.000−60.000=40.000100.000-60.000=40.000100.000−60.000=40.000

Resultaat: De ondernemer moet €40.000 eigen vermogen inbrengen; dat is het sluitstuk dat de investering (€100.000) en het vreemd vermogen (€60.000) met elkaar verbindt.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een investeringsbegroting en een financieringsbegroting opstellen en op elkaar laten aansluiten.
  • Examendoel: een ontbrekend bedrag (meestal het eigen vermogen of een lening) berekenen als sluitstuk.

Veelgemaakte fouten

  • Liquide middelen als buffer vergeten in de investeringsbegroting, waardoor de onderneming meteen zonder werkkapitaal start.
  • De investerings- en financieringsbegroting niet op elkaar laten aansluiten; het totaal moet aan beide kanten gelijk zijn.

Actieve herhaling

Een onderneming investeert in machines €60.000, voorraad €25.000 en €10.000 liquide middelen. De ondernemer brengt €35.000 eigen vermogen in en krijgt €50.000 hypothecaire lening. Bereken hoeveel kort vreemd vermogen (leverancierskrediet) nog nodig is om de begroting sluitend te maken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein B2 (oprichting eenmanszaak) (CvTE / Examenblad)

§ 03

De openingsbalans#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-B2

Kernpunten

De balans is een momentopname van het vermogen van de onderneming: links (de debetzijde) de bezittingen (activa), rechts (de creditzijde) de manier waarop die bezittingen gefinancierd zijn (het eigen vermogen en het vreemd vermogen, samen de passiva). De openingsbalans is de balans op het moment van oprichting; ze is niets anders dan de investeringsbegroting (links) en de financieringsbegroting (rechts) naast elkaar. In Afb. 4 zie je de openingsbalans van onze starter, met aan beide zijden €100.000.

Openingsbalans (debet = credit)

OpeningsbalansTabel met 4 kolommen en 5 rijen, Gegevens: activa (debet) · € · passiva (credit) · €; gebouw · 40000 · eigen vermogen · 40000; inventaris · 25000 · hypothecaire lening · 40000; voorraad · 20000 · banklening · 15000; bank · 15000 · crediteuren · 5000; totaal · 100000 · totaal · 100000, gemarkeerde cel: 100000ACTIVA (DEBET)€PASSIVA (CREDIT)€gebouw40000eigen vermogen40000inventaris25000hypothecaire lening40000voorraad20000banklening15000bank15000crediteuren5000totaal100000totaal100000
Afb. 4Afb. 4 — De openingsbalans. Activa (links, €100.000) = eigen vermogen + vreemd vermogen (rechts, €100.000). De volgorde loopt van vast naar vlot (links) en van permanent naar kort (rechts).
De gouden regel is dat de balans altijd in evenwicht is: de totale activa zijn precies gelijk aan het totale vermogen (eigen plus vreemd), oftewel debet = credit. Dat is geen toeval maar een boekhoudkundige noodzaak: elke bezitting is ergens mee betaald, dus tegenover elke euro aan de activazijde staat een euro aan financiering. Het eigen vermogen is daarbij het sluitstuk: eigen vermogen === totale activa −-− vreemd vermogen. Klopt de balans niet, dan is er een fout gemaakt.
De activazijde wordt geordend naar de mate waarin bezittingen ‘vast’ of ‘vlot’ zijn. Bovenaan staan de vaste activa (gebouw, inventaris): bezittingen die meerdere jaren meegaan en waarop wordt afgeschreven. Daaronder de vlottende activa (voorraad, debiteuren): bezittingen die binnen een jaar in geld worden omgezet. Onderaan de liquide middelen (kas, bank): het geld zelf. Deze volgorde — van moeilijk naar makkelijk in geld om te zetten — is belangrijk voor het beoordelen van de liquiditeit, wat we bij de verslaggeving uitwerken.
De passivazijde is geordend naar de tijd dat het vermogen ter beschikking staat. Bovenaan het eigen vermogen (permanent, van de eigenaar). Daaronder het lang vreemd vermogen (leningen langer dan een jaar: hypotheek, langlopende banklening). Onderaan het kort vreemd vermogen (schulden korter dan een jaar: crediteuren/leverancierskrediet, rekening-courantkrediet). Zo lees je van de passivazijde direct af hoeveel van het vermogen risicodragend en langdurig beschikbaar is (eigen en lang vreemd) en hoeveel op korte termijn moet worden terugbetaald.
totale activa=eigen vermogen+vreemd vermogen\text{totale activa}=\text{eigen vermogen}+\text{vreemd vermogen}totale activa=eigen vermogen+vreemd vermogen

Balansvergelijking

Debet = credit; de balans is altijd in evenwicht.

eigen vermogen=totale activa−vreemd vermogen\text{eigen vermogen}=\text{totale activa}-\text{vreemd vermogen}eigen vermogen=totale activa−vreemd vermogen

Eigen vermogen als sluitstuk

Het eigen vermogen is wat er van de bezittingen overblijft na aftrek van alle schulden.

Uitgewerkt voorbeeld

Een openingsbalans sluitend maken

Een onderneming heeft bij de start: gebouw €40.000, inventaris €25.000, voorraad €20.000 en €15.000 op de bank. De schulden zijn een hypothecaire lening €40.000, een banklening €15.000 en crediteuren €5.000. Bereken het eigen vermogen en toon aan dat de balans in evenwicht is.

  1. 01Totale activa

    40.000+25.000+20.000+15.000= EUR100.00040.000+25.000+20.000+15.000=\,\text{EUR}100.00040.000+25.000+20.000+15.000=EUR100.000.

  2. 02Totaal vreemd vermogen

    40.000+15.000+5.000= EUR60.00040.000+15.000+5.000=\,\text{EUR}60.00040.000+15.000+5.000=EUR60.000.

  3. 03Eigen vermogen

    100.000−60.000= EUR40.000100.000-60.000=\,\text{EUR}40.000100.000−60.000=EUR40.000.

    100.000−60.000=40.000100.000-60.000=40.000100.000−60.000=40.000
  4. 04Controle

    Credit = 40.000+60.000= EUR100.00040.000+60.000=\,\text{EUR}100.00040.000+60.000=EUR100.000 = totale activa. De balans klopt (debet = credit).

Resultaat: Het eigen vermogen is €40.000; de balans is in evenwicht met €100.000 aan beide zijden.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een openingsbalans opstellen met de activa links en het eigen en vreemd vermogen rechts, in de juiste volgorde.
  • Examendoel: het eigen vermogen berekenen als sluitstuk en aantonen dat debet = credit.

Veelgemaakte fouten

  • Activa en passiva verwisselen, of het eigen vermogen aan de activazijde plaatsen (het hoort rechts, als bron van vermogen).
  • Het eigen vermogen los berekenen zonder te controleren dat debet en credit gelijk zijn; een niet-sluitende balans bevat een fout.

Actieve herhaling

Stel de openingsbalans op van een onderneming met: machines €55.000, voorraad €18.000, debiteuren €7.000 en bank €10.000. De onderneming heeft een lening van €50.000 en crediteuren van €12.000. Bereken het eigen vermogen en controleer het evenwicht.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein B2 (oprichting eenmanszaak) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Exploitatie- en liquiditeitsbegroting#

●●○StandaardLPexamenblad-bedrijfseconomie-domein-B2

Kernpunten

De exploitatiebegroting is de winstverwachting: ze zet de verwachte opbrengsten tegenover de verwachte kosten van een periode (meestal een jaar) en komt uit op de begrote winst. Ze begint bij de omzet, trekt daar de inkoopwaarde van de omzet van af om de brutowinst te vinden, en trekt vervolgens alle overige bedrijfskosten af (personeel, afschrijving, huur en energie, en interest) om de nettowinst te bepalen. In Afb. 5 leidt een omzet van €200.000 via een brutowinst van €80.000 tot een begrote nettowinst van €27.500.

Exploitatiebegroting

ExploitatiebegrotingTabel met 2 kolommen en 8 rijen, Gegevens: post · bedrag (€); omzet · 200000; af: inkoopwaarde van de omzet · -120000; brutowinst · 80000; af: personeelskosten · -32000; af: afschrijving · -6000; af: huur en energie · -12000; af: interest · -2500; begrote nettowinst · 27500, gemarkeerde cel: 27500POSTBEDRAG (€)omzet200000af: inkoopwaarde van deomzet-120000brutowinst80000af: personeelskosten-32000af: afschrijving-6000af: huur en energie-12000af: interest-2500begrote nettowinst27500
Afb. 5Afb. 5 — De exploitatiebegroting: omzet €200.000 − inkoopwaarde €120.000 = brutowinst €80.000; na aftrek van de bedrijfskosten (€52.500) resteert €27.500 nettowinst.
De liquiditeitsbegroting is iets heel anders: die kijkt niet naar winst maar naar geld op de rekening. Ze zet per periode de verwachte ontvangsten tegenover de verwachte uitgaven en berekent het banksaldo. Het cruciale inzicht is dat winst en kasstroom niet hetzelfde zijn. Sommige kosten zijn geen uitgave (de afschrijving is een kostenpost maar er gaat op dat moment geen geld uit), en sommige uitgaven zijn geen kosten (de aflossing van een lening is een uitgave maar geen kostenpost, en een privé-opname evenmin). Daardoor kan een winstgevende onderneming toch krap bij kas zitten.
Het verschil tussen winst en kas is een van de belangrijkste ideeën van het vak. Afschrijving verlaagt de winst maar niet de kas; aflossing verlaagt de kas maar niet de winst. Wie alleen naar de winst kijkt, ziet niet aankomen dat een grote aflossing of een fors oplopende voorraad de bankrekening leegtrekt. Daarom stelt een goede ondernemer beide begrotingen op: de exploitatiebegroting om te weten of de zaak rendabel is, en de liquiditeitsbegroting om te weten of hij elke maand zijn rekeningen kan betalen.
In de liquiditeitsbegroting speelt ook de timing van ontvangsten en uitgaven een grote rol. Verkoop je op rekening, dan komt het geld pas later binnen, terwijl je je leveranciers en personeel misschien al eerder moet betalen. Dat verschil in timing moet worden overbrugd met liquide middelen of kort krediet — precies waarvoor de buffer aan liquide middelen in de investeringsbegroting dient. Een starter die snel groeit, heeft juist méér geld nodig (voor voorraad en debiteuren), niet minder; groei kost liquiditeit. Zo grijpen de begrotingen, de balans en de waardekringloop uit het vaardighedenhoofdstuk in elkaar.
brutowinst=omzet−inkoopwaarde van de omzet\text{brutowinst}=\text{omzet}-\text{inkoopwaarde van de omzet}brutowinst=omzet−inkoopwaarde van de omzet

Brutowinst

De marge op de verkochte goederen, vóór de overige kosten.

nettowinst=brutowinst−overige bedrijfskosten\text{nettowinst}=\text{brutowinst}-\text{overige bedrijfskosten}nettowinst=brutowinst−overige bedrijfskosten

Nettowinst (exploitatie)

Overige kosten: personeel, afschrijving, huur/energie, interest.

Uitgewerkt voorbeeld

Winst versus kasstroom

Een onderneming heeft een begrote nettowinst van €27.500. In dat bedrag zit €6.000 afschrijving verwerkt. De onderneming moet dit jaar €10.000 aflossen op een lening en de ondernemer neemt €20.000 privé op. Bereken hoeveel de liquide middelen (bij verder gelijke ontvangsten en uitgaven) toe- of afnemen.

  1. 01Van winst naar kasstroom uit exploitatie

    Afschrijving is een kost zonder uitgave, dus tel die weer op: 27.500+6.000= EUR33.50027.500+6.000=\,\text{EUR}33.50027.500+6.000=EUR33.500 kasstroom uit de bedrijfsvoering.

  2. 02Aflossing (uitgave, geen kost)

    De aflossing verlaagt de kas: 33.500−10.000= EUR23.50033.500-10.000=\,\text{EUR}23.50033.500−10.000=EUR23.500.

  3. 03Privé-opname (uitgave, geen kost)

    Ook de privé-opname verlaagt de kas: 23.500−20.000= EUR3.50023.500-20.000=\,\text{EUR}3.50023.500−20.000=EUR3.500.

  4. 04Conclusie

    De liquide middelen nemen met €3.500 toe, veel minder dan de winst van €27.500 doet vermoeden.

Resultaat: Ondanks €27.500 winst nemen de liquide middelen maar met €3.500 toe: afschrijving verhoogt de kas niet, terwijl aflossing en privé-opname de kas verlagen zonder kostenpost te zijn.

Eindexamen-focus

  • Examendoel: een exploitatiebegroting opstellen en de brutowinst en nettowinst berekenen.
  • Examendoel: het verschil tussen winst en liquiditeit verklaren en de kasstroom afleiden (afschrijving terugtellen, aflossing en privé-opnamen aftrekken).

Veelgemaakte fouten

  • Afschrijving als uitgave in de liquiditeitsbegroting opnemen; het is een kost zonder geldstroom.
  • De aflossing of de privé-opname als kostenpost in de exploitatiebegroting opnemen; die horen alleen in de liquiditeitsbegroting.

Actieve herhaling

Een onderneming begroot: omzet €300.000, inkoopwaarde €180.000, personeelskosten €50.000, afschrijving €12.000, overige kosten €18.000 en interest €4.000. Bereken de begrote nettowinst. Bereken daarna de kasstroom als er €15.000 wordt afgelost en €25.000 privé wordt opgenomen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein B2 (oprichting eenmanszaak) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Ondernemingsplan en de rechtsvorm eenmanszaak○
    • 02Investerings- en financieringsbegroting◐
    • 03De openingsbalans◐
    • 04Exploitatie- en liquiditeitsbegroting◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

De oprichting van een eenmanszaak

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~14
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein B2 (oprichting eenmanszaak)

Vorig onderwerp

Persoonlijke financiële zelfredzaamheid

Volgend onderwerp

Van eenmanszaak naar rechtspersoon

EuraStudy·Samenvattingen T·03·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.