EuraStudy
Samenvattingen/Textiele vormgeving/Beeldaspecten: kleur, licht, ruimte en textuur
Samenvattingen · Textiele vormgevingNL · HAVO

Beeldaspecten: kleur, licht, ruimte en textuur

Dit onderwerp behandelt de tweede groep beeldaspecten voor textiel: kleur (de kleurencirkel, kleurtoon, verzadiging en waarde), de kleurcontrasten en de kleur- en verfleer, en het textielspecifieke hart: textuur en structuur. Je leert het verschil tussen de voelbare textuur en de opbouw (structuur, de binding) van een weefsel, en hoe glans, pool, transparantie en perspectief licht vangen en ruimte suggereren in een plat vlak. Zo verklaar je de sfeer, de materie en de diepte van een stof of wandtapijt.

4 Onderdelen·~21 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0444 / 13
Examenprofiel
De kleurleer toepassen: primaire, secundaire en tertiaire kleuren, de kleurencirkel, kleurtoon, verzadiging en waardeKleurcontrasten (warm/koud, complementair, licht-donker, kwaliteit) herkennen en hun werking in stof en garen verklarenTextuur (tactiel en visueel) en structuur (de binding en opbouw van het weefsel) onderscheiden en aan vezel en binding koppelenUitleggen hoe glans, pool, transparantie en perspectief licht vangen en ruimte suggereren in een plat textiel
Operatoren:beschrijfanalyseerbenoemleg uitverklaarvergelijk

basisniveau

Kleur, licht, ruimte en vooral textuur en structuur horen tot de beeldaspecten van het centraal examen; je moet ze in een textiel werk benoemen en hun effect op sfeer, materie en diepte verklaren.

verhoogd niveau

In je eigen textiele praktijk kies je bewust kleurcontrasten, bindingen en materialen om textuur, glans en ruimtewerking te maken.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Beeldaspecten: kleur, licht, ruimte en textuur
    • 01Kleur: de kleurencirkel, kleurtoon, verzadiging en waarde○
    • 02Kleurcontrasten en kleurwerking◐
    • 03Textuur en structuur: het oppervlak en de binding◐
    • 04Licht en ruimte in textiel●
§ 01

Kleur: de kleurencirkel, kleurtoon, verzadiging en waarde#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Kleur is een van de krachtigste beeldaspecten, en om het precies te bespreken heb je de kleurleer nodig. In de schilder- en ververwereld, waar je kleuren met verf of kleurstof mengt (subtractief mengen), zijn er drie primaire kleuren die je niet uit andere kunt maken: rood, geel en blauw. Deze drie zijn niet toevallig ook de kleuren van de klassieke natuurlijke verfstoffen waarmee eeuwenlang textiel is geverfd: meekrap gaf rood, wouw gaf geel en wede of indigo gaf blauw. Met alleen deze drie grondkleuren, en het oververven van de ene met de andere, kon de verver in principe een heel palet opbouwen. De primaire kleuren zijn dus zowel het theoretische vertrekpunt van de kleurleer als de praktische basis van het textielverven. Op het examen moet je de primaire kleuren kunnen benoemen en begrijpen waarom je ze niet kunt mengen.
Meng je twee primaire kleuren, dan ontstaat een secundaire kleur: rood en geel geven oranje, geel en blauw geven groen, en blauw en rood geven paars (violet). Meng je een primaire kleur met de secundaire ernaast, dan krijg je een tertiaire kleur, zoals geeloranje of blauwgroen. Rangschik je al deze kleuren in een ring, dan ontstaat de kleurencirkel (zie Afb. 1): een geordend overzicht waarin de drie primaire kleuren op gelijke afstand staan, met steeds een secundaire kleur ertussen die uit de twee buren is gemengd. De cirkel maakt in een oogopslag zichtbaar welke kleuren verwant zijn (naast elkaar) en welke elkaars uiterste zijn (tegenover elkaar). Voor een textielontwerper is die cirkel gereedschap: hij laat zien welke garens naast elkaar rustig samengaan en welke een fel contrast opleveren. Op het examen benoem je primaire, secundaire en tertiaire kleuren en hun plaats in de cirkel.

De kleurencirkel

Primair en secundairsegmentwiel, 6 segmenten, Gegevens: kleurencirkel, rood, oranje, geel, groen, blauw, paarsroodprimairoranjesecundairgeelprimairgroensecundairblauwprimairpaarssecundairkleurencirkel
Afb. 1Afb. 1 - De kleurencirkel: de drie primaire kleuren (rood, geel, blauw) met tussen elk tweetal de secundaire kleur die eruit is gemengd (oranje, groen, paars).
Om een kleur volledig te beschrijven gebruik je drie onafhankelijke eigenschappen, en de eerste is de kleurtoon (of tint). De kleurtoon is de kleur zelf - rood, blauw, geel, groen - dus welke plaats zij inneemt op de kleurencirkel. Twee stoffen kunnen dezelfde kleurtoon 'rood' hebben en toch heel verschillend ogen, doordat ze verschillen in de twee andere eigenschappen. De kleurtoon is wat je meestal als eerste noemt ('een blauwe stof'), maar hij vertelt nog niets over hoe fel of hoe licht die blauwe stof is. Juist omdat garens en verfbaden zelden een volkomen zuivere kleurtoon hebben, is het belangrijk de toon los te zien van de felheid en de lichtheid. Wie alleen de kleurtoon noemt, beschrijft een kleur nog maar half; de volgende twee eigenschappen maken de beschrijving pas nauwkeurig.
De tweede eigenschap is de verzadiging: de zuiverheid of felheid van een kleur. Een verzadigde kleur is puur en intens (fel rood), een onverzadigde kleur is grijzig, gebroken of verbleekt (steenrood, oudroze). Bij het verven verlaag je de verzadiging door de kleurstof te verdunnen of te breken met een beetje van de complementaire kleur. De derde eigenschap is de waarde (of helderheid): hoe licht of donker een kleur is, los van welke kleur het is. Licht en donker maak je door meer of minder kleurstof of door lichtere en donkerder garens. Deze drie eigenschappen zijn onafhankelijk: je kunt een rood hebben dat licht en onverzadigd is (roze) of donker en verzadigd (bordeaux). Het verwarren van verzadiging (fel of dof) met waarde (licht of donker) is een klassieke fout; wie ze scheidt, beschrijft de kleur van een stof veel preciezer. In het volgende onderdeel gebruik je deze begrippen om de kleurcontrasten te analyseren.
Uitgewerkt voorbeeld

Drie garens beschrijven met de kleurleer

Bepaal van een fel oranje, een gedempt steenrood en een licht oudroze garen de kleurtoon, de verzadiging en de waarde, en leg uit hoe oranje is gemengd.

  1. 01Bepaal de kleurtoon

    Het eerste garen heeft de kleurtoon oranje, het tweede en derde de kleurtoon rood; kleurtoon is de plaats op de cirkel, los van felheid of lichtheid.

  2. 02Bepaal de verzadiging

    Het oranje is verzadigd (fel en puur); het steenrood is onverzadigd (gebroken, grijzig); het oudroze is eveneens onverzadigd, maar lichter.

  3. 03Bepaal de waarde

    Het oranje en het steenrood zijn middendonker van waarde; het oudroze is licht (er zit veel wit-effect in).

  4. 04Verklaar de menging

    Oranje is een secundaire kleur, gemengd uit de primaire rood en geel, en staat in de cirkel tussen die twee in; rood is primair en kun je niet mengen.

Resultaat: Het felle oranje is een verzadigde, middendonkere secundaire kleur (rood plus geel), het steenrood een onverzadigd, middendonker rood en het oudroze een onverzadigd, licht rood. Door kleurtoon, verzadiging en waarde te scheiden beschrijf je elk garen nauwkeurig.

Eindexamen-focus

  • Primaire, secundaire en tertiaire kleuren benoemen en hun plaats en verwantschap in de kleurencirkel aanwijzen.
  • Kleurtoon, verzadiging en waarde onderscheiden en een kleur met deze drie eigenschappen nauwkeurig beschrijven.

Veelgemaakte fouten

  • Verzadiging (fel of dof) verwarren met waarde (licht of donker), waardoor de kleuromschrijving onnauwkeurig wordt.
  • De subtractieve primaire kleuren van verf (rood, geel, blauw) verwarren met de additieve grondkleuren van licht (rood, groen, blauw).
  • Tertiaire kleuren voor secundaire aanzien: een tertiaire kleur ontstaat uit een primaire en de aangrenzende secundaire.

Actieve herhaling

Je krijgt drie garens: fel oranje, gedempt steenrood en licht oudroze. Bepaal van elk de kleurtoon, de verzadiging en de waarde, en leg uit hoe oranje uit primaire kleuren is gemengd en waar het in de kleurencirkel staat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - kleur en de kleurencirkel (CvTE / Examenblad)

§ 02

Kleurcontrasten en kleurwerking#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Kleuren krijgen hun werking pas echt naast elkaar, en daarom staat de leer van de kleurcontrasten centraal. De Bauhaus-meester Johannes Itten (1888-1967) ordende die contrasten in zeven soorten; de belangrijkste voor de beeldanalyse komen hier aan bod. Het eenvoudigste is het kleur-om-zichzelf-contrast: het naast elkaar zetten van verschillende, zuivere kleurtonen, het sterkst bij de primaire rood, geel en blauw. Dit contrast oogt bont, krachtig en direct en is kenmerkend voor volkskunst, kinderspeelgoed en veel geweven en geborduurd textiel uit boerentradities. Voor de textielontwerper is dit het contrast van gekleurde garens die elk hun eigen, onvermengde kleur behouden. Op het examen herken je het aan het gebruik van meerdere, duidelijk verschillende, verzadigde kleuren zonder onderlinge menging.
Twee contrasten maken sfeer en diepte, en ze horen tot de meest bevraagde (zie Afb. 2). Het warm-koudcontrast zet warme kleuren (rood, oranje, geel) tegenover koude (blauw, groen, violet): warme kleuren ogen actief en nabij en lijken naar de kijker toe te komen, koude kleuren ogen rustig en afstandelijk en wijken terug. Daarmee maak je zowel stemming (een warm, geborgen interieurtextiel tegenover een koel, afstandelijk weefsel) als diepte. Het complementair contrast zet kleuren tegenover elkaar die in de cirkel recht tegenover elkaar liggen - rood en groen, geel en paars, blauw en oranje. Naast elkaar versterken complementaire kleuren elkaar tot ze bijna trillen (het simultaancontrast); gemengd of samen geweven doven ze elkaar juist tot grijs. In een weefsel of garenmenging levert een complementair paar de felste, meest spanningsvolle kleurwerking op.

Kleurcontrasten en hun werking

KleurcontrastenTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Contrast · Wat · Werking / effect; Kleur-om-zichzelf · Zuivere, verschillende kleurtonen naast elkaar · Bont, krachtig, direct; Warm-koud · Warme tegenover koude kleuren · Warm komt naar voren, koud wijkt terug; sfeer en diepte; Complementair · Kleuren recht tegenover elkaar in de cirkel · Maximale felheid; ze versterken elkaar (trilling); Licht-donker · Verschil in waarde (helderheid) · Nadruk, leesbaarheid, volume; Kwaliteitscontrast · Verzadigd tegenover onverzadigd · Het felle accent springt uit een dof vlak, gemarkeerde cel: Maximale felheid; ze versterken elkaar (trilling)CONTRASTWATWERKING / EFFECTKleur-om-zichzelfZuivere, verschillendekleurtonen naast elkaarBont, krachtig, directWarm-koudWarme tegenover koudekleurenWarm komt naar voren, koudwijkt terug; sfeer en diepteComplementairKleuren recht tegenoverelkaar in de cirkelMaximale felheid; zeversterken elkaar (trilling)Licht-donkerVerschil in waarde(helderheid)Nadruk, leesbaarheid, volumeKwaliteitscontrastVerzadigd tegenoveronverzadigdHet felle accent springt uiteen dof vlak
Afb. 2Afb. 2 - De belangrijkste kleurcontrasten met hun werking; naast elkaar geplaatste kleuren maken nadruk, sfeer, diepte of trilling.
Twee andere contrasten verfijnen de analyse. Het licht-donkercontrast berust op het verschil in waarde: een lichte kleur naast een donkere geeft nadruk, leesbaarheid en volume, en het maakt een motief ook op afstand herkenbaar - belangrijk voor een dessin dat van veraf moet 'lezen'. Het kwaliteitscontrast (of verzadigingscontrast) zet een verzadigde, felle kleur tegenover een onverzadigde, doffe: het felle accent springt dan uit een gedempt, grijzig vlak, een subtiele manier om de aandacht te sturen zonder bont te worden. Bij dit alles speelt het simultaancontrast mee: het verschijnsel dat een kleur zijn buurkleur beinvloedt, zodat hetzelfde grijs kouder oogt op een warme grond en warmer op een koude. Textielontwerpers houden hier rekening mee, want een garen krijgt in een weefsel een andere ogende kleur dan op de klos, doordat de omringende draden erop inwerken.
In de textiele praktijk werken deze contrasten net iets anders dan op een geschilderd vlak, omdat kleuren daar uit losse draden of vlakken zijn opgebouwd. Wie fijne draden van twee kleuren dicht naast elkaar weeft, laat het oog ze op afstand optisch mengen tot een derde kleur - hetzelfde principe als bij de puntjes van het pointillisme. Zo kan een geweven grijs in werkelijkheid uit rode en groene draden bestaan. De kunstenaar Sonia Delaunay (1885-1979) bouwde hierop haar 'simultane' stoffen en mode: felle, contrasterende kleurvlakken die elkaar volgens het simultaancontrast versterken en zo ritme en beweging in de stof brengen. Op het examen benoem je dus niet alleen welk contrast je ziet, maar ook hoe het in draad en weefsel is opgebouwd en welk effect - nadruk, sfeer, diepte of trilling - het geeft. In het volgende onderdeel verschuift de aandacht van de kleur naar de textuur en de structuur, het echte hart van het textiele werk.
Uitgewerkt voorbeeld

Kleurcontrasten in een weefsel analyseren

Analyseer een stof waarin fel rode en groene draden dooreen zijn geweven, met een warme voorgrond en een koele rand: benoem de contrasten en hun werking.

  1. 01Herken het complementair contrast

    Rood en groen liggen recht tegenover elkaar in de kleurencirkel; naast elkaar geweven versterken ze elkaar en ogen ze feller (simultaancontrast).

  2. 02Herken het warm-koudcontrast

    De warme voorgrond komt naar voren, de koele rand wijkt terug; het contrast schept diepte en scheidt de vlakken.

  3. 03Betrek de optische menging

    Doordat de rode en groene draden fijn dooreen zijn geweven, mengt het oog ze op afstand deels tot een grijzige, trillende toon, terwijl ze van dichtbij fel en apart blijven.

  4. 04Koppel aan het effect

    Het complementair contrast legt nadruk en geeft trilling; het warm-koudcontrast geeft diepte; samen maken ze de stof levendig en ruimtelijk.

Resultaat: Het rood-groene complementair contrast maakt de stof fel en doet haar trillen, versterkt door de optische menging van de dooreen geweven draden; het warm-koudcontrast tussen voorgrond en rand geeft diepte. Zo dragen de contrasten samen nadruk, trilling en ruimte.

Eindexamen-focus

  • De kleurcontrasten (kleur-om-zichzelf, warm-koud, complementair, licht-donker, kwaliteit) herkennen en hun effect verklaren.
  • Uitleggen hoe kleuren elkaar beinvloeden (simultaancontrast) en optisch mengen in draad en weefsel.

Veelgemaakte fouten

  • Complementaire kleuren verwarren met verwante (aangrenzende) kleuren, waardoor het contrast verkeerd wordt benoemd.
  • Alleen de kleuren opsommen zonder het contrast en zijn werking (nadruk, sfeer, diepte) te verklaren.
  • Vergeten dat een garen in een weefsel een andere ogende kleur krijgt dan los, door het simultaancontrast van de buurdraden.

Actieve herhaling

Je krijgt een geweven stof waarin fel rode en groene draden dicht dooreen zijn geweven, met een warme voorgrond en een koele rand. Benoem het complementaire contrast en het warm-koudcontrast en leg uit hoe de kleuren elkaar in het weefsel beinvloeden.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - kleurcontrasten en kleurwerking (CvTE / Examenblad)

§ 03

Textuur en structuur: het oppervlak en de binding#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Textuur is bij uitstek het beeldaspect van het textiele werk, want stof is er om aangeraakt en gezien te worden. Textuur gaat over het oppervlak: hoe iets voelt en hoe het eruitziet. Je onderscheidt twee soorten die je scherp moet houden. De tactiele (voelbare of feitelijke) textuur is de echte, werkelijke structuur van het materiaal zelf: de ruwe, kriebelige wol, het gladde koele linnen, de zachte pool van fluweel. De visuele (geziene of gesuggereerde) textuur is de schijn van een oppervlak die met vlakke middelen wordt opgewekt: een gladde stof waarop een ruw stenen muurtje is gedrukt, of een geborduurd beeld dat de indruk van bont of veren wekt terwijl je vingers alleen het garen voelen. Bij textiel vallen die twee vaak niet samen: een glad geweven doek kan een ruwe wereld verbeelden. Op het examen benoem je welke textuur domineert en welk effect zij op de indruk van materie heeft.
Naast textuur staat een tweede, textieleigen begrip dat je er niet mee mag verwarren: de structuur (zie Afb. 3). Waar de textuur over het oppervlak gaat, gaat de structuur over de opbouw: hoe het weefsel is gemaakt, dus de binding waarmee de draden zijn samengevoegd. De structuur is technisch en constructief; je leidt haar af uit de manier waarop schering en inslag over en onder elkaar door gaan. Een platbinding (om en om) geeft een andere structuur dan een keperbinding (met diagonale ribbel) of een satijnbinding (met lange, zwevende draden). De structuur bepaalt vervolgens voor een groot deel de textuur die je voelt en ziet: dezelfde wol geeft in een losse structuur een zachte, luchtige stof en in een dichte structuur een stevige, gladde. Kort gezegd: de structuur is de oorzaak (de opbouw), de textuur het gevolg (het waarneembare oppervlak).

Textuur tegenover structuur

Textuur en structuurTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Aspect · Textuur · Structuur; Wat het is · Het oppervlak: hoe iets voelt en oogt · De opbouw: hoe het weefsel is gemaakt (de binding); Waarneming · Tactiel (voelen) en visueel (zien) · Constructief, technisch af te leiden; Bepaald door · Vezel, garen en nabewerking · De binding (kruising van schering en inslag); Voorbeeld · Glad en glanzend, of ruw en mat · Platbinding, keperbinding, satijnbinding; Effect · Sfeer, warmte, materiaalindruk · Glans, ribbel, stevigheid, gemarkeerde cel: De opbouw: hoe het weefsel is gemaakt (de binding)ASPECTTEXTUURSTRUCTUURWat het isHet oppervlak: hoe ietsvoelt en oogtDe opbouw: hoe het weefselis gemaakt (de binding)WaarnemingTactiel (voelen) en visueel(zien)Constructief, technisch afte leidenBepaald doorVezel, garen en nabewerkingDe binding (kruising vanschering en inslag)VoorbeeldGlad en glanzend, of ruw enmatPlatbinding, keperbinding,satijnbindingEffectSfeer, warmte,materiaalindrukGlans, ribbel, stevigheid
Afb. 3Afb. 3 - Textuur tegenover structuur: het waarneembare oppervlak tegenover de constructie (de binding) die het voortbrengt.
Twee dingen bepalen samen hoe een stof aanvoelt en het licht terugkaatst: de vezel en de binding. De vezel is het grondmateriaal: zijde is van nature glad en glanzend, wol is warm, veerkrachtig en mat, linnen is koel en stug, katoen is zacht en dof. De binding versterkt of dempt die eigenschappen. Een satijnbinding laat lange draden over het oppervlak zweven, zodat het licht in een brede, gladde baan wordt teruggekaatst - vandaar de glans van satijn en van veel zijden stoffen. Een platbinding onderbreekt het licht juist op elk kruispunt, wat een matter, egaler oppervlak geeft. Zo verklaart de combinatie van een glanzende vezel en een zwevende binding waarom zijdesatijn schittert, terwijl dezelfde zijde in een strakke platbinding veel matter oogt. Wie textuur analyseert, benoemt daarom niet alleen 'glad' of 'ruw', maar ook waardoor: door de vezel, de binding of de nabewerking.
Dat textuur en structuur geen bijzaak zijn maar de eigenlijke taal van het weven, liet Anni Albers (1899-1994) zien, de belangrijkste weefster van het Bauhaus-weefatelier. In haar wandkleden en in haar boek 'On Weaving' (1965) is niet een afgebeeld tafereel de inhoud, maar de opbouw zelf: het samenspel van garens, bindingen en materialen dat vlak, ritme en oppervlak voortbrengt. Zulk werk gaat 'over' zijn eigen structuur en textuur. In de tekenkunst wordt textuur meestal alleen gesuggereerd met arceringen, in de schilderkunst kan zij feitelijk of gesuggereerd zijn, maar in het textiele werk is de feitelijke, voelbare textuur bijna altijd aanwezig en draagt de structuur de betekenis mee. Op het examen kun je zo de textuur benoemen (tactiel of visueel), de structuur (de binding) herkennen en beide aan de vezel en het effect koppelen. In het laatste onderdeel zie je hoe die oppervlakken licht vangen en zelfs ruimte suggereren.
Uitgewerkt voorbeeld

Zijdesatijn en wol vergelijken

Vergelijk een glanzend stuk zijdesatijn met een mat, ruw wollen weefsel: benoem de textuur en de structuur en verklaar de glans.

  1. 01Benoem de textuur

    Het zijdesatijn heeft een gladde, koele, glanzende tactiele textuur; de wol heeft een ruwe, warme, matte tactiele textuur. Beide zijn feitelijk, niet gesuggereerd.

  2. 02Benoem de structuur

    Het satijn is in satijnbinding geweven (lange zwevende draden); de wol in een lossere plat- of keperbinding met veel meer kruispunten.

  3. 03Verklaar de glans

    De lange zwevende draden van de satijnbinding kaatsen het licht in een brede, gladde baan terug, wat glans geeft; de vele kruispunten van de wolbinding breken het licht, wat een mat oppervlak geeft.

  4. 04Koppel vezel en binding

    De gladde, glanzende zijdevezel en de zwevende binding versterken elkaar tot een schitterend oppervlak; de matte, veerkrachtige wolvezel en de dichte binding geven juist een warm, dof oppervlak.

Resultaat: Het zijdesatijn dankt zijn gladde, glanzende textuur aan de glanzende vezel en de zwevende satijnbinding; de wol dankt haar ruwe, matte textuur aan de matte vezel en de dichtere binding. Textuur (oppervlak) en structuur (binding) verklaren samen hoe elke stof het licht terugkaatst.

Eindexamen-focus

  • Tactiele (feitelijke) en visuele (gesuggereerde) textuur onderscheiden en benoemen welke domineert en welk effect zij heeft.
  • Structuur (de binding en opbouw van het weefsel) herkennen en aan de vezel en de textuur koppelen.

Veelgemaakte fouten

  • Textuur en structuur door elkaar halen: textuur is het waarneembare oppervlak, structuur de constructie (de binding) die eronder ligt.
  • Alleen 'glad' of 'ruw' noemen zonder de oorzaak (vezel, binding, nabewerking) te benoemen.
  • Aannemen dat glans alleen van de vezel komt, terwijl ook de binding (satijn tegenover plat) de glans bepaalt.

Actieve herhaling

Je krijgt een glanzend stuk zijdesatijn en een mat, ruw stuk wollen weefsel. Benoem in beide de textuur (tactiel of visueel) en de structuur (de binding), en leg uit hoe vezel en binding samen de glans en het oppervlak bepalen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - textuur en structuur (CvTE / Examenblad)

§ 04

Licht en ruimte in textiel#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

In dit laatste onderdeel gaat het om licht en ruimte, en juist een stof gaat op een eigen manier met licht om. Anders dan een vlakke verflaag heeft een weefsel een relief: de draden, de pool en de glans vangen en kaatsen het licht afhankelijk van de richting waarin je kijkt. Het duidelijkste voorbeeld is fluweel, dat een rechtopstaande pool (nap) heeft: strijk je de pool de ene kant op, dan oogt de stof licht en glanzend, de andere kant op donker en diep, terwijl de kleur dezelfde is. Ook satijn verandert van toon als je het kantelt, doordat de zwevende draden het licht als een spiegel richten. Deze lichtwerking is puur textiel: dezelfde kleur kan licht of donker ogen door niets anders dan de stand van de draad ten opzichte van de lichtbron. Op het examen benoem je hoe pool, weefsel en glans het licht vangen en welk effect dat op de stof heeft.
Naast het teruggekaatste licht speelt het doorgelaten licht een rol: de transparantie of doorschijnendheid van een stof (zie Afb. 4). Dichte, zwaar geweven stoffen houden het licht tegen en ogen massief; ijle, los geweven stoffen als organza, gaas en kant laten het licht er deels doorheen en ogen luchtig en zwevend. Een doorschijnende stof over een andere gelegd geeft bovendien een nieuwe, gemengde kleur en een gevoel van diepte, doordat je door de bovenste laag heen de onderste ziet. Ontwerpers gebruiken dit bewust: lagen tule of chiffon over elkaar maken zachte kleurovergangen en een wolkige, ruimtelijke indruk, en kant dankt zijn hele charme aan het spel van dichte draad en open gaten waar het licht doorheen valt. Transparantie is dus zowel een licht- als een ruimtemiddel: het maakt lagen en diepte zichtbaar in een verder plat vlak.

Ruimtemiddelen in textiel

Ruimte in textielTabel met 3 kolommen en 6 rijen, Gegevens: Ruimtemiddel · Hoe in textiel · Voorbeeld; Overlapping · Motieven of lagen bedekken elkaar deels · Applicatie en quilts (Faith Ringgold); Verkleining · Verre elementen kleiner weven of drukken · Landschap in een gobelin; Plaatsing in het vlak · Hoger in de baan oogt verder weg · Millefleurs-tapijt (bloemen hoger = achter); Kleurperspectief · Warme kleuren vooraan, koele in de verte · Geweven landschap met garenkleur; Luchtperspectief · Verte waziger, lichter en blauwiger · Achtergrond van een figuratief wandtapijt; Glans en pool · Pool en glans vangen en kaatsen het licht · Fluweel (nap), satijn, zijde, gemarkeerde cel: Pool en glans vangen en kaatsen het lichtRUIMTEMIDDELHOE IN TEXTIELVOORBEELDOverlappingMotieven of lagen bedekkenelkaar deelsApplicatie en quilts (FaithRinggold)VerkleiningVerre elementen kleinerweven of drukkenLandschap in een gobelinPlaatsing in het vlakHoger in de baan oogt verderwegMillefleurs-tapijt (bloemenhoger = achter)KleurperspectiefWarme kleuren vooraan, koelein de verteGeweven landschap metgarenkleurLuchtperspectiefVerte waziger, lichter enblauwigerAchtergrond van eenfiguratief wandtapijtGlans en poolPool en glans vangen enkaatsen het lichtFluweel (nap), satijn, zijde
Afb. 4Afb. 4 - Hoe een plat textiel ruimte en diepte suggereert, met per middel de werkwijze en een voorbeeld.
Een geweven of geborduurd beeld is plat, en toch kan het ruimte suggereren met dezelfde middelen als de schilderkunst. De eenvoudigste zijn overlapping (een motief dat een ander deels bedekt ligt ervoor), verkleining (verre dingen kleiner weergeven) en plaatsing in het vlak (hoger in de baan oogt verder weg). In het middeleeuwse millefleurs-tapijt La Dame a la licorne staan de hoger geplaatste bloemen voor 'verder weg', maar blijft de diepte ondiep en decoratief. Krachtiger wordt de ruimte met het kleurperspectief (warme kleuren op de voorgrond, koele in de verte) en het luchtperspectief (de verte waziger, lichter en blauwiger), die vooral in latere, schilderachtige wandtapijten en gobelins worden nageweven om een landschap diepte te geven. Zo bouwt de wever met kleur en plaatsing een ruimte die er in de draad zelf niet is.
Ten slotte kan een stof ook echte, tastbare diepte krijgen door lagen: bij applicatie (het opnaaien van stukken stof) en bij het quilten liggen de vormen fysiek voor en achter elkaar, zodat overlapping geen illusie maar werkelijkheid wordt. De Amerikaanse kunstenaar Faith Ringgold (1930-2024) bouwde haar 'story quilts' zo op uit opgenaaide, gelaagde stofdelen met tekst en beeld, waarin de gelaagdheid zowel ruimte als verhaal draagt. Bij het analyseren van licht en ruimte in textiel let je dus op twee dingen tegelijk: hoe het oppervlak (pool, glans, transparantie) het licht vangt, en hoe de voorstelling (overlapping, verkleining, kleur- en luchtperspectief, echte lagen) diepte suggereert of maakt. Daarmee is de tweede groep beeldaspecten - kleur, licht, ruimte en vooral textuur en structuur - compleet, en beheers je het gereedschap om elk textiel werk beeldanalytisch te beschouwen.
Uitgewerkt voorbeeld

Ruimte in een wandtapijt en een quilt vergelijken

Analyseer de ruimtesuggestie in een figuratief wandtapijt met landschap en in een gelaagde quilt met opgenaaide stukken stof.

  1. 01Analyseer het wandtapijt

    De voorgrondfiguren zijn groot en overlappen elkaar; de achtergrond is kleiner geweven, hoger in het vlak geplaatst en met koelere, lichtere kleuren - verkleining, plaatsing en kleur- of luchtperspectief samen.

  2. 02Benoem de illusie

    In het tapijt is de diepte een illusie: het weefsel blijft plat, maar overlapping, verkleining en perspectief wekken de indruk van ruimte.

  3. 03Analyseer de quilt

    In de quilt liggen de opgenaaide stukken stof fysiek voor en achter elkaar; de overlapping is hier echt, geen illusie, en werpt zelfs kleine schaduwen.

  4. 04Verklaar het verschil

    Het wandtapijt suggereert diepte met beeldmiddelen op een plat vlak; de quilt maakt diepte met echte lagen materiaal. Het ene bouwt ruimte in het beeld, het andere in de stof zelf.

Resultaat: Het wandtapijt suggereert diepte met overlapping, verkleining en kleur- of luchtperspectief op een plat vlak, terwijl de quilt met opgenaaide lagen een echte, tastbare diepte maakt. Zo kan textiel ruimte zowel verbeelden als werkelijk opbouwen.

Eindexamen-focus

  • Uitleggen hoe pool, weefsel, glans en transparantie het licht vangen en doorlaten en welk effect dat op een stof heeft.
  • De ruimtemiddelen (overlapping, verkleining, plaatsing, kleur- en luchtperspectief, echte lagen) in een textiel werk herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat een stof geen ruimte kan suggereren omdat zij plat is, terwijl overlapping, verkleining en perspectief dat wel degelijk doen.
  • Kleurperspectief (warm vooraan, koel achteraan) verwarren met luchtperspectief (de verte wordt waziger, lichter en blauwiger).
  • De lichtwerking van de pool of glans vergeten, waardoor je niet ziet dat dezelfde kleur licht of donker kan ogen door de stand van de draad.

Actieve herhaling

Je krijgt een figuratief wandtapijt met een landschap op de achtergrond en een gelaagde quilt met opgenaaide stukken stof. Analyseer in beide de ruimtesuggestie (overlapping, verkleining, perspectief of echte lagen) en leg uit hoe elk diepte maakt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - licht en ruimte in textiel (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Kleur: de kleurencirkel, kleurtoon, verzadiging en waarde○
    • 02Kleurcontrasten en kleurwerking◐
    • 03Textuur en structuur: het oppervlak en de binding◐
    • 04Licht en ruimte in textiel●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Beeldaspecten: kleur, licht, ruimte en textuur

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~21
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma beeldende vakken (textiele vormgeving) havo - kleur en de kleurencirkel

Vorig onderwerp

Beeldaspecten: vorm, compositie en ordening

Volgend onderwerp

Betekenis, functie en context van kunst en vormgeving

EuraStudy·Samenvattingen T·04·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.