EuraStudy
Samenvattingen/Nederlands/Spelling, interpunctie en formuleren
Samenvattingen · NederlandsNL · HAVO

Spelling, interpunctie en formuleren

Correcte spelling, interpunctie en formulering zijn de basis van verzorgd schrijven en tellen in elk examenonderdeel mee als taalverzorging. In dit onderwerp leer je de werkwoordspelling met 't kofschip, de belangrijkste spellingregels, het juiste gebruik van de leestekens en de klassieke formuleerfouten. Je oefent telkens met het stap voor stap verbeteren van foute vormen en zinnen, zodat je je eigen teksten foutloos en helder kunt maken.

4 Onderdelen·~24 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·141414 / 14
Examenprofiel
Werkwoorden correct spellen in de tegenwoordige tijd, de verleden tijd en het voltooid deelwoord met behulp van 't kofschip.De Nederlandse spellingregels en de leestekens juist toepassen in eigen teksten.Veelvoorkomende formuleerfouten herkennen en verbeteren tot heldere, correcte zinnen.
Operatoren:spelcorrigeerleg uitverbeterberedeneer

basisniveau

Gemeenschappelijk deel: beheers de werkwoordspelling, de belangrijkste spellingregels en de interpunctie, zodat je correct en verzorgd schrijft.

verhoogd niveau

Voor het SE: formuleer foutloos en helder in je eigen teksten — vermijd dt-fouten, spelfouten en de klassieke formuleerfouten en stuur de lezer met de juiste leestekens.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Spelling, interpunctie en formuleren
    • 01Werkwoordspelling: tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooid deelwoord○
    • 02Spellingregels: samenstellingen, tussenletters, hoofdletters en meer◐
    • 03Interpunctie: leestekens die de lezer sturen◐
    • 04Formuleren: veelvoorkomende fouten herkennen en verbeteren◐
§ 01

Werkwoordspelling: tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooid deelwoord#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Werkwoordspelling: tegenwoordige en verleden tijd

WerkwoordspellingTabel met 4 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Tegenw. tijd · Verleden tijd · Volt. deelwoord; werken ('t kofschip) · ik werk, hij werkt · werkte(n) · gewerkt; horen (wel stem) · ik hoor, hij hoort · hoorde(n) · gehoord; antwoorden · hij antwoordt · antwoordde(n) · geantwoordTEGENW. TIJDVERLEDEN TIJDVOLT. DEELWOORDWERKEN ('TKOFSCHIP)ik werk, hij werktwerkte(n)gewerktHOREN (WEL STEM)ik hoor, hij hoorthoorde(n)gehoordANTWOORDENhij antwoordtantwoordde(n)geantwoord
Afb. 1Met 't kofschip bepaal je -te/-de in de verleden tijd en -t/-d in het voltooid deelwoord.

Kernpunten

Werkwoordspelling is het onderdeel waarop in het Nederlands de meeste fouten worden gemaakt, en juist daarom loont het om de regels echt te begrijpen in plaats van ze te raden. Voor de regelmatige (zwakke) werkwoorden draait alles om drie vormen: de tegenwoordige tijd, de verleden tijd en het voltooid deelwoord. In de tabel hieronder zie je die drie vormen naast elkaar voor een werkwoord mét en zonder 't kofschip. De sleutel tot bijna alle keuzes is steeds dezelfde: bepaal de stam van het werkwoord en kijk naar de laatste klank daarvan. Wie de stam goed kan vinden en 't kofschip kent, lost de meeste twijfelgevallen — van „word” tot „gebeurd” — met dezelfde redenering op.
Je vindt de stam door van het hele werkwoord -en af te halen: werken wordt werk, horen wordt hoor en worden wordt word. In de tegenwoordige tijd is de ik-vorm gelijk aan die kale stam — ik werk, ik hoor, ik word — terwijl je bij hij, zij, het, jij en u een -t achter de stam plakt: hij werkt, zij hoort, het wordt. Een berucht struikelblok is het werkwoord worden, want de stam eindigt al op een d: ik word (alleen de stam), maar hij wordt (stam + t, dus word + t). Eén uitzondering moet je onthouden: als jij ná de persoonsvorm staat, in een vraag of na inversie, vervalt de -t weer — vergelijk „jij wordt” met „word jij?” en „jij werkt” met „werk jij?”. De stam + t geldt dus alleen zolang het onderwerp vóór de persoonsvorm staat.
Voor de verleden tijd van zwakke werkwoorden kies je tussen de uitgang -te(n) en -de(n), en daarvoor dient het ezelsbruggetje 't kofschip. De letters in 't kofschip — t, k, f, s, ch en p — zijn precies de stemloze medeklinkers: eindigt de stam op zo'n klank, dan krijg je -te(n), in alle andere gevallen -de(n). Zo wordt werken (stam werk, eindigt op k) in de verleden tijd werkte(n), terwijl horen (stam hoor, eindigt op de stemhebbende r) hoorde(n) wordt. Let goed op de klank en niet alleen op de letter: bij leven schrijf je de stam als leef, maar je hóórt een v, dus de uitgang is -de en de verleden tijd is leefde(n). Hetzelfde geldt voor verhuizen, waar je een z hoort achter de geschreven s: de verleden tijd is verhuisde(n).
Het voltooid deelwoord van zwakke werkwoorden bouw je met ge- + stam + -t of -d, en je kiest tussen -t en -d met exact dezelfde 't kofschip-regel als bij de verleden tijd. Eindigt de stam op een stemloze kofschip-klank, dan -t (gewerkt, gepraat, geblust); eindigt hij op een stemhebbende klank of een klinker, dan -d (gehoord, gespeeld, geleefd). Een belangrijke spellingafspraak daarbij is dat een Nederlands woord nooit op -dd of -tt eindigt: de stam antwoord wordt dus geantwoord (met één d) en de stam praat wordt gepraat (met één t). Verwar het voltooid deelwoord niet met de tegenwoordige tijd: „het is gebeurd” is voltooid (gebeuren, stam gebeur, stemhebbende r, dus -d), maar „het gebeurt nu” is tegenwoordige tijd (stam + t). Het verschil tussen die twee zinnen is precies het verschil tussen een afgeronde en een lopende handeling.
De gevreesde dt-fouten ontstaan bijna allemaal bij werkwoorden waarvan de stam op een d of een t eindigt, omdat je het verschil tussen stam, stam + t en voltooid deelwoord dan niet hóórt. Een betrouwbaar hulpmiddel is de vervangtruc: zet er in gedachten een werkwoord met een hoorbare stam voor in de plaats, zoals lopen. „Hij wordt” wordt dan „hij loopt”: je hoort een -t, dus „wordt” krijgt ook een -t; „ik word” wordt „ik loop”: geen -t, dus „word” zonder t. Voor het onderscheid tussen „gebeurd” en „gebeurt” vraag je je af of de handeling voltooid is (met een vorm van hebben of zijn: „het is gebeurd”, voltooid deelwoord met -d) of nú plaatsvindt („het gebeurt”, tegenwoordige tijd met stam + t). Wie deze twee trucs consequent toepast, haalt de meeste werkwoordfouten uit zijn tekst nog voordat de corrector ze ziet.
Uitgewerkt voorbeeld

Een zin met dt-fouten corrigeren

Verbeter de werkwoordsvormen in deze zin: „Wat gebeurd er als hij te laat antwoord en zijn moeder boos word?”

  1. 01Stap 1 — „gebeurd” beoordelen

    Hier gaat het om een handeling die plaatsvindt, niet om een voltooide handeling: „Wat gebeurt er …”. Het is dus tegenwoordige tijd, stam gebeur + t. De vervangtruc bevestigt het: „Wat loopt er …” — je hoort een -t. De correcte vorm is gebeurt, niet het voltooid deelwoord gebeurd.

  2. 02Stap 2 — „antwoord” beoordelen

    Het onderwerp is „hij” (derde persoon enkelvoud), dus de persoonsvorm is stam + t. De stam van antwoorden is antwoord; daar komt een -t bij: antwoordt. Het zelfstandig naamwoord „het antwoord” en de ik-vorm „ik antwoord” hebben geen extra t, maar bij „hij” hoort die wél.

  3. 03Stap 3 — „word” beoordelen

    Het onderwerp „zijn moeder” is eveneens derde persoon enkelvoud, dus opnieuw stam + t. De stam van worden is word, en word + t levert wordt op. Vervangtruc: „zijn moeder loopt” — je hoort een -t, dus „wordt”.

Resultaat: Correcte zin: „Wat gebeurt er als hij te laat antwoordt en zijn moeder boos wordt?” Drie keer gold dezelfde redenering: bepaal of het tegenwoordige tijd is, vind de stam en voeg bij hij, zij of het de -t toe.

Uitgewerkt voorbeeld

Verleden tijd en voltooid deelwoord bepalen met 't kofschip

Geef van werken, leven en antwoorden de verleden tijd (enkelvoud) en het voltooid deelwoord, en motiveer telkens je keuze voor -te/-de en -t/-d.

  1. 01Stap 1 — werken

    De stam is werk. De laatste klank is k, een stemloze medeklinker uit 't kofschip. De verleden tijd krijgt dus -te: werkte. Het voltooid deelwoord krijgt -t: gewerkt.

  2. 02Stap 2 — leven

    De stam schrijf je als leef, maar de klank is v (stemhebbend, niet in 't kofschip). Daarom -de: leefde. Het voltooid deelwoord krijgt -d: geleefd. Dit is de klassieke valkuil — kijk naar de klank, niet naar de geschreven f.

  3. 03Stap 3 — antwoorden

    De stam is antwoord en eindigt op de stemhebbende d. Dus -de, en omdat de stam al op een d eindigt, krijg je een dubbele d: antwoordde. Het voltooid deelwoord is geantwoord — met één d, want een woord eindigt nooit op -dd.

Resultaat: werken → werkte / gewerkt; leven → leefde / geleefd; antwoorden → antwoordde / geantwoord. De keuze tussen -te/-de en -t/-d volgt steeds uit 't kofschip, zolang je naar de klank van de stam luistert.

Eindexamen-focus

  • Taalverzorging wordt zowel op het CE (indirect, via tekstbegrip en correcte voorbeeldzinnen) als op het SE (direct, in je eigen geschreven tekst) meegewogen; werkwoordfouten en dt-fouten tellen als spelfouten en leiden tot puntenaftrek.
  • Bij de schrijfopdracht en de samenvatting let de corrector op correcte persoonsvormen en voltooide deelwoorden: een herhaalde dt-fout kan een aftrekpunt opleveren, dus een revisieronde die je speciaal op de werkwoorden richt, loont altijd.

Veelgemaakte fouten

  • „Hij word” schrijven (de stam + t vergeten bij hij, zij of het — het moet „hij wordt” zijn) of juist een -t toevoegen na inversie („wordt jij?” in plaats van „word jij?”).
  • „gebeurd” en „gebeurt” verwisselen: het voltooid deelwoord (-d) gebruiken waar de tegenwoordige tijd (stam + t) hoort, of andersom.
  • Bij werkwoorden als leven en verhuizen de geschreven f of s volgen en ten onrechte -te kiezen (leefte, verhuiste), terwijl de klank v en z om -de vraagt (leefde, verhuisde).

Actieve herhaling

Verbeter alle werkwoordfouten in deze zin en leg bij elke verbetering uit welke regel je gebruikt: „Als het te hard regend, word de wedstrijd afgelast.” Let op de tegenwoordige tijd en de stam + t, en controleer of er ook een correcte vorm tussen staat die je niet hoeft te veranderen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Spellingregels: samenstellingen, tussenletters, hoofdletters en meer#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Naast de werkwoorden kent het Nederlands een aantal vaste spellingregels die je in elke tekst nodig hebt. De belangrijkste gaan over samenstellingen (los of aaneen), de tussenletters -n en -s, het gebruik van hoofdletters, het trema en het koppelteken, de verkleinwoorden en de aanpassing van leenwoorden. De officiële norm hiervoor staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal, beter bekend als het Groene Boekje; bij twijfel is dat de plek om een woord op te zoeken. De regels lijken talrijk, maar de meeste berusten op een paar heldere principes die je hieronder leert. Wie ze beheerst, schrijft niet alleen correcter, maar ook zelfverzekerder.
Een samenstelling is een woord dat uit twee of meer zelfstandige woorden bestaat, en in het Nederlands schrijf je zo'n samenstelling in principe aan elkaar: pindakaas, boekenkast, voetbalwedstrijd. Dit is een belangrijk verschil met het Engels, waar samenstellingen vaak los blijven staan (peanut butter); het overnemen van die losse schrijfwijze („pinda kaas”) is dan ook een veelgemaakte fout. Een koppelteken gebruik je alleen in bijzondere gevallen: bij klinkerbotsing op de naad van de samenstelling (zie verderop), bij gelijkwaardige delen (een rood-wit-blauwe vlag) en bij combinaties met letters, cijfers of afkortingen (A4-formaat, sms-bericht). De hoofdregel blijft echter eenvoudig: in het Nederlands hoort een samenstelling één woord te zijn. Twijfel je of iets een samenstelling is, dan helpt de klemtoon: in een samenstelling ligt de hoofdklem meestal op het eerste deel.
Veel samenstellingen krijgen een tussenletter, en de lastigste keuze is die tussen wel of geen tussen-n. De hoofdregel luidt: schrijf een tussen-n als het linkerdeel een zelfstandig naamwoord is dat uitsluitend een meervoud op -en heeft. Pan heeft als enige meervoud pannen, dus schrijf je pannenkoek en pannenlap; boek heeft als meervoud boeken, dus boekenkast. Heeft het linkerdeel daarnaast een meervoud op -s, of is het helemaal geen zelfstandig naamwoord, dan vervalt de n meestal: in slaapkamer is slaap geen telbaar meervoud (het hoort bij het werkwoord slapen), dus geen tussen-n. De tussen-s is eenvoudiger: die schrijf je waar je hem in de uitspraak duidelijk hoort, zoals in dorpsstraat, verkeersbord en oorlogsschip; een sluitende regel ontbreekt, dus laat je oor en het Groene Boekje beslissen.
Hoofdletters gebruik je in het Nederlands minder vaak dan in het Engels, en juist daar zit een veelgemaakte fout. Een hoofdletter staat aan het begin van een zin en bij eigennamen: namen van personen (Anna), namen van plaatsen en landen (Amsterdam, Nederland), en namen van talen en volken (het Nederlands, een Fransman). Belangrijk is wat géén hoofdletter krijgt: de namen van de dagen, de maanden, de seizoenen en de windrichtingen schrijf je met een kleine letter — maandag, januari, zomer, het noorden — anders dan in het Engels. Namen van feestdagen volgen weer een eigen lijn: Pasen en Kerstmis krijgen wél een hoofdletter. Wie deze gevallen kent, voorkomt zowel te veel als te weinig hoofdletters.
Het trema (de twee puntjes) en het koppelteken doen hetzelfde werk — ze voorkomen dat de lezer twee klinkers per ongeluk samenleest, de zogenoemde klinkerbotsing — maar je gebruikt ze op verschillende plaatsen. Een trema staat binnen één woord, op de tweede van twee botsende klinkers: geïnteresseerd, ruïne, zeeën, knieën, tweeëntwintig. Een koppelteken gebruik je daarentegen op de naad van een samenstelling, dus tussen twee hele woorden: zee-egel, auto-ongeluk, na-apen. De vuistregel is dus: botsen de klinkers binnen één woord, dan een trema; botsen ze tussen de delen van een samenstelling, dan een koppelteken. Vergelijk geërgerd (één woord, trema) met toe-eigenen (samenstelling, koppelteken).
Verkleinwoorden krijgen het achtervoegsel -je, maar de precieze vorm hangt af van de klank die eraan voorafgaat: huisje en boekje (-je), autootje en vrouwtje (-tje na een klinker of een -w), balletje en mannetje (-etje na een korte beklemtoonde klinker, met verdubbeling van de medeklinker), boompje (-pje na een m) en koninkje (-kje na de onbeklemtoonde uitgang -ing). Let op de verdubbelingen: bij auto verdubbel je de klinker in de open lettergreep (autootje), en bij bal de medeklinker (balletje). Leenwoorden, ten slotte, passen zich geleidelijk aan het Nederlands aan: Engelse werkwoorden vervoeg je gewoon volgens 't kofschip — racen wordt hij racet, racete en geracet, en saven wordt gesaved. Meervouden van woorden die op een lange klinker eindigen krijgen 's met een apostrof: baby's, foto's, menu's, zodat de klinker lang blijft klinken.
Uitgewerkt voorbeeld

Samenstellingen en de tussen-n verantwoorden

Schrijf de volgende samenstellingen correct en leg per geval uit of er een tussen-n komt: pan + koek, boek + kast, slaap + kamer.

  1. 01Stap 1 — pan + koek

    Pan is een zelfstandig naamwoord met als enige meervoud pannen (niet pans). Volgens de hoofdregel komt er dan een tussen-n. Het wordt pannenkoek, in één woord aaneengeschreven.

  2. 02Stap 2 — boek + kast

    Boek heeft als meervoud boeken, dus ook hier een tussen-n. Het wordt boekenkast, aaneengeschreven — niet „boeken kast” en niet „boekekast”.

  3. 03Stap 3 — slaap + kamer

    In slaapkamer is slaap geen telbaar zelfstandig naamwoord met een -en-meervoud, maar het hoort bij het werkwoord slapen. Daarom geen tussen-n: slaapkamer, gewoon aan elkaar.

Resultaat: pannenkoek, boekenkast, slaapkamer — alle drie aan elkaar geschreven. De tussen-n hangt af van het linkerdeel: een zelfstandig naamwoord met alleen een -en-meervoud krijgt de n (pannen-, boeken-), een werkwoordstam niet (slaap-).

Eindexamen-focus

  • De spelling van samenstellingen, tussenletters, hoofdletters en verkleinwoorden wordt in je eigen teksten (de SE-schrijfopdracht en de samenvatting) als taalverzorging beoordeeld; elke spelfout kan een telbaar foutpunt opleveren.
  • Het CE toetst spelling vooral indirect via tekstbegrip, maar bij open vragen en de samenvatting wordt ook van je eigen spelling verwacht dat ze klopt; correct gespelde kernwoorden voorkomen misverstanden bij de corrector.

Veelgemaakte fouten

  • Samenstellingen los schrijven naar Engels voorbeeld („pinda kaas”, „voetbal wedstrijd”) in plaats van aan elkaar (pindakaas, voetbalwedstrijd).
  • Dagen, maanden of seizoenen ten onrechte met een hoofdletter schrijven (Maandag, Januari, Zomer); in het Nederlands krijgen die een kleine letter, terwijl talen (Nederlands) en feestdagen (Pasen) er wél een krijgen.
  • Het trema en het koppelteken verwisselen: binnen één woord hoort een trema (geïnteresseerd), op de naad van een samenstelling een koppelteken (zee-egel).

Actieve herhaling

Verbeter de spelling en de hoofdletters in deze zin en motiveer elke verbetering: „Op Maandag at hij een panne koek met melk, en daarna ging hij geinteresseerd naar de voetbal wedstrijd kijken.” Let op de samenstellingen, de tussen-n, de hoofdletter en het trema.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Interpunctie: leestekens die de lezer sturen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Interpunctie

LeestekensTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Leesteken · Gebruik · Voorbeeld; Komma · Opsomming, bijzin · Brood, kaas en jam; Puntkomma · Twee verwante zinnen · Het regende; we bleven; Dubbele punt · Opsomming of citaat · Hij zei: kom binnen; Aanhalingsteken · Citaat of titel · Zij las „Max Havelaar”; Vraagteken · Directe vraag · Kom je ook?LEESTEKENGEBRUIKVOORBEELDKommaOpsomming, bijzinBrood, kaas en jamPuntkommaTwee verwante zinnenHet regende; we blevenDubbele puntOpsomming of citaatHij zei: kom binnenAanhalingstekenCitaat of titelZij las „Max Havelaar”VraagtekenDirecte vraagKom je ook?
Afb. 2Leestekens sturen de lezer: ze markeren grenzen, opsommingen en toelichtingen.

Kernpunten

Leestekens zijn de verkeersborden van een tekst: ze vertellen de lezer waar hij even moet pauzeren, waar een opsomming loopt, waar een citaat begint en waar een toelichting wordt ingelast. In gesproken taal doen je stem, je pauzes en je intonatie dat werk; op papier nemen de leestekens die taken over. In de tabel hieronder zie je de belangrijkste leestekens met hun functie en een voorbeeld. Wie ze bewust plaatst, schrijft niet alleen correcter maar ook duidelijker, omdat de lezer precies de juiste grenzen ziet. Verkeerd geplaatste of ontbrekende leestekens maken een tekst daarentegen rommelig en soms zelfs dubbelzinnig.
De komma is het meest gebruikte en meteen het lastigste leesteken, want hij markeert een korte grens binnen een zin. Je gebruikt hem in een opsomming om de delen te scheiden — brood, kaas en jam — waarbij vóór het laatste „en” meestal géén komma staat. Je plaatst hem ook rond een tussengevoegde, uitbreidende bijzin: „De buurman, die ik gisteren nog sprak, verhuist.” Verder zet je een komma bij een aanspreking („Kom je ook, Anna?”) en tussen twee persoonsvormen die niet door en of of verbonden zijn („Wie dit leest, is gewaarschuwd.”). De vuistregel: een komma markeert een lichte pauze of een grens tussen zinsdelen, maar hij vervangt nooit een punt tussen twee losse hoofdzinnen.
De puntkomma en de dubbele punt zijn sterker dan de komma, maar elk met een eigen taak. De puntkomma verbindt twee zinnen die grammaticaal op zichzelf kunnen staan maar inhoudelijk nauw samenhangen: „Het regende; we bleven binnen.” Hij is dus zwakker dan een punt (de zinnen horen bij elkaar) en sterker dan een komma (het zijn volwaardige zinnen). De dubbele punt kondigt juist iets aan wat volgt: een opsomming, een citaat of een toelichting — „Je hebt drie dingen nodig: een pen, papier en rust.” Na een dubbele punt schrijf je een kleine letter, behalve wanneer er een citaat of een eigennaam op volgt. Verwar de twee niet: de puntkomma kijkt terug en verbindt, de dubbele punt kijkt vooruit en kondigt aan.
Aanhalingstekens gebruik je voor citaten, voor directe rede en voor titels: Zij las „Max Havelaar”. In het Nederlands zijn de nette aanhalingstekens laag-openend en hoog-sluitend; enkele aanhalingstekens bewaar je voor een citaat binnen een citaat of voor een woord dat je met een zekere afstand of ironie gebruikt. Het vraagteken sluit een directe vraag af — „Kom je ook?” — maar niet een indirecte vraag, die als gewone mededeling op een punt eindigt: „Hij vroeg of ik kwam.” Het uitroepteken markeert een uitroep, een bevel of een sterke emotie („Pas op!”), maar gebruik het in zakelijke teksten spaarzaam, want te veel uitroeptekens maken een tekst schreeuwerig. Zo houdt elk teken zijn eigen, herkenbare signaal.
Het gedachtestreepje, een langer streepje dan het koppelteken, last een onderbreking of een toelichting in: „Iedereen — jong en oud — deed mee.” Je kunt het ook aan het eind van een zin gebruiken voor een verrassende of nadrukkelijke toevoeging. Belangrijker nog dan elk teken apart is het inzicht dat leestekens de lezer sturen en dubbelzinnigheid voorkomen. Het klassieke voorbeeld is „We gaan eten, opa!” tegenover „We gaan eten opa!”: die ene komma bepaalt of opa wordt uitgenodigd of opgegeten. Lees je tekst daarom bij het reviseren ook hardop — waar je stem pauzeert of de toon verandert, hoort meestal een leesteken te staan.
Uitgewerkt voorbeeld

Leestekens en hoofdletters aanbrengen

Plaats de juiste leestekens en hoofdletters in: „op de markt kochten we brood kaas en appels oma riep kom snel binnen kinderen”

  1. 01Stap 1 — zinsbegin en opsomming

    De zin begint met een hoofdletter: „Op”. In de opsomming „brood kaas en appels” scheid je de delen met komma's, maar vóór „en” komt geen komma: „brood, kaas en appels”. De mededeling sluit af met een punt.

  2. 02Stap 2 — de directe rede aankondigen

    „Oma riep” wordt gevolgd door wat zij zegt; dat kondig je aan met een dubbele punt en je zet haar woorden tussen aanhalingstekens: Oma riep: „Kom snel binnen …”. Het citaat begint met een hoofdletter.

  3. 03Stap 3 — aanspreking en emotie

    Binnen het citaat wordt „kinderen” aangesproken, dus komt daar een komma vóór: „… binnen, kinderen”. Omdat het een uitroep en een bevel is, sluit je het citaat af met een uitroepteken: „Kom snel binnen, kinderen!”

Resultaat: Correcte tekst: Op de markt kochten we brood, kaas en appels. Oma riep: „Kom snel binnen, kinderen!” De komma's ordenen de opsomming, de dubbele punt en de aanhalingstekens kondigen het citaat aan, en de komma vóór „kinderen” markeert de aanspreking.

Eindexamen-focus

  • Correcte interpunctie hoort bij de taalverzorging van je eigen teksten op het SE; vooral de komma bij bijzinnen en opsommingen en de dubbele punt bij een citaat worden beoordeeld.
  • Bij leesvaardigheid (CE) helpt inzicht in leestekens je om zinsverbanden en citaten juist te lezen: je herkent waar een citaat begint en eindigt en hoe een toelichting tussen gedachtestreepjes zich tot de hoofdzin verhoudt.

Veelgemaakte fouten

  • De komma vergeten bij een tussengevoegde bijzin of vóór een aanspreking („Eet smakelijk jongens” zonder komma).
  • De puntkomma en de dubbele punt verwisselen: een puntkomma verbindt twee samenhangende zinnen, terwijl een dubbele punt een opsomming, citaat of toelichting aankondigt.
  • Twee losse hoofdzinnen alleen met een komma aan elkaar plakken in plaats van met een punt, een puntkomma of een voegwoord („Het regende, we bleven binnen” → beter „Het regende; we bleven binnen.”).

Actieve herhaling

Voorzie deze tekst van de juiste leestekens en hoofdletters: „op de markt kochten we brood kaas en appels het begon te regenen dus we schuilden onder een kraam oma riep kom snel binnen kinderen”. Let op de opsomming, de grens tussen de zinnen, de directe rede en de aanspreking.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Formuleren: veelvoorkomende fouten herkennen en verbeteren#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Veelvoorkomende formuleerfouten

FormuleerfoutenTabel met 3 kolommen en 7 rijen, Gegevens: Fout · Wat er misgaat · Voorbeeld; Incongruentie · Onderwerp en pv botsen · De reeks boeken zijn...; Foutieve verwijzing · Verwijswoord klopt niet · Iedereen pakte hun jas; Contaminatie · Twee uitdrukkingen door elkaar · Dat kost duur; Pleonasme · Dubbelop · Witte sneeuw; Tautologie · Hetzelfde herhaald · Eerst beginnen; Foutieve samentrekking · Weggelaten deel klopt niet · Hij at en werd ziek; Tangconstructie · Bijeenhorende delen te ver · De man die... liepFOUTWAT ER MISGAATVOORBEELDIncongruentieOnderwerp en pv botsenDe reeks boeken zijn...Foutieve verwijzingVerwijswoord klopt nietIedereen pakte hun jasContaminatieTwee uitdrukkingen doorelkaarDat kost duurPleonasmeDubbelopWitte sneeuwTautologieHetzelfde herhaaldEerst beginnenFoutieve samentrekkingWeggelaten deel klopt nietHij at en werd ziekTangconstructieBijeenhorende delen te verDe man die... liep
Afb. 3Heldere zinnen vermijden deze klassieke formuleerfouten; herken ze om ze te kunnen verbeteren.

Kernpunten

Formuleerfouten zijn zinnen die grammaticaal of logisch wringen, ook al is elk woord op zich goed gespeld. Ze ontstaan vaak doordat je tijdens het schrijven twee constructies door elkaar haalt of de draad van een lange zin kwijtraakt. In de tabel hieronder staan de klassieke formuleerfouten op een rij met telkens een voorbeeld: incongruentie, foutieve verwijzing, contaminatie, pleonasme, tautologie, foutieve samentrekking en de tangconstructie. Het doel is niet om de namen uit je hoofd te leren, maar om de fouten te herkennen, zodat je ze in je eigen tekst — en in een examenopgave — kunt verbeteren. Heldere zinnen ontstaan juist doordat je deze valkuilen vermijdt.
Incongruentie betekent dat het onderwerp en de persoonsvorm niet overeenkomen in getal. De fout sluipt erin wanneer een enkelvoudig onderwerp een meervoudige bepaling bij zich heeft: in „De reeks boeken zijn duur” is het onderwerp „de reeks” (enkelvoud), dus moet de persoonsvorm „is” zijn — „De reeks boeken is duur.” Een verwante fout is de foutieve verwijzing, waarbij een verwijswoord niet klopt met het woord waarnaar het verwijst. „Iedereen pakte hun jas” is fout, want „iedereen” is enkelvoud en vraagt om „zijn”: „Iedereen pakte zijn jas.” Let bij verwijzingen ook op dubbelzinnigheid: als „hij” naar twee personen kan verwijzen, herschrijf je de zin zodat duidelijk is wie je bedoelt.
Contaminatie is het ongewild vermengen van twee uitdrukkingen die elk apart wél goed zijn. „Dat kost duur” is zo'n mengvorm van „dat kost veel (geld)” en „dat is duur”; je kiest er één: „Dat kost veel” of „Dat is duur.” Een pleonasme is een overbodige toevoeging die al in het andere woord besloten ligt, vaak een bijvoeglijk naamwoord bij een zelfstandig naamwoord: „witte sneeuw” (sneeuw is per definitie wit) of „een ronde cirkel”. Een tautologie ten slotte herhaalt hetzelfde met twee woorden van dezelfde soort, zoals „eerst beginnen” of „dus daarom”. Pleonasme en tautologie zijn niet altijd fout — soms gebruik je ze bewust voor nadruk — maar in een zakelijke tekst maken ze je formulering onnodig dubbelop.
Bij een samentrekking laat je een woord weg dat in twee zinsdelen hetzelfde is, bijvoorbeeld „Hij opende de deur en liep naar binnen” (het tweede „hij” is weggelaten). Dat mag alleen als het weggelaten deel in beide delen exact dezelfde vorm én functie heeft; klopt dat niet, dan ontstaat een foutieve samentrekking. In „Ik heb de deur op slot gedaan en naar huis gefietst” is de samentrekking fout, want „fietsen” met een richting vraagt om het hulpwerkwoord „zijn”: het moet zijn „… en ben naar huis gefietst.” De tangconstructie, ten slotte, ontstaat wanneer twee woorden die bij elkaar horen — zoals het onderwerp en de persoonsvorm, of een hulpwerkwoord en het voltooid deelwoord — ver uit elkaar komen te staan door een lange tussenzin. „De man die gisteren in de stromende regen zijn hond uitliet, groette ons” zet veel afstand tussen „de man” en „groette”; je lost het op door de tussenzin te verplaatsen of de zin te splitsen.
Tegenover deze fouten staat het positieve doel: helder, bondig en correct formuleren. Schrijf zo veel mogelijk in actieve, concrete zinnen en vermijd de naamwoordstijl, waarin werkwoorden tot zelfstandige naamwoorden worden gemaakt — „het maken van een keuze” is omslachtiger dan gewoon „kiezen”. Houd je zinnen niet nodeloos lang: één gedachte per zin maakt je tekst leesbaarder dan een zin met drie tussenzinnen. Schrap woorden die niets toevoegen, zoals overbodige versterkers als „eigenlijk” en „heel erg”, en kies het precieze woord boven een vage omschrijving. Lees je tekst ten slotte bij het reviseren kritisch terug: struikel je zelf over een zin, dan struikelt je lezer zeker, en is herformuleren de oplossing.
Uitgewerkt voorbeeld

Formuleerfouten benoemen en verbeteren

Benoem de formuleerfout in elke zin en herschrijf de zin correct: (1) „De rij wachtende mensen werden ongeduldig.” (2) „Dat kost te duur.” (3) „Iedereen pakte hun jas en ging naar huis.”

  1. 01Stap 1 — zin (1): incongruentie

    Het onderwerp is „de rij” (enkelvoud), niet „mensen”. De persoonsvorm moet dus enkelvoud zijn: „werd”. Verbeterd: „De rij wachtende mensen werd ongeduldig.”

  2. 02Stap 2 — zin (2): contaminatie

    „Dat kost te duur” mengt twee uitdrukkingen: „dat kost te veel” en „dat is te duur”. Je kiest er één: „Dat kost te veel” of „Dat is te duur.”

  3. 03Stap 3 — zin (3): foutieve verwijzing

    „Iedereen” is enkelvoud, dus het verwijswoord „hun” klopt niet; het moet „zijn” zijn. Verbeterd: „Iedereen pakte zijn jas en ging naar huis.”

Resultaat: (1) incongruentie → „De rij wachtende mensen werd ongeduldig.”; (2) contaminatie → „Dat kost te veel.” of „Dat is te duur.”; (3) foutieve verwijzing → „Iedereen pakte zijn jas en ging naar huis.” Door eerst de fout te benóemen, weet je meteen welke regel de verbetering stuurt.

Eindexamen-focus

  • Bij de SE-schrijfopdracht beoordeelt de corrector je formulering: incongruentie, foutieve verwijzing en contaminatie tellen als formuleerfouten en kosten punten.
  • Op het CE kun je gevraagd worden een zin te herformuleren of een formuleerfout aan te wijzen en te verbeteren; je herkent dan dezelfde foutsoorten in andermans tekst die je in je eigen werk wilt vermijden.

Veelgemaakte fouten

  • Een enkelvoudig onderwerp met een meervoudige bepaling toch een meervoudige persoonsvorm geven („de groep leerlingen gingen” in plaats van „ging”).
  • Naar „iedereen”, „niemand” of „elk” (enkelvoud) verwijzen met „hun” of „zij” in plaats van met „zijn” of „hij”.
  • Pleonasmen en tautologieën niet opmerken („witte sneeuw”, „dus daarom”) en zo onbedoeld dubbelop schrijven.

Actieve herhaling

Benoem in elke zin de formuleerfout en verbeter de zin: (1) „Het aantal toeschouwers waren groot.” (2) „Iedereen moest hun telefoon inleveren.” (3) „Naar mijn mening vind ik dat het te duur kost.” Geef telkens aan om welke foutsoort het gaat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Werkwoordspelling: tegenwoordige tijd, verleden tijd en voltooid deelwoord○
    • 02Spellingregels: samenstellingen, tussenletters, hoofdletters en meer◐
    • 03Interpunctie: leestekens die de lezer sturen◐
    • 04Formuleren: veelvoorkomende fouten herkennen en verbeteren◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Spelling, interpunctie en formuleren

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~24
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Nederlands (HAVO)

Vorig onderwerp

Literatuurgeschiedenis en literaire stromingen

EuraStudy·Samenvattingen T·14·MMXXVI

Laatste onderwerp van dit vak — terug naar het vakoverzicht.