EuraStudy
Samenvattingen/Nederlands/Literatuurgeschiedenis en literaire stromingen
Samenvattingen · NederlandsNL · HAVO

Literatuurgeschiedenis en literaire stromingen

De Nederlandse literatuur valt uiteen in een reeks stromingen die elk een eigen mens- en wereldbeeld hebben en die op elkaar reageren. In dit onderwerp leer je die stromingen — van de middeleeuwen tot de hedendaagse literatuur — in chronologische volgorde plaatsen, hun kenmerken herkennen en de belangrijkste auteurs en werken eraan koppelen. Zo kun je een fragment of een titel uit je leesdossier historisch situeren en uitleggen waaróm het bij een bepaalde periode hoort.

5 Onderdelen·~26 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 4

T·131313 / 14
Examenprofiel
De literaire stromingen van de middeleeuwen tot heden in de juiste chronologische volgorde plaatsen.Een werk of fragment aan een stroming koppelen op grond van de kenmerken (wereldbeeld, thema's en vorm).De hoofdauteurs en hoofdwerken per periode kennen en kort kunnen typeren.
Operatoren:plaatsbenoemverklaarvergelijkberedeneer

basisniveau

Voor het gemeenschappelijke deel: beheers de hoofdlijnen van de literatuurgeschiedenis — de volgorde van de stromingen en hun belangrijkste kenmerken en auteurs.

verhoogd niveau

Voor het schoolexamen: situeer de werken uit je leesdossier historisch en onderbouw met kenmerken waarom een boek bij een bepaalde stroming hoort.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 5 onderdelen▾
  1. Literatuurgeschiedenis en literaire stromingen
    • 01Periodisering: de grote lijn van de literatuurgeschiedenis○
    • 02Middeleeuwen en renaissance (Gouden Eeuw)◐
    • 03Verlichting en romantiek◐
    • 04Realisme, naturalisme en de Tachtigers◐
    • 05Modernisme, naoorlogse en hedendaagse literatuur◐
§ 01

Periodisering: de grote lijn van de literatuurgeschiedenis#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Tijdlijn van de Nederlandse literatuur

Nederlandse literaire stromingenTijdlijn van 1100 tot 2000, 1250: Van den vos Reynaerde, 1637: Vondel, Gysbreght, 1782: Wolff & Deken, Sara Burgerhart, 1860: Multatuli, Max Havelaar, 1889: Gorter, Mei, 1934: Nijhoff, Awater, 1950: De Vijftigers, 1100–1500: Middeleeuwen, 1500–1670: Renaissance / Gouden Eeuw, 1670–1800: Verlichting, 1800–1860: Romantiek, 1860–1900: Realisme / Naturalisme, 1900–1945: Modernisme, 1945–2000: Naoorlogs / hedendaags1100jaarMiddeleeuwenRenaissance /Gouden EeuwVerlichtingRomantiekRealisme /NaturalismeModernismeNaoorlogs /hedendaags1250Van den vosReynaerde1637Vondel,Gysbreght1782Wolff & Deken,Sara Burgerhart1860Multatuli, MaxHavelaar1889Gorter, Mei1934Nijhoff, Awater1950De Vijftigers
Afb. 1De stromingen volgen elkaar op en reageren op elkaar; de pijl rechts geeft aan dat de hedendaagse literatuur doorloopt.

Kernpunten

Een literaire stroming is een groep werken uit een bepaalde periode die een gemeenschappelijk mens- en wereldbeeld, vergelijkbare thema's en een herkenbare vorm delen. Literatuurgeschiedenis brengt orde aan in eeuwen van boeken door die werken in zulke stromingen te groeperen en ze op een tijdlijn te plaatsen — dat heet periodisering. Het nut daarvan is dat je een onbekend fragment niet in het luchtledige hoeft te beoordelen: als je weet welke periodes er zijn en wat ze kenmerkt, kun je een tekst herkennen, plaatsen en begrijpen. Belangrijk is wel te beseffen dat de namen en grenzen achteraf zijn bedacht: een schrijver uit 1885 wist niet dat hij „een Tachtiger” was. Periodisering is dus een hulpmiddel om te ordenen, geen wet waaraan de werkelijkheid zich netjes hield.
De grote lijn van de Nederlandse literatuur loopt in een vaste volgorde, en die moet je uit je hoofd kennen: middeleeuwen (omstreeks 1100–1500), renaissance en Gouden Eeuw (omstreeks 1500–1670), verlichting (omstreeks 1670–1800), romantiek (omstreeks 1800–1860), realisme en naturalisme (omstreeks 1860–1900), modernisme in het interbellum (omstreeks 1900–1945) en de naoorlogse en hedendaagse literatuur (vanaf 1945). De tijdlijn hieronder zet die zeven blokken op een rij met bij elk een bekend kernwerk, zoals Van den vos Reynaerde voor de middeleeuwen en Mei van Gorter voor het einde van de negentiende eeuw. Een handige geheugensteun is dat elke stroming ongeveer samenvalt met een maatschappelijke omslag: de Gouden Eeuw met de bloei van de Republiek, de verlichting met het geloof in de rede, het modernisme met de schok van de Eerste Wereldoorlog. Wie de volgorde en de globale jaartallen beheerst, heeft het geraamte van dit hele onderwerp te pakken.
Stromingen staan niet los van elkaar, maar reageren juist op elkaar — vaak als een slinger die heen en weer zwaait. De koele, verstandelijke verlichting wordt gevolgd door de romantiek, die juist het gevoel en de verbeelding vooropstelt; je kunt de romantiek dus lezen als een tegenbeweging tegen de rede. Hetzelfde patroon zie je later: de Tachtigers keren zich rond 1885 af van de braaf opvoedende „domineesliteratuur”, en de Vijftigers breken rond 1950 met de traditionele dichtvorm. Telkens zet een nieuwe generatie zich af tegen wat haar voorgangers normaal vonden. Dat inzicht — een stroming begrijp je mede uit datgene wat ze afwijst — helpt je bij examenvragen waarin je het verband tussen twee periodes moet verklaren.
Hoewel de tijdlijn scherpe grenzen suggereert, lopen de stromingen in werkelijkheid in elkaar over en bestaan ze soms naast elkaar. Een auteur kan op de grens van twee periodes staan: Nicolaas Beets schrijft in de romantische tijd, maar zijn Camera Obscura zit vol nuchtere, realistische waarneming van het dagelijks leven, een vooruitwijzing naar het latere realisme. Ook kan één schrijver in zijn loopbaan van stijl veranderen, zoals Louis Couperus die begint bij het naturalisme en zich later naar het symbolisme beweegt. Daarom plaats je een werk nooit op één jaartal, maar op grond van de dominante kenmerken: welk wereldbeeld, welke thema's en welke vorm overheersen? De overgangen zijn geleidelijk, en juist de twijfelgevallen leren je goed kijken.
Voor het examen draait alles om één vaardigheid: een werk of fragment koppelen aan een stroming op grond van de kenmerken. De vaste werkwijze is steeds dezelfde. Bepaal eerst het wereldbeeld en de thematiek (gaat het om geloof en ridders, om rede en deugd, om gevoel en natuur, om de werkelijkheid en de maatschappij, of om vernieuwing en twijfel?), let dan op de vorm (anoniem of een bekende auteur, traditioneel of experimenteel), en koppel dat aan de bijbehorende stroming en een representatieve auteur of titel. In de volgende secties werk je elke periode in detail uit, zodat je die kenmerken paraat hebt. Houd de tijdlijn hieronder daarbij als kompas: hij ordent niet alleen de stof, hij laat ook zien hoe de ene stroming uit de andere voortkomt.
Uitgewerkt voorbeeld

Vier stromingen chronologisch ordenen

Zet de volgende vier stromingen in de juiste chronologische volgorde en noem bij elke een kernkenmerk: romantiek, renaissance, naturalisme, modernisme.

  1. 01Stap 1 — Plaats de oudste

    De renaissance en Gouden Eeuw (omstreeks 1500–1670) zijn het oudst van de vier. Kernkenmerk: de klassieke idealen, de navolging van de Griekse en Romeinse oudheid.

  2. 02Stap 2 — Daarna de romantiek

    Na de verlichting komt de romantiek (omstreeks 1800–1860). Kernkenmerk: gevoel en verbeelding, met aandacht voor de natuur en het verleden.

  3. 03Stap 3 — Dan het naturalisme

    Het naturalisme hoort bij het einde van de negentiende eeuw (omstreeks 1860–1900). Kernkenmerk: de mens wordt bepaald door zijn milieu en zijn erfelijkheid.

  4. 04Stap 4 — Ten slotte het modernisme

    Het modernisme valt in het interbellum (omstreeks 1900–1945). Kernkenmerk: vernieuwing, experiment en twijfel. Controleer de volgorde nog even aan de tijdlijn hieronder.

Resultaat: De juiste volgorde is renaissance → romantiek → naturalisme → modernisme, met als kenmerken achtereenvolgens klassieke idealen, gevoel en verbeelding, milieu en erfelijkheid, en vernieuwing en twijfel.

Eindexamen-focus

  • Het CE en SE verwachten dat je de stromingen in de juiste chronologische volgorde kunt zetten en bij een periode het bijpassende wereldbeeld of kernkenmerk kunt noemen.
  • Een vraag kan je laten uitleggen dat een stroming een reactie is op de vorige; benoem dan het contrast, bijvoorbeeld de rede van de verlichting tegenover het gevoel van de romantiek.

Veelgemaakte fouten

  • Stromingen als scherp begrensde, los van elkaar staande hokjes zien; in werkelijkheid overlappen ze en gaan ze geleidelijk in elkaar over, met auteurs die op de grens staan.
  • Denken dat „modern” of „modernisme” gewoon „de literatuur van nu” betekent; het modernisme is een afgebakende periode in de eerste helft van de twintigste eeuw.

Actieve herhaling

Noem de zeven stromingen uit de tijdlijn hieronder in de juiste volgorde en schrijf bij elke één kernkenmerk en één auteur of werk dat je eraan koppelt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Middeleeuwen en renaissance (Gouden Eeuw)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De middeleeuwse literatuur (omstreeks 1100–1500) is grotendeels anoniem, werd vaak hardop voorgedragen en stond in dienst van een wereld waarin het geloof en de standenmaatschappij alles bepaalden. Je deelt haar het handigst in langs twee assen. De eerste is geestelijk tegenover wereldlijk: aan de ene kant heiligenlevens, Marialegenden en mystiek, aan de andere kant ridderverhalen en spotteksten. De tweede as is de stand: literatuur voor de adel (de hoofse cultuur) tegenover literatuur voor de opkomende burgerij in de steden. Wie een middeleeuws fragment moet plaatsen, vraagt zich dus eerst af: is dit godsdienstig of werelds, en voor wie is het bedoeld?
Twee genres staan centraal in de hoofse, wereldlijke literatuur. De ridderepiek bezingt de daden van helden en valt uiteen in de Karelromans rond keizer Karel de Grote (zoals Karel ende Elegast) en de Arthurromans rond koning Arthur en zijn ridders (zoals de Roman van Walewein); de idealen zijn trouw, eer en hoofsheid. Daarnaast bestaat de hoofse lyriek, de verfijnde liefdespoëzie waarin de ridder zijn onbereikbare dame vereert; de vroegste minnedichter in onze taal is Hendrik van Veldeke. Aan de geestelijke kant vind je de mystica Hadewijch en de veelzijdige Jacob van Maerlant, die met leerdichten als Der naturen bloeme kennis aan een breed publiek wilde overdragen en daarom „de vader der Dietse dichters” wordt genoemd. Zo had de middeleeuwen al een rijk en verdeeld literair landschap.
Voor het examen moet je een handvol middeleeuwse hoofdwerken kunnen herkennen en typeren. Van den vos Reynaerde (omstreeks 1250, van een dichter die zich Willem noemt) is een dierenepos waarin de sluwe vos de hele standenmaatschappij te slim af is — satire onder een laagje fabel. Beatrijs (omstreeks 1374) is een Marialegende over een non die het klooster verlaat voor de liefde en door Maria wordt gered. Mariken van Nieumeghen (omstreeks 1500) is een mirakelspel waarin een meisje jaren met de duivel optrekt en uiteindelijk genade vindt. Elckerlijc (omstreeks 1470) is een moraliteit waarin uitsluitend personificaties optreden — Elckerlijc, dat wil zeggen „iedereen”, wordt door de Dood opgeroepen en ontdekt dat alleen zijn Goede Werken met hem mee mogen. En de abele spelen (zoals Lanseloet van Denemerken), overgeleverd in het Hulthemse handschrift uit omstreeks 1410, zijn de oudste wereldlijke toneelstukken in het Nederlands.
Rond 1500–1550 breekt de renaissance door, en met haar de Gouden Eeuw van de Republiek (tot omstreeks 1670). Renaissance betekent „wedergeboorte”: men herontdekt en bewondert de klassieke oudheid en neemt de Griekse en Romeinse schrijvers tot voorbeeld. Het bijbehorende mensbeeld is het humanisme, met vertrouwen in de mens, zijn rede en zijn scheppingskracht. De overgang werd gevormd door de rederijkers, leden van de rederijkerskamers die in de late middeleeuwen en de zestiende eeuw de dichtkunst beoefenden als vaardigheid. Het verschil met de middeleeuwen is scherp: waar middeleeuwse werken meestal anoniem en godsdienstig zijn, treedt nu de individuele, met name bekende kunstenaar naar voren, die in verzorgde, verheven vorm dicht en trots is op zijn stad en zijn taal.
De renaissance kent een aantal grote namen die je moet kennen. P.C. Hooft (1581–1647) schreef de monumentale Nederlandsche Historiën, het herdersspel Granida en verfijnde sonnetten, en was de spil van de Muiderkring. Joost van den Vondel (1587–1679) is de grootste dichter en toneelschrijver van de eeuw: zijn treurspelen Gysbreght van Aemstel (1637) en Lucifer (1654) zijn naar klassiek model gebouwd, met verheven taal en een hoge morele inzet. G.A. Bredero (1585–1618) staat juist dichter bij het volk; zijn Spaanschen Brabander (1617) schildert het bonte, alledaagse Amsterdam met humor. Constantijn Huygens (1596–1687) blonk uit in puntige sneldichten en het hofdicht Hofwijck, en Jacob Cats (1577–1660), bijgenaamd „Vader Cats”, schreef breed gelezen, moraliserende verzen. Vergeleken met de middeleeuwen is dit een literatuur van individuele meesters, klassieke vormen en wereldlijke trots.
Uitgewerkt voorbeeld

Een toneelstuk aan middeleeuwen of renaissance toewijzen

Een toneelstuk verbeeldt de stad Amsterdam in een verheven, klassiek getint treurspel; het is geschreven door een met name bekende dichter, naar het voorbeeld van de Griekse en Romeinse tragedie. Aan welke periode, stroming en auteur koppel je dit, en waarom?

  1. 01Stap 1 — Let op het model

    De navolging van de klassieke oudheid (de Griekse en Romeinse tragedie) is een typisch renaissancekenmerk. De middeleeuwen kenden dat klassieke model nog niet als ideaal.

  2. 02Stap 2 — Let op het auteurschap en de vorm

    Een met name genoemde, individuele dichter en een verheven, verzorgde stijl passen bij de renaissance; middeleeuwse werken zijn doorgaans anoniem. Beide aanwijzingen wijzen dus dezelfde kant op.

  3. 03Stap 3 — Koppel aan auteur en werk

    Een verheven treurspel over Amsterdam naar klassiek model is Gysbreght van Aemstel (1637) van Joost van den Vondel, het bekendste voorbeeld van het klassieke treurspel uit de Gouden Eeuw.

Resultaat: Renaissance en Gouden Eeuw; Vondel, Gysbreght van Aemstel — herkend aan het klassieke model, de verheven vorm en het bekende, individuele auteurschap.

Eindexamen-focus

  • Het examen toetst of je een middeleeuws werk (anoniem, geestelijk of ridderlijk, uit de voordrachtstraditie) kunt onderscheiden van een renaissancewerk (klassiek model, met name bekende auteur, verheven vorm).
  • Je moet de vaste hoofdwerken kunnen herkennen en typeren: Van den vos Reynaerde, Beatrijs, Mariken van Nieumeghen, Elckerlijc en de abele spelen; Hooft, Vondel, Bredero, Huygens en Cats.

Veelgemaakte fouten

  • De rederijkers in de verkeerde tijd plaatsen of als hoofdstroming zien; zij vormen de overgang van de late middeleeuwen naar de renaissance, geen aparte periode.
  • Elckerlijc en Mariken van Nieumeghen door elkaar halen; Elckerlijc is een moraliteit met louter personificaties, terwijl Mariken van Nieumeghen een mirakelspel is met een echte hoofdpersoon en een wonder.

Actieve herhaling

Kies twee middeleeuwse werken en twee renaissancewerken uit deze sectie. Benoem per werk de auteur (of „anoniem”), het genre en één kenmerk waaraan je de periode herkent.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Verlichting en romantiek#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De verlichting (omstreeks 1670–1800) zet de rede op de troon: het verstand, niet het gezag van kerk of traditie, moet bepalen wat waar en goed is. Het bijbehorende wereldbeeld is optimistisch — door kennis, opvoeding en redelijk nadenken kunnen mens en maatschappij vooruitgaan, en idealen als deugd, tolerantie en gezond verstand staan hoog aangeschreven. Literatuur is in deze tijd vaak nuttig en opvoedend: ze wil de lezer verstandiger en deugdzamer maken (het ideaal van „nut en deugd”). Het gevoel wordt niet ontkend, maar wel onder leiding van de rede gehouden. Wie een verlichtingstekst herkent, ziet dus een tekst die belering, fatsoen en verstandig oordeel vooropstelt.
Een typisch verlichtingsverschijnsel zijn de spectatoriale geschriften, genoemd naar het Engelse tijdschrift The Spectator. Het zijn vertogen en kritische stukjes die de lezer als in een spiegel zijn eigen zeden en gewoonten voorhouden, met als doel hem te verbeteren. In de Republiek schreef Justus van Effen de invloedrijke Hollandsche Spectator (1731–1735), waarin hij met milde spot misstanden en domheden van zijn tijd hekelde. Daarnaast ontstaat in deze eeuw een nieuwe romanvorm: de briefroman, waarin het verhaal volledig uit brieven van de personages bestaat, zodat de lezer dicht op hun gedachten en gevoelens zit. Deze vormen passen bij het verlichtingsdoel: de lezer leren door hem na te laten denken over zichzelf en zijn omgeving.
Het kernwerk van de Nederlandse verlichting is de Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (1782) van Betje Wolff (1738–1804) en Aagje Deken (1741–1804), de eerste oorspronkelijke Nederlandse briefroman. Het boek volgt de levenslustige, eigenzinnige weeskind Sara, die tussen verleiding en fatsoen haar weg moet vinden en uiteindelijk kiest voor een verstandig, deugdzaam burgerleven. De schrijfsters maakten hun opvoedende bedoeling expliciet: het werk was naar eigen zeggen niet bestemd „voor de juffers van vyftien jaar”, maar wilde jonge vrouwen laten zien hoe verstand en deugd hen behoeden voor ongeluk. Daarmee draagt de roman alle verlichtingskenmerken: de rede geeft de doorslag, het gevoel wordt beteugeld, en het hele boek dient een nuttig, vormend doel.
Rond 1800 slaat de stemming om en komt de romantiek (omstreeks 1800–1860) op, in veel opzichten als reactie op de koele rede van de verlichting. Nu staan juist het gevoel, de verbeelding en het verlangen centraal. De romantici zoeken het verhevene en het wonderlijke: ze bewonderen de ongerepte natuur, dromen weg bij het verleden — vooral de middeleeuwen — en stellen het unieke individu met zijn diepe emoties voorop. Waar de verlichting de werkelijkheid wilde ordenen met het verstand, wil de romantiek haar juist overstijgen met de fantasie. Belangrijk voor het examen: „romantiek” betekent hier niet „over de liefde”, maar verwijst naar dit hele complex van gevoel, verbeelding, natuur en verleden.
De romantiek in Nederland kent enkele namen die je paraat moet hebben. Onder het pseudoniem Hildebrand schreef Nicolaas Beets (1814–1903) de Camera Obscura (1839), een bundel humoristische, scherp waargenomen schetsen van het alledaagse Hollandse leven — vaak omschreven als de „kopieerlust des dagelijkschen levens”, waarin je al een aanloop naar het latere realisme ziet. E.J. Potgieter (1808–1875) richtte het invloedrijke tijdschrift De Gids (1837) op en hekelde, vol bewondering voor de Gouden Eeuw, de ingeslapen eigen tijd. En de typisch romantische voorliefde voor het verleden leidde tot de historische roman naar het voorbeeld van de Schot Walter Scott: Jacob van Lennep (1802–1868) wekte met romans als Ferdinand Huyck (1840) de vaderlandse geschiedenis tot leven. Zo herken je de romantiek aan gevoel, verbeelding en de blik op natuur en verleden — precies het tegendeel van het redelijke verlichtingsideaal.
Uitgewerkt voorbeeld

Een fragment toewijzen aan verlichting of romantiek

Een briefroman uit 1782 wil jonge vrouwen leren verstandig en deugdzaam te leven; de rede en het fatsoen geven de doorslag, en het gevoel wordt in toom gehouden. Welke stroming is dit, en om welk werk en welke auteurs gaat het?

  1. 01Stap 1 — Bepaal het wereldbeeld

    Rede, deugd en opvoeding staan centraal, en het gevoel wordt beteugeld. Dat is precies het verlichtingsideaal — een tekst die de lezer verstandiger en beter wil maken.

  2. 02Stap 2 — Sluit de romantiek uit

    Zou het gevoel, de verbeelding of het verleden vooropstaan, dan zou je aan de romantiek denken. Hier gebeurt het omgekeerde: het gevoel wordt juist in bedwang gehouden. Romantiek valt dus af.

  3. 03Stap 3 — Koppel aan werk en auteurs

    Een opvoedende, oorspronkelijke Nederlandse briefroman uit 1782 is de Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart van Betje Wolff en Aagje Deken.

Resultaat: Verlichting; Wolff & Deken, Sara Burgerhart (1782) — herkend aan de centrale rol van rede en deugd en aan de opvoedende bedoeling.

Eindexamen-focus

  • Het examen toetst het contrast verlichting (rede, deugd, nut, spectatoriale geschriften) tegenover romantiek (gevoel, verbeelding, natuur, verleden); kun je een fragment op grond daarvan plaatsen?
  • Je moet Sara Burgerhart (Wolff & Deken, 1782) als verlichtingswerk en de Camera Obscura (Beets/Hildebrand, 1839) en de historische roman (Van Lennep) als romantische verschijnselen kennen.

Veelgemaakte fouten

  • Romantiek verwarren met „romantisch” in de betekenis van liefde; literair gaat romantiek over gevoel, verbeelding, natuur en het verleden, niet specifiek over verliefdheid.
  • Denken dat de verlichting elk gevoel uitsluit; ze waardeert het gevoel wel, maar onder leiding van de rede en met een opvoedend, deugdzaam doel.

Actieve herhaling

Leg in een korte alinea uit waarom de romantiek als een reactie op de verlichting kan worden gezien. Noem minstens twee tegenstellingen en koppel aan elke stroming één auteur of werk.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Realisme, naturalisme en de Tachtigers#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Vanaf omstreeks 1860 wil de literatuur de werkelijkheid tonen zoals ze werkelijk is, zonder de idealisering en de dromerij van de romantiek: dat is het realisme. De schrijver wordt een nauwkeurige waarnemer die gewone mensen, herkenbare verhoudingen en maatschappelijke misstanden in beeld brengt. Niet langer het verleden of de fantasie, maar het hier en nu vormt de stof. Daarmee verschuift ook de toon: van verheven verlangen naar nuchtere observatie en, vaak, maatschappelijke betrokkenheid. Het realisme is zo opnieuw een reactie — ditmaal op de romantische neiging om de werkelijkheid mooier voor te stellen dan ze is.
Het scharnierwerk van het Nederlandse realisme is Max Havelaar (1860) van Multatuli, het pseudoniem van Eduard Douwes Dekker (1820–1887). Het boek is een felle aanklacht tegen het Nederlandse wanbestuur in de kolonie Nederlands-Indië en vlecht meerdere verhaallijnen dooreen, waaronder die van de berekenende koffiemakelaar Droogstoppel en de aangrijpende geschiedenis van Saïdjah en Adinda. Multatuli wil niet vermaken maar de ogen openen: hij toont de werkelijkheid om die te veranderen. Juist die combinatie van scherpe waarneming en maatschappelijke verontwaardiging maakt Max Havelaar tot een kernvoorbeeld van het geëngageerde realisme.
Tegen het einde van de eeuw (omstreeks 1880–1900) radicaliseert het realisme tot het naturalisme. De naturalist gaat een stap verder: hij laat zien dat de mens wordt bepaald door zijn milieu (de omgeving waarin hij leeft) en zijn erfelijkheid (de aanleg die hij meekrijgt). De mens is in deze opvatting niet vrij maar het product van krachten waar hij geen vat op heeft, en dat loopt vaak uit op verval of een noodlottige ondergang — een determinisme, sterk beïnvloed door de Franse schrijver Émile Zola. Het Nederlandse hoofdvoorbeeld is Louis Couperus (1863–1923) met Eline Vere (1889), „een Haagsche roman”, waarin de overgevoelige Eline ten onder gaat aan haar nerveuze aanleg en haar verstikkende milieu; later schreef hij ook Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan… (1906). Het verschil met het gewone realisme zit dus in dat noodlottige samenspel van milieu en erfelijkheid.
In diezelfde jaren, vanaf 1885, treedt een heel andere groep op: de Tachtigers, ook wel de Beweging van Tachtig. Zij keren zich juist af van de maatschappelijke, opvoedende literatuur en verkondigen „kunst om de kunst” — kunst die geen nut hoeft te dienen maar alleen schoonheid wil zijn. Hun beroemde leus, van Willem Kloos, luidt dat poëzie „de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie” is: het gaat om het unieke gevoel en de volmaakte vorm van het individu, niet om de buitenwereld. Kloos (1859–1938) schreef gepassioneerde sonnetten en was een gevreesd criticus; Herman Gorter (1864–1927) maakte met Mei (1889) een groots, muzikaal gedicht dat begint met de befaamde regel „Een nieuwe lente en een nieuw geluid”. De beweging had een eigen tijdschrift, De Nieuwe Gids (opgericht in 1885), dat zich nadrukkelijk afzette tegen het oudere, deftige De Gids.
Realisme, naturalisme en de Tachtigers bestaan grotendeels naast elkaar, maar leggen tegenovergestelde accenten, en juist dat moet je uit elkaar kunnen houden. Het realisme en het naturalisme zijn vooral proza, gericht op de buitenwereld: de maatschappij, de werkelijkheid en — bij het naturalisme — het noodlot van milieu en erfelijkheid. De Tachtigers zijn vooral dichters, gericht op de binnenwereld: schoonheid, individueel gevoel en taalvorm. De beslissende vraag bij een fragment is dus: draait het om de maatschappelijke werkelijkheid en de ondergang van de mens (realisme of naturalisme), of om de persoonlijke schoonheidsbeleving en de volmaakte vorm (Tachtigers)? Met dat onderscheid kun je werken uit dezelfde periode toch trefzeker aan de juiste stroming koppelen.
Uitgewerkt voorbeeld

Naturalisme herkennen aan milieu en erfelijkheid

In een Haagse roman uit 1889 gaat de gevoelige hoofdpersoon langzaam ten onder; haar nerveuze aanleg en het verstikkende, deftige milieu waarin zij leeft, drijven haar naar de ondergang. Welke stroming, auteur en werk?

  1. 01Stap 1 — Zoek het kernmechanisme

    De hoofdpersoon wordt bepaald door haar aanleg (erfelijkheid) en haar omgeving (milieu). Dat deterministische samenspel, dat uitloopt op een ondergang, is hét kenmerk van het naturalisme.

  2. 02Stap 2 — Onderscheid van het realisme

    Het realisme toont de werkelijkheid, maar legt niet per se de nadruk op milieu en erfelijkheid als noodlot. De onafwendbare ondergang door aanleg en omgeving verraadt dat het hier specifiek om naturalisme gaat.

  3. 03Stap 3 — Koppel aan auteur en werk

    Een Haagse roman uit 1889 met dit noodlotsmotief is Eline Vere van Louis Couperus, het bekendste Nederlandse voorbeeld van de naturalistische roman.

Resultaat: Naturalisme; Couperus, Eline Vere (1889) — herkend aan de bepalende rol van milieu en erfelijkheid en aan de deterministische ondergang van de hoofdpersoon.

Eindexamen-focus

  • Het examen toetst het onderscheid realisme (de werkelijkheid tonen) tegenover naturalisme (milieu en erfelijkheid als noodlot) én de tegenstelling met de Tachtigers (kunst om de kunst).
  • Je moet de sleutelwerken kunnen koppelen: Max Havelaar (Multatuli, 1860), Eline Vere (Couperus, 1889), Mei (Gorter, 1889) en het tijdschrift De Nieuwe Gids.

Veelgemaakte fouten

  • Realisme en naturalisme gelijkstellen; het naturalisme is strenger en voegt het determinisme van milieu en erfelijkheid toe — niet elk realistisch werk is meteen naturalistisch.
  • De Tachtigers bij het naturalisme rekenen omdat ze in dezelfde jaren schreven; zij keren zich juist naar binnen (schoonheid, individueel gevoel, vorm), niet naar de maatschappelijke werkelijkheid.

Actieve herhaling

Vergelijk Max Havelaar (Multatuli) met een gedicht van de Tachtigers. Leg uit welk werk bij het realisme en welk bij de Beweging van Tachtig hoort, en noem per werk twee kenmerken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 05

Modernisme, naoorlogse en hedendaagse literatuur#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Stromingen: kenmerken en auteurs

StromingenTabel met 3 kolommen en 8 rijen, Gegevens: Stroming · Kernkenmerk · Auteur (voorbeeld); Middeleeuwen · Ridders en geloof · Anoniem (Reynaert); Renaissance · Klassieke idealen · Vondel, Hooft; Verlichting · Rede en deugd · Wolff & Deken; Romantiek · Gevoel en verbeelding · Beets, Potgieter; Realisme · Werkelijkheid tonen · Multatuli; Naturalisme · Milieu en erfelijkheid · Couperus; Tachtigers · Kunst om de kunst · Kloos, Gorter; Naoorlogs · Vernieuwing, twijfel · Reve, HermansSTROMINGKERNKENMERKAUTEUR (VOORBEELD)MiddeleeuwenRidders en geloofAnoniem (Reynaert)RenaissanceKlassieke idealenVondel, HooftVerlichtingRede en deugdWolff & DekenRomantiekGevoel en verbeeldingBeets, PotgieterRealismeWerkelijkheid tonenMultatuliNaturalismeMilieu en erfelijkheidCouperusTachtigersKunst om de kunstKloos, GorterNaoorlogsVernieuwing, twijfelReve, Hermans
Afb. 2Elke stroming heeft een eigen mens- en wereldbeeld; let op het kernkenmerk en een typerende auteur.

Kernpunten

Het modernisme valt in het interbellum (omstreeks 1900–1945), de jaren rond en tussen de twee wereldoorlogen. De negentiende-eeuwse zekerheden zijn aan het wankelen gebracht, en dat zie je terug in de literatuur: schrijvers zoeken vernieuwing, experimenteren met vorm en taal, en geven uitdrukking aan twijfel en een gevoel van ontheemding in een onoverzichtelijke, versplinterde wereld. De vanzelfsprekende verhaaltrant en de mooie vorm maken plaats voor het raadselachtige, het gefragmenteerde en het zoekende. Wie een modernistisch werk herkent, ziet dus geen vertrouwde, afgeronde wereld, maar een tekst die de onzekerheid van de moderne mens vormgeeft.
Twee dichters tekenen het modernisme. Martinus Nijhoff (1894–1953) schreef met Awater (1934) een lang, raadselachtig gedicht over een man die in de grote stad op zoek gaat naar een reisgenoot; Nijhoffs bekende regel „Lees maar, er staat niet wat er staat” vat de modernistische ervaring samen dat de taal meer en anders zegt dan ze lijkt te zeggen. De Vlaming Paul van Ostaijen (1896–1928) ging in Bezette stad (1921) nog verder en brak radicaal met de traditie: hij verspreidde de woorden in wisselende lettertypen en vormen over de bladzijde (het zogeheten ritmische of expressionistische experiment), zodat de bladspiegel zelf meebetekent. Beiden laten zien hoe het modernisme de vorm openbreekt om een nieuwe, onzekere werkelijkheid uit te drukken.
Het modernisme had ook een scherp, helder proza, en dat concentreert zich rond het tijdschrift Forum (1932–1935) van Menno ter Braak (1902–1940) en E. du Perron (1899–1940). Zij voerden het beroemde debat „vorm of vent”: niet de volmaakte vorm telt voor hen, maar de „vent” — de eerlijke, herkenbare persoonlijkheid achter het werk. Daarmee keerden ze zich tegen de schoonheidscultus van de Tachtigers en pleitten ze voor oprechtheid, intelligentie en een directe stijl. Zo is ook het modernisme weer deels een reactie: net als eerdere stromingen definieert het zich mede tegen wat zijn voorgangers belangrijk vonden. Voor het examen is „vorm of vent” een handig trefwoord om Forum en het interbellum te herkennen.
Na de Tweede Wereldoorlog (vanaf 1945) ontstaan twee verschijnselen die je goed uit elkaar moet houden. In de poëzie zijn er de Vijftigers, de experimentele dichters van rond 1950 die breken met rijm, metrum en de traditionele versvorm en in plaats daarvan vrije, associatieve en beeldende gedichten schrijven; hun belangrijkste figuur is Lucebert (1924–1994), de „keizer der Vijftigers”, naast onder anderen Remco Campert (1929–2022). In het proza spreekt men van de Grote Drie: Gerard Reve (1923–2006) met De avonden (1947), W.F. Hermans (1921–1995) met De donkere kamer van Damokles (1958) en Nooit meer slapen (1966), en Harry Mulisch (1927–2010) met De aanslag (1982) en De ontdekking van de hemel (1992). In hun werk klinken de oorlog, de zinloosheid en de twijfel van de naoorlogse mens door — de vernieuwing en twijfel die de tabel hieronder bij „naoorlogs” noemt.
De hedendaagse literatuur, grofweg van de late twintigste eeuw tot nu, laat zich moeilijker in één stroming vangen: er is geen dominante beweging meer, maar een veelheid aan stemmen, stijlen en thema's. Gevestigde namen die je kunt noemen zijn bijvoorbeeld Hella Haasse (met Oeroeg, 1948), Cees Nooteboom, A.F.Th. van der Heijden, Connie Palmen en Arnon Grunberg. Dat we deze periode lastig kunnen labelen, is geen toeval: het echte periodiseren lukt pas met historische afstand, en die ontbreekt voor onze eigen tijd nog. Gebruik daarom de tabel hieronder als samenvattend overzicht van het hele onderwerp en pas bij elk fragment dezelfde werkwijze toe: bepaal het kernkenmerk, leid daaruit de stroming af en koppel er een auteur of werk aan. Wie dat beheerst, kan elk werk uit het leesdossier historisch situeren — het doel van dit hele onderwerp.
Uitgewerkt voorbeeld

Een dichter aan de Vijftigers koppelen

Gebruik de tabel hieronder. Een dichter uit de jaren vijftig schrijft vormvrije, associatieve en beeldende poëzie, breekt met rijm en metrum en wordt de „keizer der Vijftigers” genoemd. Welke stroming, en welke dichter?

  1. 01Stap 1 — Lees het kenmerk

    Vormvrij, associatief en een breuk met rijm en metrum: dat is vernieuwing, het kernkenmerk van de naoorlogse experimentele poëzie.

  2. 02Stap 2 — Bepaal de stroming met de tabel

    In de tabel hieronder horen „vernieuwing en twijfel” bij de naoorlogse literatuur. De experimentele dichters van rond 1950 binnen die periode zijn de Vijftigers.

  3. 03Stap 3 — Koppel aan de auteur

    De „keizer der Vijftigers”, het boegbeeld van die experimentele dichtersgroep, is Lucebert.

Resultaat: De Vijftigers (naoorlogse vernieuwing); Lucebert — herkend aan de vrije, associatieve vorm en de breuk met rijm en metrum.

Eindexamen-focus

  • Het examen toetst of je het modernisme (vernieuwing, twijfel, Forum, Nijhoff) kunt onderscheiden van de naoorlogse literatuur (de Vijftigers en de Grote Drie).
  • Je moet de Grote Drie (Reve, Hermans, Mulisch) en de Vijftigers (Lucebert, Campert) kunnen noemen en aan hun stroming koppelen; de tabel hieronder vat de kenmerken per stroming samen.

Veelgemaakte fouten

  • Het modernisme verwarren met „de moderne tijd” of met de hedendaagse literatuur; het modernisme is de vernieuwingsbeweging van de eerste helft van de twintigste eeuw.
  • De Vijftigers (poëzie, experimentele vorm) en de Grote Drie (proza, oorlog en twijfel) op één hoop gooien; het zijn twee verschillende naoorlogse verschijnselen.

Actieve herhaling

Kies uit de tabel hieronder twee stromingen uit de twintigste eeuw. Benoem per stroming het kernkenmerk en een auteur, en leg uit hoe je een werk aan die stroming zou herkennen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 05

    • 01Periodisering: de grote lijn van de literatuurgeschiedenis○
    • 02Middeleeuwen en renaissance (Gouden Eeuw)◐
    • 03Verlichting en romantiek◐
    • 04Realisme, naturalisme en de Tachtigers◐
    • 05Modernisme, naoorlogse en hedendaagse literatuur◐

0/5 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Literatuurgeschiedenis en literaire stromingen

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~26
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Nederlands (HAVO)

Vorig onderwerp

Literaire begrippen en tekstsoorten

Volgend onderwerp

Spelling, interpunctie en formuleren

EuraStudy·Samenvattingen T·13·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.