EuraStudy
Samenvattingen/Natuurkunde/Informatieoverdracht: trillingen, golven, geluid en het EM-spectrum
Samenvattingen · NatuurkundeNL · HAVO

Informatieoverdracht: trillingen, golven, geluid en het EM-spectrum

Dit onderwerp bouwt de natuurkunde van informatieoverdracht op van de kleinste bouwsteen tot het hele spectrum. Je begint bij de trilling — de heen-en-weer beweging met periode, frequentie en amplitude —, gaat naar de golf die die trilling door de ruimte draagt met de kernrelatie v=f⋅λv = f \cdot \lambdav=f⋅λ, past dat toe op geluid als longitudinale drukgolf, en eindigt bij het elektromagnetisch spectrum, waarin alle golven zich in vacuüm met de lichtsnelheid voortplanten. Zo begrijp je hoe signalen — van spraak tot radio en licht — informatie overdragen.

4 Onderdelen·~23 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0888 / 15
Examenprofiel
Periode, frequentie en amplitude van een trilling berekenen en aflezen uit een (u,t)-diagram.De golfsnelheid bepalen met v = f ·λen transversale van longitudinale golven onderscheiden.Geluid als longitudinale drukgolf beschrijven en afstanden uit looptijd en geluidssnelheid berekenen.Het elektromagnetisch spectrum ordenen en c = f ·λtoepassen op elektromagnetische straling.
Operatoren:berekentekenlees afleg uitverklaartoon aanberedeneerbepaal

basisniveau

Reken foutloos met f=1/Tf = 1/Tf=1/T en v=f⋅λv = f \cdot \lambdav=f⋅λ, en lees periode en amplitude correct af uit een diagram.

verhoogd niveau

Redeneer met het onderscheid transversaal/longitudinaal, de looptijd van geluid en de omgekeerde evenredigheid van fff en λ\lambdaλ in het EM-spectrum.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Informatieoverdracht: trillingen, golven, geluid en het EM-spectrum
    • 01Trillingen: periode, frequentie en amplitude○
    • 02Golven, golflengte en v = f·λ◐
    • 03Geluid◐
    • 04Het elektromagnetisch spectrum◐
§ 01

Trillingen: periode, frequentie en amplitude#

●○○BasisLPexamenblad-nl

(u,t)-diagram van een harmonische trilling

(u,t)-diagram: T = 2 s, A = 0,05 mSchaubild von u(t), Nullstellen bei x = 0, 1, 2, 3, Hochpunkt bei (0.5, 0.05), Tiefpunkt bei (1.5, -0.05), Hochpunkt bei (2.5, 0.05), Tiefpunkt bei (3.5, -0.05), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von 0 bis 40.511.522.533.54−0.06−0.04−0.020.020.040.06top (0,5; 0,05)u(t)u (m)t (s)
Afb. 1Een (u,t)-diagram van een harmonische trilling met amplitude 0,05 m en periode 2 s. De top ligt bij t = 0,5 s. De verticale afstand van de evenwichtslijn (u = 0) tot een top is de amplitude; de horizontale afstand tussen twee toppen is de periode T.

Kernpunten

Een trilling is een beweging die zich steeds herhaalt: een voorwerp beweegt heen en weer om een vaste evenwichtsstand, de plaats waar het in rust zou blijven liggen. Denk aan een massa aan een veer, een slinger of het membraan van een luidspreker. Om de beweging te beschrijven gebruik je de uitwijking uuu: dat is de afstand van het trillende voorwerp tot de evenwichtsstand op een bepaald moment, met een teken dat aangeeft naar welke kant het is uitgeweken. In de evenwichtsstand geldt u=0u = 0u=0; aan weerskanten wordt uuu positief of negatief. De grootste uitwijking die het voorwerp bereikt heet de amplitude AAA. De amplitude is dus altijd positief en gelijk aan de afstand van de evenwichtsstand tot één uiterste punt — níét de afstand tussen de twee uiterste standen. Deze eerste begrippen — evenwichtsstand, uitwijking en amplitude — vormen de taal waarin je elke trilling verder beschrijft.
Een volledige trilling is één keer het hele patroon doorlopen: vanuit de evenwichtsstand naar de ene kant, terug door het midden naar de andere kant, en weer terug — pas dan begint alles opnieuw. De tijd die één zo'n volledige trilling duurt heet de periode TTT, gemeten in seconden. Naast hoe lang één trilling duurt wil je vaak weten hoe vaak het voorwerp per seconde trilt: dat is de frequentie fff. Frequentie en periode zijn elkaars omgekeerde, want als één trilling TTT seconden duurt, passen er in één seconde precies 1/T1/T1/T trillingen. Daarom geldt f=1Tf = \dfrac{1}{T}f=T1​. De eenheid van frequentie is de hertz (Hz), en één hertz betekent één trilling per seconde, dus 1 Hz=1 s−11\ \text{Hz} = 1\ \text{s}^{-1}1 Hz=1 s−1. Een hoge frequentie hoort altijd bij een korte periode, en omgekeerd.
De belangrijkste trilling op het HAVO is de harmonische trilling: een trilling waarvan de uitwijking als functie van de tijd een zuivere sinus is. Wiskundig schrijf je dat als u(t)=A⋅sin⁡ ⁣(2π⋅tT)u(t) = A \cdot \sin\!\left(\dfrac{2\pi \cdot t}{T}\right)u(t)=A⋅sin(T2π⋅t​), waarin AAA de amplitude en TTT de periode is. Je herkent de rol van elk symbool meteen in de grafiek: de amplitude AAA bepaalt hoe hoog de toppen en hoe diep de dalen liggen, en de periode TTT bepaalt hoe breed één golfvorm is voordat het patroon zich herhaalt. Bij t=0t = 0t=0 start deze trilling in de evenwichtsstand (u=0u = 0u=0) en beweegt eerst omhoog, omdat de sinus daar door nul stijgt. Na een kwart periode is de eerste top bereikt, na een halve periode is uuu weer nul, en na een hele periode TTT is de beginsituatie precies hersteld. Die regelmaat maakt de sinusvorm het ijkbeeld van elke trilling.
In een (u,t)(u,t)(u,t)-diagram staat de uitwijking uuu verticaal en de tijd ttt horizontaal, precies zoals in de figuur. Twee grootheden lees je er rechtstreeks uit af. De amplitude AAA vind je als de verticale afstand van de evenwichtslijn (u=0u = 0u=0) tot een top; in de figuur is dat 0,05 m0{,}05\ \text{m}0,05 m. De periode TTT lees je af als de horizontale afstand tussen twee opeenvolgende punten die in dezelfde stand én dezelfde bewegingsrichting zijn — bijvoorbeeld van top tot top of van dal tot dal; in de figuur is dat 2 s2\ \text{s}2 s. Let op dat je een héle periode neemt: de afstand van een top naar het eerstvolgende dal is maar een halve periode. Heb je TTT eenmaal afgelezen, dan volgt de frequentie meteen uit f=1/Tf = 1/Tf=1/T. Zo levert één diagram je de amplitude, de periode én de frequentie.
Met deze drie grootheden — amplitude, periode en frequentie — kun je elke trilling volledig karakteriseren, en ze vormen het fundament voor de rest van dit onderwerp. Zodra een trilling zich door de ruimte gaat voortplanten ontstaat een golf, en dan komt er één grootheid bij: de golflengte. De frequentie van de golf blijft daarbij gelijk aan de frequentie van de trilling die haar veroorzaakt, dus alles wat je hier over fff en TTT leert, neem je rechtstreeks mee. Ook bij geluid (een trillende luchtkolom of snaar) en bij het elektromagnetisch spectrum (trillende elektrische en magnetische velden) blijven deze begrippen precies hetzelfde. Wie amplitude, periode en frequentie stevig beheerst en ze foutloos uit een diagram afleest, heeft de sleutel tot de hele informatieoverdracht in handen.
f=1Tf = \frac{1}{T}f=T1​

frequentie en periode

De frequentie is het aantal trillingen per seconde en is het omgekeerde van de periode; de eenheid is de hertz (Hz = 1/s).

u(t)=A⋅sin⁡ ⁣(2π⋅tT)u(t) = A \cdot \sin\!\left(\frac{2\pi \cdot t}{T}\right)u(t)=A⋅sin(T2π⋅t​)

harmonische trilling

De uitwijking van een harmonische trilling als functie van de tijd: een sinus met amplitude AAA en periode TTT.

Uitgewerkt voorbeeld

Frequentie berekenen en amplitude en periode aflezen

Een harmonische trilling heeft een periode van T=0,20 sT = 0{,}20\ \text{s}T=0,20 s. Bereken de frequentie. Lees daarna uit het (u,t)(u,t)(u,t)-diagram in de figuur de amplitude en de periode af.

  1. 01Stap 1 — Bereken de frequentie

    De frequentie is het omgekeerde van de periode. Vul T = 0,20 s in.

    f=1T=10,20 s=5,0 Hzf = \frac{1}{T} = \frac{1}{0{,}20\ \text{s}} = 5{,}0\ \text{Hz}f=T1​=0,20 s1​=5,0 Hz
  2. 02Stap 2 — Lees de amplitude af

    De amplitude is de verticale afstand van de evenwichtslijn tot een top; in de figuur reikt de top tot 0,05 m.

    A=0,05 mA = 0{,}05\ \text{m}A=0,05 m
  3. 03Stap 3 — Lees de periode af

    De periode is de horizontale afstand tussen twee opeenvolgende toppen; in de figuur is dat 2 s.

    T=2 sT = 2\ \text{s}T=2 s

Resultaat: Resultaat: bij een periode van 0,20 s0{,}20\ \text{s}0,20 s hoort een frequentie van 5,0 Hz5{,}0\ \text{Hz}5,0 Hz. Uit het diagram lees je een amplitude van 0,05 m0{,}05\ \text{m}0,05 m en een periode van 2 s2\ \text{s}2 s af — die grafiek hoort dus bij een andere trilling, met f=0,5 Hzf = 0{,}5\ \text{Hz}f=0,5 Hz. Zo zie je dat je fff zowel kunt uitrekenen als kunt aflezen.

Eindexamen-focus

  • Je moet uit een (u,t)(u,t)(u,t)-diagram de amplitude en de periode aflezen en daaruit met f=1/Tf = 1/Tf=1/T de frequentie berekenen.
  • Het CE verwacht dat je de begrippen uitwijking, amplitude, periode en frequentie correct gebruikt en een harmonische trilling herkent aan de sinusvorm.

Veelgemaakte fouten

  • De amplitude gelijkstellen aan de afstand tussen de hoogste en de laagste stand; dat is 2A2A2A, terwijl de amplitude maar de helft daarvan is.
  • Een halve periode (top tot dal) aanzien voor een hele periode TTT, waardoor TTT te klein en fff te groot wordt.
  • Periode en frequentie verwisselen of vergeten dat ze elkaars omgekeerde zijn (f=1/Tf = 1/Tf=1/T), zodat de eenheden niet meer kloppen.

Actieve herhaling

Een harmonische trilling heeft een amplitude van 0,05 m0{,}05\ \text{m}0,05 m en een periode van 2 s2\ \text{s}2 s. Teken het (u,t)(u,t)(u,t)-diagram over twee periodes en bereken de frequentie.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde HAVO (CvTE / Examenblad)

§ 02

Golven, golflengte en v = f·λ#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

(u,x)-momentopname van een golf

(u,x)-momentopname: λ = 4 mSchaubild von u(x), Nullstellen bei x = 0, 2, 4, 6, Hochpunkt bei (1, 0.05), Tiefpunkt bei (3, -0.05), Hochpunkt bei (5, 0.05), Tiefpunkt bei (7, -0.05), y-Achsenabschnitt bei y = 0, im Bereich x von 0 bis 812345678−0.06−0.04−0.020.020.040.06top (1 m)top (5 m)u(x)u (m)x (m)
Afb. 2Een (u,x)-momentopname (foto op één tijdstip) van een transversale golf met amplitude 0,05 m. De toppen liggen bij x = 1 m en x = 5 m; de afstand daartussen is de golflengte λ = 4 m. Anders dan een (u,t)-diagram toont een momentopname de golflengte, niet de periode.

Kernpunten

Een golf ontstaat wanneer een trilling zich door de ruimte voortplant. Op één plek begint iets te trillen — een steen die in het water valt, een hand die aan een touw schudt, een luidspreker die de lucht in beweging brengt — en die trilling geeft zich door aan de buurdeeltjes, die op hun beurt hún buren aan het trillen brengen. Zo reist er een patroon door de stof heen. Het cruciale inzicht is dat de golf wél energie (en daarmee informatie) transporteert, maar de stof zelf niet meeneemt: elk deeltje trilt alleen om zijn eigen evenwichtsstand en blijft gemiddeld op zijn plaats. Een kurkje op golvend water deint op en neer, maar drijft niet met de golf mee naar de kant. Dat onderscheid — het patroon en de energie bewegen, de stof niet — is de kern van wat een golf is.
Golven verdeel je naar de richting waarin de deeltjes trillen ten opzichte van de richting waarin de golf zich voortplant. Bij een transversale golf staat de trilling loodrecht op de voortplantingsrichting: de deeltjes gaan op en neer terwijl de golf horizontaal verdergaat, zoals bij een touw of bij watergolven. Bij een longitudinale golf trillen de deeltjes juist in dezelfde richting als waarin de golf loopt; dan ontstaan er afwisselend gebieden waar de deeltjes dicht op elkaar worden geperst (verdichtingen) en gebieden waar ze verder uit elkaar staan (verdunningen). Een uitgerekte veer die je aan één kant in- en uittrekt laat dit mooi zien, en geluid is er het belangrijkste voorbeeld van. Het onderscheid is niet zomaar een indeling: het bepaalt of je de golf tekent als een op-en-neer-beweging of als een patroon van verdichtingen.
Bij een golf komt er één grootheid bij ten opzichte van de losse trilling: de golflengte λ\lambdaλ (de Griekse letter lambda). De golflengte is de afstand over één volledige golf — de kortste afstand tussen twee punten die precies hetzelfde bewegen, bijvoorbeeld van top tot top of van verdichting tot verdichting. Waar de periode TTT vertelt hoeveel tijd één trilling kost, vertelt de golflengte λ\lambdaλ hoeveel ruimte één golf inneemt; de één is een tijd (in seconden), de ander een afstand (in meters). De frequentie van de golf is precies gelijk aan de frequentie van de bron die haar opwekt: trilt de bron fff keer per seconde, dan vertrekken er ook fff complete golven per seconde. Zo hangen de grootheden van de trilling (TTT, fff) en de nieuwe ruimtelijke grootheid (λ\lambdaλ) samen tot de golfsnelheid.
De golfsnelheid vvv vertelt hoe snel het golfpatroon zich verplaatst, en die volgt logisch uit de vorige begrippen. Bekijk de bron gedurende precies één periode TTT: in die tijd maakt de bron één volledige trilling, en dus is er in die tijd precies één hele golf — één golflengte λ\lambdaλ — de ruimte in geschoven. Snelheid is afstand gedeeld door tijd, dus v=λTv = \dfrac{\lambda}{T}v=Tλ​. Omdat 1T=f\dfrac{1}{T} = fT1​=f, kun je dit meteen omschrijven tot de kernformule v=f⋅λv = f \cdot \lambdav=f⋅λ. In woorden: de golfsnelheid is het product van hoe vaak er per seconde een golf vertrekt en hoe lang elke golf is. Deze afleiding laat zien dat de formule geen los feit is, maar direct volgt uit de definities van periode, frequentie en golflengte. Ze geldt voor élke golf — touwgolven, watergolven, geluid en licht.
Bij golven bestaan er twee soorten diagrammen die je scherp uit elkaar moet houden. Een (u,t)(u,t)(u,t)-diagram volgt één vast deeltje in de tijd en toont daarom de periode TTT: het is als een film van één punt dat op en neer trilt. Een (u,x)(u,x)(u,x)-diagram is daarentegen een momentopname — een foto van de hele golf op één tijdstip — en toont langs de horizontale plaats-as juist de golflengte λ\lambdaλ, zoals in de figuur. Beide grafieken zijn sinusvormig en lijken sprekend op elkaar, maar de horizontale as verschilt: bij de één staat tijd (dan lees je TTT af), bij de ander plaats (dan lees je λ\lambdaλ af). Wie de assen niet leest, haalt TTT en λ\lambdaλ door elkaar. Lees je uit de momentopname λ\lambdaλ af en ken je fff (of TTT), dan reken je de golfsnelheid uit met v=f⋅λv = f \cdot \lambdav=f⋅λ.
v=f⋅λ=λTv = f \cdot \lambda = \frac{\lambda}{T}v=f⋅λ=Tλ​

golfsnelheid

De golfsnelheid is het product van frequentie en golflengte; in één periode TTT legt de golf precies één golflengte λ\lambdaλ af.

Uitgewerkt voorbeeld

Golfsnelheid berekenen en golflengte bepalen

Een watergolf heeft f=2,5 Hzf = 2{,}5\ \text{Hz}f=2,5 Hz en λ=1,2 m\lambda = 1{,}2\ \text{m}λ=1,2 m. Bereken de golfsnelheid. Bepaal daarna de golflengte van een geluidsgolf met f=850 Hzf = 850\ \text{Hz}f=850 Hz en v=340 m/sv = 340\ \text{m/s}v=340 m/s.

  1. 01Stap 1 — Bereken de golfsnelheid van de watergolf

    Vul f en λ in de kernformule v = f·λ in.

    v=f⋅λ=2,5 Hz×1,2 m=3,0 m/sv = f \cdot \lambda = 2{,}5\ \text{Hz} \times 1{,}2\ \text{m} = 3{,}0\ \text{m/s}v=f⋅λ=2,5 Hz×1,2 m=3,0 m/s
  2. 02Stap 2 — Schrijf de formule om naar λ

    Voor de geluidsgolf is de golflengte gevraagd; deel beide kanten door f.

    λ=vf\lambda = \frac{v}{f}λ=fv​
  3. 03Stap 3 — Bereken de golflengte van het geluid

    Vul v = 340 m/s en f = 850 Hz in.

    λ=340 m/s850 Hz=0,40 m\lambda = \frac{340\ \text{m/s}}{850\ \text{Hz}} = 0{,}40\ \text{m}λ=850 Hz340 m/s​=0,40 m

Resultaat: Resultaat: de watergolf plant zich voort met 3,0 m/s3{,}0\ \text{m/s}3,0 m/s, en de geluidsgolf van 850 Hz850\ \text{Hz}850 Hz heeft een golflengte van 0,40 m0{,}40\ \text{m}0,40 m. Dezelfde formule v=f⋅λv = f \cdot \lambdav=f⋅λ dient beide vragen; je schrijft haar alleen om naar de gevraagde grootheid.

Eindexamen-focus

  • Je moet de golfsnelheid berekenen met v=f⋅λv = f \cdot \lambdav=f⋅λ, en de formule kunnen omschrijven om λ\lambdaλ of fff te bepalen.
  • Het CE verwacht dat je transversale en longitudinale golven onderscheidt en een (u,x)(u,x)(u,x)-momentopname (golflengte) van een (u,t)(u,t)(u,t)-diagram (periode) onderscheidt.

Veelgemaakte fouten

  • De golflengte λ\lambdaλ aflezen uit een (u,t)(u,t)(u,t)-diagram, of de periode TTT uit een (u,x)(u,x)(u,x)-momentopname; de horizontale as bepaalt wat je afleest.
  • v=f⋅λv = f \cdot \lambdav=f⋅λ verkeerd omschrijven, bijvoorbeeld λ=v⋅f\lambda = v \cdot fλ=v⋅f in plaats van λ=v/f\lambda = v/fλ=v/f.
  • Denken dat de stof met de golf meebeweegt; alleen het patroon en de energie verplaatsen zich, de deeltjes trillen om hun plaats.

Actieve herhaling

Een watergolf heeft een frequentie van 2,5 Hz2{,}5\ \text{Hz}2,5 Hz en een golflengte van 1,2 m1{,}2\ \text{m}1,2 m. Bereken de golfsnelheid. Bepaal daarna de golflengte van een geluidsgolf met f=850 Hzf = 850\ \text{Hz}f=850 Hz als de golfsnelheid 340 m/s340\ \text{m/s}340 m/s is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde HAVO (CvTE / Examenblad)

§ 03

Geluid#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Geluidssnelheid per medium

Geluidssnelheid per mediumTabel met 2 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Medium · v_geluid (m/s); lucht (20 °C) · 343; water · 1480; staal · 5100MEDIUMV_GELUID (M/S)lucht (20 °C)343water1480staal5100
Afb. 3De geluidssnelheid neemt toe van gas naar vloeistof naar vaste stof: in lucht ongeveer 343 m/s, in water 1480 m/s en in staal zo'n 5100 m/s. Hoe steviger de deeltjes gekoppeld zijn, hoe sneller een verstoring wordt doorgegeven.

Kernpunten

Geluid is een longitudinale golf die door een stof — het medium — reist. Een trillend voorwerp, zoals een luidsprekermembraan, een snaar of je stembanden, duwt en trekt afwisselend aan de lucht ernaast. Daardoor ontstaan er gebieden waar de luchtdeeltjes even dicht op elkaar worden geperst (verdichtingen, hoge druk), afgewisseld met gebieden waar ze verder uiteen staan (verdunningen, lage druk). Dit patroon van drukverschillen plant zich als een golf voort en bereikt uiteindelijk je trommelvlies, dat begint mee te trillen — je hoort geluid. Omdat de deeltjes heen en weer trillen in dezelfde richting als waarin het geluid loopt, is geluid longitudinaal. En omdat er deeltjes nodig zijn om het door te geven, kan geluid zich niet door vacuüm voortplanten: in de lege ruimte is er niets om te verdichten of te verdunnen, dus daar is het volkomen stil.
De snelheid waarmee geluid zich voortplant hangt sterk af van het medium en van hoe dicht en hoe stevig de deeltjes gekoppeld zitten. In lucht van kamertemperatuur is de geluidssnelheid ongeveer 343 m/s343\ \text{m/s}343 m/s; dat is snel, maar nog altijd bijna een miljoen keer trager dan licht. In water gaat geluid veel sneller — rond 1480 m/s1480\ \text{m/s}1480 m/s — en in een vaste stof als staal zelfs zo'n 5100 m/s5100\ \text{m/s}5100 m/s, zoals de tabel in de figuur laat zien. De regel is: hoe steviger de deeltjes aan elkaar gekoppeld zijn, hoe sneller ze een verstoring aan hun buren doorgeven, dus vast > vloeibaar > gas. In al deze media blijft de kernformule v=f⋅λv = f \cdot \lambdav=f⋅λ gewoon gelden; alleen de waarde van vvv verandert, en daarmee bij gelijke frequentie ook de golflengte.
Twee eigenschappen van de trilling bepalen hoe je een geluid waarneemt. De toonhoogte hangt af van de frequentie: hoe hoger de frequentie, hoe hoger de toon. Een lage bromtoon heeft een lage frequentie, een schel fluitje een hoge; het menselijk oor hoort ongeveer van 20 Hz20\ \text{Hz}20 Hz tot 20 000 Hz20\,000\ \text{Hz}20000 Hz. De luidheid (het volume) hangt af van de amplitude van de drukgolf, oftewel de sterkte van de drukverschillen: een grotere amplitude betekent een harder geluid en draagt meer energie over. De geluidssterkte druk je uit in decibel (dB), een schaal die de enorme reikwijdte van zacht tot pijnlijk hard handzaam maakt; op het HAVO gebruik je die schaal vooral kwalitatief — meer decibel is luider. Frequentie en amplitude zijn dus onafhankelijk: je kunt een hoge toon zacht of hard maken, en een lage toon net zo goed.
Een echte muzikale toon is bijna nooit één zuivere sinus. Naast de grondtoon (de laagste frequentie) klinken er zwakkere trillingen met een veelvoud van die frequentie mee, de boventonen. De verhouding waarin die boventonen aanwezig zijn geeft elk instrument zijn eigen klankkleur (timbre): daarom klinkt dezelfde noot op een gitaar anders dan op een piano. Een tweede alledaags verschijnsel is de echo: geluid weerkaatst tegen een hard oppervlak en komt met vertraging bij je terug. Uit de looptijd ttt en de geluidssnelheid vvv kun je afstanden berekenen, want s=v⋅ts = v \cdot ts=v⋅t. Bij een echo moet je er wel om denken dat het geluid de afstand héén én terug aflegt, dus de afgelegde weg is twee keer de afstand tot het oppervlak. Datzelfde principe zit achter sonar en echografie.
Geluid is daarmee een prachtig, tastbaar voorbeeld van alle golfbegrippen bij elkaar: een trilling (met frequentie en amplitude) die zich als longitudinale golf (met golflengte en golfsnelheid) door een medium voortplant en energie overdraagt. De frequentie hoor je als toonhoogte, de amplitude als luidheid, en met v=f⋅λv = f \cdot \lambdav=f⋅λ en s=v⋅ts = v \cdot ts=v⋅t reken je aan snelheden, golflengtes en afstanden. Belangrijk is het contrast met de volgende paragraaf: geluid heeft een stof nodig en gaat relatief traag, terwijl licht en andere elektromagnetische golven juist géén medium nodig hebben en zich met de enorme lichtsnelheid door vacuüm voortplanten. Dat verschil — medium nodig of niet — scheidt geluid van het elektromagnetisch spectrum.
s=v⋅ts = v \cdot ts=v⋅t

afstand uit snelheid en looptijd

De afgelegde weg is snelheid maal tijd; bij een echo legt het geluid heen én terug af, dus de afstand tot de wand is s=v⋅t2s = \dfrac{v \cdot t}{2}s=2v⋅t​.

Uitgewerkt voorbeeld

Afstand tot een rotswand uit een echo

Je hoort de echo van een schreeuw 1,2 s1{,}2\ \text{s}1,2 s nadat je hebt geroepen. De geluidssnelheid in lucht is 343 m/s343\ \text{m/s}343 m/s. Bereken de afstand tot de rotswand.

  1. 01Stap 1 — Bereken de totaal afgelegde weg

    In 1,2 s legt het geluid heen én terug af. Gebruik s = v·t voor de hele weg.

    stotaal=v⋅t=343 m/s×1,2 s=411,6 ms_{\text{totaal}} = v \cdot t = 343\ \text{m/s} \times 1{,}2\ \text{s} = 411{,}6\ \text{m}stotaal​=v⋅t=343 m/s×1,2 s=411,6 m
  2. 02Stap 2 — Deel door twee

    De afstand tot de wand is de helft van de heen-en-terugweg.

    d=stotaal2=411,6 m2=205,8 md = \frac{s_{\text{totaal}}}{2} = \frac{411{,}6\ \text{m}}{2} = 205{,}8\ \text{m}d=2stotaal​​=2411,6 m​=205,8 m
  3. 03Stap 3 — Rond af

    De gegevens hebben twee significante cijfers, dus rond het antwoord daarop af.

    d≈2,1⋅102 md \approx 2{,}1 \cdot 10^{2}\ \text{m}d≈2,1⋅102 m

Resultaat: Resultaat: de rotswand staat op ongeveer 2,1⋅102 m2{,}1 \cdot 10^{2}\ \text{m}2,1⋅102 m (ruim 200 m200\ \text{m}200 m). De sleutel is dat het geluid de afstand twee keer aflegt, dus je deelt de weg v⋅tv \cdot tv⋅t door twee.

Eindexamen-focus

  • Je moet met de geluidssnelheid en de looptijd afstanden berekenen (s=v⋅ts = v \cdot ts=v⋅t), inclusief de heen-en-terugweg bij een echo.
  • Het CE verwacht dat je geluid als longitudinale golf herkent, weet dat het een medium nodig heeft, en toonhoogte aan frequentie en luidheid aan amplitude koppelt.

Veelgemaakte fouten

  • Bij een echo de volledige looptijd voor de enkele afstand gebruiken; het geluid legt heen én terug af, dus s=v⋅t2s = \dfrac{v \cdot t}{2}s=2v⋅t​.
  • Denken dat geluid zich ook door vacuüm voortplant; zonder deeltjes is er geen medium om te verdichten, dus geen geluid.
  • Toonhoogte en luidheid verwarren: toonhoogte hoort bij de frequentie, luidheid bij de amplitude, en die twee zijn onafhankelijk.

Actieve herhaling

Je schreeuwt naar een rotswand en hoort de echo 1,2 s1{,}2\ \text{s}1,2 s later. De geluidssnelheid is 343 m/s343\ \text{m/s}343 m/s. Bereken de afstand tot de rotswand.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde HAVO (CvTE / Examenblad)

§ 04

Het elektromagnetisch spectrum#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Het elektromagnetisch spectrum

Het elektromagnetisch spectrumTabel met 3 kolommen en 7 rijen, Gegevens: Soort · Golflengte · Toepassing; radiogolven · > 1 m · radio, tv; microgolven · mm–cm · magnetron, 5G; infrarood · µm · warmtebeeld; zichtbaar · 0,4–0,7 µm · zien; ultraviolet · nm · zonnebank; röntgen · 0,01–10 nm · medische foto; gamma · < 0,01 nm · bestralingSOORTGOLFLENGTETOEPASSINGradiogolven> 1 mradio, tvmicrogolvenmm–cmmagnetron, 5Ginfraroodµmwarmtebeeldzichtbaar0,4–0,7 µmzienultravioletnmzonnebankröntgen0,01–10 nmmedische fotogamma< 0,01 nmbestraling
Afb. 4Het elektromagnetisch spectrum van lange naar korte golflengte, oftewel van lage naar hoge frequentie. Alle soorten planten zich in vacuüm met de lichtsnelheid voort; naar de kortegolfkant (uv, röntgen, gamma) neemt de fotonenergie E = h·f toe en wordt de straling ioniserend.

Kernpunten

Het elektromagnetisch spectrum omvat alle elektromagnetische golven: golven die bestaan uit samen trillende elektrische en magnetische velden. Anders dan geluid hebben deze golven géén medium nodig — ze planten zich ook door het luchtledige heelal voort, en juist daardoor bereikt zonlicht ons over de lege ruimte. In vacuüm bewegen álle elektromagnetische golven, van radiogolven tot gammastraling, met exact dezelfde snelheid: de lichtsnelheid ccc. Die waarde is c=2,998⋅108 m/sc = 2{,}998 \cdot 10^{8}\ \text{m/s}c=2,998⋅108 m/s, in berekeningen vrijwel altijd afgerond tot c=3,00⋅108 m/sc = 3{,}00 \cdot 10^{8}\ \text{m/s}c=3,00⋅108 m/s. Dat is bijna een miljoen keer sneller dan geluid, wat verklaart waarom je de bliksem eerder ziet dan je de donder hoort. Dat de snelheid vastligt, maakt het spectrum overzichtelijk: het enige wat de soorten straling onderscheidt, is hun frequentie of golflengte.
Je ordent het spectrum meestal van lange naar korte golflengte, wat tegelijk van lage naar hoge frequentie loopt. Achtereenvolgens onderscheid je: radiogolven (de langste golven, voor radio en tv), microgolven (magnetron, mobiel netwerk en 5G), infrarood (warmtestraling, afstandsbedieningen), zichtbaar licht (de smalle strook die je oog waarneemt, van rood naar violet), ultraviolet (uv, dat je huid bruin en verbrand maakt), röntgenstraling (dwars door zacht weefsel, voor medische foto's) en ten slotte gammastraling (de kortste golven, uit kernprocessen). De tabel in de figuur zet deze volgorde met bijbehorende golflengtes en toepassingen op een rij. Merk op dat het zichtbare licht maar een piepklein deel van het hele spectrum beslaat — verreweg het meeste „licht” om ons heen kunnen we helemaal niet zien.
Omdat de snelheid ccc voor alle elektromagnetische golven hetzelfde en constant is, geldt voor het hele spectrum de vertrouwde golfformule, nu met ccc in plaats van vvv: c=f⋅λc = f \cdot \lambdac=f⋅λ. Dat één van de drie grootheden vastligt heeft een belangrijk gevolg: frequentie en golflengte zijn omgekeerd evenredig. Wordt de golflengte kleiner, dan moet de frequentie in dezelfde verhouding groter worden, want hun product blijft steeds 3,00⋅108 m/s3{,}00 \cdot 10^{8}\ \text{m/s}3,00⋅108 m/s. Radiogolven met hun lange golflengte hebben dus een lage frequentie, terwijl gammastraling met haar extreem korte golflengte een enorme frequentie heeft. Ken je van een soort straling de golflengte, dan bereken je de frequentie met f=cλf = \dfrac{c}{\lambda}f=λc​, en omgekeerd met λ=cf\lambda = \dfrac{c}{f}λ=fc​. Let bij het invullen goed op de eenheden: golflengtes staan vaak in nanometer of micrometer, en die moet je eerst naar meter omrekenen.
Er is nog een tweede reden waarom de plaats in het spectrum ertoe doet. Elektromagnetische straling wordt uitgezonden en opgenomen in kleine energiepakketjes, fotonen genoemd, en de energie van één foton hangt af van de frequentie volgens E=h⋅fE = h \cdot fE=h⋅f, met hhh de constante van Planck. Hoge frequentie betekent dus energierijke fotonen, en omdat hoge frequentie samengaat met korte golflengte, zit de energierijke straling aan de kortegolfkant van het spectrum. Daar — bij ultraviolet, röntgen en gamma — worden de fotonen zo energiek dat ze elektronen uit atomen kunnen slaan; die straling heet daarom ioniserend en kan schadelijk zijn voor levende cellen. Aan de langegolfkant (radio, microgolven, infrarood) zijn de fotonen energiearm en niet-ioniserend. Zo vormt E=h⋅fE = h \cdot fE=h⋅f de brug van dit onderwerp naar de kernfysica en de stralingsleer.
Daarmee sluit dit onderwerp de cirkel. Je begon bij de trilling, zag hoe die zich als golf voortplant met v=f⋅λv = f \cdot \lambdav=f⋅λ, herkende geluid als een longitudinale golf die een medium nodig heeft, en eindigt nu bij de elektromagnetische golven die datzelfde golfgedrag vertonen maar zich zonder medium met de lichtsnelheid door vacuüm bewegen. Eén en dezelfde formule — v=f⋅λv = f \cdot \lambdav=f⋅λ, voor licht c=f⋅λc = f \cdot \lambdac=f⋅λ — beschrijft het hele veld, van watergolven tot gammastraling. Het spectrum leert je bovendien dat de golflengte niet alleen de kleur of het type straling bepaalt, maar via E=h⋅fE = h \cdot fE=h⋅f ook de energie en de mogelijke schadelijkheid. Wie de samenhang tussen frequentie, golflengte, snelheid en energie doorziet, begrijpt hoe alle vormen van informatieoverdracht — geluid, radio, licht en straling — in elkaar grijpen.
c=f⋅λc = f \cdot \lambdac=f⋅λ

golfformule voor licht

Voor elektromagnetische golven in vacuüm is de golfsnelheid de lichtsnelheid c=3,00⋅108 m/sc = 3{,}00 \cdot 10^{8}\ \text{m/s}c=3,00⋅108 m/s; frequentie en golflengte zijn omgekeerd evenredig.

Uitgewerkt voorbeeld

De frequentie van rood licht berekenen

Rood licht heeft een golflengte van λ=650 nm\lambda = 650\ \text{nm}λ=650 nm. Bereken de frequentie met c=3,00⋅108 m/sc = 3{,}00 \cdot 10^{8}\ \text{m/s}c=3,00⋅108 m/s.

  1. 01Stap 1 — Reken de golflengte om naar meter

    Eén nanometer is een miljardste meter (10⁻⁹ m). Zet 650 nm dus om voordat je invult.

    λ=650 nm=650⋅10−9 m=6,50⋅10−7 m\lambda = 650\ \text{nm} = 650 \cdot 10^{-9}\ \text{m} = 6{,}50 \cdot 10^{-7}\ \text{m}λ=650 nm=650⋅10−9 m=6,50⋅10−7 m
  2. 02Stap 2 — Schrijf de golfformule om naar f

    Uit c = f·λ volgt f door beide kanten door λ te delen.

    f=cλf = \frac{c}{\lambda}f=λc​
  3. 03Stap 3 — Vul in en reken uit

    Deel de lichtsnelheid door de omgerekende golflengte.

    f=3,00⋅108 m/s6,50⋅10−7 m≈4,6⋅1014 Hzf = \frac{3{,}00 \cdot 10^{8}\ \text{m/s}}{6{,}50 \cdot 10^{-7}\ \text{m}} \approx 4{,}6 \cdot 10^{14}\ \text{Hz}f=6,50⋅10−7 m3,00⋅108 m/s​≈4,6⋅1014 Hz

Resultaat: Resultaat: rood licht met een golflengte van 650 nm650\ \text{nm}650 nm heeft een frequentie van ongeveer 4,6⋅1014 Hz4{,}6 \cdot 10^{14}\ \text{Hz}4,6⋅1014 Hz. De cruciale stap is de omrekening 1 nm=10−9 m1\ \text{nm} = 10^{-9}\ \text{m}1 nm=10−9 m; vergeet je die, dan wijkt je antwoord een factor 10910^{9}109 af.

Eindexamen-focus

  • Je moet met c=f⋅λc = f \cdot \lambdac=f⋅λ de frequentie of golflengte van elektromagnetische straling berekenen, met correcte omrekening van nm of µm naar meter.
  • Het CE verwacht dat je de volgorde van het spectrum kent (van radiogolven tot gammastraling) en weet dat alle EM-golven in vacuüm dezelfde snelheid ccc hebben.

Veelgemaakte fouten

  • De golflengte niet naar meter omrekenen, bijvoorbeeld 650 nm650\ \text{nm}650 nm als 650 m650\ \text{m}650 m invullen in plaats van 650⋅10−9 m650 \cdot 10^{-9}\ \text{m}650⋅10−9 m.
  • De geluidssnelheid (343 m/s343\ \text{m/s}343 m/s) gebruiken voor licht in plaats van c=3,00⋅108 m/sc = 3{,}00 \cdot 10^{8}\ \text{m/s}c=3,00⋅108 m/s.
  • Denken dat een hogere frequentie een grotere golflengte betekent; fff en λ\lambdaλ zijn juist omgekeerd evenredig.

Actieve herhaling

Rood licht heeft een golflengte van 650 nm650\ \text{nm}650 nm. Bereken de frequentie van dit licht met c=3,00⋅108 m/sc = 3{,}00 \cdot 10^{8}\ \text{m/s}c=3,00⋅108 m/s.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde HAVO (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Trillingen: periode, frequentie en amplitude○
    • 02Golven, golflengte en v = f·λ◐
    • 03Geluid◐
    • 04Het elektromagnetisch spectrum◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Informatieoverdracht: trillingen, golven, geluid en het EM-spectrum

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~23
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma natuurkunde HAVO

Vorig onderwerp

Technische automatisering: meet-, stuur- en regelsystemen

Volgend onderwerp

Optica: terugkaatsing, breking, lenzen en beeldvorming

EuraStudy·Samenvattingen T·08·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.