EuraStudy
Samenvattingen/Natuurkunde/Gebruik van elektriciteit: spanning, stroom, weerstand en transport
Samenvattingen · NatuurkundeNL · HAVO

Gebruik van elektriciteit: spanning, stroom, weerstand en transport

Dit onderwerp behandelt de kern van de elektriciteitsleer voor het centraal examen: elektrische stroom als ladingstransport, spanning als energie per lading, weerstand en de wet van Ohm, en het gedrag van serie- en parallelschakelingen. Daarna koppel je vermogen en energie aan de praktijk — van de kilowattuur op de energierekening tot de reden waarom elektriciteit over grote afstand bij zeer hoge spanning wordt getransporteerd.

4 Onderdelen·~23 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0666 / 15
Examenprofiel
Rekenen met stroom, lading, spanning en energie via I = \dfrac{Q}{t} en U = \dfrac{E}{Q}, en de onderdelen van een stroomkring benoemen.De weerstand bepalen met R = \dfrac{U}{I} en R = \dfrac{\rho L}{A}, en de wet van Ohm grafisch herkennen en toepassen.Serie- en parallelschakelingen doorrekenen: vervangingsweerstand, deelstromen en deelspanningen, en de plaats van meters.Vermogen en energie berekenen (P = UI, E = Pt, kWh) en het nut van hoogspanningstransport beredeneren via Pverlies = I² R.
Operatoren:berekentekenleg uitverklaartoon aanberedeneerbepaal

basisniveau

Reken foutloos met I = Q/t, U = E/Q, R = U/I, P = U·I en E = P·t, steeds met de juiste SI-eenheden.

verhoogd niveau

Analyseer samengestelde schakelingen volledig en beredeneer kwantitatief waarom hoogspanningstransport het lijnverlies I²R minimaliseert.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Gebruik van elektriciteit: spanning, stroom, weerstand en transport
    • 01Stroom, spanning en lading○
    • 02Weerstand en de wet van Ohm◐
    • 03Serie- en parallelschakelingen◐
    • 04Vermogen, energie en energietransport◐
§ 01

Stroom, spanning en lading#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Eenvoudige stroomkring

Eenvoudige stroomkringElektrisch schema met 4 componenten, battery U = 6,0 V, switch schakelaar, bulb lampje, wireU = 6,0 Vschakelaarlampje
Afb. 1Een eenvoudige stroomkring: de batterij (6,0 V) levert de energie, de schakelaar opent en sluit de kring en het lampje zet de energie om in licht. Alleen in de gesloten lus loopt er stroom.

Kernpunten

Elektriciteit gebruiken komt erop neer dat er elektrische lading door een geleider wordt rondgepompt, die onderweg energie afgeeft aan lampjes, motoren en verwarmingselementen. De grootheid die vertelt hóe snel die lading stroomt, is de elektrische stroom, of stroomsterkte III. Ze is gedefinieerd als de hoeveelheid lading QQQ die per tijdseenheid door een dwarsdoorsnede van de draad gaat: I=QtI = \dfrac{Q}{t}I=tQ​. De eenheid is de ampère (A), en uit de definitie volgt meteen dat 1 A=1 C/s1\ \text{A} = 1\ \text{C/s}1 A=1 C/s — één ampère betekent dat er elke seconde één coulomb lading passeert. Hoe groter de stroom, hoe meer lading er per seconde langskomt. Deze formule is het startpunt van het hele onderwerp: alles wat volgt, bouwt op het idee dat stroom niets anders is dan bewegende lading.
De grootheid lading QQQ heeft als eenheid de coulomb (C). Lading is een basiseigenschap van materie: er bestaat positieve en negatieve lading, en in een metaaldraad zijn het de vrije elektronen — negatief geladen — die daadwerkelijk bewegen. Lading komt bovendien niet in willekeurige hoeveelheden voor, maar altijd in gehele veelvouden van de elementaire lading e=1,60⋅10−19 Ce = 1{,}60\cdot10^{-19}\ \text{C}e=1,60⋅10−19 C, de lading van één proton (of, met minteken, van één elektron). Een lading van 1 C1\ \text{C}1 C is daardoor een enorm aantal elektronen: 11,60⋅10−19≈6,3⋅1018\dfrac{1}{1{,}60\cdot10^{-19}} \approx 6{,}3\cdot10^{18}1,60⋅10−191​≈6,3⋅1018 stuks. Dat verklaart waarom je in gewone stroomkringen nooit losse elektronen telt maar met de vloeiende grootheid lading rekent; het aantal deeltjes is simpelweg te groot om afzonderlijk te volgen.
Om lading rond te pompen is een energiebron nodig, en de grootheid die daarbij hoort is de spanning UUU, met eenheid volt (V). De spanning tussen twee punten vertelt hoeveel elektrische energie elke coulomb lading tussen die punten omzet: U=EQU = \dfrac{E}{Q}U=QE​, zodat 1 V=1 J/C1\ \text{V} = 1\ \text{J/C}1 V=1 J/C. Een spanning van 6,0 V6{,}0\ \text{V}6,0 V over een lampje betekent dus dat elke coulomb die er doorheen gaat 6,0 J6{,}0\ \text{J}6,0 J aan energie afstaat. De bron — een batterij of het lichtnet — levert die energie en houdt de spanning in stand; de verbruiker zet ze om in licht, warmte of beweging. Let goed op het verschil met stroom: stroom is hóevéél lading er per seconde stroomt, spanning is hóevéél energie elke eenheid lading met zich meedraagt. Beide grootheden heb je nodig om een stroomkring te begrijpen.
Een werkende schakeling heet een stroomkring, en die bestaat altijd uit vier soorten onderdelen: een spanningsbron die de energie levert, geleiders (draden) die de lading rondvoeren, een of meer verbruikers die de energie omzetten, en meestal een schakelaar om de kring te openen en te sluiten. Alleen in een volledig gesloten kring kan er stroom lopen; zodra de schakelaar open staat, is de keten onderbroken en stopt de stroom overal tegelijk — een lamp die je uitschakelt, gaat onmiddellijk uit. In de figuur zie je zo'n eenvoudige kring: een batterij van 6,0 V6{,}0\ \text{V}6,0 V, een schakelaar, een lampje als verbruiker en verbindingsdraden vormen samen één gesloten lus. Deze lus is het model waarmee je elke schakeling in dit onderwerp analyseert.
Of een materiaal stroom doorlaat, hangt af van de beschikbaarheid van vrije ladingsdragers. In geleiders — vooral metalen zoals koper — zijn er zeer veel vrije elektronen, zodat lading gemakkelijk stroomt; in isolatoren zoals rubber, glas en kunststof zitten de elektronen vast en loopt er praktisch geen stroom. Daarom zijn draadkernen van koper en de omhulsels van kunststof. Ten slotte een afspraak die vaak verwarring geeft: de conventionele stroomrichting loopt in een kring van de plus- naar de minpool van de bron, dus van hoge naar lage spanning door de verbruiker. De elektronen zelf bewegen in werkelijkheid de andere kant op, omdat ze negatief zijn. Alle formules en pijlen in dit onderwerp gebruiken de conventionele richting; onthoud dat de fysieke elektronenstroom tegengesteld is, maar reken altijd met de afspraak.
I=QtI = \frac{Q}{t}I=tQ​

stroomsterkte

De stroomsterkte is de lading die per seconde door een dwarsdoorsnede gaat; eenheid ampère (1 A = 1 C/s).

U=EQU = \frac{E}{Q}U=QE​

spanning

De spanning is de omgezette energie per eenheid lading; eenheid volt (1 V = 1 J/C).

Uitgewerkt voorbeeld

Lading en energie in een lampje

Door een lampje loopt gedurende 2,02{,}02,0 minuten een stroom van 0,50 A0{,}50\ \text{A}0,50 A bij een spanning van 6,0 V6{,}0\ \text{V}6,0 V. Bereken de lading en de omgezette energie.

  1. 01Stap 1 — Zet de tijd om naar seconden

    De formule I = Q/t vereist de tijd in seconden.

    t=2,0 min=2,0×60 s=120 st = 2{,}0\ \text{min} = 2{,}0 \times 60\ \text{s} = 120\ \text{s}t=2,0 min=2,0×60 s=120 s
  2. 02Stap 2 — Bereken de lading

    Herschrijf I = Q/t naar Q = I·t en vul de gegevens in.

    Q=I⋅t=0,50 A×120 s=60 CQ = I \cdot t = 0{,}50\ \text{A} \times 120\ \text{s} = 60\ \text{C}Q=I⋅t=0,50 A×120 s=60 C
  3. 03Stap 3 — Bereken de omgezette energie

    Gebruik U = E/Q, dus E = U·Q.

    E=U⋅Q=6,0 V×60 C=360 JE = U \cdot Q = 6{,}0\ \text{V} \times 60\ \text{C} = 360\ \text{J}E=U⋅Q=6,0 V×60 C=360 J

Resultaat: Resultaat: er gaat 60 C60\ \text{C}60 C lading door het lampje en er wordt 360 J360\ \text{J}360 J energie omgezet in licht en warmte.

Eindexamen-focus

  • Je moet met I=QtI = \dfrac{Q}{t}I=tQ​ en U=EQU = \dfrac{E}{Q}U=QE​ heen en weer rekenen tussen stroom, lading, tijd, spanning en energie, steeds met de juiste eenheden.
  • Het CE verwacht dat je een stroomkring herkent en benoemt (bron, geleider, verbruiker, schakelaar) en uitlegt waarom er alleen in een gesloten kring stroom loopt.
  • Je moet het verschil tussen de conventionele stroomrichting en de werkelijke elektronenbeweging kunnen uitleggen.

Veelgemaakte fouten

  • Stroom en spanning door elkaar halen: stroom (III, in ampère) is bewegende lading per seconde, spanning (UUU, in volt) is energie per lading — het zijn verschillende grootheden.
  • De tijd in minuten laten staan in I=QtI = \dfrac{Q}{t}I=tQ​; de formule vereist de tijd in seconden, dus reken minuten eerst om.
  • Denken dat de bron lading „opmaakt”. De bron levert energie en houdt de spanning in stand; de lading zelf wordt rondgepompt en niet verbruikt.

Actieve herhaling

Door een lampje loopt gedurende 2,02{,}02,0 minuten een stroom van 0,50 A0{,}50\ \text{A}0,50 A bij een spanning van 6,0 V6{,}0\ \text{V}6,0 V. Bereken de lading die door het lampje is gegaan en de elektrische energie die daarbij is omgezet.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Weerstand en de wet van Ohm#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

(I,U)-diagram van een ohmse weerstand

(I,U)-diagram: helling = weerstandSchaubild von U = R·I, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 0.50.10.20.30.40.524681012(0,40; 9,6)U = R·IU (V)I (A)
Afb. 2Bij een ohmse weerstand liggen de meetpunten op een rechte lijn door de oorsprong. De helling van die lijn is de weerstand, hier 24 Ω. Het gemarkeerde punt (0,40 A; 9,6 V) ligt op de lijn.

Kernpunten

Als je een spanning over een verbruiker zet, gaat er een stroom lopen — maar hóe groot die stroom wordt, hangt af van hoezeer de verbruiker het ladingstransport tegenwerkt. Die tegenwerking heet de elektrische weerstand RRR, gedefinieerd als de spanning gedeeld door de stroom: R=UIR = \dfrac{U}{I}R=IU​. De eenheid is de ohm (Ω\OmegaΩ), met 1 Ω=1 V/A1\ \Omega = 1\ \text{V/A}1 Ω=1 V/A. De formule zegt: bij dezelfde spanning hoort bij een grote weerstand een kleine stroom, en bij een kleine weerstand een grote stroom. Een weerstand van 30 Ω30\ \Omega30 Ω betekent dat je 30 V30\ \text{V}30 V nodig hebt om er 1 A1\ \text{A}1 A doorheen te sturen. Weerstand is dus geen los toevoegsel maar de schakel tussen de twee grootheden uit de vorige paragraaf: ze koppelt spanning aan stroom.
Voor veel geleiders geldt een bijzonder eenvoudig verband: bij vaste temperatuur is de stroom recht evenredig met de aangelegde spanning. Dit is de wet van Ohm. Verdubbel je de spanning, dan verdubbelt de stroom; de verhouding UI\dfrac{U}{I}IU​ — de weerstand — blijft constant. Zulke geleiders heten ohmse weerstanden. Zet je hun meetpunten in een (I,U)(I,U)(I,U)-diagram, dan liggen ze op een rechte lijn door de oorsprong, en de helling van die lijn ís de weerstand: U=R⋅IU = R \cdot IU=R⋅I. In de figuur zie je zo'n rechte lijn met helling 24 Ω24\ \Omega24 Ω; bij I=0,40 AI = 0{,}40\ \text{A}I=0,40 A hoort een spanning van 24×0,40=9,6 V24 \times 0{,}40 = 9{,}6\ \text{V}24×0,40=9,6 V. Hoe steiler de lijn, hoe groter de weerstand. Deze grafische vorm is een geliefd examenonderwerp, omdat je er de weerstand rechtstreeks als helling uit afleest.
Niet elke verbruiker gehoorzaamt de wet van Ohm. Een gloeilampje is het klassieke voorbeeld van een niet-ohmse weerstand: naarmate er meer stroom doorheen loopt, wordt de gloeidraad heter, en bij een hogere temperatuur botsen de elektronen vaker tegen de trillende metaalatomen. Daardoor neemt de weerstand tóé bij toenemende stroom. In een (I,U)(I,U)(I,U)-diagram krijg je dan geen rechte lijn meer maar een naar boven afbuigende kromme: voor elke extra ampère is een steeds grotere spanningstoename nodig. De verhouding UI\dfrac{U}{I}IU​ is bij zo'n component niet meer constant, maar je kunt in elk werkpunt nog steeds de weerstand op dát moment berekenen met R=UIR = \dfrac{U}{I}R=IU​. Onthoud dus: de wet van Ohm is een handig model dat alleen geldt zolang de temperatuur — en daarmee RRR — constant blijft.
De weerstand van een draad is geen toevallige eigenschap maar volgt uit vorm en materiaal. Ze wordt groter als de draad langer is (de lading moet een langere weg afleggen) en kleiner als de draad dikker is (meer ruimte om te stromen), en ze hangt af van het materiaal via de soortelijke weerstand ρ\rhoρ: R=ρ⋅LAR = \dfrac{\rho \cdot L}{A}R=Aρ⋅L​. Hierin is LLL de lengte in meter, AAA de oppervlakte van de dwarsdoorsnede in vierkante meter en ρ\rhoρ een materiaalconstante met eenheid Ω⋅m\Omega\cdot\text{m}Ω⋅m, die je opzoekt in BINAS. Koper heeft een zeer lage soortelijke weerstand (ρ≈1,7⋅10−8 Ω⋅m\rho \approx 1{,}7\cdot10^{-8}\ \Omega\cdot\text{m}ρ≈1,7⋅10−8 Ω⋅m) en is daarom bij uitstek geschikt voor stroomdraden. Let bij het rekenen goed op de eenheden: een oppervlakte in mm2\text{mm}^2mm2 moet je eerst omrekenen naar m2\text{m}^2m2, want 1 mm2=1⋅10−6 m21\ \text{mm}^2 = 1\cdot10^{-6}\ \text{m}^21 mm2=1⋅10−6 m2.
Met deze drie ideeën samen kun je vrijwel elke enkelvoudige verbruiker doorrekenen. Uit twee gemeten grootheden bereken je de derde met R=UIR = \dfrac{U}{I}R=IU​; uit een (I,U)(I,U)(I,U)-grafiek lees je af of iets ohms is (rechte lijn) of niet (kromme) en hoe groot de weerstand is (de helling); en uit de afmetingen en het materiaal voorspel je de weerstand vooraf met R=ρLAR = \dfrac{\rho L}{A}R=AρL​. Deze samenhang is bovendien de opstap naar de volgende paragraaf. Zodra je meerdere weerstanden combineert — achter elkaar of naast elkaar — verandert de vervangingsweerstand van de schakeling, en juist met de wet van Ohm reken je dan uit hoe de stroom zich over de takken en de spanning zich over de onderdelen verdeelt.
R=UIR = \frac{U}{I}R=IU​

weerstand (definitie)

De weerstand is de verhouding van spanning tot stroom; eenheid ohm (1 Ω = 1 V/A).

R=ρ⋅LAR = \frac{\rho \cdot L}{A}R=Aρ⋅L​

soortelijke weerstand

De weerstand van een draad neemt toe met de lengte L en af met de doorsnede A; ρ is de materiaalconstante (in Ω·m) uit BINAS.

Uitgewerkt voorbeeld

Weerstand uit meting en uit afmetingen

Een ohmse weerstand trekt bij 9,0 V9{,}0\ \text{V}9,0 V een stroom van 0,30 A0{,}30\ \text{A}0,30 A. Bereken de weerstand. Bereken daarna de weerstand van een koperdraad met L=5,0 mL = 5{,}0\ \text{m}L=5,0 m en A=1,0 mm2A = 1{,}0\ \text{mm}^2A=1,0 mm2 (ρ=1,7⋅10−8 Ω⋅m\rho = 1{,}7\cdot10^{-8}\ \Omega\cdot\text{m}ρ=1,7⋅10−8 Ω⋅m).

  1. 01Stap 1 — Weerstand uit U en I

    Vul de gemeten spanning en stroom in R = U/I.

    R=UI=9,0 V0,30 A=30 ΩR = \frac{U}{I} = \frac{9{,}0\ \text{V}}{0{,}30\ \text{A}} = 30\ \OmegaR=IU​=0,30 A9,0 V​=30 Ω
  2. 02Stap 2 — Reken de doorsnede om naar m²

    Een oppervlakte in mm² moet naar m²: 1 mm² = 1·10⁻⁶ m².

    A=1,0 mm2=1,0⋅10−6 m2A = 1{,}0\ \text{mm}^2 = 1{,}0\cdot10^{-6}\ \text{m}^2A=1,0 mm2=1,0⋅10−6 m2
  3. 03Stap 3 — Weerstand van de koperdraad

    Vul lengte, doorsnede en soortelijke weerstand in R = ρL/A.

    R=ρLA=1,7⋅10−8×5,01,0⋅10−6=8,5⋅10−2 Ω≈0,085 ΩR = \frac{\rho L}{A} = \frac{1{,}7\cdot10^{-8} \times 5{,}0}{1{,}0\cdot10^{-6}} = 8{,}5\cdot10^{-2}\ \Omega \approx 0{,}085\ \OmegaR=AρL​=1,0⋅10−61,7⋅10−8×5,0​=8,5⋅10−2 Ω≈0,085 Ω

Resultaat: Resultaat: de gemeten weerstand is 30 Ω30\ \Omega30 Ω, en de koperdraad heeft een weerstand van slechts 0,085 Ω0{,}085\ \Omega0,085 Ω — verwaarloosbaar klein, wat verklaart waarom koperdraad nauwelijks energie verspilt.

Eindexamen-focus

  • Je moet met R=UIR = \dfrac{U}{I}R=IU​ rekenen en uit een (I,U)(I,U)(I,U)-grafiek de weerstand als helling bepalen én zien of een geleider ohms is.
  • Het CE verwacht dat je de soortelijke weerstand toepast met R=ρLAR = \dfrac{\rho L}{A}R=AρL​, inclusief de omrekening van mm2\text{mm}^2mm2 naar m2\text{m}^2m2.

Veelgemaakte fouten

  • De assen van de grafiek verwisselen: staat III horizontaal en UUU verticaal, dan is de weerstand de helling ΔUΔI\dfrac{\Delta U}{\Delta I}ΔIΔU​; staat het andersom, dan is de helling juist 1R\dfrac{1}{R}R1​.
  • Bij de soortelijke weerstand de oppervlakte in mm2\text{mm}^2mm2 laten staan; 1 mm2=1⋅10−6 m21\ \text{mm}^2 = 1\cdot10^{-6}\ \text{m}^21 mm2=1⋅10−6 m2, anders zit je er een factor 10610^{6}106 naast.
  • De wet van Ohm toepassen op een gloeilamp of andere niet-ohmse component en aannemen dat RRR constant blijft terwijl de temperatuur verandert.

Actieve herhaling

Een ohmse weerstand trekt bij een spanning van 9,0 V9{,}0\ \text{V}9,0 V een stroom van 0,30 A0{,}30\ \text{A}0,30 A. Bereken de weerstand. Bereken vervolgens de weerstand van een koperdraad met lengte 5,0 m5{,}0\ \text{m}5,0 m en doorsnede 1,0 mm21{,}0\ \text{mm}^21,0 mm2, met ρkoper=1,7⋅10−8 Ω⋅m\rho_{\text{koper}} = 1{,}7\cdot10^{-8}\ \Omega\cdot\text{m}ρkoper​=1,7⋅10−8 Ω⋅m.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Serie- en parallelschakelingen#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Serieschakeling van twee weerstanden

SerieschakelingElektrisch schema met 5 componenten, battery U = 12 V, resistor R1 = 20 Ω, resistor R2 = 40 Ω, wire, wireU = 12 VR1 = 20 ΩR2 = 40 Ω
Afb. 3Serieschakeling van twee weerstanden. Er is maar één pad, dus door R1 en R2 loopt dezelfde stroom; de bronspanning van 12 V verdeelt zich over de twee weerstanden.

Kernpunten

Zodra een schakeling meer dan één verbruiker bevat, moet je weten hoe die zijn verbonden, want dat bepaalt hoe stroom en spanning zich verdelen. De eerste basisvorm is de serieschakeling: de onderdelen staan achter elkaar in één enkele lus, zoals de twee weerstanden in de figuur. Omdat er maar één pad is, gaat door elk onderdeel exact dezelfde stroom — de lading kan nergens „afslaan”. De aangelegde spanning van de bron verdeelt zich juist wél: elke weerstand krijgt een deel, en samen zijn die deelspanningen gelijk aan de bronspanning. Voor de totale tegenwerking geldt dat de vervangingsweerstand simpelweg de som is: Rv=R1+R2+…R_v = R_1 + R_2 + \ldotsRv​=R1​+R2​+…. Meer weerstanden in serie betekent dus altijd een grotere totale weerstand en daardoor een kleinere stroom.
Hoe de spanning zich in een serieschakeling verdeelt, volgt rechtstreeks uit de wet van Ohm. Omdat door beide weerstanden dezelfde stroom III loopt, is de deelspanning over elke weerstand U=I⋅RU = I \cdot RU=I⋅R, en dus krijgt de grootste weerstand de grootste spanning. Twee weerstanden in serie vormen op die manier een spanningsdeler: ze splitsen de bronspanning in een vaste verhouding, precies volgens de verhouding van hun weerstanden. Staat er bijvoorbeeld 12 V12\ \text{V}12 V over R1=20 ΩR_1 = 20\ \OmegaR1​=20 Ω en R2=40 ΩR_2 = 40\ \OmegaR2​=40 Ω, dan valt tweemaal zoveel spanning over R2R_2R2​ als over R1R_1R1​. Deze spanningsdeler is een veelgebruikte schakeling, bijvoorbeeld om met een sensor (zoals een LDR of NTC) een regelbare spanning te maken die je verder kunt uitlezen.
De tweede basisvorm is de parallelschakeling: de onderdelen staan naast elkaar tussen dezelfde twee knooppunten, zodat elke tak rechtstreeks op de bron is aangesloten. Nu geldt het omgekeerde van de serieschakeling: over elke tak staat dezelfde spanning (namelijk de bronspanning), terwijl de stroom zich verdeelt over de takken. Door de tak met de kleinste weerstand loopt de grootste stroom. De totale stroom is de som van de stromen door de afzonderlijke takken, en voor de vervangingsweerstand geldt 1Rv=1R1+1R2+…\dfrac{1}{R_v} = \dfrac{1}{R_1} + \dfrac{1}{R_2} + \ldotsRv​1​=R1​1​+R2​1​+…. Een verrassend maar belangrijk gevolg: de vervangingsweerstand van een parallelschakeling is altijd kleiner dan de kleinste afzonderlijke weerstand, want je maakt er een extra pad bij waardoor er in totaal méér stroom kan lopen.
Bij het meten in een schakeling hoort elk instrument op een vaste plek, en dat volgt logisch uit wat het meet. Een stroommeter (ampèremeter) meet de stroom die ergens doorheen gaat en moet die stroom dus zélf ondervinden: je plaatst hem in serie, in de tak waarvan je de stroom wilt weten. Een ideale ampèremeter heeft daarbij een verwaarloosbaar kleine weerstand, zodat hij de kring niet verstoort. Een spanningsmeter (voltmeter) meet daarentegen het spanningsverschil tússen twee punten en zet je daarom parallel over het onderdeel waarvan je de spanning wilt meten. Een ideale voltmeter heeft juist een zeer grote weerstand, zodat er nauwelijks stroom door hem weglekt. Verwissel je de twee, dan meet je onzin of maak je kortsluiting; onthoud daarom: „ampèremeter in serie, voltmeter parallel”.
De aanpak voor elke samengestelde schakeling is nu vast. Vervang eerst groepen weerstanden stap voor stap door hun vervangingsweerstand — optellen bij serie, de omgekeerdenregel bij parallel — tot er één totale weerstand overblijft. Met I=URvI = \dfrac{U}{R_v}I=Rv​U​ bereken je dan de hoofdstroom uit de bron, en vervolgens werk je terug naar binnen: in een serietak is de stroom overal gelijk en verdeel je de spanning, in een parallelgroep is de spanning gelijk en verdeel je de stroom. Zo bepaal je systematisch elke deelstroom en deelspanning. In het uitgewerkte voorbeeld zie je dit voor twee weerstanden, eerst in serie en daarna parallel, met duidelijk verschillende uitkomsten. In de volgende paragraaf gebruik je deze deelstromen en deelspanningen om het vermogen en de energie per onderdeel te berekenen.
Rv=R1+R2+…R_v = R_1 + R_2 + \ldotsRv​=R1​+R2​+…

vervangingsweerstand — serie

In serie tellen de weerstanden op; de vervangingsweerstand is groter dan elke afzonderlijke weerstand.

1Rv=1R1+1R2+…\frac{1}{R_v} = \frac{1}{R_1} + \frac{1}{R_2} + \ldotsRv​1​=R1​1​+R2​1​+…

vervangingsweerstand — parallel

Bij parallel tel je de omgekeerden op en keer je daarna om; de vervangingsweerstand is kleiner dan de kleinste tak.

Uitgewerkt voorbeeld

Serie- en parallelschakeling doorrekenen

R1=20 ΩR_1 = 20\ \OmegaR1​=20 Ω en R2=40 ΩR_2 = 40\ \OmegaR2​=40 Ω staan in serie op U=12 VU = 12\ \text{V}U=12 V. Bereken RvR_vRv​, de stroom III en de deelspanningen U1U_1U1​ en U2U_2U2​. Bereken daarna RvR_vRv​ als dezelfde weerstanden parallel staan.

  1. 01Stap 1 — Vervangingsweerstand (serie)

    In serie tel je de weerstanden op.

    Rv=R1+R2=20 Ω+40 Ω=60 ΩR_v = R_1 + R_2 = 20\ \Omega + 40\ \Omega = 60\ \OmegaRv​=R1​+R2​=20 Ω+40 Ω=60 Ω
  2. 02Stap 2 — Hoofdstroom

    Pas de wet van Ohm toe op de hele kring.

    I=URv=12 V60 Ω=0,20 AI = \frac{U}{R_v} = \frac{12\ \text{V}}{60\ \Omega} = 0{,}20\ \text{A}I=Rv​U​=60 Ω12 V​=0,20 A
  3. 03Stap 3 — Deelspanningen

    Door beide weerstanden loopt dezelfde stroom; U = I·R per weerstand. Samen weer 12 V.

    U1=IR1=0,20×20=4,0 V,U2=IR2=0,20×40=8,0 VU_1 = I R_1 = 0{,}20 \times 20 = 4{,}0\ \text{V}, \quad U_2 = I R_2 = 0{,}20 \times 40 = 8{,}0\ \text{V}U1​=IR1​=0,20×20=4,0 V,U2​=IR2​=0,20×40=8,0 V
  4. 04Stap 4 — Parallel geschakeld

    Tel de omgekeerden op en keer het resultaat om.

    1Rv=120+140=340  ⇒  Rv=403≈13,3 Ω\frac{1}{R_v} = \frac{1}{20} + \frac{1}{40} = \frac{3}{40} \;\Rightarrow\; R_v = \frac{40}{3} \approx 13{,}3\ \OmegaRv​1​=201​+401​=403​⇒Rv​=340​≈13,3 Ω

Resultaat: Resultaat: in serie is Rv=60 ΩR_v = 60\ \OmegaRv​=60 Ω, loopt er 0,20 A0{,}20\ \text{A}0,20 A en verdeelt de 12 V12\ \text{V}12 V zich als 4,0 V4{,}0\ \text{V}4,0 V en 8,0 V8{,}0\ \text{V}8,0 V. Parallel geschakeld zakt de vervangingsweerstand naar 13,3 Ω13{,}3\ \Omega13,3 Ω — kleiner dan de kleinste tak van 20 Ω20\ \Omega20 Ω.

Eindexamen-focus

  • Je moet de vervangingsweerstand bepalen: optellen bij serie (Rv=R1+R2R_v = R_1 + R_2Rv​=R1​+R2​) en de omgekeerdenregel bij parallel (1Rv=1R1+1R2\dfrac{1}{R_v} = \dfrac{1}{R_1} + \dfrac{1}{R_2}Rv​1​=R1​1​+R2​1​).
  • Het CE verwacht dat je in een gegeven schakeling de deelstromen en deelspanningen berekent en weet waar een ampèremeter (in serie) en een voltmeter (parallel) horen.

Veelgemaakte fouten

  • Bij een parallelschakeling de weerstanden gewoon optellen, of stoppen na het optellen van de omgekeerden en 1Rv\dfrac{1}{R_v}Rv​1​ als antwoord geven in plaats van dat nog om te keren tot RvR_vRv​.
  • Denken dat de stroom in een serieschakeling „opraakt” of kleiner wordt na elke weerstand; de stroom is overal in de serietak gelijk, alleen de spanning verdeelt zich.
  • De ampèremeter en voltmeter verwisselen: een voltmeter in serie laat de kring vrijwel stilvallen (grote weerstand), een ampèremeter parallel veroorzaakt kortsluiting (kleine weerstand).

Actieve herhaling

Twee weerstanden R1=20 ΩR_1 = 20\ \OmegaR1​=20 Ω en R2=40 ΩR_2 = 40\ \OmegaR2​=40 Ω zijn in serie aangesloten op een bron van 12 V12\ \text{V}12 V. Bereken de vervangingsweerstand, de stroom en de deelspanning over elke weerstand. Bereken daarna de vervangingsweerstand als dezelfde weerstanden parallel worden geschakeld.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Vermogen, energie en energietransport#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Energietransport van centrale naar woning

Energietransport van centrale naar woningGraaf, centrale → optransformator, optransformator → hoogspanningslijn, hoogspanningslijn → aftransformator, aftransformator → woningcentraleoptransformatorhoogspanningslijnaftransformatorwoningopwekkenhoge U, lage Iweinig verlies230 V
Afb. 4Het net transporteert energie in een keten: de optransformator brengt de spanning omhoog (en de stroom omlaag) voor de hoogspanningslijn, waar het lijnverlies daardoor klein blijft; de aftransformator brengt de spanning weer terug naar 230 V voor in huis.

Kernpunten

De laatste stap is te bepalen hoe snel een verbruiker energie omzet — dat is het elektrisch vermogen PPP, met eenheid watt (W). Het vermogen is de omgezette energie per seconde, en voor elk elektrisch onderdeel geldt P=U⋅IP = U \cdot IP=U⋅I: het product van de spanning eróver en de stroom erdoorheen. De redenering erachter is kort: elke coulomb draagt UUU joule (dat was de betekenis van spanning), en er passeren III coulomb per seconde (dat was de betekenis van stroom), dus per seconde komt er U⋅IU \cdot IU⋅I joule vrij. Een lamp van 230 V230\ \text{V}230 V waardoor 0,26 A0{,}26\ \text{A}0,26 A loopt, heeft zo een vermogen van ongeveer 60 W60\ \text{W}60 W. Het vermogen vertelt dus hoe „sterk” een apparaat is: hoeveel licht, warmte of beweging het per seconde levert.
Door de wet van Ohm in P=U⋅IP = U \cdot IP=U⋅I te substitueren, krijg je twee even geldige gedaanten die vaak handiger zijn. Vervang je UUU door I⋅RI \cdot RI⋅R, dan volgt P=I2⋅RP = I^2 \cdot RP=I2⋅R; vervang je in plaats daarvan III door UR\dfrac{U}{R}RU​, dan volgt P=U2RP = \dfrac{U^2}{R}P=RU2​. Alle drie de vormen — P=UIP = U IP=UI, P=I2RP = I^2 RP=I2R en P=U2RP = \dfrac{U^2}{R}P=RU2​ — geven hetzelfde vermogen; je kiest de vorm waarvoor je de gegevens hebt. De vorm P=I2RP = I^2 RP=I2R is bijzonder leerzaam: hij laat zien dat het vermogen dat in een vaste weerstand in warmte wordt omgezet, kwadratisch met de stroom toeneemt. Twee keer zoveel stroom door dezelfde weerstand betekent viermaal zoveel warmteontwikkeling. Precies dat kwadratische verband is de sleutel tot het slot van dit onderwerp: het energietransport over hoogspanningslijnen.
Uit vermogen volgt energie door te vermenigvuldigen met de tijd: E=P⋅tE = P \cdot tE=P⋅t. Reken je met vermogen in watt en tijd in seconden, dan komt de energie in joule (J) uit. In het dagelijks leven is de joule echter een onhandig kleine eenheid, en daarom rekent het energiebedrijf met de kilowattuur (kWh): de energie die een apparaat van 1 kW1\ \text{kW}1 kW in één uur verbruikt. Omdat 1 uur=3600 s1\ \text{uur} = 3600\ \text{s}1 uur=3600 s, geldt 1 kWh=1000 W×3600 s=3,6⋅106 J1\ \text{kWh} = 1000\ \text{W} \times 3600\ \text{s} = 3{,}6\cdot10^{6}\ \text{J}1 kWh=1000 W×3600 s=3,6⋅106 J. Op je energierekening staat dus niet het vermogen van je apparaten, maar de opgetelde energie in kWh, en de kosten volgen uit die energie maal de prijs per kWh. Zo verbindt dit stukje natuurkunde de formules rechtstreeks met de rekening thuis.
Nu wordt het kwadratische verband uit de tweede alinea beslissend. Om elektriciteit van de centrale naar de huizen te brengen, moet een vermogen P=U⋅IP = U \cdot IP=U⋅I door lange kabels die zelf een weerstand RRR hebben. In die kabels gaat onvermijdelijk energie verloren als warmte, en dat lijnverlies bedraagt Pverlies=I2⋅RP_{\text{verlies}} = I^2 \cdot RPverlies​=I2⋅R — het hangt af van de stroom in de lijn, níet van de transportspanning. Wil je hetzelfde vermogen transporteren met minder verlies, dan moet de stroom omlaag, en omdat P=U⋅IP = U \cdot IP=U⋅I vastligt, kan dat alleen door de spanning fors op te voeren. Verhoog je de transportspanning honderd keer, dan daalt de stroom honderd keer, en omdat het verlies met het kwádraat van de stroom meegaat, wordt het lijnverlies tienduizend keer kleiner. Dáárom transporteert men energie over grote afstand bij zeer hoge spanning.
De schakel die dit mogelijk maakt, is de transformator. Vlak bij de centrale voert een „optransformator” de spanning op tot honderdduizenden volt voor het transport over de hoogspanningslijnen; vlak bij de wijk brengt een „aftransformator” de spanning weer terug naar de veilige 230 V230\ \text{V}230 V van het stopcontact. Een transformator kan de spanning verhogen of verlagen, maar levert geen gratis energie: bij benadering blijft het vermogen behouden, dus als de spanning omhooggaat, gaat de stroom evenredig omlaag, en omgekeerd. In de figuur zie je deze keten: centrale, optransformator, hoogspanningslijn, aftransformator en woning. Hiermee is de cirkel rond — van de definitie van stroom en spanning, via weerstand en schakelingen, tot het vermogen dat bepaalt hoeveel energie er wordt omgezet en hoe je die met zo min mogelijk verlies over honderden kilometers vervoert.
P=U⋅I=I2⋅R=U2RP = U \cdot I = I^2 \cdot R = \frac{U^2}{R}P=U⋅I=I2⋅R=RU2​

elektrisch vermogen

Het vermogen is de omgezette energie per seconde; via de wet van Ohm zijn de drie vormen gelijkwaardig. Eenheid watt (1 W = 1 J/s).

E=P⋅tE = P \cdot tE=P⋅t

elektrische energie

Energie is vermogen maal tijd; in joule (watt maal seconde) of in kWh (kilowatt maal uur), met 1 kWh = 3,6·10⁶ J.

Pverlies=I2⋅RP_{\text{verlies}} = I^2 \cdot RPverlies​=I2⋅R

lijnverlies bij transport

Het warmteverlies in een transportlijn hangt kwadratisch af van de stroom; daarom transporteert men bij hoge spanning en lage stroom.

Uitgewerkt voorbeeld

Energiekosten en het nut van hoge transportspanning

Een apparaat van 1500 W1500\ \text{W}1500 W staat 2,02{,}02,0 uur aan (tarief € 0,30 per kWh). Bereken de energie in kWh en de kosten. Vergelijk daarna het lijnverlies bij het transport van 100 kW100\ \text{kW}100 kW door een lijn met R=2,0 ΩR = 2{,}0\ \OmegaR=2,0 Ω bij 1000 V1000\ \text{V}1000 V en bij 100 kV100\ \text{kV}100 kV.

  1. 01Stap 1 — Energie van het apparaat

    Reken met vermogen in kW en tijd in uren: 1500 W = 1,5 kW.

    E=P⋅t=1,5 kW×2,0 h=3,0 kWhE = P \cdot t = 1{,}5\ \text{kW} \times 2{,}0\ \text{h} = 3{,}0\ \text{kWh}E=P⋅t=1,5 kW×2,0 h=3,0 kWh
  2. 02Stap 2 — Kosten

    Vermenigvuldig de energie met de prijs per kWh.

    kosten=3,0 kWh×0,30 euro/kWh=0,90 euro\text{kosten} = 3{,}0\ \text{kWh} \times 0{,}30\ \text{euro/kWh} = 0{,}90\ \text{euro}kosten=3,0 kWh×0,30 euro/kWh=0,90 euro
  3. 03Stap 3 — Stroom in de lijn bij elke spanning

    Uit P = U·I volgt I = P/U. Reken met P = 100 kW = 1,0·10⁵ W.

    I1=1,0⋅1051000=100 A,I2=1,0⋅1051,0⋅105=1,0 AI_1 = \frac{1{,}0\cdot10^{5}}{1000} = 100\ \text{A}, \quad I_2 = \frac{1{,}0\cdot10^{5}}{1{,}0\cdot10^{5}} = 1{,}0\ \text{A}I1​=10001,0⋅105​=100 A,I2​=1,0⋅1051,0⋅105​=1,0 A
  4. 04Stap 4 — Lijnverlies vergelijken

    Vul elke stroom in P_verlies = I²·R met R = 2,0 Ω.

    P1=1002×2,0=2,0⋅104 W=20 kW,P2=1,02×2,0=2,0 WP_1 = 100^2 \times 2{,}0 = 2{,}0\cdot10^{4}\ \text{W} = 20\ \text{kW}, \quad P_2 = 1{,}0^2 \times 2{,}0 = 2{,}0\ \text{W}P1​=1002×2,0=2,0⋅104 W=20 kW,P2​=1,02×2,0=2,0 W

Resultaat: Resultaat: het apparaat verbruikt 3,0 kWh3{,}0\ \text{kWh}3,0 kWh, wat € 0,90 kost. Bij 1000 V1000\ \text{V}1000 V gaat er 20 kW20\ \text{kW}20 kW in de lijn verloren, bij 100 kV100\ \text{kV}100 kV nog maar 2,0 W2{,}0\ \text{W}2,0 W: honderd keer meer spanning geeft tienduizend keer minder verlies.

Eindexamen-focus

  • Je moet het vermogen berekenen met de drie vormen P=UIP = U IP=UI, P=I2RP = I^2 RP=I2R en P=U2RP = \dfrac{U^2}{R}P=RU2​, en de energie met E=P⋅tE = P \cdot tE=P⋅t, ook in kWh.
  • Het CE verwacht dat je beredeneert waarom transport bij hoge spanning (lage stroom) plaatsvindt: het lijnverlies Pverlies=I2RP_{\text{verlies}} = I^2 RPverlies​=I2R daalt kwadratisch met de stroom.

Veelgemaakte fouten

  • Bij het lijnverlies de transportspanning in P=I2RP = I^2 RP=I2R invullen; het verlies hangt af van de stróom door de lijn en de weerstand van de lijn, niet van de transportspanning.
  • Vermogen en energie verwarren: vermogen (PPP, in watt) is energie per seconde, energie (EEE, in joule of kWh) is vermogen maal tijd.
  • Bij kWh de tijd in seconden gebruiken of vergeten dat 1 kWh=3,6⋅106 J1\ \text{kWh} = 3{,}6\cdot10^{6}\ \text{J}1 kWh=3,6⋅106 J; voor kWh reken je met vermogen in kW en tijd in uren.

Actieve herhaling

Een apparaat van 1500 W1500\ \text{W}1500 W staat 2,02{,}02,0 uur aan bij een tarief van € 0,30 per kWh. Bereken de verbruikte energie in kWh en de kosten. Beredeneer daarna voor een transportlijn met R=2,0 ΩR = 2{,}0\ \OmegaR=2,0 Ω die een vermogen van 100 kW100\ \text{kW}100 kW transporteert, hoe groot het lijnverlies is bij 1000 V1000\ \text{V}1000 V en bij 100 kV100\ \text{kV}100 kV.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Stroom, spanning en lading○
    • 02Weerstand en de wet van Ohm◐
    • 03Serie- en parallelschakelingen◐
    • 04Vermogen, energie en energietransport◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Gebruik van elektriciteit: spanning, stroom, weerstand en transport

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~23
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma natuurkunde (HAVO)

Vorig onderwerp

Functionele materialen: materialen met een functie

Volgend onderwerp

Technische automatisering: meet-, stuur- en regelsystemen

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.