EuraStudy
Samenvattingen/Muziek/Notatie en het lezen van een partituur
Samenvattingen · MuziekNL · HAVO

Notatie en het lezen van een partituur

Dit onderwerp behandelt het muziekschrift: de notenbalk, de sleutels, de manier waarop toonhoogte en duur worden opgeschreven, en de opbouw van een partituur. Je leert hoe het notenschrift werkt en hoe je een partituur globaal leest — welke instrumenten waar staan, wie de melodie heeft. Notatie wordt hier in tekst en tabellen uitgelegd; het is de schriftelijke tegenhanger van alles wat je over toonhoogte en ritme leerde.

3 Onderdelen·~12 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 1 · Verdieping 1

T·0999 / 15
Examenprofiel
De notenbalk, de sleutels (g-sleutel, f-sleutel) en het principe van toonhoogtenotatie begrijpenDe notatie van notenwaarden, rusten, maatsoort en voortekens herkennenDe opbouw van een partituur begrijpen (systemen, instrumentvolgorde)Een eenvoudige partituur globaal lezen: wie speelt de melodie, wie de begeleiding
Operatoren:benoemleesleg uitherkenbepaal

basisniveau

Beheers de hoofdlijn: waarvoor dient een sleutel, hoe geeft de plaats op de balk de toonhoogte, hoe geven notenwaarden de duur.

verhoogd niveau

Wie een instrument bespeelt, leest al noten; koppel die vaardigheid aan het globaal overzien van een partituur (systemen, instrumentgroepen).

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Notatie en het lezen van een partituur
    • 01De notenbalk en de sleutels○
    • 02Het noteren van duur, maat en toonsoort◐
    • 03De opbouw van een partituur●
§ 01

De notenbalk en de sleutels#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Het westerse muziekschrift noteert toonhoogte op een notenbalk: vijf horizontale lijnen met de tussenruimtes ertussen. Hoe hoger een noot op de balk staat (op een hogere lijn of in een hogere tussenruimte), hoe hoger de toon klinkt; hoe lager op de balk, hoe lager de toon. Zo wordt de abstracte parameter ‚hoog-laag’ zichtbaar als ‚boven-onder’ op papier. Voor tonen die boven of onder de vijf lijnen uitkomen, worden korte extra streepjes gebruikt, de hulplijnen. Maar de balk alleen zegt nog niet wélke tonen de lijnen voorstellen: daarvoor is een sleutel nodig. Zie afbeelding 1 (Afb. 1) voor de belangrijkste sleutels en waarvoor ze dienen. De notenbalk plus de sleutel vormen samen het coördinatenstelsel waarin elke noot een vaste plek — en dus een vaste toonhoogte — krijgt.

De sleutels en waarvoor ze dienen

Tabel met 3 kolommen en 3 rijen, gemarkeerde cel: hoge instrumenten, sopraanTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Sleutel · Legt vast · Gebruik; G-sleutel (viool) · g op de 2e lijn · hoge instrumenten, sopraan; F-sleutel (bas) · f op de 4e lijn · lage instrumenten, bas; C-sleutel (alt) · centrale c · altviool, gemarkeerde cel: hoge instrumenten, sopraanSLEUTELLEGT VASTGEBRUIKG-sleutel (viool)g op de 2e lijnhoge instrumenten, sopraanF-sleutel (bas)f op de 4e lijnlage instrumenten, basC-sleutel (alt)centrale caltviool
Afb. 1Afb. 1 — De sleutels leggen de toonhoogten op de balk vast: vioolsleutel hoog, bassleutel laag.
Een sleutel staat aan het begin van elke notenbalk en legt vast welke toon op welke lijn ligt; daarmee bepaalt hij het toonhoogtebereik van de balk. De meest gebruikte is de g-sleutel (vioolsleutel): hij krult om de tweede lijn van onderen en legt vast dat op die lijn de toon g ligt (de g boven de centrale c van het klavier). De vioolsleutel wordt gebruikt voor hogere instrumenten en stemmen (viool, fluit, sopraan, de rechterhand van de piano). De f-sleutel (bassleutel) legt met zijn twee puntjes de vierde lijn van onderen vast als de toon f (de f onder de centrale c) en wordt gebruikt voor lagere instrumenten en stemmen (cello, contrabas, fagot, bas, de linkerhand van de piano). Er bestaan ook c-sleutels (zoals de altsleutel voor de altviool), maar de g- en de f-sleutel zijn veruit het belangrijkst. Door de juiste sleutel hoeft een instrument nauwelijks hulplijnen te gebruiken en blijven de noten leesbaar binnen de vijf lijnen.
Toetsinstrumenten en veel koorpartijen gebruiken twee balken tegelijk, verbonden tot een systeem. Bij de piano staat de bovenste balk in de vioolsleutel (meestal de rechterhand, hogere tonen) en de onderste in de bassleutel (meestal de linkerhand, lagere tonen); samen dekken ze het brede bereik van het klavier. Tussen de twee balken, precies op de denkbeeldige middenlijn, ligt de centrale c (de c van het midden van het klavier), het scharnierpunt tussen de vioolsleutel en de bassleutel. Wie een partituur leest, herkent aan de sleutels meteen het bereik van elke balk: een balk met een vioolsleutel bevat de hogere partijen, een balk met een bassleutel de lagere. Deze basiskennis — de notenbalk toont hoog/laag, de sleutel legt de toonhoogten vast, twee balken vormen een systeem — is genoeg om te begrijpen hoe toonhoogte wordt genoteerd, ook zonder zelf vlot van blad te kunnen spelen.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarom dezelfde lijn twee tonen kan zijn

Een noot staat op de middelste lijn van de balk. Waarom kun je zonder de sleutel niet zeggen welke toon dit is?

  1. 01Balk zonder sleutel

    De vijf lijnen geven alleen relatieve hoogte aan (hoger op de balk = hogere toon), maar niet wélke absolute tonen.

  2. 02Met vioolsleutel

    In de vioolsleutel ligt op de tweede lijn de g; de middelste (derde) lijn is dan de toon b.

  3. 03Met bassleutel

    In de bassleutel ligt op de vierde lijn de f; de middelste (derde) lijn is dan de toon d — een heel andere toon.

Resultaat: Dezelfde middelste lijn stelt in de vioolsleutel de b voor en in de bassleutel de d. De sleutel is dus onmisbaar: hij verankert de balk aan absolute toonhoogtes, zodat elke noot een eenduidige toon krijgt.

Eindexamen-focus

  • Je begrijpt dat de plaats op de notenbalk (boven/onder) de toonhoogte (hoog/laag) weergeeft en dat de sleutel de toonhoogten van de lijnen vastlegt.
  • Je kent de g-sleutel (vioolsleutel, hogere partijen) en de f-sleutel (bassleutel, lagere partijen) en het begrip centrale c.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat een noot op dezelfde lijn altijd dezelfde toon is, ongeacht de sleutel; de sleutel bepaalt juist wélke toon op welke lijn ligt — dezelfde lijn is in vioolsleutel een andere toon dan in bassleutel.
  • De vioolsleutel voor lage en de bassleutel voor hoge partijen aanzien; het is andersom — vioolsleutel voor hoge, bassleutel voor lage instrumenten en stemmen.

Actieve herhaling

Leg in eigen woorden uit waarom een notenbalk zonder sleutel geen toonhoogtes kan aangeven. Beschrijf welk instrument of welke stem je in de vioolsleutel en welke je in de bassleutel zou noteren, en waarom.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Muziek havo — notatie (CvTE / Examenblad)

§ 02

Het noteren van duur, maat en toonsoort#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Naast de toonhoogte moet het schrift de duur van elke noot vastleggen, en dat gebeurt met de vorm van de noot: de notenwaarde. Een hele noot is een open ovaal zonder stok; een halve noot een open ovaal met een stok; een kwartnoot een gevuld (zwart) ovaal met een stok; een achtste noot een gevulde kop met een stok én een vlaggetje; een zestiende noot met twee vlaggetjes. Reeksen achtsten en zestiensten worden vaak met balken verbonden in plaats van losse vlaggetjes, wat de maatindeling zichtbaar maakt. Zie afbeelding 2 (Afb. 2) voor de notatie van de notenwaarden en rusten. Voor stiltes zijn er rusttekens met dezelfde waarden (hele rust, halve rust, kwartrust). Zo staat in het notenbeeld precies hoe lang elke toon en elke stilte duurt, in de relatieve verhoudingen die je bij ritme leerde.

Notatie van notenwaarden en rusten

Tabel met 3 kolommen en 5 rijen, gemarkeerde cel: 1 telTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Notenwaarde · Notatie · Duur (relatief); Hele noot · open, geen stok · 4 tellen; Halve noot · open, met stok · 2 tellen; Kwartnoot · gevuld, met stok · 1 tel; Achtste noot · gevuld, stok, vlag · halve tel; Zestiende noot · gevuld, twee vlaggen · kwart tel, gemarkeerde cel: 1 telNOTENWAARDENOTATIEDUUR (RELATIEF)Hele nootopen, geen stok4 tellenHalve nootopen, met stok2 tellenKwartnootgevuld, met stok1 telAchtste nootgevuld, stok, vlaghalve telZestiende nootgevuld, twee vlaggenkwart tel
Afb. 2Afb. 2 — De vorm van de noot legt de duur vast: open, gevuld, met stok en vlaggetjes.
Aan het begin van een stuk staan twee vaste gegevens die voor alle volgende maten gelden. De maatsoort (als een breuk, bijvoorbeeld 4/4 of 3/4) staat direct na de sleutel en geeft aan hoeveel tellen elke maat bevat en welke notenwaarde één tel is. De maatstrepen (verticale strepen door de balk) verdelen de muziek in maten die precies die telwaarde vullen. Daarnaast staat de voortekening: de kruisen (♯) of mollen (♭) die aan het begin van elke balk worden geplaatst en die voor het hele stuk gelden. De voortekening legt de toonsoort vast: geen voortekens betekent C majeur of A mineur; één kruis (Fis) betekent G majeur of E mineur, enzovoort, precies zoals de kwintencirkel aangeeft. Zo lees je uit het begin van een partituur al af in welke maatsoort en toonsoort het stuk staat, nog voordat je een noot hebt gespeeld.
Binnen het stuk verfijnen extra tekens de uitvoering, zodat het notenschrift naast toonhoogte en duur ook expressie vastlegt. Toevallige verhogingen of verlagingen die niet in de voortekening staan, worden per noot aangegeven met een kruis, een mol of een herstellingsteken (dat een eerdere verhoging of verlaging opheft). Bogen tussen noten geven legato (gebonden spelen) aan; puntjes boven noten staccato; tekens en woorden als crescendo, forte, piano, ritardando geven dynamiek en tempo aan, meestal in het Italiaans. Zo bevat een goed genoteerde partituur alle informatie die de uitvoerder nodig heeft: welke tonen (toonhoogte via balk en sleutel), hoe lang (notenwaarden), in welke maat en toonsoort (maatsoort en voortekening), en hóe te spelen (articulatie, dynamiek, tempo). Het notenschrift is daarmee een verrassend volledig recept voor klank — precies de parameters die je in de eerdere onderwerpen leerde, nu op papier gevangen.
Uitgewerkt voorbeeld

Het begin van een partituur lezen

Aan het begin van een balk staan, na elkaar, een vioolsleutel, één kruis (Fis) en de aanduiding 3/4. Wat lees je hieruit af?

  1. 01De sleutel

    De vioolsleutel legt de toonhoogten vast: dit is een balk voor een hoger instrument of een hogere partij.

  2. 02De voortekening

    Eén kruis (Fis) hoort bij G majeur (of de paralleltoonsoort E mineur). Alle f's in het stuk klinken als fis, tenzij een herstellingsteken dat opheft.

  3. 03De maatsoort

    3/4 betekent drie kwarttellen per maat: een driedelige maat, het walsmetrum.

Resultaat: Uit dit begin lees je af: een hogere partij (vioolsleutel), in G majeur of E mineur (één kruis), in een driedelige 3/4-maat. Zo geeft alleen al de kop van de balk de toonsoort en de maat prijs, nog voor de eerste noot.

Eindexamen-focus

  • Je herkent de notatie van notenwaarden (hele tot zestiende) en rusten en begrijpt de rol van maatsoort en maatstrepen.
  • Je leest de voortekening als aanduiding van de toonsoort en herkent de tekens voor articulatie, dynamiek en tempo.

Veelgemaakte fouten

  • De voortekening als losse noten lezen; de kruisen of mollen aan het begin van de balk gelden voor het HELE stuk en leggen de toonsoort vast.
  • Een herstellingsteken vergeten; het heft een verhoging of verlaging op en herstelt de oorspronkelijke toon — het over het hoofd zien verandert de toonhoogte.

Actieve herhaling

Leg uit welke drie gegevens je aan het begin van een notenbalk aantreft (sleutel, voortekening, maatsoort) en wat je uit elk afleest. Bepaal welke toonsoort hoort bij een voortekening van één kruis (Fis).

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Muziek havo — noteren van duur en toonsoort (CvTE / Examenblad)

§ 03

De opbouw van een partituur#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een partituur is de complete notatie van een meerstemmig werk: alle partijen onder elkaar, zodat je in één blik ziet wat elk instrument of elke stem op elk moment doet. De partijen die tegelijk klinken, worden verticaal boven elkaar geplaatst en samen tot een systeem verbonden (met een verbindingslijn links en gemeenschappelijke maatstrepen); een volgend systeem eronder bevat de volgende maten. Zo lees je een partituur van links naar rechts (de tijd) en van boven naar beneden (de gelijktijdige partijen). Zie afbeelding 3 (Afb. 3) voor de gebruikelijke volgorde van de instrumentgroepen in een orkestpartituur. Deze ordening maakt het mogelijk om een complex orkeststuk te overzien: elk moment in de tijd is één verticale ‚plak’ door alle partijen heen, elke partij is één horizontale lijn door de tijd.

Volgorde van de instrumentgroepen in een partituur

Graaf, 4 knopen, 3 kantenGraaf, Houtblazers (bovenaan) → Koperblazers, Koperblazers → Slagwerk, Slagwerk → Strijkers (onderaan)Houtblazers(bovenaan)KoperblazersSlagwerkStrijkers(onderaan)
Afb. 3Afb. 3 — De vaste volgorde van boven naar beneden in een orkestpartituur.
In een orkestpartituur staan de instrumenten in een vaste, van bovenaf gelezen volgorde: bovenaan de houtblazers (fluiten, hobo's, klarinetten, fagotten), daaronder de koperblazers (hoorns, trompetten, trombones, tuba), dan het slagwerk, en onderaan de strijkers (violen, altviolen, celli, contrabassen). Solisten en zangstemmen staan meestal net boven de strijkers. Deze volgorde is grofweg van hoog naar laag per groep en internationaal gestandaardiseerd, zodat een dirigent elke partituur op dezelfde plekken kan vinden. Wie een partituur globaal wil lezen, hoeft niet elke noot te ontcijferen: je kijkt waar de meeste beweging (de melodie) zit, welke partijen lange noten aanhouden (de begeleiding of het harmonische fundament), en welke instrumenten überhaupt spelen op een bepaald moment. Zo krijg je een beeld van de textuur en de bezetting zonder van blad te hoeven spelen.
Globaal een partituur lezen is een nuttige vaardigheid die aansluit bij het luisteren: wat je hoort, kun je in de partituur terugvinden en omgekeerd. Hoor je dat de melodie van de violen naar de fluit springt, dan zie je in de partituur de druk bewegende lijn van boven de strijkers naar boven de houtblazers verhuizen. Hoor je een polyfoon weefsel, dan zie je meerdere partijen zelfstandig bewegen; hoor je een homofone klank, dan bewegen de partijen samen in akkoorden. Voor de HAVO hoef je geen ingewikkelde orkestpartituur vlot te lezen, maar je moet wel begrijpen hóe zo'n partituur is opgebouwd en een eenvoudige partituur globaal kunnen volgen: welke sleutels, welke instrumenten in welke volgorde, wie draagt de melodie en wie begeleidt. Die leesvaardigheid maakt de verbinding tussen het klinkende en het geschreven muziekbeeld — het einddoel van dit onderwerp.
Uitgewerkt voorbeeld

De melodie in een partituur volgen

In een partituur zie je dat de bovenste strijkerslijn druk beweegt, terwijl de blazers lange akkoorden aanhouden. Wat vertelt dat over de muziek?

  1. 01Beweging zoeken

    De partij met de meeste, snelst bewegende noten draagt meestal de melodie. Hier is dat de bovenste strijkerslijn (de eerste violen).

  2. 02Aangehouden noten

    De blazers houden lange akkoorden aan: dat is geen melodie maar begeleiding, het harmonische fundament onder de melodie.

  3. 03Textuur

    Eén duidelijke melodie (violen) met begeleidende akkoorden (blazers) eronder is een homofone textuur.

Resultaat: De eerste violen dragen de melodie, de blazers de begeleidende akkoorden — een homofone textuur. Door in de partituur te kijken waar de beweging zit en waar lange noten worden aangehouden, lees je zonder elke noot te ontcijferen af wie de melodie heeft en wie begeleidt.

Eindexamen-focus

  • Je begrijpt de opbouw van een partituur: gelijktijdige partijen verticaal in een systeem, de tijd van links naar rechts.
  • Je kent de gebruikelijke volgorde van de instrumentgroepen (houtblazers, koperblazers, slagwerk, strijkers) en kunt een eenvoudige partituur globaal volgen (melodie versus begeleiding).

Veelgemaakte fouten

  • Een partituur alleen van links naar rechts lezen en de verticale gelijktijdigheid vergeten; boven elkaar staande partijen klinken TEGELIJK, niet na elkaar.
  • De instrumentvolgorde omdraaien; in de standaardpartituur staan de houtblazers bovenaan en de strijkers onderaan, niet andersom.

Actieve herhaling

Leg uit hoe je een partituur ‚leest’ in twee richtingen (de tijd horizontaal, de gelijktijdige partijen verticaal). Beschrijf in welke volgorde de instrumentgroepen in een orkestpartituur van boven naar beneden staan.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Muziek havo — partituurlezen (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01De notenbalk en de sleutels○
    • 02Het noteren van duur, maat en toonsoort◐
    • 03De opbouw van een partituur●

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Notatie en het lezen van een partituur

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~12
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Muziek havo — notatie

Vorig onderwerp

Vorm en structuur: muzikale vormprincipes

Volgend onderwerp

Stijlperioden: middeleeuwen en renaissance

EuraStudy·Samenvattingen T·09·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.