EuraStudy
Samenvattingen/Muziek/Praktijk: musiceren, uitvoeren en arrangeren (schoolexamen)
Samenvattingen · MuziekNL · HAVO

Praktijk: musiceren, uitvoeren en arrangeren (schoolexamen)

De praktijk is een wezenlijk deel van het vak Muziek en wordt in het schoolexamen (SE) getoetst, niet in het centraal examen. Bij de praktijk laat je zien dat je muziek niet alleen kunt beluisteren en analyseren, maar ook zelf kunt maken: spelen en/of zingen (musiceren), voor publiek uitvoeren, en soms muziek bewerken (arrangeren) of maken (componeren en improviseren). Dit onderwerp behandelt wat die praktijk inhoudt en hoe je theorie en spel verbindt.

2 Onderdelen·~9 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 1

T·151515 / 15
Examenprofiel
Musiceren: een instrument bespelen of zingen, alleen of in een ensemble, met aandacht voor samenspelEen muziekstuk instuderen en uitvoeren voor publiekMuziek bewerken (arrangeren) of maken (componeren, improviseren) op eenvoudig niveauDe verworven theorie (toonhoogte, ritme, harmonie, vorm) toepassen in de eigen praktijk
Operatoren:musiceervoer uitarrangeercomponeerreflecteer

basisniveau

De praktijk hoort bij het schoolexamen (SE), niet bij het centraal examen (CE). Wat precies wordt getoetst, staat in het PTA van je school.

verhoogd niveau

Wie een instrument beheerst, kan de theorie meteen toepassen in het spel; koppel je praktijkstukken bewust aan de begrippen die je leert.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 2 onderdelen▾
  1. Praktijk: musiceren, uitvoeren en arrangeren (schoolexamen)
    • 01Musiceren en uitvoeren○
    • 02Arrangeren, componeren en improviseren◐
§ 01

Musiceren en uitvoeren#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

De praktijk van het vak Muziek — het zelf maken van muziek — wordt in het schoolexamen (SE) getoetst en niet in de schriftelijke luistertoets van het centraal examen; dit onderwerp bereidt dus voor op het SE-deel, waarvan de precieze invulling in het Programma van Toetsing en Afsluiting (PTA) van je school staat. Musiceren betekent zelf muziek voortbrengen: een instrument bespelen of zingen. Je kunt dat solo doen (een stuk alleen uitvoeren) of samen in een ensemble, band of koor. Bij samenspel komen extra vaardigheden kijken: je moet naar elkaar luisteren, gelijk in de maat en het tempo blijven, je eigen dynamiek afstemmen op de anderen, en op elkaar reageren. Zie afbeelding 1 (Afb. 1) voor de vaardigheden die bij het musiceren horen. Het samen musiceren maakt bovendien alle theorie concreet: je vóelt de maat, hoort de akkoorden onder je melodie, en ervaart wat het is om binnen een vorm te spelen. Zo wordt de kennis van de andere onderwerpen tastbaar in de praktijk.

Vaardigheden bij het musiceren

Tabel met 3 kolommen en 4 rijen, gemarkeerde cel: luisteren, gelijk blijvenTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Aspect · Waarop letten · Verbonden theorie; Noten en ritme · juiste toonhoogtes en duur · toonhoogte, ritme; Samenspel · luisteren, gelijk blijven · maat, tempo; Dynamiek · balans, hard en zacht · dynamiek, articulatie; Expressie · karakter overbrengen · vorm, stijl, gemarkeerde cel: luisteren, gelijk blijvenASPECTWAAROP LETTENVERBONDEN THEORIENoten en ritmejuiste toonhoogtes en duurtoonhoogte, ritmeSamenspelluisteren, gelijk blijvenmaat, tempoDynamiekbalans, hard en zachtdynamiek, articulatieExpressiekarakter overbrengenvorm, stijl
Afb. 1Afb. 1 — Bij musiceren en uitvoeren komen naast de juiste noten veel andere vaardigheden kijken.
Bij het uitvoeren draait het om het instuderen en voor publiek presenteren van een stuk, en dat vraagt meer dan alleen de juiste noten spelen. Instuderen betekent een stuk stap voor stap onder de knie krijgen: eerst de noten en het ritme, dan het tempo, dan de dynamiek en articulatie, en ten slotte de muzikale uitdrukking. Bij een goede uitvoering let je op meer dan de juistheid: op een mooie, verzorgde toon, op de juiste balans binnen een ensemble, op de expressie (breng je het karakter van het stuk over?), en op het contact met de andere spelers en met het publiek. Optreden vraagt ook om concentratie en het omgaan met zenuwen: je moet doorspelen, ook als er iets misgaat, en het geheel laten kloppen. Deze uitvoeringsvaardigheden — verzorgd, samen, expressief en met overtuiging spelen — zijn precies wat bij een praktijktoets wordt beoordeeld.
De praktijk en de theorie versterken elkaar voortdurend, en juist die wisselwerking maakt het vak rond. Alles wat je bij de andere onderwerpen leerde, pas je in het spel toe: je leest een eenvoudige partij (notatie), je houdt de maat en het tempo (ritme), je speelt de juiste toonhoogtes en herkent de akkoorden onder je melodie (toonhoogte en harmonie), je let op hard en zacht en op gebonden of kort spelen (dynamiek en articulatie), en je begrijpt de vorm van het stuk dat je uitvoert (vorm en structuur). Omgekeerd maakt het zelf spelen de theorie begrijpelijker: wie zelf een cadens speelt, hoort het ‚thuiskomen’; wie in een band speelt, voelt de syncopen in de groove. Voor het schoolexamen bereid je je voor door regelmatig te oefenen, alleen en samen, en door bewust de verbanden te leggen tussen wat je speelt en wat je in de theorie hebt geleerd. Zo wordt musiceren niet los oefenen, maar het toepassen en beleven van het hele vak.
Uitgewerkt voorbeeld

Een stuk instuderen in stappen

Je moet een eenvoudig lied instuderen voor een uitvoering. Hoe pak je dat stapsgewijs aan, en welke theorie komt daarbij van pas?

  1. 01Noten en ritme

    Leer eerst de juiste toonhoogtes en het ritme, langzaam en in kleine stukjes. Hierbij gebruik je je kennis van notatie, toonhoogte en notenwaarden.

  2. 02Tempo en maat

    Breng het geleidelijk op het juiste tempo en houd de maat vast, eventueel met een metronoom. Hierbij past je kennis van maat en tempo toe.

  3. 03Dynamiek en expressie

    Voeg de dynamiek en articulatie toe (waar hard/zacht, gebonden/kort) en breng het karakter over. Hierbij gebruik je dynamiek, articulatie en je begrip van de vorm.

Resultaat: Door het stuk in stappen in te studeren — eerst noten en ritme, dan tempo en maat, dan dynamiek en expressie — bouw je een verzorgde uitvoering op. Elke stap steunt op een deel van de theorie, zodat het musiceren het hele vak samenbrengt.

Eindexamen-focus

  • Je weet dat de praktijk (musiceren, uitvoeren) in het schoolexamen (SE) wordt getoetst volgens het PTA van je school, niet in het centraal examen.
  • Je beheerst de vaardigheden van het musiceren en uitvoeren (samenspel, maat houden, verzorgde toon, expressie) en past de theorie toe in het spel.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat de praktijk in het centraal examen wordt getoetst; het CE is de schriftelijke luistertoets, terwijl de praktijk tot het schoolexamen (SE) behoort.
  • Bij samenspel alleen op de eigen partij letten; goed musiceren vraagt juist dat je luistert naar de anderen en gelijk blijft in maat, tempo en dynamiek.

Actieve herhaling

Studeer een eenvoudig stuk in (solo of samen) en let bewust op vier aspecten: de juiste noten en het ritme, het tempo, de dynamiek en de articulatie, en de expressie. Reflecteer daarna: welke theorie (maat, akkoorden, vorm) herkende je tijdens het spelen?

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Muziek havo — praktijk (schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Arrangeren, componeren en improviseren#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Naast het uitvoeren van bestaande muziek kan de praktijk ook het zelf maken en bewerken van muziek omvatten; of en hoe dit wordt getoetst, staat in het PTA van je school. Arrangeren is het bewerken van bestaande muziek: je neemt een bestaand stuk of lied en past het aan voor een andere bezetting of situatie. Je verdeelt bijvoorbeeld de melodie, de baslijn en de akkoorden over de instrumenten die je tot je beschikking hebt, kiest een toonsoort die goed uitkomt voor de zangers, en bepaalt de vorm (welke coupletten, hoeveel refreinen, een intro en slot). Zie afbeelding 2 (Afb. 2) voor de stappen van een eenvoudig arrangeerproces. Arrangeren is bij uitstek toegepaste theorie: je gebruikt je kennis van akkoorden en functies (welke akkoorden onder de melodie), van bezetting (welk instrument speelt wat), van toonhoogte (transponeren naar een handige toonsoort) en van vorm (de opbouw van het geheel).

Stappen van een eenvoudig arrangeerproces

Graaf, 4 knopen, 3 kantenGraaf, Kies toonsoort en bezetting → Verdeel melodie, bas, akkoorden, Verdeel melodie, bas, akkoorden → Bepaal de vorm, Bepaal de vorm → Studeer in en voer uitKies toonsoorten bezettingVerdeel melodie,bas, akkoordenBepaal de vormStudeer in envoer uit
Afb. 2Afb. 2 — Arrangeren als toegepaste theorie: van toonsoort en partijen naar vorm en uitvoering.
Componeren is het maken van geheel nieuwe muziek, en ook op eenvoudig niveau doe je daarbij een beroep op alle geleerde begrippen. Je bedenkt een melodie (met aandacht voor de contour en de frasering), kiest een maatsoort en een ritme, verzint een akkoordbegeleiding (vaak met de vertrouwde functies tonica, subdominant en dominant), en geeft het geheel een vorm (bijvoorbeeld een couplet-refreinstructuur of een ABA-vorm). Zelfs een kort, eenvoudig stukje dwingt je om keuzes te maken die je in de theorie hebt leren kennen: in welke toonsoort, majeur of mineur, welk tempo, welke akkoorden, welke vorm. Componeren maakt zo op de meest directe manier duidelijk hoe alle parameters samenwerken: je ervaart zelf dat een keuze voor mineur en een langzaam tempo een heel ander stuk oplevert dan majeur en een snel tempo.
Improviseren is het ter plekke, spontaan bedenken en spelen van muziek, en het verbindt de praktijk met de jazz en de blues die je eerder leerde kennen. Bij improvisatie speel je nieuwe melodieën over een gegeven kader — een akkoordschema, een toonladder of een vast ritmisch patroon. Een klassiek oefenkader is het twaalfmaats bluesschema: over de vaste akkoordfuncties T, S en D verzin je een eigen melodie, waarbij de blues-toonladder (met blue notes) je de juiste tonen aanreikt. Improviseren traint je oor, je gevoel voor harmonie en je muzikale durf, en het maakt de theorie levend: je hóórt welke tonen bij welk akkoord passen. Voor het schoolexamen bereid je je op deze creatieve onderdelen voor door te oefenen met arrangeren, componeren of improviseren op een niveau dat bij jou past, en door telkens bewust de theorie in te zetten. Zo sluit de praktijk de cirkel: alles wat je over muziek leerde, gebruik je om zelf muziek te maken.
Uitgewerkt voorbeeld

Improviseren over een bluesschema

Je moet improviseren over een twaalfmaats blues in C. Hoe gebruik je de theorie om zinvol te improviseren in plaats van willekeurige noten te spelen?

  1. 01Het kader

    De blues in C volgt het vaste twaalfmaats schema op de functies T (C), S (F) en D (G). Dat akkoordschema is je harmonische kader.

  2. 02De toonladder

    Over dit schema gebruik je de blues-toonladder in C, met de blue notes (de verlaagde terts en septiem), die de weemoedige blueskleur geven.

  3. 03Melodie bedenken

    Je verzint eigen melodische figuurtjes met die tonen, let op de akkoordwisselingen (op de S en D klinken andere tonen sterker) en gebruikt ritme en herhaling om je solo vorm te geven.

Resultaat: Door binnen het bluesschema (T–S–D) en met de blues-toonladder te improviseren, speel je geen willekeurige noten maar zinvolle, passende melodieën. Zo verbindt improviseren de praktijk rechtstreeks met de theorie van harmonie, toonladders en de blues.

Eindexamen-focus

  • Je begrijpt wat arrangeren (bestaande muziek bewerken voor een bezetting) en componeren (nieuwe muziek maken) inhouden en welke theorie je daarbij toepast (akkoorden, bezetting, toonsoort, vorm).
  • Je begrijpt improviseren als het ter plekke maken van muziek over een kader (zoals het bluesschema) en de rol van de theorie daarbij.

Veelgemaakte fouten

  • Arrangeren en componeren gelijkstellen; arrangeren bewerkt bestaande muziek voor een bezetting, componeren maakt geheel nieuwe muziek.
  • Improviseren zien als ‚maar wat doen’; goede improvisatie speelt binnen een kader (akkoordschema, toonladder) en past de theorie van harmonie en toonladders toe.

Actieve herhaling

Maak een eenvoudig arrangement van een bekend lied: kies een handige toonsoort, verdeel melodie, bas en akkoorden over de beschikbare instrumenten of stemmen, en bepaal de vorm (intro, coupletten, refreinen, slot). Leg uit welke theorie je bij elke keuze gebruikte.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Muziek havo — arrangeren en creëren (schoolexamen) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 02

    • 01Musiceren en uitvoeren○
    • 02Arrangeren, componeren en improviseren◐

0/2 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Praktijk: musiceren, uitvoeren en arrangeren (schoolexamen)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~9
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Muziek havo — praktijk (schoolexamen)

Vorig onderwerp

Muziek in culturele en maatschappelijke context en functie

EuraStudy·Samenvattingen T·15·MMXXVI

Laatste onderwerp van dit vak — terug naar het vakoverzicht.