EuraStudy
Samenvattingen/Maatschappijwetenschappen/Vaardigheden en de concept-contextbenadering
Samenvattingen · MaatschappijwetenschappenNL · HAVO

Vaardigheden en de concept-contextbenadering

Maatschappijwetenschappen kijkt naar de samenleving met een gereedschapskist van concepten die je toepast op een concrete context. In dit onderwerp leer je wat een concept en een context zijn, hoe de vier hoofdconcepten en de benaderingswijzen samenhangen, en welke onderzoeks- en redeneervaardigheden het examen van je vraagt.

3 Onderdelen·~13 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2

T·0111 / 14
Examenprofiel
De concept-contextbenadering herkennen en toepassen: een verschijnsel in een context analyseren met de juiste (kern)conceptenWerken met de vier hoofdconcepten (vorming, verhouding, binding, verandering) en hun onderlinge samenhangOnderzoeks- en informatievaardigheden: bronnen beoordelen, betrouwbaarheid en representativiteit, oorzaak-gevolg en correlatieRedeneervaardigheden: een beargumenteerde analyse geven bij vraagwerkwoorden als leg uit, verklaar en beredeneer
Operatoren:leg uitverklaarbeschrijfberedeneertoon aaninterpreteer

basisniveau

De concept-contextbenadering en de vier hoofdconcepten vormen het fundament onder alle andere onderwerpen; beheers ze eerst.

verhoogd niveau

Oefen vooral met het expliciet koppelen van concept aan context in een beredeneerde tekst — dat onderscheidt een voldoende van een goede examenprestatie.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Vaardigheden en de concept-contextbenadering
    • 01Wat zijn concepten en contexten?○
    • 02De vier hoofdconcepten en hun samenhang◐
    • 03Onderzoeks- en informatievaardigheden◐
§ 01

Wat zijn concepten en contexten?#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Maatschappijwetenschappen bestudeert de samenleving niet met losse feitjes, maar met een vaste set wetenschappelijke begrippen die je op steeds nieuwe situaties toepast. Zo'n begrip heet een concept: een algemeen, abstract idee waarmee je een klasse van verschijnselen kunt benoemen en analyseren. Socialisatie, macht, sociale cohesie en globalisering zijn voorbeelden van concepten. Een concept is dus geen mening en geen los feit, maar een denkgereedschap dat overal geldt: je kunt macht analyseren in een gezin, op school, in een bedrijf en in het parlement. Juist die algemeenheid maakt een concept krachtig — een begrip opent tientallen situaties.
Een context is de concrete situatie, casus of maatschappelijke setting waarin je een concept toepast. Waar het concept algemeen is, is de context specifiek: de Nederlandse Tweede Kamer in een bepaald jaar, een middelbare school in een grote stad, een demonstratie tegen een nieuwe wet. De examenprogramma's onderscheiden vaste contexten waarin de stof geplaatst wordt — denk aan de politieke context, de context van de rechtsstaat, van vorming en van massamedia. In het examen krijg je vrijwel altijd eerst een context aangeboden (een bron, een tekst, een grafiek, een actualiteit) en luidt de opdracht: analyseer of verklaar dit met de juiste concepten.
De kern van het vak is de concept-contextbenadering (zie Afb. 1): je verbindt een abstract concept met een concrete context en laat zien dat het concept het verschijnsel in die context begrijpelijk maakt. Dat verbinden gaat twee kanten op. Van concept naar context: je herkent in een casus dat er sprake is van bijvoorbeeld sociale ongelijkheid en gebruikt de kernconcepten van dat begrip om de casus te ontleden. Van context naar concept: je kijkt naar een verschijnsel (bijvoorbeeld dat kinderen van hoogopgeleide ouders vaker naar het vwo gaan) en zoekt welk concept dit het scherpst verklaart (hier: sociale reproductie en socialisatie). Een goed antwoord doet allebei zichtbaar.

De concept-contextbenadering

Concept-contextbenaderingGraaf, Concept (abstract) → Analyse: koppeling, Analyse: koppeling → Context (concreet), Context (concreet) → Concept (abstract)Concept(abstract)Analyse:koppelingContext(concreet)toepassen opverklaartwelk conceptpast?
Afb. 1Afb. 1 — Een abstract concept en een concrete context worden wederkerig aan elkaar gekoppeld: dat is de kern van maatschappijwetenschappen.
Concepten hebben verschillende abstractieniveaus. Bovenaan staan vier zeer algemene hoofdconcepten (vorming, verhouding, binding, verandering). Daaronder hangen per hoofdconcept meer specifieke kernconcepten — bij verhouding bijvoorbeeld macht, gezag, sociale ongelijkheid en conflict. Hoe lager in de hiërarchie, hoe concreter en bruikbaarder een concept is om een specifiek verschijnsel te benoemen. In een examenantwoord noem je daarom liefst het meest specifieke kernconcept dat past, niet alleen het overkoepelende hoofdconcept: machtsongelijkheid door verschil in hulpbronnen is scherper dan alleen verhouding.
Het onderscheid tussen beschrijven, verklaren en beoordelen loopt door het hele vak. Beschrijven is vaststellen wat er gebeurt (welk verschijnsel, welke kenmerken). Verklaren is aangeven waarom het gebeurt, door oorzaken en mechanismen te benoemen met concepten. Beoordelen is een beargumenteerd oordeel geven, bijvoorbeeld over de wenselijkheid of de gevolgen. Het vraagwerkwoord in een examenvraag vertelt je welke van de drie gevraagd wordt: beschrijf vraagt om waarneming, verklaar om een oorzakelijke redenering met concepten, beredeneer om een onderbouwd standpunt.
Uitgewerkt voorbeeld

Van context naar concept en terug

Bron: in een buurt met veel werkloosheid en weinig verenigingen kennen bewoners elkaar nauwelijks en helpen ze elkaar zelden. Analyseer dit verschijnsel met een passend concept en koppel het aan de context.

  1. 01Verschijnsel benoemen (beschrijven)

    In de bron ontbreekt onderling contact en onderlinge hulp: mensen voelen zich weinig met elkaar en met de buurt verbonden.

  2. 02Concept kiezen (van context naar concept)

    Het meest specifieke passende kernconcept is (een gebrek aan) sociale cohesie: de mate waarin mensen zich verbonden voelen en samenwerken. Sociale cohesie hoort bij het hoofdconcept binding.

  3. 03Koppelen (van concept naar context)

    Ik pas het concept toe: verenigingen en werk zijn plaatsen waar contacten ontstaan; ontbreken die, dan zijn er weinig verbindingen tussen bewoners, dus is de sociale cohesie laag. Zo verklaart het concept precies wat de bron beschrijft.

Resultaat: Het verschijnsel is een lage sociale cohesie (binding): door het ontbreken van werk en verenigingen ontstaan weinig onderlinge contacten, waardoor bewoners zich weinig verbonden voelen en elkaar zelden helpen.

Eindexamen-focus

  • Bij vrijwel elke CE-vraag krijg je een context (bron/casus) en moet je die met een expliciet benoemd concept analyseren of verklaren — punten worden verdeeld over het juiste concept en de juiste koppeling.
  • Kies het meest specifieke passende kernconcept, niet alleen het hoofdconcept; benoem het begrip letterlijk in je antwoord.

Veelgemaakte fouten

  • Alleen de context navertellen (de bron samenvatten) zonder er een concept aan te koppelen — dat is beschrijven waar verklaren gevraagd wordt en levert weinig punten op.
  • Een concept alleen noemen zonder het op de context toe te passen — de koppeling tussen concept en context ontbreekt dan.

Actieve herhaling

In een bron staat dat leerlingen met laagopgeleide ouders op een school vaker examen doen op een lager niveau dan hun advies suggereerde. Leg met een passend concept uit welk maatschappelijk verschijnsel hier zichtbaar is, en koppel het concept expliciet aan de gegeven context.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma maatschappijwetenschappen HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

§ 02

De vier hoofdconcepten en hun samenhang#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Het hele vak is geordend rond vier hoofdconcepten die samen elk maatschappelijk verschijnsel kunnen ontsluiten (zie Afb. 2 voor het overzicht met kernconcepten). Vorming gaat over hoe mensen worden wie ze zijn: hoe ze via socialisatie waarden, normen en een identiteit ontwikkelen en hoe cultuur wordt overgedragen. Verhouding gaat over de (on)gelijke relaties tussen mensen en groepen: over macht, gezag, sociale ongelijkheid en conflict. Binding gaat over wat mensen bindt: over sociale cohesie, sociale en politieke instituties en representatie. Verandering gaat over hoe samenlevingen zich in de tijd ontwikkelen: over rationalisering, individualisering, staatsvorming, democratisering en globalisering.

De vier hoofdconcepten met kernconcepten

Vorming, verhouding, binding, veranderingTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Hoofdconcept · Centrale vraag · Kernconcepten (voorbeelden); Vorming · Hoe word je wie je bent? · socialisatie, cultuur, waarden, normen, identiteit; Verhouding · Wie staat waar t.o.v. wie? · macht, gezag, sociale ongelijkheid, mobiliteit, conflict; Binding · Wat houdt ons samen? · sociale cohesie, institutie, sociale controle, representatie; Verandering · Hoe ontwikkelt het zich? · rationalisering, individualisering, staatsvorming, globaliseringHOOFDCONCEPTCENTRALE VRAAGKERNCONCEPTEN(VOORBEELDEN)VormingHoe word je wie je bent?socialisatie, cultuur,waarden, normen, identiteitVerhoudingWie staat waar t.o.v. wie?macht, gezag, socialeongelijkheid, mobiliteit,conflictBindingWat houdt ons samen?sociale cohesie, institutie,sociale controle,representatieVeranderingHoe ontwikkelt het zich?rationalisering,individualisering,staatsvorming, globaliseringDe vier hoofdconcepten
Afb. 2Afb. 2 — De vier hoofdconcepten, elk met een centrale vraag en zijn belangrijkste kernconcepten.
Elk hoofdconcept heeft een vaste set kernconcepten: de concretere begrippen waarmee je binnen dat hoofdconcept analyseert. Zo horen bij vorming onder andere socialisatie, cultuur, waarden, normen en identiteit; bij verhouding macht, gezag, sociale ongelijkheid, sociale mobiliteit en conflict; bij binding sociale cohesie, sociale institutie, sociale controle en representatie; bij verandering rationalisering, individualisering, institutionalisering en globalisering. Deze kernconcepten zijn je dagelijkse gereedschap: bij een casus stel je jezelf de vraag welk kernconcept het verschijnsel het scherpst benoemt.
De hoofdconcepten zijn geen losse hokjes maar hangen samen — een sterk examenantwoord laat die samenhang zien. Vorming en binding grijpen op elkaar in: socialisatie (vorming) is juist het proces waardoor mensen de waarden delen die sociale cohesie (binding) mogelijk maken. Verhouding en verandering hangen samen: veranderingen als individualisering (verandering) beïnvloeden machtsverhoudingen en sociale ongelijkheid (verhouding). En binding en verhouding raken elkaar: politieke instituties (binding) zijn tegelijk arena's waarin macht (verhouding) wordt verdeeld. Wie deze kruisverbanden benoemt, laat begrip zien in plaats van rijtjes.
In de praktijk is een verschijnsel bijna nooit van één hoofdconcept. Neem polarisatie tussen bevolkingsgroepen: dat is tegelijk een kwestie van binding (afnemende cohesie, wij-zij-denken), van verhouding (conflict en machtsstrijd) en van verandering (het is in de tijd toe- of afgenomen). Toch vraagt een examenvraag meestal naar één specifiek concept. De kunst is dan: kies het concept dat de vraag centraal stelt, benoem het expliciet, en gebruik de andere hoofdconcepten alleen als dat de analyse verrijkt.
Om te kiezen welk hoofdconcept centraal staat, helpen vier sleutelvragen. Gaat het om hoe iemand iets is gaan denken, voelen of vinden? Dan staat vorming centraal. Gaat het om een (on)gelijke relatie, om wie de baas is of wie meer heeft? Dan is het verhouding. Gaat het om samenhang, om instituties of om wie namens wie spreekt? Dan gaat het om binding. Gaat het om een ontwikkeling of trend in de tijd? Dan is het verandering. Deze vier vragen zijn geen mechanisch trucje, maar een snelle manier om de context te ontleden en het juiste gereedschap te pakken.
Uitgewerkt voorbeeld

Het juiste hoofdconcept kiezen

Casus: sinds de opkomst van sociale media vertrouwen jongeren minder op de traditionele nieuwsmedia; ze halen hun informatie vooral uit hun eigen netwerk. Welk hoofdconcept staat hier centraal en waarom? Benoem ook een kernconcept.

  1. 01Context ontleden

    Het gaat om een ontwikkeling: er is iets veranderd sinds de opkomst van sociale media. Tegelijk gaat het over hoe jongeren hun opvattingen vormen.

  2. 02Sleutelvraag toepassen

    Gaat het om een trend in de tijd? Ja. Maar de vraag richt zich op hoe informatie en opvattingen worden overgedragen, dus ook vorming is in beeld.

  3. 03Centraal concept kiezen

    Omdat het draait om hoe jongeren hun beeld van de werkelijkheid vormen via bronnen om hen heen, staat vorming centraal; het kernconcept is (politieke) socialisatie via veranderende socialisatoren.

Resultaat: Vorming staat centraal: het kernconcept socialisatie verklaart dat jongeren hun opvattingen vormen via de bronnen in hun omgeving; verandering speelt op de achtergrond mee omdat de socialisatoren (van traditionele media naar netwerk) verschuiven.

Eindexamen-focus

  • Je moet de vier hoofdconcepten met hun belangrijkste kernconcepten kunnen benoemen en het juiste hoofd-/kernconcept bij een context kiezen.
  • Het CE beloont het leggen van verbanden tussen hoofdconcepten (bijv. socialisatie leidt tot cohesie), niet alleen het opsommen ervan.

Veelgemaakte fouten

  • Hoofdconcepten en kernconcepten door elkaar halen (bijv. macht een hoofdconcept noemen — het is een kernconcept van verhouding).
  • Bij een casus meteen meerdere hoofdconcepten opsommen terwijl de vraag om één centraal concept vraagt — dat maakt het antwoord vaag en levert minder punten op.

Actieve herhaling

Noem de vier hoofdconcepten. Geef bij elk hoofdconcept twee kernconcepten en formuleer één sleutelvraag waarmee je herkent dat dit hoofdconcept in een casus centraal staat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma maatschappijwetenschappen HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

§ 03

Onderzoeks- en informatievaardigheden#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Correlatie versus causaliteit: het schijnverband

Schijnverband door een derde variabeleGraaf, Derde variabele (warm weer) → Verschijnsel A (ijsverkoop), Derde variabele (warm weer) → Verschijnsel B (verdrinkingen), Verschijnsel A (ijsverkoop) → Verschijnsel B (verdrinkingen)Derde variabele(warm weer)Verschijnsel A(ijsverkoop)Verschijnsel B(verdrinkingen)veroorzaaktveroorzaaktschijnverband
Afb. 3Afb. 3 — Bij een schijnverband veroorzaakt een derde variabele beide verschijnselen; het waargenomen verband tussen A en B is geen oorzaak-gevolg.

Kernpunten

Maatschappijwetenschappen is een empirisch vak: uitspraken over de samenleving worden onderbouwd met gegevens uit onderzoek. Daarom moet je bronnen kritisch kunnen lezen. Twee begrippen staan centraal. Betrouwbaarheid gaat over de vraag of een meting bij herhaling hetzelfde resultaat geeft — of het onderzoek zorgvuldig en navolgbaar is uitgevoerd. Validiteit gaat over de vraag of je wel meet wat je wilt meten — of de indicator (bijvoorbeeld het aantal boeken thuis als maat voor cultureel kapitaal) werkelijk het beoogde begrip vangt. Een onderzoek kan betrouwbaar zijn (netjes herhaalbaar) maar toch invalide (het verkeerde meten).
Bij kwantitatief onderzoek onder een grote groep is representativiteit cruciaal: de onderzochte steekproef moet een goede afspiegeling zijn van de doelgroep (de populatie) waarover je iets wilt zeggen. Als je alleen jongeren op één school ondervraagt, mag je de uitkomst niet zomaar generaliseren naar alle Nederlandse jongeren. Selectie-effecten (bijvoorbeeld dat vooral geïnteresseerden een enquête invullen) vertekenen het beeld. Let bij een bron dus altijd op: wie is onderzocht, hoe groot was de groep, en hoe is die geselecteerd?
Een centrale denkfout die je moet kunnen aanwijzen is het verwarren van correlatie en causaliteit. Twee verschijnselen kunnen samenhangen (een correlatie) zonder dat het één het ander veroorzaakt. Vaak is er een derde, onderliggende factor. Klassiek voorbeeld: er is een verband tussen ijsverkoop en het aantal verdrinkingen, maar ijs veroorzaakt geen verdrinkingen — de warme zomer is de gemeenschappelijke oorzaak (een schijnverband). In het examen moet je bij een grafiek of tabel kunnen zeggen of een gevonden verband een causaal verband is, of dat er andere verklaringen (een derde variabele, omgekeerde causaliteit) mogelijk zijn.
Om een oorzakelijk verband aannemelijk te maken, gelden drie voorwaarden: (1) er is een statistisch verband (samenhang) tussen oorzaak en gevolg; (2) de veronderstelde oorzaak gaat in de tijd vooraf aan het gevolg; en (3) alternatieve verklaringen (andere variabelen) zijn uitgesloten of onwaarschijnlijk gemaakt. In sociaal onderzoek is vooral voorwaarde (3) lastig, omdat je mensen niet in een laboratorium kunt isoleren. Daarom formuleren onderzoekers vaak voorzichtig (er is een samenhang, dit hangt mogelijk samen met) in plaats van harde causale claims.
Naast betrouwbaarheid en validiteit let je op de aard en het belang van de bron. Is het primair (origineel onderzoek, een wet, cijfers van het CBS) of secundair (een nieuwsartikel dat onderzoek navertelt)? Heeft de afzender een belang bij een bepaalde uitkomst (een belangenorganisatie, een politieke partij)? Zulke vragen bepalen hoeveel gewicht je aan een bron mag toekennen. Objectiviteit betekent niet dat een bron geen standpunt mag hebben, maar dat je als lezer het standpunt en het belang meeweegt in je oordeel.
Uitgewerkt voorbeeld

Een verband beoordelen

Uit een enquête onder bezoekers van een museumwebsite blijkt: hoe hoger de opleiding, hoe vaker iemand het museum bezoekt. De onderzoeker concludeert dat Nederlanders met een hoge opleiding vaker naar musea gaan. Beoordeel deze conclusie.

  1. 01Representativiteit toetsen

    De steekproef bestaat uit bezoekers van de museumwebsite — dat is geen afspiegeling van alle Nederlanders, maar juist van mensen die al in het museum geïnteresseerd zijn (selectie-effect). Generaliseren naar alle Nederlanders mag dus niet.

  2. 02Verband beoordelen

    Er is een samenhang tussen opleiding en museumbezoek, maar de conclusie is te sterk geformuleerd voor deze data.

  3. 03Alternatieve verklaring benoemen

    Een derde variabele kan meespelen: culturele socialisatie thuis (ouders die naar musea gaan) leidt zowel tot een hogere opleiding als tot vaker museumbezoek. Opleiding is dan niet per se de oorzaak.

Resultaat: De conclusie is onhoudbaar: de steekproef is niet representatief (alleen websitebezoekers) en het gevonden verband hoeft niet causaal te zijn — culturele socialisatie kan als derde variabele zowel opleiding als museumbezoek verklaren.

Eindexamen-focus

  • Je moet bij een bron/onderzoek de betrouwbaarheid, validiteit en representativiteit kunnen beoordelen en dit onderbouwen.
  • Je moet correlatie en causaliteit kunnen onderscheiden en een schijnverband (derde variabele) kunnen aanwijzen bij een gegeven grafiek of tabel.

Veelgemaakte fouten

  • Uit een samenhang meteen een oorzaak afleiden zonder alternatieve verklaringen te overwegen (correlatie is niet hetzelfde als causaliteit).
  • Betrouwbaarheid en validiteit verwarren: een netjes uitgevoerd (betrouwbaar) onderzoek kan alsnog het verkeerde meten (invalide).

Actieve herhaling

Een krant kopt dat kinderen die veel lezen hogere cijfers halen, en concludeert dat lezen slim maakt. Beoordeel deze conclusie: is het een geldig causaal verband? Noem minstens één alternatieve verklaring (derde variabele) en geef aan waaraan een oorzakelijk verband moet voldoen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma maatschappijwetenschappen HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Wat zijn concepten en contexten?○
    • 02De vier hoofdconcepten en hun samenhang◐
    • 03Onderzoeks- en informatievaardigheden◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Vaardigheden en de concept-contextbenadering

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~13
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma maatschappijwetenschappen HAVO — Examenblad.nl

Volgend onderwerp

Sociologische en politicologische kernconcepten

EuraStudy·Samenvattingen T·01·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.