EuraStudy
Samenvattingen/Lichamelijke opvoeding/Vaardigheden: oriëntatie op leren, basis- en leervaardigheden (domein A)
Samenvattingen · Lichamelijke opvoedingNL · HAVO

Vaardigheden: oriëntatie op leren, basis- en leervaardigheden (domein A)

Domein A is de basis onder alle andere domeinen: je oriënteert je op je eigen leren, je beheerst de basis- en leervaardigheden die je nodig hebt om bewegingsactiviteiten uit te voeren en te regelen, en je leert hoe motorisch leren verloopt. Je leert bewegingen doelgericht verbeteren met feedback, oefenprincipes en een goede opbouw. Dit domein wordt, net als heel LO, met een schoolexamen afgesloten; er is geen centraal examen.

3 Onderdelen·~13 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 2 · Standaard 1

T·0111 / 12
Examenprofiel
Je oriënteren op het eigen leerproces en je eigen niveau, leerdoelen en vorderingen inschattenBasisvaardigheden (samenwerken, veiligheid, omgaan met materiaal en regels) en leervaardigheden (waarnemen, oefenen, reflecteren) toepassenHet verloop van motorisch leren en de rol van oefenen en feedback herkennen en gebruiken om je bewegen te verbeteren
Operatoren:leg uitbeschrijfpas toereflecteerbeoordeelstel op

basisniveau

Domein A hoort tot de kern van het schoolexamen LO en loopt door alle andere domeinen heen: je past de leervaardigheden toe bij elke bewegingsactiviteit.

verhoogd niveau

Wie zich verdiept, kan de begrippen uit de bewegingswetenschap (motorisch leren, feedbacksoorten, oefenvormen) gebruiken om het eigen leren en dat van anderen scherper te sturen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Vaardigheden: oriëntatie op leren, basis- en leervaardigheden (domein A)
    • 01Oriëntatie op leren: doelen, niveau en reflectie○
    • 02Basis- en leervaardigheden○
    • 03Motorisch leren en feedback◐
§ 01

Oriëntatie op leren: doelen, niveau en reflectie#

●○○BasisLPexamenblad-nl

De leercirkel van LO

De leercirkelGraaf, Leerdoel stellen → Oefenen, Oefenen → Waarnemen + feedback, Waarnemen + feedback → Reflecteren, Reflecteren → Leerdoel stellenLeerdoel stellenOefenenWaarnemen +feedbackReflecterendoelbijstellen
Afb. 1Afb. 1 — Oriëntatie op leren verloopt als een kringloop: doel, oefenen, waarnemen met feedback en reflecteren; de reflectie stuurt het volgende doel.

Kernpunten

Lichamelijke opvoeding begint niet bij het bewegen zelf, maar bij het leren bewegen, en dat is precies waar domein A over gaat. Oriëntatie op leren betekent dat je je bewust bent van wat je al kunt, wat je nog wilt leren en hoe je dat het beste aanpakt. Je bepaalt voor jezelf een haalbaar leerdoel — bijvoorbeeld „ik wil bij het volleybal de bovenhandse opslag betrouwbaar over het net krijgen” — en je schat in op welk niveau je nu staat. Vervolgens kies je oefeningen en aanwijzingen die je naar dat doel brengen, en na afloop kijk je terug: is het doel gehaald, wat ging goed, wat moet anders? Dit sturen van je eigen leerproces heet zelfregulatie. Op het schoolexamen wordt van je verwacht dat je dit kunt: je eigen niveau realistisch inschatten, een passend leerdoel formuleren en je vorderingen beoordelen. Zo is oriëntatie op leren de rode draad die door alle bewegingsactiviteiten heen loopt.
Een leerdoel is pas bruikbaar als het concreet en meetbaar is, en het scherp formuleren van doelen is een vaardigheid op zich. Een vaag doel als „ik wil beter worden in basketbal” geeft geen houvast: je weet niet wanneer je klaar bent en je kunt je vooruitgang niet vaststellen. Een goed leerdoel benoemt wat je precies wilt kunnen, onder welke omstandigheden en hoe goed — bijvoorbeeld „ik wil vanaf de vrije-worplijn vier van de tien vrije worpen raak schieten”. Zo'n doel is waarneembaar en telbaar, waardoor je na een aantal pogingen objectief kunt bepalen of je het gehaald hebt. Kleine, haalbare tussendoelen houden bovendien de motivatie hoog, omdat je regelmatig succes ervaart. Op het examen laat je zien dat je doelen kunt stellen die aansluiten bij je niveau en die je daadwerkelijk kunt evalueren; het formuleren van een meetbaar doel is daarom een terugkerend onderdeel van de reflectie in je dossier.
Reflecteren is het bewust terugkijken op je bewegen en je leren, en het is de motor achter vooruitgang. Reflectie betekent dat je jezelf eerlijke vragen stelt: wat ging er goed, wat lukte nog niet, waar lag dat aan en wat ga ik de volgende keer anders doen? Je gebruikt daarbij informatie uit verschillende bronnen — je eigen gevoel bij de beweging, wat je zag of hoorde, en de feedback van je docent of medeleerlingen. Reflectie is meer dan constateren dat iets misging; het gaat om het achterhalen van de oorzaak en het bedenken van een concrete verbeterstap. Een leerling die reflecteert, zegt niet alleen „mijn opslag ging vaak het net in”, maar ook „waarschijnlijk raakte ik de bal te laag, dus ik ga hem hoger opgooien en meer bovenhands raken”. Op het schoolexamen wordt reflectie vaak schriftelijk gevraagd in een dossier of logboek; je laat er zien dat je je eigen leerproces kunt analyseren en kunt bijsturen.
Uitgewerkt voorbeeld

Van vaag naar meetbaar leerdoel

Een leerling zegt: „Ik wil beter worden in het hooghouden met een voetbal.” Maak hier een concreet, meetbaar leerdoel van en geef aan hoe je de vooruitgang meet.

  1. 01Bepaal het gedrag

    Het waarneembare gedrag is: de bal met de voeten hooghouden zonder dat hij de grond raakt.

  2. 02Maak het telbaar

    Kies een aantal aanrakingen als maat, bijvoorbeeld het aantal keer dat de bal achter elkaar wordt geraakt.

  3. 03Stel een niveau vast

    Schat het huidige niveau in (bijvoorbeeld nu 5 aanrakingen) en stel een haalbaar doel: 15 aanrakingen achter elkaar.

  4. 04Bepaal de meting

    Meet de vooruitgang door drie pogingen te doen en het hoogste aantal te noteren, elke week opnieuw.

Resultaat: Meetbaar leerdoel: „Ik wil de bal 15 keer achter elkaar hooghouden met mijn voeten.” Vooruitgang meet je door wekelijks het hoogste aantal aanrakingen uit drie pogingen te noteren.

Eindexamen-focus

  • Je eigen niveau inschatten en een concreet, meetbaar leerdoel voor een bewegingsactiviteit formuleren.
  • Reflecteren op je bewegen: oorzaken van fouten benoemen en een concrete verbeterstap bepalen, meestal in een dossier of logboek.

Veelgemaakte fouten

  • Een leerdoel te vaag formuleren („ik wil beter worden”) zodat je je vooruitgang niet kunt meten of evalueren.
  • Bij reflectie alleen benoemen dát iets misging, zonder de oorzaak en een concrete verbeterstap te bedenken.

Actieve herhaling

Kies een bewegingsactiviteit die je dit jaar hebt gedaan. Schat je huidige niveau in, formuleer één concreet en meetbaar leerdoel, en beschrijf twee reflectievragen die je na een oefensessie zou beantwoorden om je vooruitgang te beoordelen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein A Vaardigheden (CvTE / Examenblad)

§ 02

Basis- en leervaardigheden#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Basis- en leervaardigheden

Twee soorten vaardighedenTabel met 3 kolommen en 2 rijen, Gegevens: Soort · Voorbeelden · Doel; Basisvaardigheden · Samenwerken, veiligheid, materiaal · Veilig en samen bewegen; Leervaardigheden · Waarnemen, oefenen, feedback · Beter leren bewegen, gemarkeerde cel: Beter leren bewegenSOORTVOORBEELDENDOELBasisvaardighedenSamenwerken, veiligheid,materiaalVeilig en samen bewegenLeervaardighedenWaarnemen, oefenen, feedbackBeter leren bewegen
Afb. 2Afb. 2 — Basisvaardigheden maken het bewegen veilig en samen mogelijk; leervaardigheden zorgen dat je je bewegen daadwerkelijk verbetert.

Kernpunten

Naast het uitvoeren van bewegingen vraagt LO een set vaardigheden die elke les nodig zijn, en die worden onderscheiden in basisvaardigheden en leervaardigheden. Basisvaardigheden zijn de praktische vaardigheden die het bewegen mogelijk en veilig maken: samenwerken met anderen, je aan afspraken en spelregels houden, veilig omgaan met toestellen en materiaal, rekening houden met verschillen tussen medeleerlingen, en zorgen voor een veilige oefenomgeving. Leervaardigheden zijn de vaardigheden waarmee je een beweging daadwerkelijk leert en verbetert: goed waarnemen (kijken en luisteren naar hoe een beweging hoort), gericht oefenen, feedback vragen en verwerken, en reflecteren. De twee soorten vullen elkaar aan: zonder basisvaardigheden kun je niet veilig en samen oefenen, en zonder leervaardigheden kom je niet verder in je bewegen. Op het schoolexamen laat je beide zien, doordat je veilig en samenwerkend deelneemt én je bewegen aantoonbaar verbetert.
Samenwerken en veiligheid zijn de belangrijkste basisvaardigheden, omdat ze bepalen of iedereen kan meedoen en leren. Samenwerken betekent dat je taken verdeelt, elkaar helpt en aanmoedigt, en rekening houdt met verschillen in niveau, zodat iedereen tot zijn recht komt — bij een teamspel, maar ook bij het klaarzetten van een parcours of het hulpverlenen bij turnen. Veiligheid betekent dat je risico's herkent en vermijdt: je zet toestellen stevig en juist neer, je controleert of matten goed liggen, je verleent hulp waar dat nodig is, en je houdt je aan de regels die ongelukken voorkomen. Bij contactactiviteiten zoals zelfverdediging hoort ook respect voor de ander en het beheersen van je kracht. Deze basisvaardigheden zijn geen bijzaak: een les kan pas doorgaan als leerlingen veilig met elkaar en met het materiaal omgaan. Op het examen wordt daarom niet alleen naar je eigen prestatie gekeken, maar ook naar hoe je bijdraagt aan een veilige, samenwerkende leeromgeving.
Waarnemen en oefenen zijn de kernleervaardigheden, want zonder goed kijken en gericht herhalen leer je een beweging niet. Waarnemen is meer dan toekijken: je let bewust op de belangrijke kenmerken van een goede uitvoering — de stand van je voeten, het moment van afzetten, de baan van de bal — en je vergelijkt jouw uitvoering daarmee. Vaak helpt een voorbeeld: de docent doet de beweging voor, of je bekijkt een medeleerling die het al beheerst. Oefenen is het doelgericht herhalen van de beweging, waarbij je begint met een eenvoudige vorm en die stap voor stap moeilijker maakt. Belangrijk is dat je met aandacht oefent: klakkeloos herhalen zonder te letten op wat je verbetert levert weinig op. Door waarnemen en oefenen te combineren — kijken hoe het hoort, proberen, merken wat er misgaat, opnieuw proberen — verbeter je je bewegen gestaag. Op het examen laat je zien dat je deze leervaardigheden inzet om zelfstandig aan je bewegen te werken.
Uitgewerkt voorbeeld

Vaardigheden herkennen in een spelsituatie

Bij een potje basketbal 3-tegen-3 gebeurt veel tegelijk. Noem twee basisvaardigheden en één leervaardigheid die een leerling hier inzet en licht ze toe.

  1. 01Basisvaardigheid samenwerken

    De leerling verdeelt taken (wie verdedigt wie, wie neemt de bal) en speelt medespelers aan — dat maakt teamspel mogelijk.

  2. 02Basisvaardigheid veiligheid en regels

    De leerling houdt zich aan de regels (geen duwen, geloop met de bal is loopfout) en voorkomt zo botsingen en ruzie.

  3. 03Leervaardigheid waarnemen

    De leerling let op waar de vrije ruimte en de vrije medespeler zijn en past het passen daarop aan.

Resultaat: Basisvaardigheden: samenwerken (taken verdelen, aanspelen) en veiligheid/regels naleven; leervaardigheid: waarnemen van ruimte en vrije spelers om beter te passen.

Eindexamen-focus

  • Basis- en leervaardigheden onderscheiden en toepassen tijdens de bewegingsactiviteiten.
  • Bijdragen aan een veilige, samenwerkende leeromgeving en dit kunnen benoemen als onderdeel van de beoordeling.

Veelgemaakte fouten

  • Basisvaardigheden (samenwerken, veiligheid) als bijzaak zien, terwijl ze meetellen in de beoordeling van het schoolexamen.
  • Denken dat oefenen vanzelf helpt: alleen gericht, aandachtig herhalen met waarnemen levert verbetering op.

Actieve herhaling

Beschrijf voor een turnles drie basisvaardigheden en twee leervaardigheden die je nodig hebt om veilig en met vooruitgang te oefenen, en leg per vaardigheid uit waarom die belangrijk is.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — basis- en leervaardigheden (CvTE / Examenblad)

§ 03

Motorisch leren en feedback#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Fasen van motorisch leren

Van denken naar automatischGraaf, Cognitieve fase → Associatieve fase, Associatieve fase → Autonome faseCognitieve faseAssociatievefaseAutonome faseoefenen +feedbackautomatiseren
Afb. 3Afb. 3 — Motorisch leren verloopt van de cognitieve fase (veel fouten, veel aandacht) via de associatieve fase naar de autonome fase (geautomatiseerd).

Kernpunten

Een beweging leren gaat volgens een herkenbaar patroon dat het motorisch leren wordt genoemd, en dat verloopt in drie fasen. In de cognitieve fase (de begin- of denkfase) begrijp je nog niet goed hoe de beweging moet: je denkt bij elke deelhandeling na, je maakt veel en grote fouten, en de beweging kost veel aandacht en energie. In de associatieve fase (de oefenfase) gaat het al beter: de grote fouten verdwijnen, de beweging wordt vloeiender, en je kunt jezelf steeds beter bijsturen omdat je begint te voelen wat goed en fout is. In de autonome fase (de eindfase) verloopt de beweging bijna vanzelf: ze is geautomatiseerd, kost weinig aandacht, en je kunt tegelijk op andere dingen letten — bij het dribbelen let je niet meer op de bal maar op je tegenstander. Op het schoolexamen helpt dit model je om te snappen waarom een beweging in het begin zo moeizaam gaat en veel herhaling nodig heeft: leren verloopt in fasen, en elke fase vraagt een andere aanpak.
Feedback is informatie over hoe je beweging verliep, en het is een van de krachtigste middelen om sneller te leren. Er zijn twee grote soorten. Intrinsieke feedback komt uit jezelf: wat je voelt, ziet en hoort tijdens de beweging — je merkt bijvoorbeeld dat je bij een sprong te vroeg afzet. Extrinsieke feedback (ook wel augmented of toegevoegde feedback) komt van buiten: een aanwijzing van de docent, het beeld van een video-opname, of de uitkomst die je ziet (de bal ging het net in). Binnen extrinsieke feedback onderscheiden we knowledge of result (informatie over het resultaat: „de bal ging drie meter te ver”) en knowledge of performance (informatie over de uitvoering: „je strekte je arm te laat”). Voor beginners is duidelijke extrinsieke feedback onmisbaar, omdat hun intrinsieke feedback nog onbetrouwbaar is; naarmate je vordert, ga je meer op je eigen waarneming vertrouwen. Op het examen laat je zien dat je feedback kunt vragen, geven en verwerken om je bewegen gericht te verbeteren.
Niet alle feedback werkt even goed, en het gaat vooral om hoe en wanneer je feedback geeft. Goede feedback is concreet en gericht op één verbeterpunt tegelijk: „zet je afzet iets later in” helpt meer dan een stroom aan opmerkingen die de leerling overspoelt. Bij een beginner richt je de feedback op de grote lijnen van de beweging (het afzetten, de armzwaai), niet op fijne details die nu nog niet belangrijk zijn. Timing telt: feedback vlak na de poging, maar niet zó snel dat de leerling geen kans krijgt eerst zelf te voelen wat er gebeurde. En feedback moet uitvoerbaar zijn — de leerling moet er iets concreets mee kunnen bij de volgende poging. Positieve feedback („de aanloop ging al veel beter”) houdt de motivatie hoog en maakt de leerling ontvankelijker voor een verbeterpunt. Op het examen kun je gevraagd worden zelf feedback te geven aan een medeleerling; je laat dan zien dat je een concrete, uitvoerbare en goed getimede aanwijzing kunt formuleren die aansluit bij het niveau van die leerling.

Soorten feedback

Feedback ontleedTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Soort feedback · Bron · Voorbeeld; Intrinsiek · Uit jezelf (voelen/zien) · Ik voelde dat ik te vroeg afzette; Extrinsiek — resultaat · Van buiten, uitkomst · De bal ging drie meter te ver; Extrinsiek — uitvoering · Van buiten, techniek · Je strekte je arm te laat, gemarkeerde cel: Je strekte je arm te laatSOORT FEEDBACKBRONVOORBEELDIntrinsiekUit jezelf (voelen/zien)Ik voelde dat ik te vroegafzetteExtrinsiek — resultaatVan buiten, uitkomstDe bal ging drie meter teverExtrinsiek — uitvoeringVan buiten, techniekJe strekte je arm te laat
Afb. 4Afb. 4 — Feedback komt uit jezelf (intrinsiek) of van buiten (extrinsiek); extrinsieke feedback gaat over het resultaat of over de uitvoering.
Uitgewerkt voorbeeld

Fase en feedback koppelen

Een leerling oefent de handstand. Hij komt met veel moeite omhoog, valt vaak om en moet overal tegelijk op letten. Bepaal de leerfase en geef passende feedback.

  1. 01Herken de fase

    Veel fouten, veel aandacht nodig, nog geen controle: dit is de cognitieve fase (beginfase).

  2. 02Kies één verbeterpunt

    In deze fase richt je je op de grote lijn, niet op details. Belangrijk is een stevige basis: handen goed neerzetten en het lichaam strekken.

  3. 03Formuleer de feedback

    Geef een concrete, uitvoerbare aanwijzing over de uitvoering: „Zet je handen op schouderbreedte en druk je schouders helemaal open.”

  4. 04Zorg voor veiligheid

    Laat een medeleerling hulpverlenen (vangen bij de benen), zodat de leerling durft te strekken zonder angst om te vallen.

Resultaat: De leerling zit in de cognitieve fase. Passende feedback is één concrete uitvoeringsaanwijzing over de grote lijn — „handen op schouderbreedte, schouders open” — ondersteund door hulpverlenen voor de veiligheid.

Eindexamen-focus

  • De drie fasen van motorisch leren (cognitief, associatief, autonoom) herkennen en toepassen op een concrete bewegingsactiviteit.
  • Soorten feedback onderscheiden (intrinsiek/extrinsiek, resultaat/uitvoering) en zelf concrete, uitvoerbare feedback geven aan een medeleerling.

Veelgemaakte fouten

  • Verwachten dat een beweging na een paar keer al vloeiend gaat; in de cognitieve fase horen veel fouten en veel herhaling erbij.
  • Te veel feedback tegelijk geven of alleen zeggen wat fout is, in plaats van één concreet, uitvoerbaar verbeterpunt.

Actieve herhaling

Een medeleerling leert de bovenhandse opslag bij volleybal en zit in de cognitieve fase. Beschrijf in welke fase de leerling zit, geef één concrete extrinsieke feedbackaanwijzing (uitvoering, één verbeterpunt) en leg uit waarom die aanwijzing bij deze fase past.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — leren bewegen en feedback (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Oriëntatie op leren: doelen, niveau en reflectie○
    • 02Basis- en leervaardigheden○
    • 03Motorisch leren en feedback◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Vaardigheden: oriëntatie op leren, basis- en leervaardigheden (domein A)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~13
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein A Vaardigheden

Volgend onderwerp

Spel: doelspelen

EuraStudy·Samenvattingen T·01·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.