EuraStudy
Samenvattingen/Handvaardigheid/Beeldaspecten: kleur, licht, ruimte en textuur
Samenvattingen · HandvaardigheidNL · HAVO

Beeldaspecten: kleur, licht, ruimte en textuur

Deze samenvatting behandelt de vier beeldaspecten kleur, licht, ruimte en textuur, telkens met nadruk op ruimtelijk (3D) werk en de beeldhouwkunst. Je leert de begrippen benoemen, hun werking verklaren en de 2D-suggestie tegenover de echte ruimtelijke vorm, het licht en het oppervlak zetten. Zo kun je twee- en driedimensionale kunstwerken gefundeerd beschrijven, analyseren en vergelijken.

4 Onderdelen·~21 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·0444 / 13
Examenprofiel
De beeldaspecten kleur, licht, ruimte en textuur benoemen in twee- en driedimensionaal werkDe werking van beeldaspecten beschrijven, analyseren en verklaren (sfeer, nadruk, betekenis)Ruimtesuggestie in 2D onderscheiden van echte ruimte, massa, licht en oppervlak in 3DKunstwerken vergelijken en interpreteren op grond van hun beeldaspecten
Operatoren:benoembeschrijfanalyseerleg uitverklaarvergelijkinterpreteer

basisniveau

Voor het CE kunst beschouwen moet je deze beeldaspecten in een gegeven werk kunnen herkennen, benoemen en de werking ervan uitleggen.

verhoogd niveau

In je eigen ruimtelijke werk en het SE kies je kleur, licht, massa/holte en oppervlaktebehandeling bewust om vorm en betekenis te sturen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Beeldaspecten: kleur, licht, ruimte en textuur
    • 01Kleur en de kleurenleer○
    • 02Licht, schaduw en het volume◐
    • 03Ruimte en ruimtesuggestie◐
    • 04Textuur en oppervlak●
§ 01

Kleur en de kleurenleer#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Kleur is een van de sterkste beeldaspecten: het trekt de aandacht, roept een sfeer op en stuurt hoe wij een werk lezen, nog voordat we de voorstelling herkennen. De kleurenleer ordent de kleuren in een kleurencirkel (zie Afb. 1). Aan de basis staan de drie primaire kleuren rood, geel en blauw; die kun je niet uit andere kleuren mengen. Meng je twee primaire kleuren, dan ontstaan de secundaire kleuren: rood en geel geven oranje, geel en blauw geven groen, en blauw en rood geven violet (paars). Meng je vervolgens een primaire met een aangrenzende secundaire kleur, dan krijg je de tertiaire kleuren, zoals roodoranje, geeloranje, geelgroen, blauwgroen, blauwviolet en roodviolet. Zo ontstaat de twaalfdelige cirkel waarin de kleuren vloeiend in elkaar overlopen. Deze ordening is niet alleen theorie: ze helpt je om in een examenopgave snel te benoemen welke kleuren een kunstenaar heeft gebruikt en hoe die zich tot elkaar verhouden.

Kleurencirkel

De twaalfdelige kleurencirkelsegmentwiel, 12 segmenten, Gegevens: kleurencirkel, rood, roodoranje, oranje, geeloranje, geel, geelgroen, groen, blauwgroen, blauw, blauwviolet, violet, roodvioletroodroodoranjeoranjegeeloranjegeelgeelgroengroenblauwgroenblauwblauwvioletvioletroodvioletkleurencirkel
Afb. 1Afb. 1 — De twaalfdelige kleurencirkel met de primaire, secundaire en tertiaire kleuren; complementaire kleuren staan recht tegenover elkaar.
Elke kleur is te beschrijven met drie eigenschappen, en die drie moet je goed uit elkaar houden. De kleurtoon (of tint) is de 'soort' kleur: is iets rood, groen of blauw? De kleurtoon bepaalt de plaats van de kleur op de cirkel. De helderheid (ook wel valeur of toonwaarde genoemd) geeft aan hoe licht of donker een kleur is: lichtgeel heeft een hoge valeur, donkerblauw een lage. Je verandert de helderheid door wit toe te voegen (lichter) of zwart (donkerder). De verzadiging (ook wel intensiteit genoemd) zegt hoe zuiver of fel een kleur is: een verzadigde kleur is helder en krachtig, een onverzadigde kleur is grijzig, gebroken of verdoft. Je verlaagt de verzadiging door de complementaire kleur of wat grijs bij te mengen. Deze drie eigenschappen samen maken dat een kunstenaar met bijvoorbeeld 'rood' talloze kanten op kan: van een fel, verzadigd signaalrood tot een donker, gebroken bordeauxrood. In een analyse moet je daarom niet alleen de kleur benoemen, maar ook haar toon, helderheid en verzadiging.
Kleuren krijgen hun werking vooral in het contrast met andere kleuren. Het complementair contrast ontstaat tussen kleuren die in de kleurencirkel recht tegenover elkaar staan, zoals rood en groen, blauw en oranje, of geel en violet. Zet je die naast elkaar, dan versterken ze elkaar tot het uiterste: ze gaan flikkeren en springen naar voren. Meng je ze daarentegen, dan doven ze elkaar juist tot grijs. Het warm-koud contrast speelt tussen de warme kant van de cirkel (rood, oranje, geel) en de koude kant (blauw, groen, violet); warme kleuren lijken naar de kijker toe te komen, koude kleuren wijken terug, wat ruimtelijkheid suggereert. Het licht-donker contrast berust op verschil in helderheid en stuurt waar het oog het eerst naartoe kijkt. De Zwitserse schilder en kunstpedagoog Johannes Itten (1888-1967), verbonden aan het Bauhaus, is de grondlegger van de moderne kleurcontrastenleer; hij ordende de contrasten systematisch en maakte ze bruikbaar voor het onderwijs en voor de analyse van kunst.
Ook in ruimtelijk werk speelt kleur een rol, maar op een andere manier dan in een schilderij. Vaak is de kleur de eigen kleur van het materiaal: het warme okergeel van eikenhout, het koude grijs van graniet, het roomwit van marmer of de rossige gloed van brons. Een beeldhouwer kan die materiaalkleur bewust kiezen en sturen: brons krijgt door oxidatie of behandeling een patina, een gekleurde huid die van roodbruin tot groenblauw kan lopen en het beeld een geheel andere uitstraling geeft. Daarnaast bestaat er beschilderd beeldhouwwerk (polychromie), van middeleeuwse heiligenbeelden tot moderne gekleurde sculpturen, waarbij de kleur weer als zelfstandig beeldaspect wordt ingezet. In alle gevallen geldt dezelfde kleurenleer: kleurtoon, helderheid en verzadiging, en de kleurcontrasten die kleuren hun kracht geven. Wie kleur kan benoemen en de werking ervan kan verklaren, legt de basis voor de andere beeldaspecten - licht, ruimte en textuur - die in de volgende paragrafen aan bod komen.
Uitgewerkt voorbeeld

Complementair contrast bepalen

Een kunstenaar plaatst een fel oranje vorm tegen een diepblauwe achtergrond. Analyseer dit kleurgebruik met behulp van de kleurencirkel.

  1. 01Kleurtonen benoemen

    Oranje is een secundaire, warme kleur; blauw is een primaire, koude kleur. Zoek beide op in de cirkel: ze liggen aan tegenovergestelde kanten.

  2. 02Contrast vaststellen

    Oranje en blauw staan recht tegenover elkaar, dus dit is een complementair contrast; tegelijk is het een warm-koud contrast.

  3. 03Werking verklaren

    Complementaire kleuren versterken elkaar maximaal: het oranje gaat flikkeren en springt naar voren, terwijl het koude blauw juist terugwijkt.

  4. 04Effect en betekenis

    De oranje vorm trekt zo alle aandacht en wordt het brandpunt; het geheel oogt levendig en gespannen door de botsing van warm en koud.

Resultaat: Het oranje tegen blauw is tegelijk een complementair en een warm-koud contrast; de oranje vorm springt maximaal naar voren en wordt daardoor het brandpunt van het werk.

Eindexamen-focus

  • Het CE vraagt je kleuren en kleurcontrasten (complementair, warm-koud, licht-donker) te benoemen in een gegeven werk.
  • Je moet de werking van het kleurgebruik verklaren: welke sfeer, nadruk of ruimtewerking het oproept.

Veelgemaakte fouten

  • Kleurtoon, helderheid en verzadiging door elkaar halen - bijvoorbeeld 'fel' (verzadiging) verwarren met 'licht' (helderheid).
  • Denken dat complementaire kleuren naast elkaar altijd 'mooi' zijn; het gaat om het versterkende contrast, niet om een waardeoordeel.

Actieve herhaling

Kies een kleurrijk werk uit je examendossier. Benoem de primaire, secundaire en eventuele tertiaire kleuren, bepaal per hoofdkleur de kleurtoon, helderheid en verzadiging, en leg uit welk kleurcontrast (complementair, warm-koud of licht-donker) de kunstenaar inzet en welk effect dat heeft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — kleur en kleurenleer (CvTE / Examenblad)

§ 02

Licht, schaduw en het volume#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Licht is het beeldaspect dat vorm zichtbaar maakt: zonder licht geen kleur, geen ruimte en geen textuur. Bij het analyseren van licht kijk je eerst naar de lichtbron - waar komt het licht vandaan, hoe fel is het, en is het hard (scherpe schaduwen) of zacht en diffuus (vloeiende overgangen)? De richting van het licht bepaalt vervolgens de schaduwen, en je moet twee soorten schaduw uit elkaar houden. De eigen schaduw (of kernschaduw) ligt op het voorwerp zelf, aan de kant die van het licht is afgekeerd; die schaduw toont de ronding of de hoeken van de vorm. De slagschaduw is de schaduw die het voorwerp op zijn omgeving werpt, bijvoorbeeld op de grond of de muur erachter, en die vertelt iets over de plaats en de richting van het licht. Waar het licht juist het felst weerkaatst, ontstaat een hoogsel of glans: een lichtvlek die laat zien hoe glad of glimmend het oppervlak is. Deze drie - eigen schaduw, slagschaduw en hoogsel - vormen samen het gereedschap waarmee licht een vorm voor ons oog opbouwt.
In de schilderkunst kun je met licht en donker een sterk dramatisch effect bereiken. Een groot verschil in helderheid tussen de lichte en de donkere delen heet het clair-obscur (Frans en Italiaans voor 'licht-donker'). Bij een uitgesproken clair-obscur komt een verlicht figuur of gezicht scherp uit een diepe, donkere achtergrond tevoorschijn, wat spanning en concentratie oproept. De Italiaanse schilder Caravaggio (1571-1610) maakte deze harde licht-donkerwerking beroemd, en de Nederlandse meester Rembrandt van Rijn (1606-1669) gebruikte een warmer, zachter clair-obscur om zijn figuren van binnenuit te laten gloeien. Het licht is bij hen niet zomaar verlichting, maar een middel om de aandacht te sturen en betekenis te geven: wat in het licht staat is belangrijk, wat in het duister blijft is bijzaak of geheim. Voor de beschouwer is een sterk clair-obscur daarom altijd een aanwijzing dat je goed naar de nadruk en de sfeer van het werk moet kijken.
Voor een driedimensionaal werk is licht nog fundamenteler, want een beeldhouwer maakt niet zelf licht en schaduw - hij laat ze ontstaan door de vorm. Men zegt dan ook dat de beeldhouwer 'met licht werkt': door bollingen, holtes, ribbels en reliëf zo te modelleren dat het invallende licht overal anders wordt opgevangen en teruggekaatst. Op de bolle delen ontstaat een hoogsel, in de holtes en aan de afgekeerde kant vallen eigen schaduwen, en die afwisseling van licht en donker is precies wat de massa en het volume voor ons oog onthult (zie de nadruk in Afb. 2). Ook de afwerking van het oppervlak stuurt dit: een gepolijst, glad oppervlak weerkaatst het licht in scherpe, heldere hoogsels, terwijl een ruw, gemodelleerd oppervlak het licht breekt en verstrooit tot een levendig spel van kleine schaduwtjes. De patina, de gekleurde huid van brons, bepaalt bovendien hoe dof of glanzend het licht wordt teruggegeven. Zo is licht bij ruimtelijk werk geen los aspect, maar het middel waarmee de vorm zelf spreekt.

Licht modelleert de vorm

Van lichtbron naar massa en vormGraaf, lichtbron → eigen schaduw, lichtbron → slagschaduw, lichtbron → hoogsel / glans, eigen schaduw → onthult massa & vorm, slagschaduw → onthult massa & vorm, hoogsel / glans → onthult massa & vormlichtbroneigen schaduwslagschaduwhoogsel / glansonthult massa &vormop de vormop de omgevingfelsteweerkaatsingtoont rondingplaatst inruimtetoontoppervlak
Afb. 2Afb. 2 — Hoe de lichtbron via eigen schaduw, slagschaduw en hoogsel de massa en de vorm van een beeld onthult.
Het reliëf laat mooi zien hoe licht de ruimte stuurt. Bij een laagreliëf (bas-reliëf) komen de vormen maar weinig uit het vlak, zodat de schaduwen ondiep zijn en het beeld bijna vlak lijkt; bij een hoogreliëf steken de vormen ver naar voren, werpen ze diepe slagschaduwen en lijken de figuren bijna los te komen van de achtergrond. Omdat een ruimtelijk werk niet een vast beeld heeft, verandert de lichtwerking bovendien met de plek en de belichting: verplaatst de kijker zich of valt het licht van een andere kant, dan verschuiven alle hoogsels en schaduwen mee en verandert de vorm van moment tot moment. Daarom is de opstelling en de verlichting in een museum een bewuste keuze en onderdeel van hoe wij het beeld ervaren. Wie het licht op een beeld kan lezen, begrijpt meteen ook de volgende twee beeldaspecten: de ruimte die de vorm inneemt, en de textuur van het oppervlak dat het licht opvangt.
Uitgewerkt voorbeeld

Licht op een gepolijst versus een ruw beeld

Twee bronzen beelden staan onder dezelfde spot: het ene is spiegelglad gepolijst, het andere ruw gemodelleerd. Leg uit hoe het licht bij elk beeld de vorm laat zien.

  1. 01Lichtbron en richting

    Een enkele spot geeft een duidelijke lichtrichting: harde slagschaduwen en per bolling een uitgesproken hoofd-hoogsel.

  2. 02Het gepolijste beeld

    Het gladde oppervlak weerkaatst het licht in scherpe, geconcentreerde hoogsels met grote, vloeiende overgangen; de vorm oogt strak en gesloten.

  3. 03Het ruwe beeld

    Het gemodelleerde oppervlak breekt het licht in talloze kleine hoogsels en schaduwtjes; het oppervlak flikkert en oogt levendig en bewegelijk.

  4. 04Effect op de vormbeleving

    Het gladde beeld benadrukt de zuivere contour en de massa; het ruwe beeld benadrukt beweging en het zichtbare maakproces.

Resultaat: Bij hetzelfde licht onthult het gladde oppervlak de vorm via enkele strakke hoogsels, terwijl het ruwe oppervlak de vorm laat zien via een levendig spel van vele kleine licht- en schaduwvlekken.

Eindexamen-focus

  • Het CE vraagt je de lichtwerking te beschrijven: lichtbron, eigen schaduw, slagschaduw en hoogsel benoemen en het effect verklaren.
  • Bij ruimtelijk werk moet je uitleggen hoe licht en schaduw de massa en het volume van een beeld modelleren.

Veelgemaakte fouten

  • Eigen schaduw en slagschaduw verwisselen: de eigen schaduw ligt op het voorwerp, de slagschaduw valt op de omgeving.
  • Clair-obscur alleen als 'donker schilderij' opvatten, terwijl het juist om het sterke contrast tussen licht en donker gaat.

Actieve herhaling

Kies een ruimtelijk werk (een beeld of reliëf) en beschrijf de lichtwerking: benoem de (veronderstelde) lichtbron, wijs de eigen schaduw, de slagschaduw en de hoogsels aan, en leg uit hoe deze samen de massa en het volume van de vorm zichtbaar maken.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — licht, schaduw en volume (CvTE / Examenblad)

§ 03

Ruimte en ruimtesuggestie#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Ruimte is het beeldaspect dat gaat over diepte en over de plaats die vormen innemen. Het grote verschil tussen tekenen of schilderen en ruimtelijk werk zit hem juist in dit aspect. Op een plat vlak is er in werkelijkheid geen diepte, dus de kunstenaar moet ruimte suggereren met beeldmiddelen. De belangrijkste zijn: het lijnperspectief, waarbij evenwijdige lijnen naar een verdwijnpunt op de horizon lopen zodat dingen in de verte kleiner worden; de overlapping, waarbij een vorm die een andere gedeeltelijk bedekt vanzelf voor die ander lijkt te staan; het kleur- en luchtperspectief, waarbij verre dingen vager, blauwer en lichter worden weergegeven; en de plaatsing in het vlak, waarbij iets dat hoger en kleiner is verder weg lijkt en iets dat lager en groter is dichterbij. In Afb. 3 staan deze middelen naast hun tegenhanger in ruimtelijk werk. Al deze 2D-middelen zijn slim bedrog: ze wekken de illusie van een ruimte die er op het platte vlak niet echt is.

Ruimte in 2D versus 3D

Ruimtemiddelen: 2D-suggestie versus echte 3D-ruimteTabel met 3 kolommen en 5 rijen, Gegevens: Ruimtemiddel · In een tweedimensionaal werk · In ruimtelijk (3D) werk; diepte / perspectief · gesuggereerd met lijn-, kleur- en luchtperspectief · echt aanwezig; je ervaart de diepte lijfelijk; overlapping · een vorm bedekt een andere en lijkt zo dichterbij · vormen staan echt voor of achter elkaar; massa & holte · als licht-donker of vlakverdeling gesuggereerd · echte volle massa tegenover echte lege holte; doorbroken vorm · met een geschilderd 'gat' of donkere opening · echte openingen waar je doorheen kijkt; de plek & omringende ruimte · de rand van het beeldvlak (kader) begrenst · sokkel, standpunt en omgeving doen echt mee, gemarkeerde cel: echte volle massa tegenover echte lege holteRUIMTEMIDDELIN EENTWEEDIMENSIONAAL WERKIN RUIMTELIJK (3D)WERKdiepte / perspectiefgesuggereerd met lijn-,kleur-en luchtperspectiefecht aanwezig; je ervaart dediepte lijfelijkoverlappingeen vorm bedekt een andereen lijkt zo dichterbijvormen staan echt voor ofachter elkaarmassa & holteals licht-donker ofvlakverdeling gesuggereerdechte volle massa tegenoverechte lege holtedoorbroken vormmet een geschilderd 'gat' ofdonkere openingechte openingen waar jedoorheen kijktde plek & omringende ruimtede rand van het beeldvlak(kader) begrenstsokkel, standpunt enomgeving doen echt mee
Afb. 3Afb. 3 — Ruimtemiddelen vergeleken: gesuggereerd in een tweedimensionaal werk tegenover echt aanwezig in ruimtelijk werk.
Bij een driedimensionaal werk hoeft de ruimte niet te worden gesuggereerd, want ze is er echt: je kunt eromheen lopen en het beeld neemt werkelijk plaats in. Daarom werk je hier met andere begrippen. De massa is de volle, gevulde vorm - het materiaal dat je kunt aanraken; de holte is de lege ruimte die in of om het beeld zit. Beeldhouwers spreken ook wel van positieve vorm (de massa) en negatieve ruimte (de leegte eromheen en erin), en beide zijn even belangrijk voor hoe het werk overkomt. Een bijzondere vorm hiervan is de doorbroken vorm: een beeld waarin gaten of openingen zijn aangebracht, zodat je door het werk heen kunt kijken en de omringende ruimte deel wordt van de sculptuur. In de moderne beeldhouwkunst zijn zulke opengewerkte vormen beroemd geworden, bijvoorbeeld bij Henry Moore (1898-1986), bij wie het 'gat' net zo veel betekenis draagt als de massa zelf. Zo wordt de leegte een actief onderdeel van het beeld.
Een ruimtelijk werk staat bovendien altijd ergens, en die plek hoort bij het beeld. De omringende ruimte bepaalt mee hoe groot, zwaar of juist licht een beeld overkomt: hetzelfde beeld oogt anders op een hoge sokkel dan laag op de vloer, en anders in een kleine kapel dan op een weids plein. Omdat je om een vrijstaand beeld (een sculptuur in het rond) heen kunt lopen, biedt het bovendien heel veel standpunten; de maker houdt daar rekening mee, zodat het beeld vanuit elke hoek klopt en steeds nieuwe silhouetten en holtes laat zien. De sokkel tilt het beeld uit de alledaagse ruimte en verklaart het als het ware tot kunst, terwijl een beeld dat juist op ooghoogte op de vloer staat de beschouwer uitnodigt in zijn eigen ruimte. Ook de ruimte die een beeld opeist - de denkbeeldige zone eromheen die je niet zomaar binnenloopt - hoort bij de werking. Ruimte is bij 3D dus niet alleen in het beeld, maar ook rondom het beeld.
Het loont om de 2D- en 3D-ruimte steeds naast elkaar te zetten, want in een examen wordt vaak precies dat verschil gevraagd. Waar een schilder diepte moet naspelen met perspectief, overlapping en kleur, hoeft een beeldhouwer die diepte alleen maar te laten zijn - maar hij krijgt er een nieuw probleem voor terug: elk standpunt, elke holte en de hele omgeving doen mee. Een schilderij toont een vast gezichtspunt; een beeld kent er talloze. Een geschilderde schaduw is verf; een schaduw op een beeld is echt en verandert met het licht. Juist doordat de ruimte echt is, gaan ruimte, licht en textuur bij ruimtelijk werk onlosmakelijk samen: de holtes vangen schaduw, de bollingen vangen licht, en het oppervlak bepaalt hoe dat licht wordt teruggekaatst. Wie deze samenhang doorziet, kan een beeld veel scherper analyseren dan wie alleen naar de voorstelling kijkt. In de laatste paragraaf kijken we daarom naar dat oppervlak zelf: de textuur.
Uitgewerkt voorbeeld

Ruimte in 2D versus 3D vergelijken

Vergelijk hoe diepte tot stand komt in een landschapsschilderij en in een vrijstaand, opengewerkt beeld.

  1. 012D: ruimte suggereren

    De schilder gebruikt lijnperspectief, overlapping en luchtperspectief; alles ligt op een plat vlak en er is een vast standpunt.

  2. 023D: ruimte is echt

    Het beeld neemt werkelijk plaats in; je loopt eromheen en de diepte hoeft niet te worden nagebootst omdat ze er gewoon is.

  3. 03Massa en holte

    Bij het opengewerkte beeld wisselen de volle massa en de lege holte elkaar af; de negatieve ruimte doet actief mee in de vorm.

  4. 04Plek en standpunt

    De sokkel en de omgeving bepalen de werking, en elk standpunt levert een ander silhouet en andere holtes op.

Resultaat: In het schilderij is de diepte een knap gemaakte illusie op het platte vlak, terwijl bij het opengewerkte beeld de ruimte echt is: massa, holte en omringende ruimte werken samen en veranderen met elk standpunt.

Eindexamen-focus

  • Het CE vraagt je uit te leggen hoe ruimte in een 2D-werk wordt gesuggereerd (perspectief, overlapping, kleur-/luchtperspectief, plaatsing).
  • Je moet het verschil met ruimtelijk werk verwoorden: massa tegenover holte, de doorbroken vorm en de rol van de plek en de omringende ruimte.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat ruimte alleen in tekeningen en schilderijen bestaat; bij 3D is ruimte juist echt en telt ook de leegte (holte) mee.
  • De holte of negatieve ruimte vergeten en alleen de massa beschrijven, terwijl bij een doorbroken vorm het 'gat' beeldbepalend is.

Actieve herhaling

Kies een schilderij en een vrijstaand beeld. Leg voor het schilderij uit met welke middelen de ruimte wordt gesuggereerd, en beschrijf voor het beeld hoe massa, holte, een eventuele doorbroken vorm en de omringende ruimte samen de ruimtelijke werking bepalen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — ruimte en ruimtesuggestie (CvTE / Examenblad)

§ 04

Textuur en oppervlak#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Textuur is het beeldaspect van het oppervlak: de manier waarop een oppervlak eruitziet en aanvoelt - glad of ruw, glanzend of mat, fijn of grof. Textuur spreekt onze tastzin aan, ook als we een werk niet mogen aanraken: we 'voelen' met onze ogen dat marmer koel en glad is en dat schors ruw en droog is. In een werk kan textuur klein en subtiel zijn (de fijne korrel van een gladgeschuurd vlak) of juist groot en nadrukkelijk (diepe groeven en kladden materiaal). Denk aan het verschil tussen een spiegelglad gepolijst beeld en een ruw, korrelig oppervlak: nog voordat je de vorm goed bekijkt, roept het oppervlak al een bepaald gevoel op. Bij ruimtelijk werk is de textuur bovendien altijd echt aanwezig, want het is het werkelijke oppervlak van het materiaal, en dat maakt het tot een krachtig middel. In Afb. 4 zie je hoe verschillende oppervlaktebehandelingen elk een eigen effect geven. Wie textuur wil analyseren, kijkt dus niet naar wat is afgebeeld, maar naar hoe het oppervlak is gemaakt en behandeld, en wat dat met de kijker doet.

Oppervlaktebehandelingen

Oppervlak, effect en voorbeeldTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Oppervlaktebehandeling · Effect · Voorbeeld; gepolijst · glad, weerkaatst licht in strakke hoogsels, tijdloos en gesloten · Brancusi, 'Vogel in de ruimte'; Canova, gepolijst marmer; ruw gemodelleerd · vangt en breekt het licht, levendig en expressief, oogt 'onaf' · Rodin, ruwe bronzen oppervlakken; gepatineerd brons · gekleurde huid van roodbruin tot groenblauw, dof of glanzend · brons met opgebrachte of geoxideerde patina; bewerkt / geschuurd hout · van gladde warme nerf tot grove beitelsporen · houtsculptuur, van glad geschuurd tot grof bewerkt, gemarkeerde cel: glad, weerkaatst licht in strakke hoogsels, tijdloos en geslotenOPPERVLAKTEBEHANDELINGEFFECTVOORBEELDgepolijstglad, weerkaatst licht instrakke hoogsels, tijdloosen geslotenBrancusi, 'Vogel in deruimte'; Canova, gepolijstmarmerruw gemodelleerdvangt en breekt het licht,levendig en expressief, oogt'onaf'Rodin, ruwe bronzenoppervlakkengepatineerd bronsgekleurde huid van roodbruintot groenblauw, dof ofglanzendbrons met opgebrachte ofgeoxideerde patinabewerkt / geschuurd houtvan gladde warme nerf totgrove beitelsporenhoutsculptuur, van gladgeschuurd tot grof bewerkt
Afb. 4Afb. 4 — Vier oppervlaktebehandelingen met hun effect op het licht en een voorbeeld.
Je moet twee soorten textuur uit elkaar houden. De materiaaltextuur (ook wel structuur of tactiele textuur genoemd) is de echte, voelbare oppervlaktegesteldheid van het materiaal zelf: de nerf van hout, de korrel van steen, de ruwe of gladde huid van klei of brons. Deze textuur kun je werkelijk met je vingers voelen. Daartegenover staat de geschilderde of gesuggereerde textuur (visuele textuur): een schilder bootst met verf de textuur van bijvoorbeeld fluweel, metaal of huid zo overtuigend na dat je die als het ware voelt, terwijl het doek in werkelijkheid vlak en glad blijft. Dit verschil is precies waar het bij Handvaardigheid vaak om draait: in een schilderij is textuur meestal een knappe illusie, maar in ruimtelijk werk is de textuur echt en onlosmakelijk verbonden met het materiaal en de bewerking. Een beeldhouwer kiest niet alleen een vorm, maar ook een oppervlak, en dat oppervlak is even betekenisvol als de vorm zelf.
De oppervlaktebehandeling is bij een beeld een bewuste keuze die het licht en de zeggingskracht stuurt. Een gepolijst, spiegelglad oppervlak weerkaatst het licht in strakke hoogsels en geeft een beeld iets tijdloos, ideaals en gesloten; de Roemeens-Franse beeldhouwer Constantin Brancusi (1876-1957) sleep en polijstte zijn bronzen en marmeren vormen tot ze bijna abstract en volmaakt glad werden, zoals in zijn 'Vogel in de ruimte' (vanaf 1923), waarin het gladde oppervlak de vorm laat opgaan in puur licht en beweging. Ook de klassieke beeldhouwer Antonio Canova (1757-1822) polijstte zijn marmer tot een haast huidachtige gladheid. Het tegenovergestelde koos Auguste Rodin (1840-1917): hij liet zijn bronzen oppervlakken ruw en gemodelleerd, met zichtbare duim- en gereedschapssporen, zodat het licht er onrustig over speelt en het beeld levend, expressief en bijna 'onaf' lijkt. Hetzelfde onderwerp krijgt zo, enkel door de oppervlaktebehandeling, een compleet andere betekenis.
Omdat het oppervlak zo sterk de betekenis stuurt, is de oppervlaktebehandeling een van de scherpste analysemiddelen die je hebt. Vraag je bij een beeld steeds af: is het oppervlak glad of ruw, glanzend of mat, en welke sporen van het maken zijn nog zichtbaar? Een gepolijst brons met een egale, donkergroene patina straalt rust en waardigheid uit; een ruw gemodelleerd, bijna gehavend oppervlak roept juist beweging, emotie of vergankelijkheid op. Bij hout laat een gladgeschuurd, in de was gezet oppervlak de warme nerf spreken, terwijl grove beitelsporen kracht en ambacht tonen. Steeds geldt: de textuur bepaalt hoe het licht wordt opgevangen (het beeldaspect uit paragraaf 2) en hoe de vorm en de ruimte overkomen (paragraaf 3). Zo grijpen de vier beeldaspecten - kleur, licht, ruimte en textuur - in elkaar. Wie ze afzonderlijk kan benoemen en hun samenspel kan verklaren, kan elk twee- of driedimensionaal kunstwerk gefundeerd beschrijven, analyseren en vergelijken - precies wat het examen kunst beschouwen van je vraagt.
Uitgewerkt voorbeeld

Brancusi versus Rodin: glad tegenover ruw

Vergelijk het gladde, gepolijste oppervlak van Constantin Brancusi (bijvoorbeeld 'Vogel in de ruimte') met het ruwe, gemodelleerde oppervlak van Auguste Rodin en leg uit welk effect het oppervlak heeft op het licht en de betekenis.

  1. 01Oppervlak benoemen

    Brancusi kiest een spiegelglad gepolijst oppervlak; Rodin kiest een ruw, gemodelleerd oppervlak met zichtbare gereedschaps- en vingersporen.

  2. 02Werking van het licht

    Het gladde oppervlak van Brancusi weerkaatst het licht in enkele strakke, vloeiende hoogsels; het ruwe oppervlak van Rodin breekt het licht in talloze kleine hoogsels en schaduwtjes.

  3. 03Effect op de vorm

    Bij Brancusi ontstaat een zuivere, gesloten, bijna abstracte vorm die opgaat in licht en beweging; bij Rodin een bewegelijke, levende, bijna 'onaf' ogende vorm.

  4. 04Betekenis verklaren

    Het gladde oppervlak roept iets tijdloos, ideaals en sereens op; het ruwe oppervlak roept juist emotie, energie en menselijkheid op en toont het maakproces.

Resultaat: Hoewel het in beide gevallen om driedimensionale vormen gaat, bepaalt juist het oppervlak de zeggingskracht: Brancusi's gepolijste vorm laat het licht rustig vloeien en oogt tijdloos en ideaal, terwijl Rodin's ruwe oppervlak het licht laat spatten en het beeld levend en expressief maakt.

Eindexamen-focus

  • Het CE vraagt je textuur te benoemen (glad/ruw, mat/glanzend) en het onderscheid te maken tussen echte materiaaltextuur en gesuggereerde (geschilderde) textuur.
  • Bij ruimtelijk werk moet je de oppervlaktebehandeling koppelen aan de lichtwerking en aan de betekenis of zeggingskracht van het beeld.

Veelgemaakte fouten

  • Materiaaltextuur (echt, voelbaar) verwarren met geschilderde textuur (een illusie op een plat vlak).
  • Het oppervlak los zien van de betekenis, terwijl glad tegenover ruw juist een totaal andere lading geeft aan hetzelfde onderwerp.

Actieve herhaling

Kies twee beelden met een duidelijk verschillend oppervlak (bijvoorbeeld een gepolijst en een ruw gemodelleerd werk). Beschrijf per beeld de oppervlaktebehandeling, leg uit hoe die het licht opvangt, en verklaar welk effect en welke betekenis het oppervlak aan het beeld geeft.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — textuur en oppervlak (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Kleur en de kleurenleer○
    • 02Licht, schaduw en het volume◐
    • 03Ruimte en ruimtesuggestie◐
    • 04Textuur en oppervlak●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Beeldaspecten: kleur, licht, ruimte en textuur

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~21
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma beeldende vakken (handvaardigheid) havo — kleur en kleurenleer

Vorig onderwerp

Beeldaspecten: vorm, compositie en ordening

Volgend onderwerp

Betekenis, functie en context van kunst en vormgeving

EuraStudy·Samenvattingen T·04·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.