EuraStudy
Samenvattingen/Geschiedenis/Tijd van steden en staten (hoge en late middeleeuwen)
Samenvattingen · GeschiedenisNL · HAVO

Tijd van steden en staten (hoge en late middeleeuwen)

Het vierde tijdvak (1000–1500) is de hoge en late middeleeuwen: door landbouwverbetering groeit de bevolking, herleven handel en steden en ontstaat opnieuw een geld- en markteconomie (een agrarisch-urbane samenleving). Steden verwerven stadsrechten en de stedelijke burgerij komt op; kerk en wereldlijke vorsten strijden om het primaat; de christelijke wereld breidt zich naar buiten uit (kruistochten) en vorsten beginnen hun macht te centraliseren. Late crises als de pest (1347–1351) sluiten het tijdvak af.

4 Onderdelen·~21 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 2 · Verdieping 2

T·0666 / 15
Examenprofiel
De opleving van landbouw, handel en steden en het herleven van een geld- en markteconomie verklarenHet ontstaan van steden, stadsrechten, gilden en de stedelijke burgerij beschrijvenHet conflict tussen wereldlijke en geestelijke macht en de expansie van de christelijke wereld (kruistochten) uitleggenDe beginnende staatsvorming en centralisatie, en de gevolgen van de pest, beredeneren
Operatoren:beschrijfleg uitverklaartoon aanberedeneerplaats

basisniveau

De opkomst van handel en ambacht die de agrarisch-urbane samenleving deed herleven, de opkomst van de stedelijke burgerij en de zelfstandigheid van steden, het conflict tussen wereldlijke en geestelijke macht, de expansie van de christelijke wereld (kruistochten) en het begin van staatsvorming zijn de kenmerkende aspecten van dit tijdvak.

verhoogd niveau

Verdieping (SE): de investituurstrijd (Canossa 1077, Concordaat van Worms 1122), de scholastiek en de sociaaleconomische gevolgen van de pest (1347–1351).

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Tijd van steden en staten (hoge en late middeleeuwen)
    • 01Opleving van landbouw, handel en steden◐
    • 02Steden, stadsrechten, gilden en de burgerij◐
    • 03Kerk tegenover vorst en de expansie van de christelijke wereld●
    • 04Beginnende staatsvorming, de scholastiek en de late middeleeuwen●
§ 01

Opleving van landbouw, handel en steden#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Rond het jaar 1000 kwam er in West-Europa een omslag na de agrarische terugval van de vroege middeleeuwen. De motor was een reeks verbeteringen in de landbouw. Het drieslagstelsel verdeelde de akker in drie delen: één deel wintergraan, één deel zomergraan en één deel dat braak lag (rustte), waarna men jaarlijks roteerde; zo bleef de grond vruchtbaarder en steeg de opbrengst tegenover het oudere tweeslagstelsel. Daarnaast kwamen er betere werktuigen, zoals de zware keerploeg (die de zware kleigronden van Noordwest-Europa kon bewerken) en het gebruik van het paard met een verbeterd haam als trekdier, en werd waterkracht en windkracht ingezet met water- en windmolens. Ook werd veel woeste grond ontgonnen tot akkerland (in de Lage Landen mede door het inpolderen en droogleggen van moerassen). Het gevolg: er ontstonden opnieuw voedseloverschotten, en die maakten bevolkingsgroei mogelijk. Deze landbouwopleving is de basis onder alle andere veranderingen van het tijdvak.
Met de voedseloverschotten herleefden de handel en de steden — precies omgekeerd aan de vroege middeleeuwen. Dit is het kenmerkende aspect „de opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een agrarisch-urbane samenleving”. Uitgelegd: doordat niet iedereen meer nodig was om voedsel te verbouwen, konden mensen zich toeleggen op een ambacht of op handel. Boeren die meer produceerden dan ze zelf nodig hadden, verkochten het overschot op markten; daardoor kwam er weer een geld- en markteconomie in plaats van de zuivere zelfvoorziening (het hofstelsel). Handelaars trokken van markt tot markt, en op gunstige knooppunten — rivierovergangen, kruispunten van wegen, veilige havens — groeiden marktplaatsen uit tot steden. „Agrarisch-urbaan” betekent dat er weer, net als in de Romeinse tijd, naast landbouw óók steden, handel en geld waren. Zie de oorzaak-gevolgketen in Afb. 1.

Keten: landbouw, bevolking, steden

Van akker tot stad (na 1000)Graaf, Betere landbouw → Voedseloverschot, Voedseloverschot → Bevolkingsgroei, Bevolkingsgroei → Handel & ambacht, Handel & ambacht → Steden & geldBetere landbouwVoedseloverschotBevolkingsgroeiHandel & ambachtSteden & geld
Afb. 1Afb. 1 — De landbouwopleving rond 1000 zette de herleving van handel, steden en de geldeconomie in gang.
De herleving verliep niet overal even sterk; zij concentreerde zich waar handel en nijverheid samenkwamen. In Vlaanderen (het huidige België) bloeide de lakennijverheid: steden als Brugge, Gent en Ieper verwerkten (Engelse) wol tot laken en werden rijk en dichtbevolkt. In Noord-Italië werden havensteden als Venetië en Genua rijk door de handel met het oostelijke Middellandse Zeegebied en, daarachter, met Azië (specerijen, zijde). Rond de Oost- en Noordzee sloten Duitse en Nederlandse handelssteden zich aaneen in de Hanze, een verbond dat de handel in graan, hout, vis en andere producten beheerste. Ook in de noordelijke Lage Landen kwamen handelssteden op, zoals Dordrecht en later de Hollandse steden. Deze handelsroutes verbonden Europa weer met verre streken en brachten niet alleen goederen, maar ook ideeën en technieken binnen — onder meer kennis die via het islamitische gebied was bewaard en ontwikkeld.
Deze ontwikkeling is een schoolvoorbeeld van een oorzaak-gevolgketen over de lange termijn, en het examen laat die graag opstellen: landbouwverbetering → voedseloverschot → bevolkingsgroei → arbeid komt vrij voor handel en ambacht → herleving van markten en steden → geld- en markteconomie. Let goed op de ríchting van de keten: de betere landbouw maakte de steden mogelijk, niet andersom. Interessant is dat precies dezelfde keten (een landbouwoverschot maakt steden en specialisatie mogelijk) al bij de landbouwrevolutie in het eerste tijdvak speelde; nu herhaalt zij zich na de terugval van de vroege middeleeuwen. Zulke terugkerende patronen zijn nuttig bij vragen over continuïteit en verandering die meerdere tijdvakken overspannen — je kunt laten zien dat een zelfde mechanisme in verschillende perioden werkt.
Uitgewerkt voorbeeld

Landbouwverbetering als vertrekpunt

Toon aan dat het drieslagstelsel indirect bijdroeg aan de groei van steden.

  1. 01Wat deed het drieslagstelsel?

    Door de akker in drie delen te verdelen (wintergraan, zomergraan, braak) en jaarlijks te roteren, bleef de grond vruchtbaarder en steeg de opbrengst per akker.

  2. 02Het directe gevolg

    Hogere opbrengsten leverden voedseloverschotten op, waardoor de bevolking kon groeien en niet iedereen meer op het land hoefde te werken.

  3. 03Het indirecte gevolg

    De vrijgekomen arbeidskracht kon zich toeleggen op handel en ambacht in de steden; de overschotten werden op markten verhandeld, wat de groei van steden voedde.

Resultaat: Het drieslagstelsel verhoogde de opbrengst → overschot en bevolkingsgroei → arbeid vrij voor handel en ambacht → groei van steden. Zo droeg een landbouwtechniek indirect bij aan verstedelijking.

Eindexamen-focus

  • De oorzaak-gevolgketen landbouwverbetering (drieslagstelsel, keerploeg, molens, ontginning) → bevolkingsgroei → herleving handel en steden opstellen en in de juiste richting onderbouwen.
  • Uitleggen hoe de geld- en markteconomie de zelfvoorzienende agrarische samenleving (het hofstelsel) verving en wat „agrarisch-urbaan” betekent.
  • Aangeven waar (Vlaanderen met laken, Noord-Italië met de Levanthandel, de Hanze rond de Oost- en Noordzee) de steden het sterkst bloeiden en waarom.

Veelgemaakte fouten

  • De opkomst van steden losmaken van de landbouwverbetering die haar mogelijk maakte.
  • Denken dat handel en geld in de vroege middeleeuwen nooit hadden bestaan, terwijl juist het herléven ervan het kenmerk van dit tijdvak is.
  • De richting van de keten omdraaien (alsof de steden de landbouw verbeterden) in plaats van andersom.

Actieve herhaling

Beredeneer met een oorzaak-gevolgketen hoe verbeteringen in de landbouw rond het jaar 1000 uiteindelijk leidden tot de herleving van handel en steden. Leg daarbij uit waarom dit een geld- en markteconomie deed ontstaan.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — opkomst van handel en steden (CvTE / Examenblad)

§ 02

Steden, stadsrechten, gilden en de burgerij#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De middeleeuwse stad was iets nieuws in een feodale, agrarische wereld: een plaats van handelaren en ambachtslieden die níet aan de grond gebonden waren zoals de horigen op het platteland. Dit is het kenmerkende aspect „de opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van steden”. Steden streefden naar zelfbestuur en kochten of bedongen van de landsheer stadsrechten: een pakket privileges dat meestal het recht omvatte om een stadsmuur te bouwen, markten en jaarmarkten te houden, tol te heffen, eigen recht te spreken (een eigen schepenbank) en zichzelf te besturen door een stadsbestuur van vooraanstaande burgers. Het bekende gezegde „stadslucht maakt vrij” verwijst hiernaar: een horige die een jaar en een dag ongemoeid in de stad had gewoond, was in beginsel vrij van zijn heer. Stadsrechten maakten de stad zo tot een eiland van vrijheid en zelfbestuur in een verder feodaal geordend landschap.
Binnen de steden organiseerden ambachtslieden en kooplieden zich in gilden: verenigingen per beroep (bijvoorbeeld het bakkersgilde, het weversgilde, het smedengilde). Een gilde regelde veel tegelijk. Het bewaakte de kwaliteit van het werk en de prijs van de producten, en beschermde zijn leden tegen concurrentie van buiten. Het regelde de opleiding via een vaste ladder: een jongen begon als leerling, werd daarna gezel (een betaalde vakman) en kon na het maken van een meesterproef zelf meester worden met een eigen werkplaats. Daarnaast had het gilde een sociale functie — het zorgde voor leden in nood, bij ziekte of overlijden — en vaak een politieke functie, doordat gilden vertegenwoordigd waren in het stadsbestuur. De gilden laten zien hoe de stedelijke samenleving een eigen ordening ontwikkelde die duidelijk afweek van die van het platteland met zijn heren en horigen.
Met de steden ontstond een nieuwe sociale groep: de burgerij (soms de bourgeoisie genoemd). Om haar plaats te begrijpen helpt het middeleeuwse beeld van de drie standen: de adel (die vocht), de geestelijkheid (die bad) en de boeren (die werkten). De adel ontleende zijn positie aan geboorte en grondbezit, de geestelijkheid aan de kerk. De burgerij paste in geen van deze standen: zij ontleende haar positie aan handel, ambacht en geld. Rijke kooplieden en gildemeesters bestuurden de steden en werden een macht van betekenis, ook tegenover de landsheer en de adel. Deze opkomst van een geldbezittende, zelfbewuste burgerij is een van de belangrijkste lange lijnen in de Europese geschiedenis: in latere tijdvakken (denk aan de rijke regenten van de Republiek, en aan de burgerij tijdens de revoluties van de 18e en 19e eeuw) zou deze groep steeds meer politieke macht opeisen. Zie de vergelijking in Afb. 2.

Standen en de nieuwe burgerij

Standen en machtsbronnenTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Groep · Machtsbron · Woonplaats; Adel · Grond, geboorte · Kasteel / land; Geestelijkheid · Kerk, geloof · Klooster / kerk; Burgerij · Handel, geld · Stad; Boeren / horigen · Arbeid · Platteland, gemarkeerde cel: Handel, geldGROEPMACHTSBRONWOONPLAATSAdelGrond, geboorteKasteel / landGeestelijkheidKerk, geloofKlooster / kerkBurgerijHandel, geldStadBoeren / horigenArbeidPlattelandDe burgerij is de nieuwe, op geld gebaseerde groep van dittijdvak.
Afb. 2Afb. 2 — De burgerij ontleende haar macht aan geld, niet aan geboorte of ambt — nieuw naast de drie standen.
De verhouding tussen de steden en de landsheer was er een van geven en nemen, en dat wederzijdse belang toetst het examen graag. Voor de vorst waren bloeiende steden aantrekkelijk omdat ze belasting en leningen opleverden — contant geld dat hij hard nodig had voor zijn bestuur en vooral voor het voeren van oorlog, terwijl geld in een deels agrarische economie schaars was. In ruil voor die financiële steun verleende de vorst privileges en stadsrechten. Tegelijk konden machtige, rijke steden de vorst ook dwarszitten of eisen stellen. Deze wisselwerking — de vorst heeft het geld van de steden nodig, de steden willen zelfstandigheid en privileges — is een terugkerend thema en verbindt dit onderdeel met de beginnende staatsvorming (zie de laatste sectie): vorsten gebruikten het geld en de steun van de steden juist om hun macht tegenover de adel te vergroten en te centraliseren.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarom verleende een vorst stadsrechten?

Verklaar waarom een landsheer bereid was een stad stadsrechten en privileges te verlenen.

  1. 01Het belang van de vorst

    Een vorst had voor bestuur en vooral voor oorlog veel geld nodig, maar in een deels agrarische economie was contant geld schaars.

  2. 02Wat de stad bood

    Bloeiende steden leverden belastinginkomsten en leningen op; een welvarende stad was voor de vorst een bron van kapitaal en steun.

  3. 03De ruil

    In ruil voor die financiële steun verleende de vorst stadsrechten (markt, muur, eigen bestuur en recht); zo won hij geld en trouw, terwijl de stad zelfstandigheid verwierf.

Resultaat: De vorst verleende stadsrechten omdat welvarende steden hem geld (belasting en leningen) opleverden; de privileges waren de tegenprestatie in een wederzijds voordelige ruil.

Eindexamen-focus

  • Uitleggen wat stadsrechten inhielden (muur, markt, eigen recht, zelfbestuur) en waarom steden ernaar streefden („stadslucht maakt vrij”).
  • De functie van gilden beschrijven (kwaliteit, prijs, opleiding leerling–gezel–meester, belangenbehartiging, sociale zorg, politieke rol).
  • De opkomst van de burgerij als nieuwe, op geld gebaseerde groep plaatsen tegenover de drie standen (adel, geestelijkheid, boeren) en de wederzijdse band met de vorst benoemen.

Veelgemaakte fouten

  • Gilden verwarren met moderne vakbonden: gilden waren beroepsverenigingen die óók de prijs, de kwaliteit en de concurrentie regelden, niet enkel de belangen van werknemers.
  • De burgerij gelijkstellen aan „de gewone mensen”: het gaat om de geldbezittende koop- en ambachtsstand in de stad, niet om de armen of de boeren.
  • Vergeten dat de vorst de steden nodig had (om hun geld), zodat de relatie wederzijds en niet eenzijdig was.

Actieve herhaling

Leg uit waarom middeleeuwse steden naar stadsrechten streefden en welke rol gilden in de stedelijke samenleving speelden. Beredeneer vervolgens waarom de opkomst van de burgerij op de lange termijn een verschuiving in de machtsverhoudingen betekende.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — stedelijke burgerij en stadsrechten (CvTE / Examenblad)

§ 03

Kerk tegenover vorst en de expansie van de christelijke wereld#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een kenmerkend aspect van dit tijdvak is „het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de geestelijke macht het primaat (de hoogste zeggenschap) behoorde te hebben”. In de middeleeuwen waren kerk en staat sterk verweven: de kerk bezat veel land, en bisschoppen en abten waren vaak tegelijk leenmannen met wereldlijke taken. Dat leidde tot een botsing over de vraag wie geestelijken (met name bisschoppen) mocht benoemen en met de tekenen van hun ambt (ring en staf) mocht bekleden — de zogenoemde investituur. De keizer wilde dat doen om trouwe mannen op invloedrijke posten te krijgen; de paus eiste dat de kerk zichzelf benoemde. Dit conflict heet de investituurstrijd. Achterliggend ging het om het principe: staat óf kerk het hoogste gezag in de christenheid heeft. Zie de tijdlijn in Afb. 3.

Tijdlijn: kerk, staat en kruistochten

Kerk, staat en kruistochtenTijdlijn van 1070 tot 1300, 1077: Canossa, 1096: 1e Kruistocht, 1099: Jeruzalem, 1122: Concordaat Worms, 1291: Val Akko, 1076–1122: Investituurstrijd, 1096–1291: Kruistochten10701300jaarInvestituurstrijdKruistochten1077Canossa10961e Kruistocht1099Jeruzalem1122Concordaat Worms1291Val Akko
Afb. 3Afb. 3 — Investituurstrijd en kruistochten: het conflict om het primaat en de expansie naar buiten.
De investituurstrijd bereikte een hoogtepunt in het conflict tussen paus Gregorius VII en de Duitse keizer Hendrik IV. Toen de keizer de pauselijke eisen naast zich neerlegde, deed de paus hem in de ban (sloot hem uit de kerk uit) en ontsloeg hij de onderdanen van hun trouw aan de keizer — een enorme bedreiging voor diens gezag. In 1077 moest Hendrik IV daarom, volgens de overlevering barrevoets en boetvaardig in de sneeuw, de paus bij de burcht Canossa (in Noord-Italië) om vergiffenis smeken (de „gang naar Canossa”, een uitdrukking die tot vandaag „diepe vernedering” betekent). Het conflict sleepte voort tot het Concordaat van Worms (1122), een compromis waarbij de geestelijke investituur (ring en staf, het kerkelijke deel) aan de kerk toeviel en de wereldlijke investituur (het leen dat aan het ambt hing) aan de keizer. De strijd toont hoe machtig de kerk in deze periode was geworden en hoe reëel de vraag naar het primaat was.
Tegelijk breidde de christelijke wereld zich naar buiten uit — het kenmerkende aspect „de expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van de kruistochten”. Een kruistocht was een gewapende pelgrimstocht om het Heilige Land (met Jeruzalem) op de moslims te heroveren. In 1095 riep paus Urbanus II op tot de Eerste Kruistocht; in 1096 trokken de eerste legers op weg, en in 1099 veroverden zij Jeruzalem, waar zij enkele kruisvaardersstaten stichtten. Er volgden meer kruistochten (over ongeveer twee eeuwen), waarbij het bezit van Jeruzalem heen en weer ging en de christenen het Heilige Land uiteindelijk weer verloren. De motieven waren gemengd: godsdienstige ijver en de belofte van vergeving van zonden, maar ook eer, avontuur, land- en buithonger en handelsbelangen (de Italiaanse steden verdienden aan het vervoer). De kruistochten hadden ook een keerzijde: geweld, ook tegen joden en tegen de christelijke stad Constantinopel (1204).
De gevolgen van deze expansie reikten verder dan het slagveld, en dat maakt de kruistochten voor het examen meer dan alleen een reeks veldtochten. Door het contact met de rijkere, geleerde islamitische wereld en het Byzantijnse Rijk maakten West-Europeanen kennis met luxegoederen (specerijen, zijde, suiker), met nieuwe technieken en met bewaarde en ontwikkelde kennis, waaronder Griekse wetenschap en filosofie (vaak via Arabische vertalingen) en het Arabische cijferstelsel. De handel tussen West-Europa en het oosten kreeg een impuls, wat vooral de Italiaanse handelssteden ten goede kwam. Zo hangen de kenmerkende aspecten samen: de expansie naar buiten voedde de handel en de kennisstroom die de opleving van steden en, later, de wetenschap (de scholastiek — zie de volgende sectie) mede droegen. De kruistochten laten daarmee zien hoe een godsdienstig gemotiveerde onderneming brede economische en culturele gevolgen kon hebben.
Uitgewerkt voorbeeld

De kern van de investituurstrijd

Een bron beschrijft hoe keizer Hendrik IV in 1077 bij Canossa de paus om vergiffenis smeekte. Leg uit waar het conflict in de kern om ging en waarom de keizer zich zo vernederde.

  1. 01De kern van het conflict

    Het ging om het primaat: had de wereldlijke macht (de keizer) of de geestelijke macht (de paus) de hoogste zeggenschap? Concreet botste men over de investituur — wie bisschoppen mocht benoemen en bekleden.

  2. 02Het pauselijke wapen

    De paus deed de keizer in de ban en ontsloeg diens onderdanen van hun trouw; daardoor dreigde de keizer zijn gezag over zijn leenmannen te verliezen.

  3. 03Waarom de vernedering?

    Om de ban ongedaan te maken en zo zijn macht te redden, onderwierp Hendrik IV zich bij Canossa aan de paus; de „gang naar Canossa” toont hoe machtig de kerk toen was.

Resultaat: In de kern ging het om de vraag of kerk of staat het primaat had; omdat de banvloek Hendriks gezag ondermijnde, vernederde hij zich bij Canossa (1077) om de ban op te heffen — een teken van de grote macht van de kerk.

Eindexamen-focus

  • Het conflict over het primaat (wereldlijke vs. geestelijke macht) uitleggen aan de hand van de investituurstrijd, met Canossa (1077) en het Concordaat van Worms (1122) als ijkpunten.
  • De kruistochten beschrijven als expansie van de christelijke wereld (oproep 1095, Eerste Kruistocht 1096–1099, doel: Jeruzalem) en de gemengde motieven benoemen.
  • De bredere gevolgen van de kruistochten verklaren: handel, kennisoverdracht (Griekse wetenschap, Arabische cijfers) en de band met de opleving van steden.

Veelgemaakte fouten

  • De investituurstrijd afdoen als een ruzie om benoemingen en de achterliggende principiële vraag naar het primaat (kerk óf staat het hoogste gezag) missen.
  • De kruistochten uitsluitend als godsdienstig voorstellen en de wereldlijke motieven (eer, land, buit, handel) én de bredere gevolgen (handel, kennis) vergeten.
  • 1077 (Canossa) en 1122 (Worms) verwarren, of de Eerste Kruistocht (1096) op een verkeerde eeuw plaatsen.

Actieve herhaling

Leg uit waar het conflict tussen keizer en paus in de investituurstrijd in de kern om ging. Beredeneer vervolgens waarom de kruistochten, hoewel militair uiteindelijk mislukt, toch belangrijke gevolgen hadden voor de handel en de kennis in West-Europa.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — conflict wereldlijke/geestelijke macht en kruistochten (CvTE / Examenblad)

§ 04

Beginnende staatsvorming, de scholastiek en de late middeleeuwen#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Vorst tegenover de standen

Vorst en standenGraaf, Vorst (centralisatie) → Belasting & bestuur, Belasting & bestuur → Standen (adel, kerk, steden), Standen (adel, kerk, steden) → Instemming & privileges, Instemming & privileges → Vorst (centralisatie)Vorst(centralisatie)Belasting &bestuurStanden (adel,kerk, steden)Instemming &privilegeswil heffenvereisteisen
Afb. 4Afb. 4 — Staatsvorming als krachtenspel: de vorst wil centraliseren en belasten, de standen willen hun rechten behouden.

Kernpunten

Terwijl de steden opkwamen, begonnen sterke vorsten hun versnipperde feodale macht weer te bundelen: het begin van de staatsvorming (centralisatie), het kenmerkende aspect „het begin van staatsvorming en centralisatie”. Koningen in bijvoorbeeld Frankrijk en Engeland probeerden de zelfstandige leenmannen te beteugelen, hun gezag over een groter, aaneengesloten gebied te vestigen en een eigen bestuur en rechtspraak op te bouwen. Zij deden dit door ambtenaren in dienst te nemen die van hén afhankelijk waren, door belastingen te heffen (mede dankzij het geld van de opkomende steden) en soms door met de steden samen te werken tégen de adel. In de Lage Landen speelde dit later in het bijzonder onder de hertogen van Bourgondië — Filips de Goede en Karel de Stoute (15e eeuw) — die de tot dan toe losse gewesten (zoals Vlaanderen, Brabant en Holland) onder één gezag probeerden te brengen: het begin van een Nederlandse staatsvorming van bovenaf.
De centralisatie verliep niet zonder tegenspel, en dat spanningsveld toetst het examen graag. Om belasting te mogen heffen en steun te krijgen, moesten vorsten vaak overleggen met de standen — de adel, de geestelijkheid en de steden (de burgerij) — die daartoe bijeenkwamen in standenvergaderingen, zoals het Engelse parlement of, later, de Staten(-Generaal) in de Nederlanden. Zo ontstond een spanning die eeuwenlang zou doorwerken: de vorst wilde centraliseren en belasten, de standen wilden hun rechten, privileges en instemmingsrecht behouden. In Engeland leidde dit al in 1215 tot de Magna Carta (het „Groot Charter”), waarin de koning moest erkennen dat ook hij aan het recht gebonden was en niet zomaar, zonder overleg, belasting mocht heffen. De Magna Carta geldt daarom als een vroege stap in het binden van vorstelijke macht aan regels — een lange lijn naar de latere rechtsstaat.
Op cultureel-religieus gebied kenmerkt dit tijdvak zich door de scholastiek: een manier van denken die het christelijke geloof met de rede probeerde te verzoenen, vooral met behulp van de herontdekte filosofie van Aristoteles (die deels via Arabische vertalingen terugkwam). Aan de nieuwe universiteiten — Bologna, Parijs, Oxford, opgericht vanaf de 12e en 13e eeuw — bestudeerden geleerden zoals Thomas van Aquino de geloofswaarheden met logische redenering: zij stelden vragen, wogen argumenten voor en tegen, en zochten naar een redelijke onderbouwing van het geloof. De scholastiek liet zien dat geloof en rede volgens de tijdgenoten samen kónden gaan; zij is dan ook geen tegenstander van de wetenschap, maar een voorbereiding erop, doordat zij het systematisch, redelijk redeneren aan de universiteiten oefende. Zo grijpt dit tijdvak terug op het wetenschappelijk denken uit de oudheid en bereidt het de latere bloei van de wetenschap voor.
De late middeleeuwen (ongeveer 1300–1500) kenden ook zware crises die het tijdvak afsloten en veranderingen afdwongen. De beruchtste is de pest, de Zwarte Dood, die in 1347–1351 door Europa raasde en naar schatting een derde van de bevolking doodde. Ook waren er hongersnoden en langdurige oorlogen, zoals de Honderdjarige Oorlog tussen Engeland en Frankrijk (1337–1453). Paradoxaal genoeg versterkte de enorme sterfte door de pest op langere termijn de positie van de overlevende boeren en arbeiders: door het tekort aan arbeidskrachten werd arbeid schaars en dus waardevol, zodat overlevenden hogere lonen, lagere lasten en meer vrijheid konden afdwingen. Daardoor brokkelde de horigheid in West-Europa verder af. Zo zette dit tijdvak — met bloeiende steden, een geldeconomie, een opkomende burgerij, beginnende staatsvorming en een verzwakte horigheid — de overgang naar de nieuwe tijd (de renaissance en de ontdekkingsreizen) in gang. Zie het onbedoelde gevolg in het uitgewerkte voorbeeld.
Uitgewerkt voorbeeld

De pest en de arbeidsverhoudingen

Beredeneer waarom de Zwarte Dood, ondanks de enorme sterfte, de positie van de overlevende arbeiders versterkte.

  1. 01Het directe gevolg

    De pest (1347–1351) doodde rond een derde van de bevolking; er ontstond een groot tekort aan arbeidskrachten op het land en in de steden.

  2. 02Vraag en aanbod

    Doordat er veel minder arbeiders waren maar het werk bleef, werd arbeid schaars en dus waardevol; heren en werkgevers moesten met elkaar concurreren om personeel.

  3. 03Het langetermijngevolg

    Overlevende boeren en arbeiders konden hogere lonen, lagere lasten en meer vrijheid afdwingen; de horigheid brokkelde daardoor verder af.

Resultaat: De sterfte maakte arbeid schaars, waardoor de overlevende arbeiders sterker kwamen te staan (hogere lonen, meer vrijheid) — een onbedoeld gevolg dat de horigheid ondermijnde en de overgang naar de nieuwe tijd hielp inzetten.

Eindexamen-focus

  • De beginnende centralisatie/staatsvorming door vorsten uitleggen (ambtenaren, belasting, samenwerking met steden; in de Lage Landen de Bourgondiërs) en het tegenspel van de standenvergaderingen (Magna Carta 1215) benoemen.
  • De scholastiek beschrijven als poging geloof en rede te verzoenen (universiteiten, Aristoteles, Thomas van Aquino) en als voorbereiding op de wetenschap.
  • De gevolgen van de pest (1347–1351) voor de arbeidsverhoudingen en de horigheid beredeneren (schaarste aan arbeid → sterkere positie arbeiders → horigheid brokkelt af).

Veelgemaakte fouten

  • Staatsvorming als voltooid voorstellen; in dit tijdvak begint zij pas, tegen sterk verzet van adel en standen in.
  • De scholastiek als „tegen de wetenschap” zien, terwijl zij juist rede en geloof combineerde en het redelijk redeneren aan universiteiten voorbereidde.
  • De pest alleen als ramp zien en het onbedoelde langetermijngevolg (sterkere positie van de overlevende arbeiders, afbrokkelende horigheid) missen.

Actieve herhaling

Leg uit hoe vorsten in de late middeleeuwen hun macht probeerden te centraliseren en waarom zij daarbij toch met de standen moesten overleggen. Beredeneer vervolgens hoe de pest (1347–1351) op de lange termijn de positie van boeren en arbeiders veranderde.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — staatsvorming, scholastiek en de late middeleeuwen (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Opleving van landbouw, handel en steden◐
    • 02Steden, stadsrechten, gilden en de burgerij◐
    • 03Kerk tegenover vorst en de expansie van de christelijke wereld●
    • 04Beginnende staatsvorming, de scholastiek en de late middeleeuwen●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Tijd van steden en staten (hoge en late middeleeuwen)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~21
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma geschiedenis havo/vwo — opkomst van handel en steden

Vorig onderwerp

Tijd van monniken en ridders (vroege middeleeuwen)

Volgend onderwerp

Tijd van ontdekkers en hervormers (1500-1600)

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.