EuraStudy
Samenvattingen/Frans/Frankofone cultuur en landenkennis
Samenvattingen · FransNL · HAVO

Frankofone cultuur en landenkennis

Frans is een wereldtaal die op vier continenten wordt gesproken en die haar eigen rijke geschiedenis, symbolen en omgangsvormen kent. Deze samenvatting brengt de Franstalige wereld („la Francophonie”), de symbolen en instituties van Frankrijk, de grote literaire stromingen en de interculturele beleefdheidsvormen bij elkaar. Belangrijk om eerlijk te zijn over de plaats in het examen: deze landen- en cultuurkennis hoort bij het bredere taal- en cultuuronderwijs en ondersteunt je begrip van examenteksten, terwijl het centraal examen Frans uitsluitend je leesvaardigheid toetst.

4 Onderdelen·~20 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·131313 / 13
Examenprofiel
De Franstalige wereld („la Francophonie”) en haar spreiding over de continenten kennen.De symbolen en instituties van Frankrijk herkennen en benoemen.De grote literaire stromingen en hun kernauteurs in tijd en context plaatsen.Interculturele beleefdheidsvormen begrijpen en toepassen.
Operatoren:beschrijfplaatsleg uitvergelijk

basisniveau

Voor het schoolexamen en je algemene taalvaardigheid: ken de hoofdlijnen van de Franstalige wereld, de belangrijkste symbolen van Frankrijk en een handvol grote auteurs, en pas de basale beleefdheidsvormen toe. Op het centraal examen helpt deze achtergrondkennis je vooral om de context van leesteksten sneller te plaatsen.

verhoogd niveau

Wie Frans of een internationaal gerichte opleiding kiest in het hoger onderwijs, heeft baat bij een steviger cultureel kader: de literaire stromingen in hun historische samenhang, de instituties van de Franse republiek en een fijngevoelig begrip van interculturele omgangsvormen.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Frankofone cultuur en landenkennis
    • 01La Francophonie: de Franstalige wereld○
    • 02Frankrijk: symbolen en instituties◐
    • 03Frankofone literatuur- en cultuurgeschiedenis◐
    • 04Interculturele vaardigheid◐
§ 01

La Francophonie: de Franstalige wereld#

●○○BasisLPexamenblad-nl

La Francophonie wereldwijd

La Francophonie wereldwijdTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Regio · Voorbeeldland · Bijzonderheid; Europa · België, Zwitserland · buurlanden; Noord-Amerika · Canada (Québec) · Frans + Engels; Afrika · Senegal, Marokko · sterke groei; Caraïben · Haïti · Frans + creoolsREGIOVOORBEELDLANDBIJZONDERHEIDEuropaBelgië, ZwitserlandbuurlandenNoord-AmerikaCanada (Québec)Frans + EngelsAfrikaSenegal, Marokkosterke groeiCaraïbenHaïtiFrans + creools
Afb. 1Frans is op vier continenten een officiële taal; de tabel toont per regio een voorbeeldland en wat die regio kenmerkt.

Kernpunten

Frans is allang niet meer alleen de taal van Frankrijk. Het is een echte wereldtaal die op vier continenten een officiële of veelgebruikte taal is en die naar schatting door ruim driehonderd miljoen mensen wordt gesproken. Het geheel van landen en gebieden waar Frans wordt gesproken, noemen we „la Francophonie”. In Europa hoor je Frans niet alleen in Frankrijk, maar ook in de buurlanden België (in Wallonië en Brussel), Zwitserland (la Suisse romande) en Luxemburg. In Noord-Amerika is Frans springlevend in Canada, vooral in de provincie Québec, waar het naast het Engels de voertaal is. In de Caraïben is Frans onder meer de officiële taal van Haïti, waar het samengaat met het Haïtiaans creools. En op het Afrikaanse continent is Frans in tientallen landen een officiële taal. De tabel onderaan deze sectie zet vier regio's met een voorbeeldland en een typerend kenmerk overzichtelijk naast elkaar.
Het zwaartepunt van de Franstalige wereld verschuift in hoog tempo naar Afrika, en daar groeit het Frans dan ook het sterkst. In landen als Senegal, Ivoorkust (la Côte d'Ivoire), de Democratische Republiek Congo en Marokko (le Maroc) is Frans de taal van het onderwijs, het bestuur en de media — vaak naast lokale talen en, in de Maghreb, naast het Arabisch. De reden voor die groei is vooral demografisch: de bevolking van Sub-Saharisch Afrika neemt snel toe, en omdat kinderen er op school Frans leren, stijgt het aantal Franstaligen mee. Schattingen gaan ervan uit dat tegen het midden van deze eeuw de meerderheid van alle Franssprekenden in Afrika zal wonen. Wie vandaag Frans leert, leert dus geen taal van het verleden, maar een taal waarvan het toekomstige zwaartepunt buiten Europa ligt.
Die wereldwijde gemeenschap van Franstaligen is ook georganiseerd. De „Organisation internationale de la Francophonie” (OIF) is de internationale organisatie die de samenwerking tussen Franstalige landen bevordert. Ze werd in 1970 opgericht en verbindt inmiddels tientallen lidstaten en regeringen op alle continenten. De OIF richt zich niet alleen op de taal zelf, maar ook op onderwijs, cultuur, democratie en economische samenwerking — de Franse taal is daarbij de gemeenschappelijke band. Elk jaar wordt op 20 maart de „Journée internationale de la Francophonie” gevierd, de internationale dag van de Franstaligheid. Voor jou als examenkandidaat is het vooral belangrijk om te weten dát zo'n organisatie bestaat en wat ze symboliseert: Frans is een taal die landen over de hele wereld bewust met elkaar delen.
Dat het Frans een wereldtaal is, heeft historische wortels: door de koloniale geschiedenis van Frankrijk en België raakte de taal in grote delen van Afrika, Azië en het Caraïbisch gebied verankerd. Vandaag is Frans een van de werktalen van internationale organisaties als de Verenigde Naties, de Europese Unie en het Internationaal Olympisch Comité. Voor het schoolvak betekent dit dat landen- en cultuurkennis bij het bredere taal- en cultuuronderwijs hoort: ze hoort bij het schoolexamen en bij je algemene vorming, en helpt je vooral om de achtergrond van examenteksten beter te begrijpen. Wees hierover eerlijk naar jezelf: het centraal examen Frans toetst uitsluitend je leesvaardigheid. Toch is deze kennis geen overbodige luxe — een tekst over Québec, over een Afrikaans Franstalig land of over de OIF lees je sneller en met meer begrip als je weet waar die plekken liggen en hoe ze met het Frans verbonden zijn.
Uitgewerkt voorbeeld

La Francophonie beschrijven en op de kaart plaatsen

Beschrijf in eigen woorden wat „la Francophonie” is en noem voor drie verschillende continenten een Franstalig land. Leg ook uit waarom het Frans juist in Afrika het sterkst groeit.

  1. 01Stap 1 — Geef een definitie

    „La Francophonie” is het geheel van alle landen en gebieden ter wereld waar Frans wordt gesproken, vaak als officiële taal. Het begrip is dus veel breder dan Frankrijk alleen: het omvat ook België, Canada, talloze Afrikaanse landen en gebieden in de Caraïben.

  2. 02Stap 2 — Kies drie continenten met een voorbeeldland

    Loop de tabel langs en kies per continent één land. Europa: België (of Zwitserland). Noord-Amerika: Canada, en wel de provincie Québec. Afrika: Senegal (of Marokko). De Caraïben met Haïti zou een vierde voorbeeld kunnen zijn.

  3. 03Stap 3 — Verklaar de groei in Afrika

    In Afrika groeit het aantal Franstaligen het sterkst, en dat is vooral demografisch te verklaren: de bevolking neemt er snel toe en kinderen leren op school Frans, zodat het aantal sprekers meestijgt.

Resultaat: „La Francophonie” is de wereldwijde gemeenschap van Franstalige landen en gebieden, veel breder dan Frankrijk alleen. Voorbeelden op drie continenten zijn België (Europa), Canada/Québec (Noord-Amerika) en Senegal (Afrika). Het Frans groeit het sterkst in Afrika doordat de bevolking daar snel toeneemt en kinderen er op school Frans leren.

Eindexamen-focus

  • Op het centraal examen kan landenkennis je helpen om de context van een leestekst snel te plaatsen: herken je dat een tekst over Québec, Senegal of Haïti gaat, dan weet je meteen dat het om een Franstalige regio buiten Frankrijk draait.
  • Voor het schoolexamen moet je de hoofdlijnen van „la Francophonie” kunnen beschrijven: op welke continenten Frans een officiële taal is, dat de OIF de Franstalige landen verbindt, en dat het Frans in Afrika het sterkst groeit.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat Frans alleen in Frankrijk wordt gesproken. Frans is op vier continenten een officiële taal — onder meer in België, Zwitserland, Canada (Québec), Senegal, Marokko en Haïti.
  • „La Francophonie” verwarren met „la France”. „La France” is het land Frankrijk; „la Francophonie” is de veel ruimere gemeenschap van álle landen en gebieden waar Frans wordt gesproken.

Actieve herhaling

Beschrijf in eigen woorden wat „la Francophonie” is en noem voor drie verschillende continenten een Franstalig land. Leg ook uit waarom het Frans juist in Afrika het sterkst groeit.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Frankrijk: symbolen en instituties#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Frankrijk: symbolen en instituties

Frankrijk: symbolen en institutiesTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Symbool/instituut · Frans · Betekenis; Leus · Liberté, Égalité, Fraternité · republikeinse waarden; Nationale feestdag · le 14 juillet · bestorming van de Bastille; Volkslied · La Marseillaise · nationaal lied; Staatshoofd · le président · leidt de republiekSYMBOOL/INSTITUUTFRANSBETEKENISLeusLiberté, Égalité, Fraternitérepublikeinse waardenNationale feestdagle 14 juilletbestorming van de BastilleVolksliedLa Marseillaisenationaal liedStaatshoofdle présidentleidt de republiek
Afb. 2De republikeinse leus, de nationale feestdag, het volkslied en het staatshoofd vormen samen het symbolische gezicht van de Franse republiek.

Kernpunten

Elk land heeft zijn symbolen, en bij Frankrijk beginnen die bij de republikeinse leus „Liberté, Égalité, Fraternité” — vrijheid, gelijkheid, broederschap. Deze drie woorden vatten de waarden samen waarop de Franse republiek sinds de Revolutie van 1789 berust, en je vindt ze terug op openbare gebouwen, op munten en op officiële documenten. „Liberté” staat voor de vrijheid van de burger, „égalité” voor de gelijkheid van iedereen voor de wet, en „fraternité” voor de onderlinge verbondenheid en solidariteit. Wie deze leus kent, herkent meteen de kern van wat Frankrijk over zichzelf wil uitdragen. De tabel onderaan deze sectie zet de leus naast de andere kernsymbolen van de republiek.
De nationale feestdag van Frankrijk is „le 14 juillet”, de veertiende juli. Op die dag herdenken de Fransen de bestorming van de Bastille in 1789 — het moment waarop het Parijse volk de gehate staatsgevangenis innam, algemeen gezien als het begin van de Franse Revolutie. De feestdag heet in het Frans „la Fête nationale”, maar in het buitenland wordt hij vaak „Bastille Day” genoemd. Op 14 juli trekt er een groot militair défilé over de Champs-Élysées in Parijs, en 's avonds zijn er overal vuurwerk en bals. Let op het verschil met Nederland: waar wij Koningsdag vieren rond het staatshoofd, viert Frankrijk een feestdag die juist is verbonden met de republiek en de revolutie tegen het koningschap.
Het volkslied van Frankrijk is „La Marseillaise”. Het werd in 1792, tijdens de Revolutie, geschreven door Claude Joseph Rouget de Lisle, en het dankt zijn naam aan vrijwilligers uit Marseille die het zingend naar Parijs brachten. De tekst is strijdbaar en roept op om het vaderland te verdedigen — het is dus een echt revolutionair strijdlied, geen rustige hymne. „La Marseillaise” klinkt bij officiële gelegenheden, bij staatsbezoeken en natuurlijk bij sportwedstrijden, waar je de Franse spelers en supporters het volkslied hoort meezingen. Samen met de leus en de feestdag behoort het volkslied tot de symbolen die elke Fransman herkent.
Frankrijk is geen koninkrijk maar een republiek: „la République française”. Aan het hoofd van de staat staat een gekozen president, „le président de la République”, die voor een termijn van vijf jaar wordt verkozen en samen met de regering het land bestuurt — een belangrijk verschil met Nederland, dat een koning als staatshoofd heeft. De republiek heeft ook een eigen gezicht in de vorm van „la Marianne”, een vrouwenfiguur die de Franse republiek verbeeldt en vaak een Frygische muts (le bonnet phrygien) draagt; je vindt haar op postzegels, munten en in gemeentehuizen. Ten slotte is er de driekleur, „le drapeau tricolore” in blauw, wit en rood (bleu-blanc-rouge), de nationale vlag die eveneens uit de Revolutie stamt. Leus, feestdag, volkslied, president, Marianne en vlag vormen samen het symbolische gezicht van Frankrijk.
Uitgewerkt voorbeeld

De Franse feestdag verklaren en symbolen benoemen

Leg uit waarom „le 14 juillet” de nationale feestdag van Frankrijk is, en noem drie andere symbolen of instituties van de Franse republiek met hun betekenis.

  1. 01Stap 1 — Verklaar de feestdag

    „Le 14 juillet” is de nationale feestdag omdat op 14 juli 1789 het Parijse volk de Bastille bestormde. Die gebeurtenis geldt als het begin van de Franse Revolutie, en daarom viert Frankrijk juist deze dag als „la Fête nationale”.

  2. 02Stap 2 — Kies drie andere symbolen

    Loop de tabel langs en kies er drie naast de feestdag, bijvoorbeeld: de leus „Liberté, Égalité, Fraternité”, het volkslied „La Marseillaise” en het staatshoofd „le président”.

  3. 03Stap 3 — Geef per symbool de betekenis

    De leus „Liberté, Égalité, Fraternité” staat voor de republikeinse waarden vrijheid, gelijkheid en broederschap. „La Marseillaise” is het nationale volkslied dat uit de Revolutie stamt. „Le président” is het gekozen staatshoofd dat de republiek leidt.

Resultaat: „Le 14 juillet” is de nationale feestdag omdat hij de bestorming van de Bastille in 1789, het begin van de Revolutie, herdenkt. Drie andere symbolen zijn de leus „Liberté, Égalité, Fraternité” (de republikeinse waarden vrijheid, gelijkheid en broederschap), het volkslied „La Marseillaise” (het nationale lied uit de Revolutie) en „le président” (het gekozen staatshoofd dat de republiek leidt).

Eindexamen-focus

  • Voor het schoolexamen moet je de belangrijkste symbolen en instituties van Frankrijk kunnen herkennen en benoemen: de leus „Liberté, Égalité, Fraternité”, de feestdag „le 14 juillet”, het volkslied „La Marseillaise” en het feit dat Frankrijk een republiek met een président is.
  • Op het centraal examen duiken deze begrippen op in leesteksten over de Franse samenleving, politiek of geschiedenis; wie de symbolen kent, plaatst zo'n tekst sneller in zijn context.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat Frankrijk een koning of koningin heeft. Frankrijk is een republiek („la République française”) met een gekozen president („le président”) als staatshoofd, niet een monarchie zoals Nederland.
  • De datum van de nationale feestdag verkeerd onthouden of de aanleiding vergeten. De feestdag is „le 14 juillet” en herdenkt de bestorming van de Bastille in 1789, niet zomaar een willekeurige zomerdag.

Actieve herhaling

Leg uit waarom „le 14 juillet” de nationale feestdag van Frankrijk is, en noem drie andere symbolen of instituties van de Franse republiek met hun betekenis.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Frankofone literatuur- en cultuurgeschiedenis#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Frankofone literatuurgeschiedenis

Frankofone literatuurgeschiedenisTijdlijn van 1600 tot 2000, 1664: Molière, Tartuffe, 1759: Voltaire, Candide, 1862: Hugo, Les Misérables, 1880: Zola, Nana, 1942: Camus, L'Étranger, 1949: De Beauvoir, Le Deuxième Sexe, 1600–1715: Classicisme, 1715–1789: Lumières, 1789–1850: Romantisme, 1850–1900: Réalisme, 1900–2000: Moderne1600jaarClassicismeLumièresRomantismeRéalismeModerne1664Molière,Tartuffe1759Voltaire,Candide1862Hugo, LesMisérables1880Zola, Nana1942Camus,L'Étranger1949De Beauvoir, LeDeuxième Sexe
Afb. 3Vijf opeenvolgende stromingen van het classicisme tot de moderne tijd, met per periode een kernwerk; de eeuwgrenzen zijn bij benadering.

Kernpunten

De Franse literatuur wordt vaak ingedeeld in grote stromingen (les courants littéraires), die elkaar door de eeuwen heen opvolgen. Elke stroming heeft een eigen kijk op de mens en de wereld, en bij elke stroming hoort een handvol grote namen. Belangrijk om vooraf te beseffen: de eeuwgrenzen die we hierbij gebruiken, zijn bij benadering. Een stroming begint niet op één vaste dag en eindigt niet abrupt; stromingen lopen in elkaar over en overlappen elkaar aan de randen. De jaartallen op de tijdlijn onderaan deze sectie zijn dus richtpunten, geen scherpe muren. Toch helpt zo'n indeling enorm om de grote lijn te onthouden: van het classicisme in de zeventiende eeuw, via de Verlichting en de romantiek, naar het realisme en ten slotte de moderne literatuur van de twintigste eeuw.
De zeventiende eeuw is de eeuw van „le classicisme”, het Franse classicisme, dat bloeit aan het hof van Lodewijk XIV. Het ideaal is helderheid, evenwicht en strenge vorm. De grootste naam is „Molière”, de meester van het klassieke toneel („le théâtre classique”), die in komedies als „Tartuffe” (1664) de schijnheiligheid en de gebreken van de mens op de korrel nam. In de achttiende eeuw volgt „les Lumières”, de Verlichting: een tijd waarin denkers de rede, de tolerantie en de kritiek op kerk en gezag centraal stellen. De bekendste vertegenwoordiger is „Voltaire”, wiens filosofische vertelling „Candide” (1759) op satirische wijze het blinde optimisme bespot. Classicisme en Verlichting samen leggen de basis voor het moderne Franse denken.
De negentiende eeuw kent twee opeenvolgende stromingen. Eerst is er „le romantisme”, de romantiek, waarin het gevoel, de verbeelding, de natuur en de grote hartstochten op de voorgrond staan. De reus van deze periode is „Victor Hugo”, wiens monumentale roman „Les Misérables” (1862) het lot van de armen en verschoppelingen in Parijs beschrijft. Daarna volgt „le réalisme” en zijn radicalere variant „le naturalisme”, die juist de werkelijkheid zo nauwkeurig en ongebloemd mogelijk willen weergeven, inclusief de harde kanten van het bestaan. De grote naturalist is „Émile Zola”; in romans als „Nana” (1880) ontleedt hij de Franse samenleving als een wetenschapper die een experiment beschrijft. Waar de romantiek het gevoel verheft, kijkt het realisme met een koel, observerend oog naar de maatschappij.
De twintigste eeuw, ten slotte, is de moderne tijd, met een veelheid aan nieuwe stromingen en stemmen. Twee namen moet je kennen. „Albert Camus” verwoordt met zijn roman „L'Étranger” (1942) het gevoel van de absurditeit van het bestaan: zijn hoofdpersoon staat vreemd en onverschillig tegenover een wereld zonder vanzelfsprekende zin. Niet toevallig is juist dit werk op de tijdlijn onderaan met nadruk gemarkeerd, als markant keerpunt naar de moderne literatuur. Daarnaast schrijft „Simone de Beauvoir” met „Le Deuxième Sexe” (1949) een baanbrekend essay dat de positie van de vrouw analyseert en uitgroeit tot een fundament van het moderne feminisme. Samen laten Camus en De Beauvoir zien hoe de twintigste-eeuwse literatuur grote filosofische en maatschappelijke vragen stelt. Loop de tijdlijn van links naar rechts na, en je hebt in één oogopslag de grote lijn van vier eeuwen Franse literatuur te pakken.
Uitgewerkt voorbeeld

Auteurs in hun stroming en eeuw plaatsen

Plaats de volgende auteurs in de juiste stroming en eeuw, en noem bij elk een bekend werk: Molière, Voltaire, Victor Hugo, Émile Zola en Albert Camus.

  1. 01Stap 1 — Bepaal per auteur de eeuw

    Loop de tijdlijn van links naar rechts. Molière hoort in de zeventiende eeuw, Voltaire in de achttiende, Victor Hugo en Émile Zola in de negentiende, en Albert Camus in de twintigste eeuw.

  2. 02Stap 2 — Koppel de stroming

    Molière = le classicisme (klassiek toneel); Voltaire = les Lumières (de Verlichting); Victor Hugo = le romantisme (de romantiek); Émile Zola = le réalisme/naturalisme; Albert Camus = de moderne twintigste-eeuwse literatuur.

  3. 03Stap 3 — Noem per auteur een werk

    Molière: „Tartuffe” (1664). Voltaire: „Candide” (1759). Victor Hugo: „Les Misérables” (1862). Émile Zola: „Nana” (1880). Albert Camus: „L'Étranger” (1942).

Resultaat: Molière (zeventiende eeuw, classicisme) — „Tartuffe”; Voltaire (achttiende eeuw, les Lumières/de Verlichting) — „Candide”; Victor Hugo (negentiende eeuw, romantiek) — „Les Misérables”; Émile Zola (negentiende eeuw, realisme/naturalisme) — „Nana”; Albert Camus (twintigste eeuw, modern) — „L'Étranger”. De tijdlijn laat precies dezelfde volgorde van links naar rechts zien.

Eindexamen-focus

  • Voor het schoolexamen (literatuur en het cultuuronderdeel) moet je de grote stromingen op volgorde kunnen plaatsen — classicisme, Verlichting, romantiek, realisme, modern — en bij elke stroming een kernauteur kunnen noemen.
  • Op het centraal examen kan een leestekst verwijzen naar een bekende auteur of stroming; achtergrondkennis van bijvoorbeeld Hugo, Zola of Camus helpt je de tekst sneller in zijn culturele context te plaatsen.

Veelgemaakte fouten

  • Auteurs aan de verkeerde stroming of eeuw koppelen, bijvoorbeeld Voltaire (achttiende eeuw, Verlichting) bij de romantiek plaatsen, of Victor Hugo (negentiende eeuw, romantiek) bij het classicisme. Onthoud de volgorde aan de hand van de tijdlijn.
  • De eeuwgrenzen als absolute, scherpe data opvatten. De jaartallen zijn bij benadering; stromingen lopen in elkaar over en overlappen elkaar aan de randen.

Actieve herhaling

Plaats de volgende auteurs in de juiste stroming en eeuw, en noem bij elk een bekend werk: Molière, Voltaire, Victor Hugo, Émile Zola en Albert Camus.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Interculturele vaardigheid#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Een taal leren is meer dan woorden en grammatica: het is ook leren omgaan met de gewoonten en omgangsvormen van de mensen die de taal spreken. Dat noemen we interculturele vaardigheid. Wie Frans spreekt maar de Franse beleefdheidsregels niet kent, kan ondanks foutloze zinnen toch onbeleefd of vreemd overkomen. Omgekeerd opent een beetje cultureel inzicht deuren: een Fransman waardeert het zichtbaar als je zijn omgangsvormen respecteert. In deze sectie kijken we naar een paar concrete gewoonten die je als Nederlander gemakkelijk verkeerd doet, en naar de open houding die je helpt om cultuurverschillen te overbruggen.
De eerste en belangrijkste gewoonte is het groeten. In Frankrijk hoort het er onlosmakelijk bij om „bonjour” te zeggen wanneer je een ruimte binnenkomt, en „au revoir” (of „bonne journée”) wanneer je weer vertrekt. Dit geldt niet alleen tegenover vrienden, maar juist ook in winkels, in de bakkerij, bij de dokter of in een wachtkamer. Een Nederlander die een winkel binnenloopt en meteen vraagt wat hij wil hebben, komt in Frankrijk al snel bot over: zonder „bonjour” begin je niet. Het groeten is geen formaliteit maar een teken van respect, en het wordt verwacht. Onthoud dus de vuistregel: eerst groeten, dan pas je vraag stellen, en bij vertrek altijd netjes afscheid nemen.
Een tweede valkuil is de keuze tussen „tu” en „vous”. Het Frans maakt, anders dan het Engels, een scherp onderscheid tussen het vertrouwelijke „tu” (tutoyer) en het beleefde, afstandelijke „vous” (vousvoyer). Tegen vrienden, familieleden, kinderen en leeftijdgenoten gebruik je „tu”; tegen onbekenden, oudere mensen, een leraar, een verkoper of in formele situaties gebruik je „vous”. De regel bij twijfel is eenvoudig: kies „vous”. Te snel overgaan op „tu” kan brutaal of te familiair overkomen, terwijl een beleefd „vous” nooit verkeerd valt. Het is gebruikelijk dat de oudere of hoger geplaatste persoon voorstelt om over te gaan op „tu” („on peut se tutoyer?”); tot dat moment houd je het op „vous”.
Een derde, heel zichtbare gewoonte is „la bise”: de begroeting met kusjes op de wang. Onder vrienden, familieleden en kennissen begroet men elkaar in Frankrijk vaak met een paar luchtkusjes links en rechts — het aantal verschilt zelfs per streek. In een formele of zakelijke setting geef je daarentegen gewoon een hand. Het belangrijkste is dat je dit soort gewoonten met een open houding benadert en niet vervalt in stereotypen: niet elke Fransman draagt een baret of eet de hele dag stokbrood, en cultuurkennis betekent niet dat je mensen in hokjes stopt, maar dat je gevoelig bent voor wat in een situatie passend is. Wees ook hier eerlijk over de plaats in het examen: het centraal examen Frans toetst uitsluitend je leesvaardigheid, en interculturele omgangsvormen horen bij het schoolexamen en bij echte communicatie. Toch is deze kennis waardevol — ze helpt je niet alleen om je in een Franstalig land beleefd te gedragen, maar ook om de toon en de bedoeling van examenteksten beter aan te voelen.
Uitgewerkt voorbeeld

Beleefdheidsvormen toepassen in een Franse winkel

Leg uit wanneer je in het Frans „tu” gebruikt en wanneer „vous”, en noem twee andere beleefdheidsgewoonten die je in Frankrijk in acht neemt.

  1. 01Stap 1 — Verklaar tu tegenover vous

    „Tu” gebruik je in vertrouwelijke situaties: tegen vrienden, familie, kinderen en leeftijdgenoten. „Vous” gebruik je beleefd en op afstand: tegen onbekenden, oudere mensen, een leraar of in formele situaties. Bij twijfel kies je „vous”.

  2. 02Stap 2 — Pas het toe op de winkel

    Tegen een verkoper die je niet kent, gebruik je dus „vous”: bijvoorbeeld „Bonjour, vous avez du pain?” en niet de tu-vorm.

  3. 03Stap 3 — Noem twee andere gewoonten

    Ten eerste: groet bij binnenkomst met „bonjour” en neem bij vertrek afscheid met „au revoir”. Ten tweede: onder vrienden en kennissen begroet men elkaar vaak met „la bise”, de kusjes op de wang, terwijl je in een formele setting een hand geeft.

Resultaat: Je gebruikt „tu” in vertrouwelijke situaties (vrienden, familie, leeftijdgenoten) en „vous” in beleefde of formele situaties (onbekenden, ouderen, een leraar); bij twijfel kies je „vous”. Tegen een onbekende verkoper gebruik je dus „vous”. Twee andere gewoonten zijn: altijd groeten met „bonjour” bij binnenkomst en „au revoir” bij vertrek, en onder bekenden begroeten met „la bise” (kusjes op de wang), terwijl je in een formele setting een hand geeft.

Eindexamen-focus

  • Voor het schoolexamen (gespreks- en schrijfvaardigheid) moet je de basale Franse beleefdheidsvormen kunnen toepassen: groeten met „bonjour”/„au revoir”, en het juiste gebruik van „tu” en „vous”.
  • Op het centraal examen helpt cultureel inzicht je om de toon van een leestekst aan te voelen — bijvoorbeeld of een schrijver formeel („vous”) of vertrouwelijk („tu”) is, of hoe beleefd een dialoog bedoeld is.

Veelgemaakte fouten

  • Te snel „tu” gebruiken tegen onbekenden, ouderen of in formele situaties. Kies bij twijfel altijd „vous”; pas als de ander voorstelt te tutoyeren, ga je over op „tu”.
  • Vergeten te groeten bij binnenkomst. In Frankrijk begin je een gesprek — ook in een winkel — altijd met „bonjour”; meteen je vraag stellen komt onbeleefd over.

Actieve herhaling

Leg uit wanneer je in het Frans „tu” gebruikt en wanneer „vous”, en noem twee andere beleefdheidsgewoonten die je in Frankrijk in acht neemt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Frans (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01La Francophonie: de Franstalige wereld○
    • 02Frankrijk: symbolen en instituties◐
    • 03Frankofone literatuur- en cultuurgeschiedenis◐
    • 04Interculturele vaardigheid◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Frankofone cultuur en landenkennis

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~20
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Frans (HAVO)

Vorig onderwerp

Literaire ontwikkeling en leeservaring

EuraStudy·Samenvattingen T·13·MMXXVI

Laatste onderwerp van dit vak — terug naar het vakoverzicht.