EuraStudy
Samenvattingen/Filosofie/Schaarste, begeerte en macht
Samenvattingen · FilosofieNL · HAVO

Schaarste, begeerte en macht

Samenlevingen worden gevormd door schaarste (er is niet genoeg voor iedereen), door begeerte (het verlangen naar meer) en door macht (wie kan zijn wil aan anderen opleggen?). In dit onderwerp onderzoek je deze begrippen, de kritiek van Karl Marx op de kapitalistische samenleving (klasse, uitbuiting, vervreemding), en de brede opvatting van macht bij Michel Foucault.

3 Onderdelen·~15 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 1 · Verdieping 2

T·0999 / 11
Examenprofiel
De begrippen schaarste, begeerte en macht in de sociale filosofie uitleggenMarx' analyse (klasse, productieverhoudingen, uitbuiting, vervreemding) weergevenFoucaults opvatting van macht (overal aanwezig, disciplinering, macht en kennis) uitleggenMachts- en verdelingsvraagstukken met deze denkers analyseren
Operatoren:leg uitverklaaranalyseerberedeneerbeoordeelvergelijk

basisniveau

Beheers de kern: de begrippen schaarste, begeerte en macht en de hoofdlijn van Marx' maatschappijkritiek.

verhoogd niveau

Vergelijk het machtsbegrip van Marx (economisch, klasse) met dat van Foucault (overal, disciplinerend) en pas beide toe op een casus.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Schaarste, begeerte en macht
    • 01Schaarste en begeerte◐
    • 02Marx: klasse, uitbuiting en vervreemding●
    • 03Foucault: macht is overal●
§ 01

Schaarste en begeerte#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Aan veel maatschappelijke conflicten ligt schaarste ten grondslag: het feit dat er van gewilde goederen, kansen en middelen niet genoeg is om ieders verlangens te vervullen (zie Afb. 1). Schaarste dwingt tot verdelen en tot keuzes, en daarmee tot de vraag naar rechtvaardigheid: wie krijgt wat, en volgens welk beginsel? Filosofen onderscheiden natuurlijke schaarste (er is werkelijk te weinig, zoals bij drinkwater in een woestijn) van sociale of kunstmatige schaarste (de verdeling of het systeem maakt iets schaars, bijvoorbeeld wanneer voedsel er wel is maar niet iedereen het kan betalen). Dit onderscheid is belangrijk omdat het bepaalt hoe je een probleem beoordeelt: is armoede het gevolg van een echt tekort, of van een oneerlijke verdeling? De sociale filosofie richt zich vooral op de tweede vraag, want die raakt aan macht en rechtvaardigheid: schaarste is niet alleen een gegeven, maar ook een product van hoe een samenleving is ingericht.

Schaarste, begeerte en macht

Schaarste en machtGraaf, Schaarste (te weinig) → Verdelingsvraag, Begeerte (meer willen) → Verdelingsvraag, Verdelingsvraag → Macht: wie beslist?Schaarste (teweinig)Begeerte (meerwillen)VerdelingsvraagMacht: wiebeslist?
Afb. 1Afb. 1 — Schaarste en begeerte roepen de vraag naar macht op: wie beslist over de verdeling van wat te weinig is?
Schaarste krijgt haar scherpte door de begeerte: het menselijke verlangen, dat de neiging heeft steeds meer te willen. Filosofen hebben verschillend over de begeerte gedacht. In een klassieke, aristotelische en stoische lijn is het verstandig de begeerte te matigen: geluk vind je niet door steeds meer te willen, maar door je verlangens in toom te houden en tevreden te zijn met wat genoeg is (denk aan Epicurus' pleidooi voor eenvoud). In een moderne, economische lijn wordt de begeerte juist als motor gezien: het onophoudelijke verlangen naar meer drijft de economie en de vooruitgang aan. Kritische denkers wijzen erop dat de begeerte in een consumptiemaatschappij zelfs kunstmatig wordt opgewekt, bijvoorbeeld door reclame die steeds nieuwe behoeften schept, zodat de schaarste nooit ophoudt: hoe meer je hebt, hoe meer je wilt. Zo hangen schaarste en begeerte samen: de begeerte maakt goederen schaars door er altijd meer van te willen.
De combinatie van schaarste en begeerte roept onvermijdelijk de vraag naar macht op, en daarmee de kern van de sociale filosofie. Waar niet iedereen kan krijgen wat hij begeert, ontstaat de vraag wie beslist over de verdeling en wie zijn wil aan anderen kan opleggen. Macht is het vermogen om, ook tegen weerstand in, het gedrag of de situatie van anderen te bepalen: door dwang, door bezit, door gezag of door invloed. Wie de schaarse middelen bezit of controleert (grond, kapitaal, kennis, wapens), heeft macht over wie ervan afhankelijk is. Zo verbindt de trits schaarste-begeerte-macht de economie met de politiek: de manier waarop schaarse goederen worden verdeeld, weerspiegelt en versterkt de machtsverhoudingen in een samenleving. De twee denkers in de volgende onderdelen, Marx en Foucault, analyseren precies deze samenhang, maar leggen de nadruk verschillend: Marx op de economische macht, Foucault op de alomtegenwoordige macht.
Waarom is dit begrippenkader op het examen belangrijk? Omdat het je in staat stelt maatschappelijke vraagstukken (armoede, ongelijkheid, uitbuiting, consumptie) filosofisch te ontleden in plaats van er alleen een mening over te hebben. Bij een casus over bijvoorbeeld de verdeling van welvaart, de rol van reclame of de macht van grote bedrijven, kun je vragen: welke schaarste speelt hier (natuurlijk of sociaal), welke rol speelt de begeerte (matigen of aanjagen), en wie heeft de macht over de verdeling? Zo verbind je dit onderdeel met de begrippen rechtvaardigheid en vrijheid uit de sociale filosofie. Een sterk antwoord onderscheidt natuurlijke van sociale schaarste, benoemt de rol van de begeerte, en analyseert de machtsverhoudingen die eruit voortkomen, zodat je de casus als een samenhangend geheel van schaarste, begeerte en macht kunt lezen.
Uitgewerkt voorbeeld

Voedselarmoede verklaren

Analyseer met schaarste, begeerte en macht hoe er in een welvarend land toch mensen honger kunnen lijden.

  1. 01Soort schaarste bepalen

    Er is voldoende voedsel, dus geen natuurlijke schaarste; de schaarste is sociaal: niet iedereen kan het voedsel betalen of bereiken.

  2. 02Rol van de begeerte

    In een consumptiemaatschappij richt de productie zich op wie het meest kan betalen en steeds meer wil, niet op wie het meest nodig heeft; de begeerte stuurt de verdeling.

  3. 03Macht benoemen

    Wie het kapitaal en de middelen bezit, bepaalt de verdeling; wie arm is, heeft weinig macht en blijft afhankelijk. De honger komt dus voort uit een machtsongelijke verdeling, niet uit een echt tekort.

Resultaat: De honger is het gevolg van sociale schaarste: het voedsel is er, maar de verdeling, gestuurd door begeerte en machtsongelijkheid, sluit de armen uit. Zo laat de trits schaarste-begeerte-macht zien dat armoede een maatschappelijk, niet louter natuurlijk verschijnsel is.

Eindexamen-focus

  • Je moet natuurlijke en sociale schaarste kunnen onderscheiden en de rol van de begeerte (matigen versus aanjagen) kunnen uitleggen.
  • Je moet de samenhang tussen schaarste, begeerte en macht kunnen uitleggen en op een maatschappelijk vraagstuk toepassen.

Veelgemaakte fouten

  • Alle schaarste als natuurlijk (een echt tekort) opvatten, terwijl veel schaarste sociaal is (een gevolg van de verdeling).
  • De begeerte alleen negatief of alleen positief zien; ze wordt zowel als te matigen kwaad als als motor van de economie beschouwd.

Actieve herhaling

In een rijk land bestaat toch voedselarmoede terwijl er voldoende voedsel is. Beredeneer met de begrippen schaarste (natuurlijk/sociaal), begeerte en macht hoe dit te verklaren valt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

§ 02

Marx: klasse, uitbuiting en vervreemding#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Karl Marx bood de invloedrijkste kritiek op de kapitalistische samenleving, en zijn analyse draait om de economie als basis van alles (zie Afb. 2). Volgens Marx wordt een samenleving in de kern bepaald door de manier waarop zij haar goederen produceert: de productieverhoudingen. Wie de productiemiddelen bezit (de fabrieken, de grond, het kapitaal) heeft de macht; wie ze niet bezit, moet zijn arbeidskracht verkopen om te overleven. Zo verdeelt de kapitalistische samenleving zich in twee klassen: de bourgeoisie, de bezitters van kapitaal, en het proletariaat, de arbeiders die niets bezitten dan hun arbeidskracht. Marx noemt de economische structuur de onderbouw, die de bovenbouw (de politiek, het recht, de moraal, de religie) bepaalt: de heersende ideeen zijn volgens hem de ideeen van de heersende klasse, die de bestaande verhoudingen rechtvaardigen. Zo verklaart Marx macht niet uit een contract of uit ideeen, maar uit de economische bezitsverhoudingen.

Marx' maatschappijanalyse

Klasse, uitbuiting, vervreemdingTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Begrip · Betekenis · Kern; Klasse · bezitters (bourgeoisie) vs arbeiders · bezit van productiemiddelen; Uitbuiting · arbeider schept meerwaarde · winst = onthouden waarde; Vervreemding · afgesneden van product en arbeid · ontmenselijking; Onder- / bovenbouw · economie bepaalt ideeen · heersende klasse heerst in ideeen, gemarkeerde cel: winst = onthouden waardeBEGRIPBETEKENISKERNKlassebezitters (bourgeoisie) vsarbeidersbezit van productiemiddelenUitbuitingarbeider schept meerwaardewinst = onthouden waardeVervreemdingafgesneden van product enarbeidontmenselijkingOnder- / bovenbouweconomie bepaalt ideeenheersende klasse heerst inideeenMarx
Afb. 2Afb. 2 — Marx' kernbegrippen: de economische bezitsverhouding (onderbouw) bepaalt macht, klasse, uitbuiting en vervreemding.
De kern van Marx' kritiek is het begrip uitbuiting. In het kapitalisme betaalt de bezitter de arbeider een loon, maar de arbeider produceert meer waarde dan hij aan loon terugkrijgt; dat verschil, de meerwaarde, eigent de kapitalist zich toe als winst. De arbeider wordt dus uitgebuit: een deel van de door hem geschapen waarde wordt hem onthouden. Omdat de kapitalisten met elkaar concurreren, worden ze gedreven de lonen te drukken en de arbeid te intensiveren, wat de tegenstelling tussen de klassen verscherpt. Marx voorspelde dat deze tegenstelling zou uitmonden in een klassenstrijd waarin het proletariaat zich bewust zou worden van zijn positie en de bestaande orde zou omverwerpen, om uiteindelijk een klasseloze, communistische samenleving te vestigen waarin de productiemiddelen gemeenschappelijk bezit zijn. Of die voorspelling is uitgekomen is een andere vraag, maar de analyse van klasse en uitbuiting is zijn blijvende bijdrage.
Een tweede centraal begrip bij Marx is vervreemding (Entfremdung), dat de menselijke gevolgen van het kapitalisme beschrijft. In het kapitalisme raakt de arbeider vervreemd op meerdere manieren: van het product van zijn arbeid (dat hem niet toebehoort maar aan de bezitter), van zijn arbeid zelf (die geen zelfontplooiing maar een uitputtende, opgelegde last wordt), van zijn medemensen (die concurrenten worden in plaats van medewerkers) en van zijn eigen menselijke natuur (want de mens verwerkelijkt zich juist in vrije, zinvolle arbeid, en die wordt hem ontnomen). Vervreemding betekent dus dat de arbeider niet zichzelf kan zijn en zijn werk als iets vreemds en vijandigs ervaart. Dit begrip verbindt Marx' economische analyse met de wijsgerige antropologie: het kapitalisme is voor Marx niet alleen onrechtvaardig maar ook ontmenselijkend, omdat het de mens vervreemdt van wat hem tot mens maakt.
Waarom blijft Marx op het examen belangrijk, ook los van de politieke geschiedenis? Omdat zijn begrippen (klasse, productieverhoudingen, uitbuiting, meerwaarde, vervreemding, onderbouw en bovenbouw) een krachtig instrument bieden om machts- en verdelingsvraagstukken te analyseren, ook vandaag. Bij een casus over bijvoorbeeld lage lonen, de macht van grote bedrijven, ongelijke bezitsverhoudingen of zinloos werk, kun je Marx toepassen: wie bezit de productiemiddelen, is er sprake van uitbuiting (wordt meerwaarde afgeroomd), en treedt er vervreemding op? Belangrijk is dat je Marx ook kritisch kunt bekijken: critici wijzen erop dat zijn voorspelling van de onvermijdelijke revolutie niet is uitgekomen, dat het menselijk handelen meer is dan economie, en dat pogingen zijn ideeen te verwezenlijken tot onvrijheid hebben geleid. Een sterk antwoord legt de kernbegrippen precies uit, past ze toe op de casus, en betrekt zowel de waarde als een gefundeerde kritiek op Marx.
Uitgewerkt voorbeeld

Marx toepassen op werk

Analyseer met Marx' begrippen de situatie van de pakketbezorger die veel waarde produceert maar weinig verdient en zijn werk zinloos vindt.

  1. 01Uitbuiting aanwijzen

    De bezorger produceert meer waarde (de winst van het bedrijf) dan hij aan loon terugkrijgt; dat verschil, de meerwaarde, eigent de eigenaar zich toe. Dat is uitbuiting in Marx' zin.

  2. 02Klasse benoemen

    De bezorger bezit geen productiemiddelen en moet zijn arbeidskracht verkopen (proletariaat); het bedrijf bezit de middelen en heeft de macht (bourgeoisie).

  3. 03Vervreemding aanwijzen

    Hij ervaart zijn werk als zinloos en opgelegd, is afgesneden van het product en van zelfontplooiing: dat is vervreemding, het menselijke gevolg van deze verhoudingen.

Resultaat: Volgens Marx wordt de bezorger uitgebuit (zijn meerwaarde wordt afgeroomd) en vervreemd (afgesneden van zinvol werk); de oorzaak ligt in de bezitsverhoudingen. Zo maakt Marx' begrippenkader de machtsstructuur achter een gewone arbeidssituatie zichtbaar.

Eindexamen-focus

  • Je moet Marx' analyse (klassen, productieverhoudingen, uitbuiting/meerwaarde, onderbouw-bovenbouw) kunnen uitleggen.
  • Je moet het begrip vervreemding kunnen uitleggen en Marx' begrippen op een machts- of verdelingscasus kunnen toepassen, met een kritiek.

Veelgemaakte fouten

  • Marx' begrip macht reduceren tot politiek; bij Marx is de economische bezitsverhouding (wie bezit de productiemiddelen) de bron van de macht.
  • Vervreemding gelijkstellen aan 'ontevredenheid'; het betekent dat de arbeider afgesneden raakt van zijn product, zijn arbeid, anderen en zijn eigen aard.

Actieve herhaling

Een pakketbezorger werkt lange dagen voor een laag loon terwijl het bedrijf grote winst maakt en hij het werk als zinloos ervaart. Analyseer deze situatie met Marx' begrippen uitbuiting en vervreemding.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

§ 03

Foucault: macht is overal#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

Michel Foucault vernieuwde het denken over macht door haar heel anders op te vatten dan Marx (zie Afb. 3). Waar Marx de macht vooral lokaliseert in de economie en in het bezit van de productiemiddelen (een macht die de heersende klasse van bovenaf uitoefent), betoogt Foucault dat macht niet iets is wat een persoon of groep bezit, maar iets wat overal aanwezig is, in alle verhoudingen tussen mensen. Macht zit niet alleen bij de staat of de rijken, maar loopt door de hele samenleving: door instellingen als de school, het ziekenhuis, de gevangenis, het leger en het gezin, en door de alledaagse omgang tussen mensen. Macht is bij Foucault dus niet in de eerste plaats onderdrukkend (iets verbieden), maar productief: ze vormt mensen, brengt gedrag, kennis en zelfs verlangens voort. Deze brede opvatting maakt zichtbaar hoe macht werkt op plaatsen waar Marx haar niet zocht, tot in de manier waarop wij onszelf begrijpen en gedragen.

Macht bij Marx en Foucault

Marx en FoucaultTabel met 4 kolommen en 2 rijen, Gegevens: Denker · Waar zit de macht? · Hoe werkt ze? · Kernbegrip; Marx · in het economische bezit · van bovenaf, onderdrukkend · klasse, uitbuiting; Foucault · overal, in alle relaties · productief, vormend · disciplinering, panopticon, gemarkeerde cel: overal, in alle relatiesDENKERWAAR ZIT DE MACHT?HOE WERKT ZE?KERNBEGRIPMarxin het economische bezitvan bovenaf, onderdrukkendklasse, uitbuitingFoucaultoveral, in alle relatiesproductief, vormenddisciplinering, panopticonMacht
Afb. 3Afb. 3 — Twee opvattingen van macht: Marx lokaliseert haar in het economische bezit, Foucault ziet haar overal en productief.
Een sleutelbegrip bij Foucault is disciplinering: de manier waarop moderne instellingen mensen vormen tot gehoorzame, bruikbare individuen. In de school, de fabriek, de kazerne en de gevangenis worden mensen onderworpen aan roosters, toezicht, examens, normen en straffen die hun gedrag tot in de details reguleren. Foucault gebruikt hiervoor het beeld van het panopticon, een gevangenisontwerp waarin een enkele bewaker vanuit een centrale toren alle cellen kan zien zonder zelf gezien te worden: omdat de gevangenen niet weten wanneer ze bekeken worden, gedragen ze zich alsof ze altijd bekeken worden, en gaan ze zichzelf disciplineren. Dit is voor Foucault een beeld van de moderne samenleving als geheel: door alomtegenwoordig toezicht en genormaliseerde verwachtingen internaliseren mensen de controle en gaan ze zichzelf besturen. Macht werkt zo het efficientst niet door dwang van buitenaf, maar doordat mensen de norm in zichzelf opnemen.
Een tweede kerninzicht is de nauwe band tussen macht en kennis, die Foucault vaak als een geheel aanduidt. Kennis is voor Foucault niet neutraal: wat als waarheid, als normaal, als gezond of als deviant geldt, wordt mede bepaald door machtsverhoudingen, en die kennis versterkt op haar beurt de macht. Wie mag definieren wat 'normaal' of 'ziek', 'crimineel' of 'gezond' is (de arts, de psychiater, de deskundige), oefent daarmee macht uit, want die definities bepalen hoe mensen behandeld en gecontroleerd worden. Zo scheppen de menswetenschappen categorieen (de gek, de delinquent, de patient) die mensen indelen, normaliseren en beheersbaar maken. Macht en kennis vooronderstellen elkaar: er is geen machtsverhouding zonder een bijbehorend kennisveld, en geen kennis die niet tegelijk machtsverhoudingen vooronderstelt en voortbrengt. Deze gedachte maakt Foucault kritisch tegenover elke claim op zuivere, machtsvrije waarheid.
Waarom is Foucault op het examen waardevol, naast of tegenover Marx? Omdat hij een instrument biedt om macht op te sporen waar we haar niet verwachten: niet alleen in de politiek of de economie, maar in scholen, media, gezondheidszorg, sociale media en in onze eigen zelfsturing. Bij een casus over bijvoorbeeld cameratoezicht, prestatiedruk op school, de macht van deskundigen, of de manier waarop sociale media gedrag sturen, kun je Foucault toepassen: hoe disciplineert deze situatie mensen, hoe werkt het toezicht (panopticon), en welke kennis definieert wat normaal is en oefent zo macht uit? Het is verhelderend Foucault met Marx te vergelijken: Marx zoekt de macht in het economische bezit en ziet haar als onderdrukkend, Foucault ziet macht als overal aanwezig en productief. Een sterk antwoord legt Foucaults machtsbegrip (overal, disciplinerend, macht-kennis) precies uit, past het toe op de casus, en zet het af tegen Marx, zodat je twee complementaire analyses van macht kunt inzetten.
Uitgewerkt voorbeeld

Foucault en Marx op toezicht

Analyseer het cameratoezicht en de prestatieranglijsten op een school met Foucault en zet dat af tegen Marx.

  1. 01Foucault: disciplinering

    De camera's en ranglijsten vormen leerlingen tot zelfsturende individuen: omdat ze niet weten wanneer ze bekeken of gerangschikt worden, gedragen ze zich alsof dat altijd zo is (panopticon) en internaliseren ze de norm.

  2. 02Foucault: macht-kennis

    De ranglijsten definieren wat 'goed presteren' en 'normaal' is; die kennis oefent macht uit, want zij bepaalt hoe leerlingen worden beoordeeld en behandeld.

  3. 03Contrast met Marx

    Marx zou de macht eerder zoeken in wie het onderwijs en de arbeidsmarkt bezit en controleert (economisch, van bovenaf), terwijl Foucault de macht juist in het toezicht en de zelfdisciplinering van de leerlingen zelf ziet.

Resultaat: Volgens Foucault disciplineert het toezicht de leerlingen doordat zij de norm internaliseren (panopticon, macht-kennis), terwijl Marx de macht in de economische bezitsverhoudingen zou lokaliseren. De casus toont hoe beide denkers macht op een andere plaats aanwijzen.

Eindexamen-focus

  • Je moet Foucaults machtsbegrip (macht is overal, productief, disciplinering, panopticon, macht en kennis) kunnen uitleggen.
  • Je moet het kunnen toepassen op een casus (toezicht, normalisering, deskundigheid) en het kunnen contrasteren met Marx' machtsbegrip.

Veelgemaakte fouten

  • Foucaults macht opvatten als bezit van een groep of als louter onderdrukking; bij Foucault is macht overal en vooral productief (vormend).
  • Marx en Foucault gelijkstellen: Marx lokaliseert macht in het economische bezit, Foucault ziet haar door de hele samenleving lopen.

Actieve herhaling

Een school hangt overal camera's op en publiceert wekelijks ranglijsten van de prestaties van leerlingen. Analyseer dit met Foucaults begrippen disciplinering en panopticon en vergelijk met wat Marx zou zeggen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Schaarste en begeerte◐
    • 02Marx: klasse, uitbuiting en vervreemding●
    • 03Foucault: macht is overal●

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Schaarste, begeerte en macht

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~15
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl

Vorig onderwerp

Sociale filosofie: centrale begrippen en de rechtvaardige samenleving

Volgend onderwerp

Ideologie

EuraStudy·Samenvattingen T·09·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.