EuraStudy
Samenvattingen/Filosofie/CE-thema: Mens, dier en natuur (dierethiek en milieufilosofie)
Samenvattingen · FilosofieNL · HAVO

CE-thema: Mens, dier en natuur (dierethiek en milieufilosofie)

Dit onderwerp behandelt het toegepaste thema mens, dier en natuur: hoe verhoudt de mens zich moreel tot dieren en tot de natuur? Je onderzoekt de dierethiek (het speciesisme-verwijt van Peter Singer, de morele status van dieren, dierproeven) en de milieufilosofie (antropocentrisme versus ecocentrisme, de intrinsieke waarde van de natuur en de klimaatethiek). Het huidige rooster kent een wisselend CE-thema; controleer via je docent en Examenblad welk thema in jouw examenjaar geldt.

3 Onderdelen·~17 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Standaard 2 · Verdieping 1

T·111111 / 11
Examenprofiel
De morele status van dieren en het speciesisme-verwijt van Singer uitleggen en beoordelenAntropocentrisme, biocentrisme en ecocentrisme in de milieufilosofie onderscheidenHet begrip intrinsieke waarde toepassen op dier en natuurEen casus over dierproeven, natuurbehoud of klimaat ethisch beredeneren met de drie hoofdstromingen
Operatoren:leg uitverklaarbeoordeelberedeneervergelijkpas toe

basisniveau

Beheers de kern: het speciesisme-verwijt, het onderscheid antropocentrisme versus ecocentrisme en het begrip intrinsieke waarde.

verhoogd niveau

Weeg de dierethische en milieufilosofische posities tegen elkaar af en pas de drie ethische hoofdstromingen toe op een casus over dieren, natuur of klimaat.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. CE-thema: Mens, dier en natuur (dierethiek en milieufilosofie)
    • 01Dierethiek: speciesisme en de morele status van dieren◐
    • 02Milieufilosofie: antropocentrisme en ecocentrisme◐
    • 03Klimaatethiek en verantwoordelijkheid●
§ 01

Dierethiek: speciesisme en de morele status van dieren#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De dierethiek stelt de vraag welke morele status dieren hebben: mogen we hen gebruiken, of verdienen ze bescherming, en zo ja, waarom? (zie Afb. 1). Eeuwenlang plaatste de westerse traditie de mens ver boven het dier. Bij Descartes waren dieren zelfs niet meer dan complexe machines zonder bewustzijn of gevoel, en ook de klassieke opvatting dat alleen de mens een redelijke ziel heeft, gaf de mens het recht dieren voor zijn doelen te gebruiken. Tegen deze mensgerichte houding komt de moderne dierethiek in verzet met een centrale vraag: is het bezitten van rede en taal wel het juiste criterium voor morele status, of gaat het om iets anders? De filosoof Jeremy Bentham, grondlegger van het utilisme, formuleerde dit scherp: de vraag is niet 'kunnen dieren redeneren?' of 'kunnen ze spreken?', maar 'kunnen ze lijden?'. Als een wezen kan lijden, dan telt zijn leed mee, en dat verschuift de aandacht van de rede naar het vermogen tot pijn en genot.

Posities in de dierethiek

Morele status van dierenTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Positie · Criterium morele status · Kern; Antropocentrisch · rede / mens-zijn · mens boven het dier; Utilistisch (Singer) · kan het wezen lijden? · weeg gelijk leed gelijk; Rechtenbenadering (Regan) · subject van een leven · dieren hebben rechten, gemarkeerde cel: kan het wezen lijden?POSITIECRITERIUM MORELESTATUSKERNAntropocentrischrede / mens-zijnmens boven het dierUtilistisch (Singer)kan het wezen lijden?weeg gelijk leed gelijkRechtenbenadering (Regan)subject van een levendieren hebben rechtenDierethiek
Afb. 1Afb. 1 — Drie posities over de morele status van dieren: geeft de mens voorrang, weeg je het leed, of hebben dieren rechten?
Peter Singer heeft deze gedachte uitgewerkt tot het invloedrijke verwijt van het speciesisme. Speciesisme is het bevoordelen van de eigen soort (de mens) boven andere soorten, alleen op grond van soortlidmaatschap, net zoals racisme mensen bevoordeelt op grond van ras en seksisme op grond van geslacht. Singer redeneert vanuit het utilistische beginsel van gelijke afweging van belangen: het belang om niet te lijden telt even zwaar, ongeacht bij welk wezen het optreedt. Omdat veel dieren aantoonbaar kunnen lijden, moeten we hun leed even serieus meewegen als vergelijkbaar menselijk leed; het is willekeurig en dus onterecht om het leed van een dier minder te laten tellen alleen omdat het geen mens is. Dit betekent niet dat mens en dier identiek behandeld moeten worden (een dier heeft bijvoorbeeld geen belang bij stemrecht), maar wel dat gelijke belangen, zoals het belang om geen pijn te lijden, gelijk moeten worden gewogen. Op grond hiervan bekritiseert Singer de bio-industrie en veel dierproeven scherp.
Tegen Singers positie zijn ook bezwaren ingebracht, en die moet je kunnen weergeven om de dierethiek te kunnen afwegen. Sommigen verdedigen dat de mens wel degelijk een bijzondere morele status heeft, bijvoorbeeld omdat alleen mensen zelfbewust zijn, plannen maken voor de toekomst, of morele verantwoordelijkheid kunnen dragen; het lijden mag dan tellen, maar niet even zwaar. Anderen wijzen op praktische en emotionele redenen om de eigen soort voorrang te geven, al is de vraag of dat de willekeur die Singer aanwijst werkelijk wegneemt. Een andere benadering vertrekt niet van het utilisme maar van rechten: de filosoof Tom Regan betoogt dat dieren die 'subject van een leven' zijn (die ervaringen, belangen en een welzijn hebben) inherente waarde bezitten en daarom rechten hebben die je niet mag schenden, ook niet als dat nuttige gevolgen zou hebben. Zo staan binnen de dierethiek een utilistische (Singer, weeg het leed) en een rechtenbenadering (Regan, respecteer de rechten) tegenover elkaar.
Waarom is de dierethiek zo geschikt voor het examen? Omdat je er de ethische hoofdstromingen concreet op kunt toepassen en tegen elkaar kunt afwegen. Bij een casus over bijvoorbeeld de bio-industrie, dierproeven of het houden van dieren, kun je de posities inzetten: het utilisme (Singer) weegt het totale leed en genot van alle betrokken wezens, de rechtenbenadering (Regan) vraagt of de dieren rechten hebben die worden geschonden, en een antropocentrische positie geeft de mens voorrang. Zo laat je zien dat de vraag naar de morele status van dieren geen kwestie van gevoel is, maar met argumenten kan worden beredeneerd. Belangrijk is dat je het speciesisme-verwijt precies formuleert (bevoordeling op grond van soort zonder relevant verschil) en zowel de kracht als een tegenwerping ervan betrekt. Een sterk antwoord definieert de morele status, legt Singers speciesisme en het lijden-criterium uit, en past de stromingen toe op de casus.
Uitgewerkt voorbeeld

Dierproeven ethisch beredeneren

Beredeneer de dierproef voor een luxe cosmeticaproduct met Singers speciesisme-verwijt en betrek een tegenwerping.

  1. 01Lijden meewegen

    Volgens Singer telt het belang om niet te lijden even zwaar, ongeacht de soort. De dieren lijden werkelijk pijn; dat leed moet serieus worden meegewogen.

  2. 02Speciesisme aanwijzen

    Het leed van de dieren minder laten tellen alleen omdat ze geen mens zijn, is speciesisme: bevoordeling van de eigen soort zonder een moreel relevant verschil. Bovendien staat er slechts een luxebelang van mensen tegenover, geen zwaarwegend belang.

  3. 03Tegenwerping betrekken

    Een antropocentrist kan tegenwerpen dat mensen een bijzondere status hebben (zelfbewustzijn, moraliteit) en dat menselijk voordeel voorgaat; maar dat verklaart niet waarom een gering luxebelang zwaarder zou wegen dan ernstig dierenleed.

Resultaat: Volgens Singer is de dierproef voor een luxeproduct moreel verwerpelijk: er staat ernstig dierenleed tegenover een gering menselijk belang, en dat leed minder laten tellen is speciesisme. De antropocentrische tegenwerping (mensen hebben een bijzondere status) weegt hier niet op tegen de wanverhouding tussen leed en luxebelang.

Eindexamen-focus

  • Je moet het speciesisme-verwijt van Singer en het lijden-criterium (Bentham) kunnen uitleggen en beoordelen.
  • Je moet de utilistische (Singer) en de rechtenbenadering (Regan) van dieren kunnen onderscheiden en op een casus over dieren toepassen.

Veelgemaakte fouten

  • Speciesisme opvatten als 'houden van je eigen soort'; het is het onterecht laten meetellen van soortlidmaatschap zonder een moreel relevant verschil.
  • Singer laten beweren dat mens en dier volledig gelijk behandeld moeten worden; hij eist gelijke weging van gelijke belangen (zoals het belang om niet te lijden).

Actieve herhaling

Een cosmeticabedrijf test zijn producten op dieren die daarbij pijn lijden, om een nieuw luxeproduct te kunnen verkopen. Beredeneer deze casus met het speciesisme-verwijt van Singer en met een tegenwerping.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

§ 02

Milieufilosofie: antropocentrisme en ecocentrisme#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De milieufilosofie verbreedt de morele kring van dieren naar de hele natuur en vraagt: heeft de natuur zelf morele waarde, of alleen voor zover ze de mens van nut is? (zie Afb. 2). Het antwoord hangt af van hoever je de kring van morele aandacht uitbreidt. In het antropocentrisme (mensgerichtheid) staat alleen de mens moreel centraal: de natuur heeft slechts instrumentele waarde, dat wil zeggen waarde als middel voor menselijke doelen (grondstoffen, voedsel, schoonheid, recreatie). We moeten de natuur beschermen, maar uiteindelijk omwille van de mens, ook van toekomstige generaties. In het biocentrisme (levensgerichtheid) tellen alle levende wezens moreel mee, omdat elk levend organisme een eigen goed of belang heeft (het streeft naar behoud en bloei). En in het ecocentrisme (systeemgerichtheid) heeft niet alleen het individuele organisme maar het hele ecosysteem, de soort en de natuur als geheel morele waarde; het gaat om het welzijn van de biotische gemeenschap, niet alleen om losse wezens.

De uitbreiding van de morele kring

De morele kringconcentrische cirkels, 4 ringen, Gegevens: mens, de mens (antropocentrisme), dieren (dierethiek), al het leven (biocentrisme), het ecosysteem (ecocentrisme)het ecosysteem (ecocentrisme)al het leven (biocentrisme)dieren (dierethiek)de mens (antropocentrisme)mens
Afb. 2Afb. 2 — De morele kring breidt zich uit: van de mens (antropocentrisme) via dieren en al het leven naar het hele ecosysteem (ecocentrisme).
Het scharnierbegrip in dit debat is intrinsieke waarde: waarde die iets in zichzelf heeft, om wat het is, los van het nut voor iemand anders. Tegenover intrinsieke waarde staat instrumentele waarde: waarde als middel voor een doel. De centrale vraag van de milieufilosofie is of de natuur (of een dier, een soort, een ecosysteem) intrinsieke waarde heeft, of alleen instrumentele. Het antropocentrisme kent de natuur alleen instrumentele waarde toe (waardevol omdat de mens haar nodig heeft of mooi vindt), terwijl het biocentrisme en het ecocentrisme de natuur intrinsieke waarde toekennen (waardevol op zichzelf, ook als geen mens er baat bij heeft). Dit onderscheid is beslissend voor hoe je natuurbehoud rechtvaardigt: bescherm je een bedreigde diersoort omdat de mens er belang bij heeft (medicijnen, toerisme, ecosysteemdiensten), of omdat die soort en de natuur zelf waardevol zijn, ongeacht ons nut? Een sterk antwoord toont dat de rechtvaardiging afhangt van het soort waarde dat je aan de natuur toekent.
Elke positie heeft haar sterke punten en haar bezwaren, en die moet je kunnen wegen. Het antropocentrisme is realistisch en makkelijk te verdedigen (bijna iedereen erkent het menselijk belang bij een gezonde natuur), maar krijgt het verwijt dat het de natuur reduceert tot gebruiksmiddel en zo de uitputting en vernietiging ervan in de hand werkt zolang de mens er kortetermijnvoordeel bij heeft. Het ecocentrisme corrigeert dit door de natuur zelf waarde te geven, maar krijgt het verwijt dat het onduidelijk of zelfs onmenselijk kan worden: als het hele ecosysteem telt boven het individu, dreigt de vraag of dan ook het welzijn van individuele mensen ondergeschikt raakt aan het geheel (het verwijt van 'eco-fascisme' in de strengste vormen). Het biocentrisme neemt een tussenpositie in maar worstelt met de vraag hoe je de belangen van talloze levende wezens tegen elkaar afweegt. Op het examen wordt gevraagd deze posities te onderscheiden, uit te leggen en op een casus toe te passen: welke waarde kent men hier aan de natuur toe, en hoe rechtvaardigt men het natuurbeleid?
Waarom is de milieufilosofie een uitstekende afronding van het thema en van het vak? Omdat ze de eerdere onderdelen samenbrengt: de morele kring wordt stapsgewijs uitgebreid van de mens (antropocentrisme) via het dier (dierethiek) naar het leven en het hele ecosysteem (biocentrisme, ecocentrisme), en op elke stap gebruik je het begrip intrinsieke waarde en de ethische hoofdstromingen. Bij een casus over bijvoorbeeld het kappen van een oerbos, het beschermen van een bedreigde soort of het aanleggen van een natuurgebied, kun je vragen: kent men de natuur intrinsieke of alleen instrumentele waarde toe, en welke positie (antropocentrisch, biocentrisch, ecocentrisch) ligt aan het standpunt ten grondslag? Belangrijk is dat je de posities niet alleen benoemt maar ook afweegt, met hun sterke en zwakke punten. Een sterk antwoord onderscheidt antropocentrisme, biocentrisme en ecocentrisme, past het onderscheid intrinsieke-instrumentele waarde toe, en neemt een beargumenteerd standpunt in dat een tegenwerping betrekt.
Uitgewerkt voorbeeld

Een bos beoordelen

Beredeneer het kappen van een soortenrijk bos voor een bedrijventerrein vanuit het antropocentrisme en het ecocentrisme, met het begrip intrinsieke waarde.

  1. 01Antropocentrisch beoordelen

    Het antropocentrisme weegt het menselijk belang: het bedrijventerrein levert werk en welvaart op, maar het bos levert ook menselijke baten (schone lucht, recreatie, klimaatregulatie, waarde voor toekomstige generaties). De afweging is een kosten-batenanalyse van menselijke belangen; de natuur heeft hier instrumentele waarde.

  2. 02Ecocentrisch beoordelen

    Het ecocentrisme kent het bos en het ecosysteem intrinsieke waarde toe: het bos is waardevol op zichzelf, los van menselijk nut. Het kappen vernietigt een waardevolle biotische gemeenschap en is daarom moeilijk te rechtvaardigen, ook als het de mens voordeel oplevert.

  3. 03Standpunt formuleren

    Kent men de natuur alleen instrumentele waarde toe, dan hangt het oordeel af van de menselijke baten; kent men haar intrinsieke waarde toe, dan weegt het behoud van het bos zwaarder. Ik betrek beide en betoog dat het soortenrijke, oude bos een intrinsieke waarde heeft die zwaarder weegt dan een vervangbaar bedrijventerrein.

Resultaat: Het antropocentrisme beoordeelt het bos op zijn nut voor de mens (instrumentele waarde), terwijl het ecocentrisme het bos intrinsieke waarde toekent en het behoud laat prevaleren. Het beargumenteerde standpunt hangt af van welke waarde je aan de natuur toekent; hier weegt de intrinsieke waarde van een onvervangbaar ecosysteem zwaar.

Eindexamen-focus

  • Je moet antropocentrisme, biocentrisme en ecocentrisme kunnen onderscheiden en het begrip intrinsieke waarde (tegenover instrumentele waarde) kunnen toepassen op de natuur.
  • Je moet een milieuvraagstuk kunnen beredeneren door te bepalen welke waarde men aan de natuur toekent en hoe dat het natuurbeleid rechtvaardigt.

Veelgemaakte fouten

  • Intrinsieke en instrumentele waarde verwisselen: intrinsieke waarde is waarde in zichzelf, instrumentele waarde is waarde als middel.
  • Antropocentrisme gelijkstellen aan 'geen natuurbescherming'; ook het antropocentrisme beschermt de natuur, maar omwille van de mens.

Actieve herhaling

Er wordt overwogen een oud, soortenrijk bos te kappen voor een bedrijventerrein. Beredeneer de casus vanuit het antropocentrisme en het ecocentrisme en gebruik het begrip intrinsieke waarde.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

§ 03

Klimaatethiek en verantwoordelijkheid#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Kernpunten

De klimaatethiek past de morele filosofie toe op de klimaatverandering, en dat vraagstuk is filosofisch bijzonder lastig door de aard ervan (zie Afb. 3). Het klimaatprobleem is een geval van verspreide, collectieve verantwoordelijkheid: de uitstoot van talloze individuen, bedrijven en landen samen veroorzaakt het probleem, terwijl geen enkele afzonderlijke handeling op zichzelf beslissend is. Dat roept de vraag op wie waarvoor verantwoordelijk is: draagt ieder individu een deel, of gaat het om de collectieve verantwoordelijkheid van bedrijven, landen en de mensheid als geheel? De voorwaarden voor verantwoordelijkheid uit een eerder onderdeel (vrijheid, kennis, toerekeningsvatbaarheid) worden hier ingewikkeld: je individuele bijdrage is klein en de gevolgen zijn diffuus en pas op termijn zichtbaar, wat het verleidelijk maakt je verantwoordelijkheid af te schuiven ('mijn aandeel maakt toch niets uit'). De klimaatethiek onderzoekt of en hoe je in zo'n situatie toch morele verplichtingen kunt vaststellen.

Klimaatethiek: verantwoordelijkheid en rechtvaardigheid

KlimaatethiekGraaf, Klimaatverandering → Collectieve verantwoordelijkheid, Klimaatverandering → Rechtvaardigheid: generaties, Klimaatverandering → Rechtvaardigheid: landen, Collectieve verantwoordelijkheid → Ethisch oordeel (stromingen), Rechtvaardigheid: generaties → Ethisch oordeel (stromingen), Rechtvaardigheid: landen → Ethisch oordeel (stromingen)KlimaatveranderingCollectieveverantwoordelijkheidRechtvaardigheid:generatiesRechtvaardigheid:landenEthisch oordeel(stromingen)
Afb. 3Afb. 3 — De klimaatethiek verbindt collectieve verantwoordelijkheid met rechtvaardigheid tussen generaties en landen en met de ethische stromingen.
Een tweede kernthema van de klimaatethiek is de rechtvaardigheid tussen groepen die niet gelijk aan tafel zitten. Er speelt intergenerationele rechtvaardigheid: onze uitstoot benadeelt vooral toekomstige generaties, die nog niet bestaan en zich niet kunnen verweren; hebben zij rechten, en welke verplichtingen hebben wij tegenover mensen die na ons komen? Er speelt ook mondiale rechtvaardigheid: de landen die het minst hebben bijgedragen aan de uitstoot (vaak arme landen) worden er vaak het hardst door getroffen, terwijl de rijke landen historisch de meeste uitstoot veroorzaakten. Dit roept de vraag op wie de lasten van de aanpak eerlijk moet dragen. Rawls' idee van de sluier van onwetendheid is hier verhelderend toe te passen: welke verdeling van klimaatlasten zouden mensen kiezen als ze niet wisten in welke generatie of in welk land ze geboren zouden worden? Zo verbindt de klimaatethiek zich met de rechtvaardigheidstheorie uit de sociale filosofie.
De klimaatethiek laat zich ook analyseren met de drie ethische hoofdstromingen, wat een uitstekende examenoefening is. De gevolgenethiek (utilisme) weegt de gevolgen: de enorme toekomstige schade van klimaatverandering (voor mensen, dieren en ecosystemen) pleit sterk voor ingrijpende maatregelen nu, al is het berekenen van verre, onzekere gevolgen lastig. De plichtsethiek vraagt of we een plicht hebben de aarde niet te schaden en de rechten van toekomstige generaties te respecteren; het als algemene wet willen dat iedereen ongeremd vervuilt, is niet houdbaar (de maxime heft zichzelf op). De deugdethiek vraagt welk karakter en welke houding passen: matigheid, verantwoordelijkheidszin en rentmeesterschap tegenover de aarde, in plaats van hebzucht en kortzichtigheid. En de milieufilosofie voegt de vraag toe of we het klimaat alleen beschermen omwille van de mens (antropocentrisch) of ook omwille van de intrinsieke waarde van de natuur (ecocentrisch). Zo brengt de klimaatethiek vrijwel het hele vak samen op een concreet, actueel vraagstuk.
Waarom is de klimaatethiek de ideale slotsteen van dit thema en van de eindexamenstof? Omdat ze de vaardigheden en de inhoud van het vak samenbrengt: je analyseert de begrippen (verantwoordelijkheid, rechtvaardigheid, intrinsieke waarde), past de ethische stromingen en de milieufilosofische posities toe, en beredeneert een standpunt over een reeel, urgent vraagstuk. Bij een casus over bijvoorbeeld klimaatmaatregelen, de verdeling van de lasten, de rechten van toekomstige generaties of de plicht van rijke landen, kun je alle instrumenten inzetten: wie is verantwoordelijk (individueel of collectief), wat is rechtvaardig (tussen generaties en landen, eventueel via Rawls' sluier), wat zeggen de drie stromingen, en kent men de natuur intrinsieke waarde toe? Belangrijk is dat je een beargumenteerd standpunt inneemt en de belangrijkste tegenwerping betrekt (bijvoorbeeld dat individuele bijdragen te klein zijn, of dat maatregelen de huidige armen te zwaar treffen). Een sterk antwoord verbindt verantwoordelijkheid, rechtvaardigheid en de ethische stromingen, past ze toe op de casus, en weegt af in plaats van te moraliseren.
Uitgewerkt voorbeeld

Klimaatlasten eerlijk verdelen

Beredeneer of een rijk land klimaatmaatregelen mag uitstellen omdat zijn eigen uitstoot mondiaal klein is, met verantwoordelijkheid, rechtvaardigheid en een ethische stroming.

  1. 01Verantwoordelijkheid analyseren

    Het argument 'onze bijdrage is klein' schuift de verantwoordelijkheid af, maar bij een collectief probleem draagt ieder een deel; als iedereen zo redeneert, gebeurt er niets. Het rijke land heeft bovendien historisch veel uitgestoten en heeft de middelen om te handelen.

  2. 02Rechtvaardigheid toetsen

    Mondiale rechtvaardigheid: het rijke land heeft veel bijgedragen terwijl arme landen het hardst worden getroffen. Intergenerationele rechtvaardigheid: uitstel benadeelt toekomstige generaties. Achter Rawls' sluier zou men, niet wetend in welk land of welke generatie men leeft, de lasten eerlijker verdelen en niet afwentelen.

  3. 03Ethische stroming toepassen

    De plichtsethiek verbiedt de maxime 'stel uit omdat je aandeel klein is', want als algemene wet leidt die tot rampzalige uitkomsten en schendt ze de rechten van toekomstige generaties; ook het utilisme wijst op de enorme toekomstige schade.

  4. 04Standpunt innemen

    Het rijke land mag de maatregelen niet uitstellen: het draagt medeverantwoordelijkheid, heeft historisch veel bijgedragen en de middelen om te handelen, en rechtvaardigheid tegenover arme landen en toekomstige generaties vraagt juist voortvarend optreden.

Resultaat: Het argument 'onze uitstoot is klein' houdt geen stand: bij collectieve verantwoordelijkheid telt ieders aandeel, en mondiale en intergenerationele rechtvaardigheid (via Rawls' sluier) plus de plichts- en gevolgenethiek pleiten tegen uitstel. Het beargumenteerde standpunt is dat het rijke land juist het voortouw hoort te nemen.

Eindexamen-focus

  • Je moet de klimaatethiek kunnen analyseren met de begrippen collectieve verantwoordelijkheid en intergenerationele en mondiale rechtvaardigheid.
  • Je moet een klimaatcasus kunnen beredeneren met de drie ethische hoofdstromingen en met het onderscheid antropocentrisch-ecocentrisch, en een tegenwerping betrekken.

Veelgemaakte fouten

  • De klimaatverantwoordelijkheid volledig bij het individu of volledig bij 'de anderen' leggen; het gaat om een samenspel van individuele en collectieve verantwoordelijkheid.
  • Een klimaatcasus met meningen beantwoorden in plaats van met de stromingen, de rechtvaardigheidsvraag en een afgewogen tegenwerping.

Actieve herhaling

Een rijk land stelt strenge, dure klimaatmaatregelen uit met het argument dat de eigen uitstoot mondiaal maar klein is. Beredeneer deze houding met de begrippen collectieve verantwoordelijkheid en (intergenerationele en mondiale) rechtvaardigheid, en betrek een ethische stroming.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Dierethiek: speciesisme en de morele status van dieren◐
    • 02Milieufilosofie: antropocentrisme en ecocentrisme◐
    • 03Klimaatethiek en verantwoordelijkheid●

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

CE-thema: Mens, dier en natuur (dierethiek en milieufilosofie)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~17
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma filosofie HAVO — Examenblad.nl

Vorig onderwerp

Ideologie

EuraStudy·Samenvattingen T·11·MMXXVI

Laatste onderwerp van dit vak — terug naar het vakoverzicht.