EuraStudy
Samenvattingen/Engels/Grammatica en taalverzorging
Samenvattingen · EngelsNL · HAVO

Grammatica en taalverzorging

Een goede beheersing van de Engelse grammatica en taalverzorging maakt je Engels correct, helder en natuurlijk. Belangrijk om eerlijk te zijn over de plaats in het examen: grammatica en taalverzorging worden niet als apart onderdeel op het centraal examen getoetst — het CE toetst alleen leesvaardigheid. Je oefent ze vooral voor het schoolexamen, bij schrijf- en spreekvaardigheid, terwijl een vast gevoel voor werkwoordstijden en zinsbouw je tegelijk helpt om examenteksten sneller en preciezer te begrijpen.

5 Onderdelen·~26 min leestijd·3 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 4

T·0666 / 14
Examenprofiel
Het Engelse tijdensysteem (tenses), de conditionals, de lijdende vorm en de indirecte rede correct vormen en gebruiken.De Engelse woordvolgorde toepassen en veelgemaakte fouten van Nederlandstaligen (bijwoordplaatsing, 'since'/'for', do-support) herkennen en verbeteren.Begrijpen dat grammatica en taalverzorging vooral in het schoolexamen (schrijven en spreken) worden getoetst en je leesbegrip op het centraal examen ondersteunen.
Operatoren:vormverklaarleg uitverbeterbepaal

basisniveau

Voor het schoolexamen: beheers de werkwoordstijden, de conditionals, de lijdende vorm en de indirecte rede zo dat je correct en begrijpelijk Engels schrijft en spreekt.

verhoogd niveau

Wie doorstroomt naar het hoger onderwijs, schrijft en leest veel academisch Engels; een vaste greep op tijden, lijdende vorm en zinsbouw blijft daar onmisbaar.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 5 onderdelen▾
  1. Grammatica en taalverzorging
    • 01Het tijdensysteem (tenses)○
    • 02Conditionals (if-zinnen)◐
    • 03De lijdende vorm (passive voice)◐
    • 04Indirecte rede (reported speech)◐
    • 05Woordvolgorde en veelgemaakte fouten◐
§ 01

Het tijdensysteem (tenses)#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Het Engelse tijdensysteem

Het tijdensysteemTabel met 3 kolommen en 7 rijen, Gegevens: Tijd · Vorm · Gebruik; Present simple · I work · gewoonte, feit; Present continuous · I am working · nu bezig; Past simple · I worked · afgelopen verleden; Past continuous · I was working · bezig in verleden; Present perfect · I have worked · verleden + nu; Past perfect · I had worked · eerder in verleden; Future (will) · I will work · toekomstTIJDVORMGEBRUIKPresent simpleI workgewoonte, feitPresent continuousI am workingnu bezigPast simpleI workedafgelopen verledenPast continuousI was workingbezig in verledenPresent perfectI have workedverleden + nuPast perfectI had workedeerder in verledenFuture (will)I will worktoekomst
Afb. 1Elke tijd kruist een tijdstip (heden, verleden, toekomst) met een aspect (simple, continuous, perfect).

Kernpunten

Het Engelse werkwoord drukt met zijn vorm twee dingen tegelijk uit: wannéér iets gebeurt (de tijd: heden, verleden of toekomst) en hóé het gebeurt (het aspect: eenmalig en afgerond, bezig, of afgesloten met een gevolg). Door die twee assen te kruisen ontstaat het tijdensysteem: present, past en future, elk gecombineerd met simple, continuous of perfect. Wie dat raster eenmaal doorziet, hoeft niet langer losse tijden te stampen, maar kan voor elke situatie de juiste vorm afleiden. In de tabel onderaan deze sectie staan de zeven tijden die je voor het schoolexamen zeker moet beheersen, telkens met hun vorm en hun gebruik.
De present simple gebruik je voor gewoonten, herhalingen en algemene feiten — voor wat altijd of regelmatig waar is. De vorm is simpelweg de stam van het werkwoord, met een '-s' in de derde persoon enkelvoud: ‘I work’, maar ‘she works’. Je herkent de present simple aan signaalwoorden als ‘every day’, ‘always’, ‘usually’ en ‘never’: ‘He always drinks coffee in the morning.’ Daartegenover staat de present continuous, die uitdrukt dat iets op dít moment aan de gang is. De vorm is een vervoeging van ‘to be’ plus het werkwoord met ‘-ing’: ‘I am working’, ‘they are playing’. Signaalwoorden zijn ‘now’, ‘at the moment’ en ‘look!’: ‘Be quiet, the baby is sleeping.’ Het verschil dat Nederlandstaligen vaak missen, is dat het Engels dit onderscheid streng maakt waar het Nederlands met één tegenwoordige tijd toe kan.
Voor het verleden geldt dezelfde tweedeling. De past simple beschrijft een afgeronde handeling op een afgesloten moment in het verleden: ‘I worked in London last year.’ Bij regelmatige werkwoorden vorm je hem met ‘-ed’ (‘walk’ wordt ‘walked’), maar het Engels kent veel onregelmatige vormen die je uit het hoofd moet leren (‘go’ wordt ‘went’, ‘write’ wordt ‘wrote’, ‘buy’ wordt ‘bought’). Signaalwoorden zijn ‘yesterday’, ‘last week’, ‘in 2010’ en ‘two days ago’. De past continuous (‘was/were’ + ‘-ing’) laat zien dat iets in het verleden nog bezig was, vaak als achtergrond waartegen een andere, kortere handeling plaatsvindt: ‘I was cooking when the phone rang.’ De lange handeling (‘was cooking’) loopt door; de korte (‘rang’) onderbreekt haar.
De perfecttijden leggen een verband tussen twee momenten, en juist daar maken Nederlandstaligen de meeste fouten. De present perfect (‘have/has’ + voltooid deelwoord, de derde werkwoordsvorm V3) verbindt het verleden met het heden: de handeling ligt in het verleden, maar het gevolg of de relevantie reikt tot nu. ‘I have lost my keys’ betekent dat je ze in het verleden kwijtraakte én ze nú nog kwijt bent. Typische signaalwoorden zijn ‘since’, ‘for’, ‘already’, ‘yet’, ‘ever’, ‘never’ en ‘just’: ‘She has lived here since 2015.’ De past perfect (‘had’ + voltooid deelwoord) zet één gebeurtenis nog vóór een andere in het verleden: ‘The train had already left when we arrived.’ Het vertrek (‘had left’) gebeurde eerder dan de aankomst (‘arrived’); de past perfect markeert dat het het verst weg ligt.
Voor de toekomst is de standaardvorm ‘will’ plus de infinitief zonder ‘to’: ‘I will work tomorrow.’ Daarnaast bestaat ‘be going to’ voor plannen en voorspellingen, maar voor het examen volstaat het om ‘will’ als de basis-toekomende tijd te beheersen. De sleutel tot het kiezen van de juiste tijd zijn de signaalwoorden: ‘every day’ wijst naar de present simple, ‘now’ naar de present continuous, ‘yesterday’ naar de past simple, ‘since’ en ‘already’ naar de present perfect, en ‘tomorrow’ naar de toekomst. Leer daarom niet alleen de vormen, maar koppel aan elke tijd zijn typische signaalwoorden — dan kies je in een oogwenk de juiste. De tabel hieronder zet de zeven kerntijden, hun vorm en hun gebruik overzichtelijk naast elkaar.
Uitgewerkt voorbeeld

De juiste tijd kiezen bij een signaalwoord

Vul de juiste werkwoordstijd in en verklaar je keuze: ‘They ___ (to know) each other since primary school.’ Kies je past simple, present perfect of present continuous?

  1. 01Stap 1 — Zoek het signaalwoord

    In de zin staat ‘since primary school’. ‘Since’ geeft een beginpunt aan in het verleden van iets dat tot nu doorloopt — een klassiek signaalwoord voor de present perfect.

  2. 02Stap 2 — Sluit de andere tijden uit

    De past simple (‘knew’) zou betekenen dat het kennen voorbij is, maar ‘since’ wijst juist op een band met het heden. De present continuous (‘are knowing’) kan niet, want ‘to know’ is een toestandswerkwoord dat geen ‘-ing’-vorm krijgt.

  3. 03Stap 3 — Vorm de present perfect

    De present perfect is ‘have/has’ + voltooid deelwoord. Bij ‘they’ (meervoud) gebruik je ‘have’, en het voltooid deelwoord van ‘to know’ is ‘known’: ‘They have known each other since primary school.’

Resultaat: De juiste zin is ‘They have known each other since primary school.’ Het signaalwoord ‘since’ dwingt de present perfect af, en omdat ‘to know’ een toestandswerkwoord is, gebruik je ‘have known’, niet ‘are knowing’.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen (schrijven en spreken) verwacht dat je de juiste werkwoordstijd kiest en correct vormt; signaalwoorden als ‘every day’, ‘now’, ‘yesterday’, ‘since’ en ‘already’ wijzen je de weg.
  • Het onderscheid tussen de present perfect (verleden met band naar nu) en de past simple (afgesloten verleden) is het belangrijkste struikelblok; let op ‘since’/‘for’ tegenover ‘yesterday’/‘ago’.

Veelgemaakte fouten

  • De present continuous gebruiken voor een gewoonte: ‘I am working every day’ in plaats van ‘I work every day’ — de ‘-ing’-vorm hoort bij wat nú bezig is, niet bij wat je regelmatig doet.
  • Bij een Nederlandse voltooide tijd automatisch de present perfect kiezen terwijl er een afgesloten tijdstip in staat: ‘I have seen him yesterday’ is fout, het moet ‘I saw him yesterday’ zijn (afgesloten verleden = past simple).

Actieve herhaling

Kies bij elke zin de juiste werkwoordstijd en verklaar je keuze met het signaalwoord: ‘I ___ (to finish) my homework two hours ago’, ‘She ___ (to live) in Paris since 2018’, ‘Look, it ___ (to rain)!’

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Conditionals (if-zinnen)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

De vier conditionals

ConditionalsTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Type · Vorm · Gebruik; Zero · if + present, present · altijd waar; First · if + present, will · reëel toekomst; Second · if + past, would · onwaarschijnlijk / nu; Third · if + past perfect, would have · onmogelijk verledenTYPEVORMGEBRUIKZeroif + present, presentaltijd waarFirstif + present, willreëel toekomstSecondif + past, wouldonwaarschijnlijk / nuThirdif + past perfect, wouldhaveonmogelijk verleden
Afb. 2Aan de combinatie van tijden lees je af of een if-zin reëel of denkbeeldig is.

Kernpunten

Een conditional, of voorwaardelijke zin, bestaat uit twee delen: een hoofdzin en een bijzin die met ‘if’ begint en de voorwaarde noemt. De vorm van die twee delen bepaalt of je over iets reëels of iets denkbeeldigs praat. Het Engels onderscheidt vier vaste types — de zero, first, second en third conditional — en elk type koppelt een bepaald werkwoordspatroon aan een bepaalde betekenis. De truc is om aan de combinatie van tijden af te lezen welk type je voor je hebt; de tabel onderaan zet alle vier overzichtelijk op een rij.
De zero conditional gaat over wat altijd waar is: algemene waarheden, natuurwetten en automatische gevolgen. Beide delen staan in de present simple, dus ‘if’ + present, present. Een voorbeeld is ‘If you heat water to 100 degrees, it boils.’ — verwarm je water tot honderd graden, dan kookt het, elke keer weer. Kenmerkend is dat je ‘if’ hier kunt vervangen door ‘when’ of ‘whenever’ zonder dat de betekenis verandert, juist omdat het gevolg onvermijdelijk is. Gebruik dit type dus voor regels en feiten die geen uitzondering kennen.
De first conditional gaat over een reële mogelijkheid in de toekomst: iets dat echt kan gebeuren, met een waarschijnlijk gevolg. Het patroon is ‘if’ + present simple in de bijzin, en ‘will’ + werkwoord in de hoofdzin: ‘If it rains tomorrow, I will stay at home.’ Let op de valkuil: ook al gaat de zin over de toekomst, na ‘if’ komt geen ‘will’ maar de present simple — ‘If it will rain’ is fout. Het Engels markeert de toekomst maar één keer, in de hoofdzin. Gebruik dit type voor concrete plannen en voorspellingen die afhangen van een voorwaarde die werkelijk kan optreden.
De second conditional gaat over iets onwaarschijnlijks of onwerkelijks in het heden of de toekomst — een hypothese, een droom, een onmogelijke situatie van nu. Het patroon is ‘if’ + past simple, en ‘would’ + werkwoord: ‘If I won the lottery, I would buy a house.’ De verleden tijd na ‘if’ verwijst hier níét naar het verleden, maar markeert juist de afstand tot de werkelijkheid: het is onwaarschijnlijk dat ik de loterij win. Een vast punt voor het examen: in de second conditional gebruik je voor álle personen ‘were’, niet ‘was’ — ‘If I were you, I would apologise.’ Die vorm heet de subjunctive en is in verzorgd Engels de norm.
De third conditional, ten slotte, gaat over het verleden — over iets wat niet meer kan veranderen omdat het al voorbij is. Je beschrijft er een denkbeeldige andere afloop mee: wat zou er gebeurd zijn als het verleden anders was geweest? Het patroon is ‘if’ + past perfect, en ‘would have’ + voltooid deelwoord: ‘If I had studied harder, I would have passed the exam.’ De boodschap is dat ik níét hard genoeg heb gestudeerd en dus gezakt ben — het is te laat om dat te veranderen. Dit type is het lastigst om te vormen, omdat je twee samengestelde werkwoordsvormen combineert; oefen het patroon ‘had’ + voltooid deelwoord tegenover ‘would have’ + voltooid deelwoord tot het automatisch gaat. De tabel hieronder vat de vier types met hun vorm en gebruik samen.
Uitgewerkt voorbeeld

Het juiste conditional-type kiezen

Vul de juiste vorm in en verklaar je keuze: ‘If I ___ (to know) about the traffic, I ___ (to take) a different road.’ De spreker bedoelt: ik wist het niet, en daarom heb ik die andere weg niet genomen — het is al gebeurd.

  1. 01Stap 1 — Bepaal de tijd van de situatie

    De spreker praat over het verleden dat niet meer te veranderen is (‘het is al gebeurd’). Een onmogelijke, denkbeeldige afloop in het verleden vraagt om de third conditional.

  2. 02Stap 2 — Roep het patroon op

    De third conditional is ‘if’ + past perfect in de bijzin, en ‘would have’ + voltooid deelwoord in de hoofdzin.

  3. 03Stap 3 — Vul de vormen in

    Het past perfect van ‘to know’ is ‘had known’; ‘would have’ + voltooid deelwoord van ‘to take’ is ‘would have taken’. Samen: ‘If I had known about the traffic, I would have taken a different road.’

Resultaat: De juiste zin is ‘If I had known about the traffic, I would have taken a different road.’ Omdat de situatie een onveranderbaar verleden betreft, gebruik je de third conditional: ‘had known’ tegenover ‘would have taken’.

Eindexamen-focus

  • Het examen, en vooral het schoolexamen schrijven, toetst of je het juiste conditional-type kiest: zero (altijd waar), first (reëel toekomst), second (onwaarschijnlijk/nu), third (onmogelijk verleden).
  • Je moet de tijdencombinaties correct vormen, met als grootste struikelblokken geen ‘will’ na ‘if’ in de first conditional en ‘would have’ + voltooid deelwoord in de third.

Veelgemaakte fouten

  • ‘Will’ gebruiken na ‘if’ in de first conditional: ‘If it will rain’ is fout, het moet ‘If it rains, I will …’ zijn — de toekomst staat alleen in de hoofdzin.
  • De second en third conditional verwarren: praat je over een onmogelijk verleden, dan heb je ‘if’ + past perfect én ‘would have’ + voltooid deelwoord nodig, niet ‘if’ + past simple + ‘would’.

Actieve herhaling

Bepaal van elke zin het conditional-type en vul de juiste vorm in: ‘If you ___ (to mix) blue and yellow, you get green’, ‘If I ___ (to be) rich, I would travel the world’, ‘If they had left earlier, they ___ (to catch) the train.’

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

De lijdende vorm (passive voice)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Actief naast de lijdende vorm

Actief en passiefTabel met 2 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Actief · Lijdende vorm (passive); They build houses · Houses are built; She wrote the letter · The letter was written; We will send it · It will be sentACTIEFLIJDENDE VORM(PASSIVE)They build housesHouses are builtShe wrote the letterThe letter was writtenWe will send itIt will be sent
Afb. 3In de lijdende vorm wordt het lijdend voorwerp onderwerp en bestaat het werkwoord uit ‘be’ + voltooid deelwoord.

Kernpunten

In een actieve zin doet het onderwerp zelf de handeling: ‘The dog bites the man.’ Het onderwerp (‘the dog’) is de handelende partij. In de lijdende vorm — de passive voice — draait dat om: het onderwerp ondergáát de handeling. ‘The man is bitten.’ Nu is ‘the man’ het onderwerp, maar hij doet niets; er wordt iets met hem gedaan. De vaste bouwsteen van de passive is een vorm van ‘to be’ plus het voltooid deelwoord (de derde werkwoordsvorm, V3): ‘is bitten’, ‘was built’, ‘will be sent’. Onthoud die formule — ‘be’ + V3 — want zij ligt onder elke lijdende vorm, in welke tijd dan ook.
Waarom zou je de handelende persoon uit beeld halen? Je gebruikt de passive juist wanneer wíe iets doet onbekend, onbelangrijk of vanzelfsprekend is. ‘My bike was stolen last night’ zeg je omdat je niet weet wie de dief is; de diefstal zelf is het nieuws, niet de dader. Daarom is de lijdende vorm zo gewoon in zakelijke, wetenschappelijke en journalistieke teksten: ‘The experiment was repeated three times’ legt de nadruk op wat er gebeurde, niet op welke onderzoeker het deed. Voor je leesvaardigheid is dit nuttig om te weten: waar een Engelse tekst de passive kiest, verschuift de aandacht bewust naar de handeling of het resultaat.
De tijd van een lijdende zin zit volledig in het werkwoord ‘to be’; het voltooid deelwoord verandert niet mee. Zo krijg je voor elke tijd een eigen vorm: ‘Houses are built’ (present simple), ‘Houses were built’ (past simple), ‘Houses will be built’ (future), ‘Houses have been built’ (present perfect). In al deze gevallen blijft ‘built’ — het voltooid deelwoord — onveranderd staan, en draagt ‘be’ de tijd. Wie de tijd van een passieve zin wil bepalen of vormen, kijkt dus naar ‘to be’: ‘is/are’ voor nu, ‘was/were’ voor toen, ‘will be’ voor straks, ‘has/have been’ voor de voltooide tijd.
Een actieve zin omzetten naar de lijdende vorm gaat in drie vaste stappen. Eerst maak je het lijdend voorwerp (de ontvanger van de handeling) tot het nieuwe onderwerp. Vervolgens zet je het werkwoord in de vorm ‘be’ + voltooid deelwoord, in dezelfde tijd als de actieve zin. Ten slotte kun je de oorspronkelijke handelende persoon achteraan toevoegen met ‘by’, maar dat hoeft alleen als die informatie ertoe doet. Neem ‘She wrote the letter’: het lijdend voorwerp ‘the letter’ wordt onderwerp, het werkwoord wordt ‘was written’ (past simple, want ‘wrote’ was verleden tijd), en de schrijfster voeg je desgewenst toe: ‘The letter was written by her.’
Die laatste stap — de ‘by’-bepaling — laat je meestal weg, en juist dat is de kern van de lijdende vorm: ze maakt het mogelijk om de dader te verzwijgen. Voeg ‘by …’ alleen toe als wie de handeling verricht echt nieuwe informatie geeft, zoals bij ‘Hamlet was written by Shakespeare’, waar de auteur het hele punt is. Staat er ‘The streets are cleaned every morning’, dan is ‘by the cleaners’ overbodig — iedereen weet wel wie dat doet. Oefen het omzetten in beide richtingen, van actief naar passief en terug, want het examen kan je vragen een zin in de lijdende vorm te zetten of juist te bepalen wie de handelende persoon is. De tabel hieronder toont drie actieve zinnen naast hun lijdende tegenhanger.
Uitgewerkt voorbeeld

Een actieve zin omzetten naar de lijdende vorm

Zet de actieve zin ‘The committee will choose the winner next week’ in de lijdende vorm. Werk stap voor stap.

  1. 01Stap 1 — Maak het lijdend voorwerp tot onderwerp

    Het lijdend voorwerp van de actieve zin is ‘the winner’ (degene die gekozen wordt). Dat wordt het onderwerp van de lijdende zin: ‘The winner …’.

  2. 02Stap 2 — Bepaal de tijd en vorm het werkwoord

    De actieve zin staat in de toekomst (‘will choose’). De lijdende vorm in de future is ‘will be’ + voltooid deelwoord. Het voltooid deelwoord van ‘to choose’ is ‘chosen’: ‘will be chosen’.

  3. 03Stap 3 — Voeg eventueel de handelende persoon toe

    De oorspronkelijke handelende partij is ‘the committee’. Als die informatie telt, voeg je haar toe met ‘by’: ‘The winner will be chosen by the committee next week.’

Resultaat: De lijdende vorm is ‘The winner will be chosen (by the committee) next week.’ Het lijdend voorwerp ‘the winner’ wordt onderwerp, het werkwoord wordt ‘will be chosen’ (future, ‘be’ + voltooid deelwoord), en de handelende persoon volgt optioneel na ‘by’.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je een actieve zin in de lijdende vorm kunt zetten en omgekeerd, met de juiste vorm ‘be’ + voltooid deelwoord in de juiste tijd.
  • Je moet herkennen wanneer en waarom een tekst de passive kiest: als de handelende persoon onbekend, onbelangrijk of vanzelfsprekend is, verschuift de nadruk naar de handeling zelf.

Veelgemaakte fouten

  • Het voltooid deelwoord (V3) verwarren met de verleden tijd (V2): de passive is ‘be’ + V3, dus ‘The letter was written’ (niet ‘was wrote’) en ‘It was taken’ (niet ‘was took’).
  • De tijd vergeten mee te nemen bij het omzetten: ‘She will send it’ wordt ‘It will be sent’ (future), niet ‘It is sent’ — ‘to be’ moet in dezelfde tijd staan als de actieve zin.

Actieve herhaling

Zet de volgende actieve zinnen in de lijdende vorm en let op de tijd: ‘The teacher explains the rule’, ‘Someone has stolen my wallet’, ‘They will announce the results tomorrow.’

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Indirecte rede (reported speech)#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

Er zijn twee manieren om weer te geven wat iemand zei. In de directe rede (direct speech) herhaal je iemands woorden letterlijk, tussen aanhalingstekens: ‘“I am tired,” she said.’ In de indirecte rede (reported speech) vertel je in je eigen zin door wat er gezegd is, zonder aanhalingstekens en meestal met het voegwoord ‘that’: ‘She said that she was tired.’ Omdat je het verslag doorgaans láter doet dan de oorspronkelijke uitspraak, en vanuit je eigen standpunt, verandert er bij die omzetting een aantal dingen tegelijk: de werkwoordstijd, de persoonlijke voornaamwoorden en de woorden voor tijd en plaats. Die drie verschuivingen leer je hieronder één voor één.
De belangrijkste verandering is de backshift: de werkwoordstijd schuift één stap terug, omdat het gerapporteerde moment inmiddels verleden is. Een present simple wordt een past simple (‘“I work”’ wordt ‘He said he worked’), een present continuous wordt een past continuous, en een past simple of present perfect wordt een past perfect (‘“I saw it”’ wordt ‘She said she had seen it’). Ook de hulpwerkwoorden schuiven mee: ‘will’ wordt ‘would’, ‘can’ wordt ‘could’, ‘may’ wordt ‘might’ en ‘must’ wordt ‘had to’. Zo wordt ‘“I will help you,” he said’ in de indirecte rede ‘He said he would help me.’ Onthoud de regel als één beweging: alles een treetje terug.
Naast de tijd verschuiven de persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden, want het standpunt verspringt van de oorspronkelijke spreker naar jou als verteller. Wat de spreker ‘I’ noemde, wordt vanuit jouw perspectief vaak ‘he’ of ‘she’; ‘we’ wordt ‘they’; ‘my’ wordt ‘his’ of ‘her’; ‘you’ kan ‘me’ of ‘him’ worden, afhankelijk van wie er werd aangesproken. Vergelijk ‘Anna said, “I lost my keys”’ met de indirecte versie ‘Anna said that she had lost her keys.’ Het ‘I’ is ‘she’ geworden en het ‘my’ is ‘her’ geworden, omdat je nu óver Anna vertelt in plaats van háár te citeren. Denk bij elke omzetting dus bewust na: wie zegt dit nu, en over wie?
Ten slotte veranderen de woorden die naar tijd en plaats verwijzen, omdat ‘nu’ en ‘hier’ van de spreker niet langer jouw ‘nu’ en ‘hier’ zijn. ‘Now’ wordt ‘then’, ‘today’ wordt ‘that day’, ‘tomorrow’ wordt ‘the next day’ (of ‘the following day’), ‘yesterday’ wordt ‘the day before’, ‘here’ wordt ‘there’, en de aanwijzende woorden ‘this’ en ‘these’ worden ‘that’ en ‘those’. Zo wordt ‘“I will finish it today,” she said’ tot ‘She said she would finish it that day.’ Loop bij het omzetten dus standaard drie checklists langs: de tijd (backshift), de voornaamwoorden, en de tijd-en-plaatswoorden.
Vragen en bevelen krijgen in de indirecte rede een eigen vorm. Bij een gerapporteerde vraag vervalt de vraagvolgorde: je keert terug naar de gewone volgorde onderwerp-werkwoord en laat het vraagteken weg. Voor ja/nee-vragen gebruik je ‘if’ of ‘whether’: ‘“Are you coming?” he asked’ wordt ‘He asked if I was coming.’ Bij een vraagwoordvraag blijft het vraagwoord staan: ‘“Where do you live?”’ wordt ‘She asked where I lived.’ Een bevel of verzoek geef je weer met ‘tell/ask’ + persoon + ‘to’ + infinitief: ‘“Close the door,” he said’ wordt ‘He told me to close the door.’ Met deze patronen — backshift, voornaamwoorden, tijd-en-plaatswoorden, en de aparte vorm voor vragen en bevelen — kun je elke directe uitspraak correct in de indirecte rede zetten.
Uitgewerkt voorbeeld

Directe rede omzetten naar indirecte rede

Zet de directe uitspraak ‘“I saw your brother here yesterday,” Tom said’ om naar de indirecte rede. Werk de verschuivingen stap voor stap af.

  1. 01Stap 1 — Pas de werkwoordstijd aan (backshift)

    De directe zin staat in de past simple (‘saw’). Bij de backshift wordt dat een past perfect: ‘had seen’.

  2. 02Stap 2 — Pas de voornaamwoorden aan

    Tom zei ‘I’ en ‘your’. Vanuit jouw standpunt wordt ‘I’ nu ‘he’ (Tom), en ‘your’ wordt ‘my’ als hij het tegen jou had: ‘he had seen my brother’.

  3. 03Stap 3 — Pas de tijd- en plaatswoorden aan

    ‘Here’ wordt ‘there’ en ‘yesterday’ wordt ‘the day before’. Samengevoegd: ‘Tom said that he had seen my brother there the day before.’

Resultaat: De indirecte rede luidt: ‘Tom said (that) he had seen my brother there the day before.’ Alle drie de verschuivingen zijn toegepast: de backshift (‘saw’ wordt ‘had seen’), de voornaamwoorden (‘I’ wordt ‘he’, ‘your’ wordt ‘my’) en de tijd-en-plaatswoorden (‘here’ wordt ‘there’, ‘yesterday’ wordt ‘the day before’).

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen verwacht dat je directe rede correct in de indirecte rede kunt omzetten, met de juiste backshift van de werkwoordstijden (present wordt past, ‘will’ wordt ‘would’).
  • Je moet bij het omzetten ook de voornaamwoorden en de tijd-en-plaatswoorden aanpassen (‘now’ wordt ‘then’, ‘here’ wordt ‘there’, ‘today’ wordt ‘that day’).

Veelgemaakte fouten

  • De backshift vergeten: ‘She said she is tired’ is fout; omdat het verslag later komt, moet het ‘She said she was tired’ zijn.
  • Bij een gerapporteerde vraag de vraagvolgorde laten staan: ‘He asked where did I live’ is fout, het moet ‘He asked where I lived’ zijn (gewone volgorde, geen ‘did’).

Actieve herhaling

Zet de volgende directe uitspraken in de indirecte rede en let op alle drie de verschuivingen: ‘“I am reading your book now,” he said’, ‘“We will meet you here tomorrow,” they said’, ‘“Did you call me?” she asked.’

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 05

Woordvolgorde en veelgemaakte fouten#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

De Engelse basiswoordvolgorde

Word order: S–V–O (–A)Boomdiagram, 4 paden, Gegevens: Subject; Verb; Object; AdverbialEnglish sentenceSubjectVerbObjectAdverbial
Afb. 4Het vaste skelet van de Engelse zin: Subject–Verb–Object, gevolgd door de bepaling (Adverbial).

Kernpunten

De Engelse zin heeft een veel striktere woordvolgorde dan de Nederlandse. De basisvolgorde is Subject–Verb–Object (onderwerp–werkwoord–lijdend voorwerp): ‘I (S) read (V) a book (O).’ Waar het Nederlands het werkwoord vaak verplaatst — denk aan „Gisteren las ik een boek”, met het werkwoord op de tweede plaats — houdt het Engels veel vaker vast aan de vaste volgorde: ‘Yesterday I read a book’, niet ‘Yesterday read I a book.’ Die strakke volgorde is meteen de bron van veel typische fouten van Nederlandstaligen, die onbewust de losse Nederlandse zinsbouw op het Engels projecteren. De boomstructuur onderaan deze sectie laat het basisgeraamte zien: subject, verb, object, en daarachter de bepaling (adverbial).
Bijwoorden van frequentie — ‘always’, ‘usually’, ‘often’, ‘sometimes’, ‘never’ — hebben in het Engels een vaste plaats: vóór het hoofdwerkwoord, maar ná het werkwoord ‘to be’. Je zegt dus ‘She always arrives on time’ (vóór ‘arrives’), maar ‘She is always on time’ (ná ‘is’). Een veelgemaakte fout is dit bijwoord aan het begin of einde te zetten naar Nederlands model: ‘Always she arrives late’ of ‘She arrives always late’ klinkt onnatuurlijk en is fout. Onthoud de vuistregel: het frequentiebijwoord nestelt zich tussen het onderwerp en het hoofdwerkwoord, en springt alleen achter ‘to be’.
Voor de overige bepalingen geldt in het Engels een vaste volgorde: eerst hoe (manner), dan waar (place), dan wanneer (time). Een tijdsbepaling komt dus meestal aan het eind van de zin, niet ergens in het midden zoals in het Nederlands. Je zegt ‘I went to school yesterday’, niet ‘I went yesterday to school’; en ‘She sang beautifully at the concert last night’ zet keurig manner (‘beautifully’), place (‘at the concert’) en time (‘last night’) op een rij. Juist hier struikelen Nederlandstaligen vaak, omdat het Nederlands de tijd graag naar voren haalt („Ik ging gisteren naar school”). In het Engels schuift die tijdsbepaling naar achteren.
Een klassiek woordpaar dat vaak verkeerd gaat, is ‘since’ tegenover ‘for’. Beide horen bij de present perfect, maar ze leiden verschillende informatie in. ‘Since’ gebruik je bij een beginpunt in de tijd — een moment waarop iets begon: ‘since 2015’, ‘since Monday’, ‘since I was a child’. ‘For’ gebruik je bij een tijdsduur — hoe lang iets al duurt: ‘for three years’, ‘for a week’, ‘for ages’. Vergelijk ‘I have lived here since 2015’ (beginpunt) met ‘I have lived here for ten years’ (duur). De Nederlandse woorden „sinds” en „al” helpen je hier niet, want het Nederlands maakt het onderscheid anders; toets daarom telkens: noem ik een startmoment (‘since’) of een tijdspanne (‘for’)?
Misschien wel de hardnekkigste fout betreft de hulpwerkwoorden in vragen en ontkenningen. Anders dan het Nederlands kan het Engels een hoofdwerkwoord niet zomaar omdraaien of er ‘not’ achter zetten; het heeft het hulpwerkwoord ‘do/does/did’ nodig. Een vraag vorm je met ‘do’ + onderwerp + werkwoord: ‘Do you like coffee?’, niet ‘Like you coffee?’. Een ontkenning vorm je met ‘do not / don’t’: ‘I don’t know’, niet ‘I know not’. In de verleden tijd doet ‘did’ dat werk, en let op: dan staat het hoofdwerkwoord weer in de hele vorm — ‘Did you see it?’ en ‘I didn’t see it’ (niet ‘Did you saw it’). Dit heet do-support, en wie het mist, valt onmiddellijk door de mand. De boomstructuur hieronder herinnert je aan het vaste skelet S–V–O–(A) waarop al deze regels rusten.
Uitgewerkt voorbeeld

Een fout in woordvolgorde verbeteren

De zin ‘I see never my neighbours in the morning’ bevat een veelgemaakte fout. Spoor de fout op, verbeter de zin en verklaar de regel.

  1. 01Stap 1 — Vind het bijwoord en de fout

    Het frequentiebijwoord ‘never’ staat hier tussen het werkwoord en het lijdend voorwerp (‘see never my neighbours’). Dat is de verkeerde plaats.

  2. 02Stap 2 — Pas de regel toe

    Bijwoorden van frequentie horen vóór het hoofdwerkwoord te staan (en ná ‘to be’). ‘Never’ moet dus vóór ‘see’: ‘I never see …’.

  3. 03Stap 3 — Controleer de rest van de zin

    De volgorde van de overige delen klopt: het object (‘my neighbours’) gevolgd door de tijdsbepaling (‘in the morning’) aan het eind. De verbeterde zin is ‘I never see my neighbours in the morning.’

Resultaat: De correcte zin is ‘I never see my neighbours in the morning.’ Het frequentiebijwoord ‘never’ hoort vóór het hoofdwerkwoord, niet erna; de tijdsbepaling ‘in the morning’ blijft correct aan het eind staan.

Eindexamen-focus

  • Het schoolexamen (schrijven en spreken) verwacht een correcte Engelse woordvolgorde Subject–Verb–Object en de juiste plaats van bijwoorden van frequentie, plaats en tijd.
  • Je moet do-support beheersen in vragen en ontkenningen en het verschil tussen ‘since’ (beginpunt) en ‘for’ (tijdsduur) correct toepassen.

Veelgemaakte fouten

  • De Nederlandse zinsbouw op het Engels projecteren: een tijdsbepaling in het midden zetten (‘I went yesterday to school’) in plaats van achteraan (‘I went to school yesterday’).
  • Do-support vergeten in vragen en ontkenningen: ‘Like you coffee?’ of ‘I know not’ in plaats van ‘Do you like coffee?’ en ‘I don’t know.’

Actieve herhaling

Verbeter de woordvolgorde of het hulpwerkwoord in deze zinnen en verklaar de regel: ‘She speaks very well English’, ‘I have here lived for five years’, ‘Why you did leave early?’

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma Engels (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 05

    • 01Het tijdensysteem (tenses)○
    • 02Conditionals (if-zinnen)◐
    • 03De lijdende vorm (passive voice)◐
    • 04Indirecte rede (reported speech)◐
    • 05Woordvolgorde en veelgemaakte fouten◐

0/5 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Grammatica en taalverzorging

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~26
min
3
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma Engels (HAVO)

Vorig onderwerp

Tekststructuur, alinea's en signaalwoorden

Volgend onderwerp

Schrijfvaardigheid (formele en informele teksten)

EuraStudy·Samenvattingen T·06·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.