EuraStudy
Samenvattingen/Economie/Ongelijkheid en herverdeling
Samenvattingen · EconomieNL · HAVO

Ongelijkheid en herverdeling

Niet iedereen verdient evenveel: de inkomensverdeling laat zien hoe het totale inkomen over de huishoudens is verdeeld, en die verdeling is vrijwel nooit volledig gelijk. Dit onderwerp legt eerst de begrippen rond inkomen en ongelijkheid uit — van primair tot tertiair inkomen en van de personele tot de categoriale verdeling — meet de ongelijkheid daarna met de Lorenzcurve en de Ginicoëfficiënt, en bekijkt ten slotte hoe de overheid met belastingen, uitkeringen en toeslagen herverdeelt, inclusief de afruil tussen gelijkheid en doelmatigheid.

3 Onderdelen·~22 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2

T·141414 / 15
Examenprofiel
Het primaire, secundaire en tertiaire inkomen onderscheiden en uitleggen hoe belastingen, premies, uitkeringen en gebonden overdrachten het ene inkomensbegrip in het volgende omzetten.De personele inkomensverdeling onderscheiden van de categoriale, en nivelleren en denivelleren herkennen aan de relatieve verandering van de inkomensverschillen.De inkomensongelijkheid aflezen en meten met een Lorenzcurve en de Ginicoëfficiënt, en beide met elkaar in verband brengen.Het herverdelende effect van progressieve belastingen, uitkeringen en toeslagen op de Lorenzcurve beredeneren en de afruil tussen gelijkheid en doelmatigheid bespreken.
Operatoren:leg uitinterpreteerverklaarberedeneerbereken

basisniveau

Zorg dat je primair, secundair en tertiair inkomen kunt onderscheiden, een Lorenzcurve kunt aflezen, weet dat de Ginicoëfficiënt tussen 0 en 1 ligt, en de instrumenten voor herverdeling (progressieve belasting, uitkeringen, toeslagen) met hun nivellerende effect kunt benoemen.

verhoogd niveau

Redeneer in onbekende contexten over het effect van een maatregel op de Lorenzcurve en de Gini, leg het verband tussen de boldheid van de curve en de Ginicoëfficiënt, en maak in een afruilvraag de spanning tussen gelijkheid en doelmatigheid — de 'lekkende emmer', de armoedeval — expliciet.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Ongelijkheid en herverdeling
    • 01Inkomensverdeling en ongelijkheid○
    • 02Lorenzcurve en Ginicoëfficiënt◐
    • 03Herverdeling door de overheid◐
§ 01

Inkomensverdeling en ongelijkheid#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Kernpunten

Voordat je ongelijkheid kunt meten, moet je weten wélk inkomen je bedoelt, want één huishouden kent meerdere inkomensbegrippen ná elkaar. Het begint bij het primaire inkomen: de beloning die huishoudens rechtstreeks uit de markt halen voor het ter beschikking stellen van hun productiefactoren, nog vóórdat de overheid ingrijpt. Wie arbeid levert, ontvangt loon; wie kapitaal (vermogen) bezit, ontvangt rente of winst; wie grond of natuur bezit, ontvangt pacht of huur; en wie een onderneming drijft, ontvangt winst. Het primaire inkomen is dus inkomen uit arbeid én uit bezit samen. Juist hier zit al veel ongelijkheid: iemand met een goedbetaalde baan én spaargeld dat rente oplevert heeft een veel hoger primair inkomen dan iemand met alleen een klein loon, en een werkloze of gepensioneerde heeft soms nauwelijks primair inkomen.
De overheid laat die marktuitkomst niet zoals hij is, maar herverdeelt. Trek je van het primaire inkomen de directe belastingen (zoals de inkomstenbelasting) en de sociale premies af, en tel je de ontvangen uitkeringen en andere inkomensoverdrachten in geld erbij op, dan houd je het secundaire inkomen over. Het secundaire inkomen is dus het inkomen ná de herverdeling via belastingen en uitkeringen — grofweg wat je echt te besteden krijgt. Voor een werkende met een hoog loon is het secundaire inkomen láger dan het primaire, doordat hij per saldo belasting betaalt; voor iemand in de bijstand of met alleen AOW is het juist hóger, omdat hij per saldo een uitkering ontvangt. Zo tilt de overheid de laagste inkomens op en drukt zij de hoogste, waardoor de secundaire verdeling gelijker is dan de primaire.
Een derde stap is het tertiaire inkomen. De overheid beïnvloedt namelijk niet alleen je geldinkomen, maar ook wat dat geld waard is en welke voorzieningen je in natura krijgt. Corrigeer je het secundaire inkomen voor de gebonden overdrachten en subsidies — denk aan de huurtoeslag en de zorgtoeslag, gesubsidieerd onderwijs of openbaar vervoer — en voor de indirecte belastingen die je betaalt zodra je iets koopt (de btw en accijnzen), dan kom je uit op het tertiaire inkomen. Dat begrip benadert het best je werkelijke koopkracht en welvaart. Omdat lage inkomens verhoudingsgewijs meer profiteren van toeslagen en gesubsidieerde voorzieningen, werkt ook deze derde laag meestal nivellerend. Het tertiaire inkomen is wel het lastigst exact te meten, omdat de waarde van voorzieningen in natura moeilijk in euro's is uit te drukken.
Naast de vraag wélk inkomen je bekijkt, is er de vraag waaróver je het verdeelt, en daar staan twee verdelingen tegenover elkaar. De personele inkomensverdeling kijkt naar personen of huishoudens: hoe is het totale inkomen verdeeld over alle huishoudens, van arm naar rijk? Dit is de verdeling die je straks met de Lorenzcurve en de Ginicoëfficiënt in beeld brengt. De categoriale inkomensverdeling kijkt juist naar de productiefactoren: welk deel van het nationaal inkomen gaat naar loon (arbeid), en welk deel naar pacht (grond), rente (kapitaal) en winst (ondernemerschap)? Een bekende maat hierbij is de arbeidsinkomensquote, het aandeel van de beloning voor arbeid in het totale inkomen. Houd de twee scherp uit elkaar: 'de armste 20% krijgt 4% van het inkomen' is een personele uitspraak, terwijl 'de lonen vormen 70% van het nationaal inkomen' een categoriale uitspraak is.
Tot slot twee begrippenparen die in vrijwel elke examenvraag terugkomen. Nivelleren betekent dat de inkomensverschillen kleiner worden — de verdeling wordt gelijker; denivelleren betekent dat de verschillen juist groter worden. Let op: het gaat om de relatieve, procentuele verandering, niet om absolute euro's. Als de laagste inkomens er procentueel méér op vooruitgaan dan de hoogste, is er sprake van nivellering, ook al stijgen de hoge inkomens in euro's misschien sterker. Maar waar komt die ongelijkheid eigenlijk vandaan? De belangrijkste oorzaken zijn verschillen in loon (door beroep, talent en de schaarste van bepaalde vaardigheden), verschillen in opleiding (meer scholing leidt gemiddeld tot een hoger loon), verschillen in vermogen (bezit levert extra inkomen uit rente, dividend en huur) en erfenissen, waardoor vermogen — en dus ongelijkheid — van de ene generatie op de volgende overgaat.
secundair inkomen=primair inkomen−belastingen en premies+uitkeringen\text{secundair inkomen} = \text{primair inkomen} - \text{belastingen en premies} + \text{uitkeringen}secundair inkomen=primair inkomen−belastingen en premies+uitkeringen

van primair naar secundair inkomen

Het secundaire inkomen ontstaat door op het primaire (markt)inkomen de directe belastingen en sociale premies in mindering te brengen en de ontvangen uitkeringen erbij op te tellen. Voor hoge inkomens is het saldo negatief (ze betalen netto), voor lage inkomens positief (ze ontvangen netto) — daardoor nivelleert deze stap.

gemiddeld belastingtarief=betaalde belastinginkomen×100%\text{gemiddeld belastingtarief} = \frac{\text{betaalde belasting}}{\text{inkomen}} \times 100\%gemiddeld belastingtarief=inkomenbetaalde belasting​×100%

gemiddeld belastingtarief

Het gemiddelde tarief is de totale betaalde belasting als percentage van het hele inkomen. Bij een progressieve belasting stijgt dit gemiddelde tarief naarmate het inkomen hoger is, zodat hoge inkomens verhoudingsgewijs meer afdragen.

Uitgewerkt voorbeeld

Hoe een progressieve belasting nivelleert

Anouk heeft een primair inkomen van €2.000 per maand, Bram een primair inkomen van €4.000 per maand. De inkomstenbelasting is progressief: Anouk betaalt gemiddeld 20% belasting, Bram gemiddeld 35%. Bereken voor beiden het secundaire inkomen en laat met de verhouding tussen hun inkomens zien dat de belasting nivelleert.

  1. 01Stap 1 — De verhouding vóór belasting

    Vergelijk eerst de primaire inkomens. Bram verdient twee keer zoveel als Anouk, dus de verhouding tussen hun inkomens is 4000 staat tot 2000.

    40002000=2,0\frac{4000}{2000} = 2{,}020004000​=2,0
  2. 02Stap 2 — De betaalde belasting

    Bereken per persoon de belasting als het gemiddelde tarief maal het inkomen. Anouk betaalt 20% van 2000, Bram 35% van 4000.

    0,20×2000=400en0,35×4000=14000{,}20 \times 2000 = 400 \quad\text{en}\quad 0{,}35 \times 4000 = 14000,20×2000=400en0,35×4000=1400
  3. 03Stap 3 — Het secundaire inkomen

    Trek de belasting van het primaire inkomen af (er zijn hier geen uitkeringen). Zo krijg je het secundaire inkomen van elk.

    2000−400=1600en4000−1400=26002000 - 400 = 1600 \quad\text{en}\quad 4000 - 1400 = 26002000−400=1600en4000−1400=2600
  4. 04Stap 4 — De verhouding ná belasting

    Vergelijk nu de secundaire inkomens. De verhouding is kleiner geworden dan de 2,0 van het primaire inkomen, dus de inkomensverschillen zijn relatief afgenomen.

    26001600≈1,63\frac{2600}{1600} \approx 1{,}6316002600​≈1,63

Resultaat: Anouk houdt €1.600 over en Bram €2.600. De inkomensverhouding daalt van 2,0 (primair) naar ongeveer 1,63 (secundair): doordat Bram een hoger gemiddeld tarief betaalt, zijn de inkomensverschillen relatief kleiner geworden. De progressieve belasting werkt dus nivellerend en maakt de secundaire verdeling gelijker dan de primaire.

Eindexamen-focus

  • Je moet primair, secundair en tertiair inkomen kunnen onderscheiden en kunnen uitleggen hoe belastingen, premies, uitkeringen en gebonden overdrachten het primaire inkomen stap voor stap omzetten in een gelijker secundair en tertiair inkomen.
  • Het examen verwacht dat je de personele van de categoriale inkomensverdeling onderscheidt en dat je beoordeelt of een maatregel nivelleert of denivelleert — op basis van de relatieve, niet de absolute, inkomensverandering.

Veelgemaakte fouten

  • Nivellering beoordelen aan de hand van absolute euro's in plaats van procentuele veranderingen. Als de lage inkomens er relatief méér op vooruitgaan dan de hoge, nivelleert een maatregel, ook al groeien de hoge inkomens in euro's sterker.
  • Primair inkomen gelijkstellen aan 'loon'. Primair inkomen is inkomen uit arbeid én uit bezit (loon, rente, pacht én winst); juist het bezit van vermogen vergroot de ongelijkheid.
  • Secundair en tertiair inkomen door elkaar halen. Het secundaire inkomen volgt ná de directe belastingen en de uitkeringen in geld; het tertiaire inkomen pas ná de correctie voor indirecte belastingen en gebonden subsidies (koopkracht).

Actieve herhaling

Een werknemer heeft een brutoloon van €3.000 per maand en ontvangt daarnaast €100 rente op spaargeld; een gepensioneerde zonder eigen vermogen of aanvullend pensioen ontvangt alleen €1.400 AOW. Leg voor beiden uit wat hun primaire en wat hun secundaire inkomen is, en beredeneer of de overgang van primair naar secundair inkomen tot nivellering leidt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Lorenzcurve en Ginicoëfficiënt#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Lorenzcurve en de lijn van volledige gelijkheid

Lorenzcurve en de lijn van volledige gelijkheidSchaubild von volledige gelijkheid, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 100, Schaubild von Lorenzcurve, Nullstellen bei x = 0, y-Achsenabschnitt bei y = 0, steigend, im Bereich x von 0 bis 1002040608010020406080100volledigegelijkheidLorenzcurve% inkomen (cumulatief)% huishoudens (cumulatief)
Afb. 1De stippellijn is de lijn van volledige gelijkheid, de bolle curve eronder de Lorenzcurve; het oppervlak A ligt ertussen. Hoe groter A, hoe ongelijker de verdeling. De Ginicoëfficiënt is A gedeeld door de hele driehoek onder de diagonaal.

Kernpunten

De Lorenzcurve maakt in één figuur zichtbaar hoe (on)gelijk het inkomen verdeeld is. Je rangschikt eerst alle huishoudens van arm naar rijk en zet daarna op de horizontale as het cumulatieve percentage van de huishoudens en op de verticale as het cumulatieve percentage van het totale inkomen dat zij samen bezitten. 'Cumulatief' betekent: telkens opgeteld vanaf de armste. Een punt op de curve lees je dan zo: ligt de curve door het punt (40, 15), dan bezit de armste 40% van de huishoudens samen 15% van het inkomen. De curve begint altijd in de oorsprong (0% van de huishoudens heeft 0% van het inkomen) en eindigt in het punt (100, 100), waar alle huishoudens samen al het inkomen bezitten — ongeacht hoe scheef de verdeling daartussenin is.
Om de curve te kunnen beoordelen, heb je een ijkpunt nodig: de lijn van volledige gelijkheid, de 45°-diagonaal van de oorsprong naar het punt (100, 100). Op die diagonaal heeft elk procent huishoudens precies dat procent van het inkomen — de armste 10% heeft 10%, de armste helft heeft 50%, enzovoort. Bij een volkomen gelijke verdeling valt de Lorenzcurve samen met deze diagonaal. In werkelijkheid ligt de Lorenzcurve er altijd onder en bolt zij naar beneden door: de armere helft heeft minder dan de helft van het inkomen. Hoe boller de curve — hoe verder zij van de diagonaal af buigt — des te schever, en dus ongelijker, is de inkomensverdeling. Een curve die strak tegen de diagonaal aan ligt, hoort bij een gelijkmatige verdeling. Bekijk in de figuur hiernaast de stippellijn (de gelijkheidslijn) en de bolle Lorenzcurve eronder.
Het oog ziet wel dát de ene curve boller is dan de andere, maar voor een exacte vergelijking heb je een getal nodig: de Ginicoëfficiënt. Die meet de boldheid als een verhouding van oppervlakten. Noem A het oppervlak tussen de diagonaal en de Lorenzcurve, en B het oppervlak onder de Lorenzcurve; samen vormen A en B de hele driehoek onder de diagonaal. De Ginicoëfficiënt is dan A gedeeld door (A + B), oftewel A gedeeld door de hele driehoek. De uitkomst ligt altijd tussen 0 en 1. Bij volledige gelijkheid valt de curve op de diagonaal, is A nul en is de Gini 0; bij volledige ongelijkheid (één huishouden heeft alles) vult A bijna de hele driehoek en nadert de Gini 1. Onthoud de vuistregel: hoe hoger de Ginicoëfficiënt, hoe ongelijker de verdeling.
In de praktijk schat je A op het examen meestal af uit de figuur, bijvoorbeeld door de hokjes van het raster tussen de diagonaal en de curve te tellen en die te delen door het aantal hokjes in de hele driehoek; soms krijg je de oppervlakten gewoon gegeven. Belangrijk is dat de Lorenzcurve en de Ginicoëfficiënt naar dezelfde verdeling kijken: de curve toont het beeld, de coëfficiënt vat dat in één getal samen, en daardoor horen ze altijd bij elkaar. Twee landen, of dezelfde economie vóór en ná een beleidsmaatregel, vergelijk je door hun Lorenzcurves over elkaar te leggen: de curve die het dichtst bij de diagonaal ligt, hoort bij de gelijkste verdeling en bij de laagste Gini. Zo wordt een vaag begrip als 'ongelijkheid' meetbaar en vergelijkbaar.
Eén nuance hoort erbij. De Ginicoëfficiënt perst een hele verdeling in één getal, en dat heeft een prijs: twee landen met dezelfde Gini kunnen tóch een verschillende verdeling hebben, en wanneer twee Lorenzcurves elkaar kruisen, is niet zonder meer te zeggen welke verdeling 'ongelijker' is. De Gini zegt bovendien niets over hoe rijk een land in totaal is — alleen iets over de spreiding van het inkomen. Gebruik het getal dus samen met de curve en met gezond verstand, en lees in een examenopgave altijd eerst zorgvuldig de assen en de gegeven punten af voordat je een conclusie trekt. In het volgende onderdeel zie je hoe de overheid deze verdeling actief verandert.
G=AA+BG = \frac{A}{A+B}G=A+BA​

Ginicoëfficiënt

De Ginicoëfficiënt is het oppervlak tussen de gelijkheidslijn en de Lorenzcurve (A) gedeeld door de hele driehoek onder de diagonaal (A + B). De uitkomst ligt tussen 0 (volledige gelijkheid) en 1 (volledige ongelijkheid): hoe groter A, hoe boller de curve en hoe hoger de Gini.

aandeel rijkste (100−x)%=100%−y\text{aandeel rijkste }(100-x)\% = 100\% - yaandeel rijkste (100−x)%=100%−y

aandeel van de rijkste groep

Lees je bij de armste x% van de huishoudens een cumulatief inkomensaandeel y af, dan heeft de rijkste (100 − x)% van de huishoudens de rest: 100% min y. Zo bepaal je bijvoorbeeld het aandeel van de rijkste 20% uit het afgelezen aandeel van de armste 80%.

Uitgewerkt voorbeeld

De Lorenzcurve aflezen en koppelen aan de Gini

De Lorenzcurve van een land wordt benaderd door y=x2100y = \frac{x^{2}}{100}y=100x2​, waarbij xxx het cumulatieve percentage huishoudens (van arm naar rijk) is en yyy het cumulatieve percentage inkomen. Lees de curve af bij x=20x = 20x=20 en bij x=80x = 80x=80, bepaal het aandeel van de rijkste 20%, en leg uit hoe een hogere Ginicoëfficiënt hierbij past.

  1. 01Stap 1 — De armste 20%

    Vul x = 20 in de formule in. De uitkomst is het inkomensaandeel van de armste 20% van de huishoudens.

    y=202100=400100=4y = \frac{20^{2}}{100} = \frac{400}{100} = 4y=100202​=100400​=4
  2. 02Stap 2 — De armste 80%

    Vul nu x = 80 in. Dit is het inkomensaandeel van de armste 80% van de huishoudens samen.

    y=802100=6400100=64y = \frac{80^{2}}{100} = \frac{6400}{100} = 64y=100802​=1006400​=64
  3. 03Stap 3 — De rijkste 20%

    Het aandeel van de rijkste 20% is alles wat de armste 80% niet heeft: 100% min het afgelezen percentage van 64%.

    100%−64%=36%100\% - 64\% = 36\%100%−64%=36%
  4. 04Stap 4 — De koppeling met de Gini

    Vergelijk met volledige gelijkheid, waar de armste 20% óók 20% zou hebben en de rijkste 20% eveneens 20%. Hier heeft de armste 20% maar 4% en de rijkste 20% maar liefst 36% — de curve bolt sterk door. Een bollere curve betekent een groter oppervlak A en dus een hogere Ginicoëfficiënt.

Resultaat: De armste 20% bezit slechts 4% van het inkomen, de armste 80% bezit 64%, en de rijkste 20% bezit dus 36% — bijna het dubbele van een gelijk aandeel. Doordat de curve flink van de diagonaal af buigt, is het oppervlak A groot en ligt de Ginicoëfficiënt duidelijk boven 0: de verdeling is behoorlijk ongelijk.

Eindexamen-focus

  • Je moet een punt op een Lorenzcurve correct kunnen aflezen en interpreteren (de armste x% van de huishoudens bezit y% van het inkomen) en het aandeel van de rijkste groep bepalen als 100% min dat cumulatieve percentage.
  • Het examen verwacht dat je de Ginicoëfficiënt herkent als A gedeeld door (A + B), weet dat hij tussen 0 en 1 ligt, en het verband legt: een bollere Lorenzcurve hoort bij een grotere oppervlakte A en dus een hogere Gini.

Veelgemaakte fouten

  • De assen verwisselen of vergeten dat ze cumulatief zijn. Op de horizontale as staat het opgetelde percentage huishoudens (van arm naar rijk), op de verticale as het opgetelde percentage inkomen.
  • Denken dat een hoge Ginicoëfficiënt 'beter' of 'rijker' betekent. Een hogere Gini betekent uitsluitend méér ongelijkheid; 0 is volledige gelijkheid, 1 is volledige ongelijkheid.
  • De Ginicoëfficiënt gelijkstellen aan alleen oppervlak A, zonder te delen door de hele driehoek (A + B). De Gini is een verhouding tussen 0 en 1, geen losse oppervlakte.

Actieve herhaling

Van een land is gegeven dat de armste 50% van de huishoudens samen 25% van het inkomen bezit en de armste 80% samen 55%. Teken een schets van de Lorenzcurve met de lijn van volledige gelijkheid, bepaal welk percentage van het inkomen naar de rijkste 20% gaat, en leg uit of de Ginicoëfficiënt dichter bij 0 of bij 1 ligt.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Herverdeling door de overheid#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Instrumenten voor herverdeling

HerverdelingTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Instrument · Werking · Effect; Progr. belasting · hoog tarief bij rijk · nivelleert; Uitkeringen · steun lage inkomens · nivelleert; Toeslagen · huur-/zorgsteun · nivelleertINSTRUMENTWERKINGEFFECTProgr. belastinghoog tarief bij rijknivelleertUitkeringensteun lage inkomensnivelleertToeslagenhuur-/zorgsteunnivelleertInstrumenten voor herverdeling
Afb. 2Drie instrumenten waarmee de overheid inkomen herverdeelt; elk verkleint de inkomensverschillen (nivelleert) en schuift de Lorenzcurve naar de diagonaal toe.

Kernpunten

De overheid neemt de scheve primaire inkomensverdeling niet voor lief, maar herverdeelt met een aantal instrumenten — samengevat in de tabel hiernaast. Het eerste en krachtigste instrument is de progressieve belasting. Bij een progressief belastingstelsel stijgt het gemiddelde belastingtarief naarmate het inkomen hoger is: over een hoger inkomen draag je niet alleen meer euro's af, maar ook een groter percentage. In Nederland werkt de inkomstenbelasting met schijven en oplopende tarieven, zodat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen. Omdat hoge inkomens verhoudingsgewijs meer inleveren dan lage, verkleint een progressieve belasting de inkomensverschillen: ze werkt nivellerend.
Aan de andere kant van de herverdeling staan de uitkeringen en de sociale zekerheid, die inkomen toevoegen aan wie weinig of geen marktinkomen heeft. Daarbij maak je onderscheid tussen sociale verzekeringen en sociale voorzieningen. Sociale verzekeringen worden betaald uit premies en geven recht op een uitkering bij een verzekerd risico: de WW bij werkloosheid, de WIA bij arbeidsongeschiktheid en de AOW bij het bereiken van de pensioenleeftijd. Sociale voorzieningen, zoals de bijstand, worden juist uit de algemene belastingmiddelen betaald en vormen een vangnet op minimumniveau voor wie geen ander inkomen heeft. Beide tillen de laagste inkomens op en maken zo, net als de belastingen, de secundaire verdeling gelijker dan de primaire.
Een derde instrument zijn de toeslagen: inkomensafhankelijke tegemoetkomingen die gericht lage inkomens ondersteunen bij specifieke uitgaven. De bekendste zijn de huurtoeslag en de zorgtoeslag, die de woon- en zorgkosten draaglijk houden voor huishoudens met een klein inkomen. Omdat de toeslag afneemt naarmate je meer verdient en bij hogere inkomens helemaal verdwijnt, komt het voordeel vooral bij de onderkant terecht en werkt ook dit instrument nivellerend. De tabel hiernaast zet de drie instrumenten — progressieve belasting, uitkeringen en toeslagen — naast elkaar met hun werking en hun effect; merk op dat ze alle drie dezelfde kant op duwen: kleinere inkomensverschillen.
Wat doet die herverdeling met de Lorenzcurve uit het vorige onderdeel? Het primaire inkomen is sterk ongelijk verdeeld — denk aan werklozen en gepensioneerden met weinig marktinkomen tegenover goedverdieners mét vermogen — zodat de Lorenzcurve van het primaire inkomen ver doorbolt en de bijbehorende Ginicoëfficiënt hoog is. Door met de progressieve belasting de top af te romen en met uitkeringen en toeslagen de onderkant op te tillen, wordt het secundaire inkomen gelijker verdeeld. De Lorenzcurve van het secundaire inkomen schuift daardoor naar de diagonaal toe en de Ginicoëfficiënt daalt. Het verschil tussen beide curves — de afstand die de curve opschuift — laat precies zien hoeveel de overheid heeft genivelleerd.
Als nivelleren zo eenvoudig de ongelijkheid verkleint, waarom maakt de overheid de verdeling dan niet volledig gelijk? Omdat er een afruil bestaat tussen gelijkheid en doelmatigheid. Hoge belastingtarieven en ruime uitkeringen kunnen de prikkels in de economie verzwakken: als je van elke extra verdiende euro een groot deel afdraagt of een toeslag verliest, loont het minder om (meer) te werken, te studeren, te ondernemen of te investeren. Een bijzonder geval is de armoedeval: het verschil tussen een uitkering en een laagbetaalde baan is dan zo klein dat werken nauwelijks meer oplevert. Bovendien lekt de 'emmer' waarmee je inkomen van rijk naar arm overhevelt: aan uitvoering, controle en ontwijking gaat onderweg een deel verloren. Sterke nivellering kan zo de totale welvaart — de omvang van de koek — verkleinen, en daarom zoekt beleid steeds een balans. In een afruilvraag moet je dan ook altijd béíde kanten benoemen: de winst aan gelijkheid én het mogelijke verlies aan doelmatigheid.
Gsecundair<GprimairG_{\text{secundair}} < G_{\text{primair}}Gsecundair​<Gprimair​

herverdeling verlaagt de Gini

Doordat de overheid met progressieve belastingen de top afroomt en met uitkeringen en toeslagen de onderkant optilt, is het secundaire inkomen gelijker verdeeld dan het primaire. De Lorenzcurve schuift naar de diagonaal en de Ginicoëfficiënt van het secundaire inkomen is daardoor lager dan die van het primaire inkomen.

marginaal tarief=extra belastingextra inkomen×100%\text{marginaal tarief} = \frac{\text{extra belasting}}{\text{extra inkomen}} \times 100\%marginaal tarief=extra inkomenextra belasting​×100%

marginaal tarief en de prikkel om te werken

Het marginale tarief is het deel van een extra verdiende euro dat als belasting wordt afgedragen. Een hoog marginaal tarief — eventueel nog versterkt door het wegvallen van toeslagen — verkleint de prikkel om meer te werken en kan de armoedeval veroorzaken; dat is de kern van de afruil tussen gelijkheid en doelmatigheid.

Uitgewerkt voorbeeld

Waarom het secundaire inkomen gelijker is verdeeld

Leg uit waarom de Lorenzcurve van het secundaire inkomen dichter bij de lijn van volledige gelijkheid ligt dan die van het primaire inkomen, en bespreek welke afruil de overheid maakt als zij nóg sterker zou nivelleren.

  1. 01Stap 1 — De primaire verdeling is scheef

    Het primaire inkomen komt rechtstreeks uit de markt: uit arbeid en uit bezit. Mensen zonder baan of vermogen — werklozen, veel gepensioneerden — hebben weinig of geen primair inkomen, terwijl goedverdieners met spaargeld en aandelen veel binnenhalen. De Lorenzcurve van het primaire inkomen bolt daardoor sterk door en de Gini is hoog.

  2. 02Stap 2 — De overheid roomt de top af

    Met de progressieve belasting draagt de top een groter percentage af dan de onderkant. Dat haalt verhoudingsgewijs meer inkomen weg bij de hoge inkomens dan bij de lage.

  3. 03Stap 3 — De overheid tilt de onderkant op

    Met uitkeringen (WW, AOW, bijstand) en toeslagen (huur- en zorgtoeslag) krijgen juist de laagste inkomens er inkomen bij. Samen met stap 2 maakt dit het secundaire inkomen gelijker verdeeld, zodat de Lorenzcurve naar de diagonaal schuift en de Gini daalt.

  4. 04Stap 4 — De afruil bij sterkere nivellering

    Zou de overheid nóg sterker nivelleren, dan komt de doelmatigheid in het gedrang. Hoge marginale tarieven en het verlies van toeslagen verkleinen de prikkel om te werken, te studeren en te ondernemen (de armoedeval), en door de 'lekkende emmer' bereikt niet alles wat bij de top wordt weggehaald de onderkant. Meer gelijkheid kan zo ten koste gaan van de totale welvaart.

Resultaat: Omdat de overheid via progressieve belastingen de hoogste inkomens afroomt en via uitkeringen en toeslagen de laagste inkomens optilt, is het secundaire inkomen gelijker verdeeld dan het primaire: de Lorenzcurve schuift naar de diagonaal en de Ginicoëfficiënt daalt. Verder nivelleren botst echter op de afruil met doelmatigheid — zwakkere prikkels en een lekkende emmer — zodat volledige gelijkheid geen doel op zich is.

Eindexamen-focus

  • Je moet kunnen uitleggen hoe progressieve belastingen, uitkeringen en toeslagen het primaire inkomen omzetten in een gelijker secundair inkomen, en wat dat doet met de Lorenzcurve (schuift naar de diagonaal) en de Ginicoëfficiënt (daalt).
  • Het examen verwacht dat je de afruil tussen gelijkheid en doelmatigheid kunt beredeneren — met begrippen als de prikkel om te werken, de armoedeval en de 'lekkende emmer' — en dat je in zo'n vraag zowel het voordeel als het nadeel van sterke nivellering benoemt.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat een progressieve belasting alleen betekent dat hoge inkomens méér euro's betalen. Progressie betekent dat het gemiddelde tarief — het percentage — stijgt met het inkomen; pas dát maakt de belasting nivellerend.
  • In een afruilvraag maar één kant noemen. Wie alleen de grotere gelijkheid óf alleen het verlies aan prikkels benoemt, mist de helft; de kern is juist de spanning tussen die twee.
  • Beweren dat herverdeling de Lorenzcurve van de diagonaal áf laat bewegen. Nivellerende herverdeling schuift de curve juist naar de diagonaal toe en verlaagt de Gini.

Actieve herhaling

De overheid verhoogt het tarief van de hoogste belastingschijf en verhoogt tegelijk de zorgtoeslag voor lage inkomens. Leg uit wat er met de Lorenzcurve en de Ginicoëfficiënt van het secundaire inkomen gebeurt, en bespreek welk nadeel deze sterkere nivellering volgens de afruil tussen gelijkheid en doelmatigheid kan hebben.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01Inkomensverdeling en ongelijkheid○
    • 02Lorenzcurve en Ginicoëfficiënt◐
    • 03Herverdeling door de overheid◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Ongelijkheid en herverdeling

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~22
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma economie (HAVO)

Vorig onderwerp

Welvaart, economische groei en de kringloop

Volgend onderwerp

Conjunctuur, overheid en centrale bank

EuraStudy·Samenvattingen T·14·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.