EuraStudy
Samenvattingen/Economie/Conjunctuur, overheid en centrale bank
Samenvattingen · EconomieNL · HAVO

Conjunctuur, overheid en centrale bank

Dit onderwerp gaat over de korte termijn van de economie: hoe de productie, de werkgelegenheid en de prijzen in golven op en neer bewegen, en hoe de overheid en de centrale bank die golven proberen bij te sturen. Je leert de conjunctuurgolf rond de trend lezen, het begrotingsbeleid van de overheid analyseren (saldo, staatsschuld, automatische stabilisatoren en anticyclisch beleid) en begrijpen hoe de centrale bank met de rente de bestedingen en de inflatie beïnvloedt. Steeds staat de vraag centraal hoe vraag en aanbod op macroniveau samen het beeld van hoog- en laagconjunctuur bepalen.

3 Onderdelen·~23 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2

T·151515 / 15
Examenprofiel
De conjunctuurgolf herkennen en het verschil tussen conjuncturele groei (korte termijn, vraagkant) en structurele of trendmatige groei (lange termijn, aanbodkant) uitleggen.Het begrotingssaldo berekenen, het onderscheiden van de staatsschuld, en de werking van automatische stabilisatoren en anticyclisch begrotingsbeleid beredeneren.Inflatie definiëren en meten met de consumentenprijsindex, en vraaginflatie van kosteninflatie onderscheiden.De rol van de centrale bank en de transmissie van monetair beleid (rente, lenen, bestedingen, productie en inflatie) stap voor stap uitleggen.
Operatoren:leg uitverklaarberedeneerberekeninterpreteer

basisniveau

Zorg dat je de fasen van de conjunctuurgolf kunt benoemen (hoogconjunctuur, top, recessie, dal, herstel), het begrotingssaldo kunt berekenen als inkomsten min uitgaven, en in één zin kunt uitleggen wat er gebeurt als de centrale bank de rente verlaagt of verhoogt.

verhoogd niveau

Redeneer in onbekende contexten hoe schommelende bestedingen de conjunctuur aandrijven, hoe automatische stabilisatoren en anticyclisch beleid de golf dempen, en hoe de centrale bank via de rente de inflatie rond de prijsstabiliteit houdt — en weeg daarbij telkens de spanning tussen meer groei en meer inflatie af.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 3 onderdelen▾
  1. Conjunctuur, overheid en centrale bank
    • 01De conjunctuur○
    • 02Begrotingsbeleid van de overheid◐
    • 03Geld, inflatie en de centrale bank◐
§ 01

De conjunctuur#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Conjunctuurgolf rond de trend

Conjunctuurgolf rond de trendSchaubild von trend, y-Achsenabschnitt bei y = 100, steigend, im Bereich x von 0 bis 12, Schaubild von feitelijk BBP, Hochpunkt bei (1.955, 113.282), Tiefpunkt bei (4.328, 105.568), Hochpunkt bei (8.238, 132.131), Tiefpunkt bei (10.611, 124.417), y-Achsenabschnitt bei y = 100, im Bereich x von 0 bis 12246810128090100110120130140150trendfeitelijk BBPBBP-indextijd t
Afb. 1De stippellijn is de trend (de structurele, langetermijngroei); de golvende lijn is het feitelijke BBP dat daar in de conjunctuurgolf omheen schommelt. Ligt het feitelijke BBP boven de trend, dan is er hoogconjunctuur; eronder is er laagconjunctuur. De getoonde waarden zijn illustratief.

Kernpunten

Een economie groeit niet in een nette rechte lijn omhoog: de productie versnelt in goede jaren en valt terug in slechte jaren. Die op-en-neergaande beweging heet de conjunctuur, en je vat haar samen met de conjunctuurgolf. De kern is een vergelijking van twee dingen. De feitelijke productie is wat de economie in een bepaald jaar werkelijk voortbrengt, gemeten met het bruto binnenlands product (het BBP): de totale waarde van alle goederen en diensten die in een land in een jaar worden geproduceerd. De trend (de trendmatige of structurele groei) is de gemiddelde, langjarige lijn waar die productie omheen beweegt — wat de economie 'normaal gesproken' aankan. De conjunctuurgolf is dan precies de schommeling van de feitelijke productie rónd die trend: de feitelijke productie ligt nu eens boven en dan weer onder de trendlijn. In de figuur hiernaast zie je dat meteen terug: de stippellijn is de trend, de golvende lijn het feitelijke BBP dat eromheen slingert.
Eén volledige golf doorloopt steeds dezelfde fasen, en het loont die namen scherp te hebben. In een periode van hoogconjunctuur ligt de feitelijke productie bóven de trend en groeit de economie hard; dit zet door tot de top (het hoogtepunt), waar de groei zijn maximum bereikt en begint om te slaan. Daarna volgt een fase van afkoeling: zakt de groei door tot er sprake is van krimp gedurende twee opeenvolgende kwartalen, dan spreken we officieel van een recessie. In een laagconjunctuur ligt de feitelijke productie ónder de trend; het laagste punt heet het dal (het keerpunt naar boven). Vanuit het dal begint het herstel, waarin de groei weer aantrekt en de economie naar een nieuwe hoogconjunctuur klimt — en de golf opnieuw begint. Let op dat 'krimp' negatieve groei betekent ten opzichte van het vorige kwartaal; de economie wordt dan even kleiner, maar het BBP blijft natuurlijk ruim boven nul.
Waar komen die golven vandaan? De belangrijkste motor zit aan de vraagkant: de bestedingen schommelen. De totale bestedingen in een economie bestaan uit de consumptie door gezinnen, de investeringen door bedrijven (in machines, gebouwen, voorraden) en de export naar het buitenland. Juist die posten bewegen sterk met het vertrouwen en de verwachtingen. Verwachten consumenten goede tijden, dan kopen ze meer en stellen ze grote aankopen niet uit; verwachten bedrijven groei, dan investeren ze volop. Die extra vraag laat bedrijven méér produceren en mensen aannemen, wat weer inkomen en nóg meer bestedingen oplevert — een zichzelf versterkende opwaartse beweging. Slaat het vertrouwen om, dan werkt hetzelfde mechanisme de andere kant op: gezinnen stellen aankopen uit, bedrijven schrappen investeringen, en de bestedingen — en daarmee de productie — zakken in. Zo jagen schommelende bestedingen de conjunctuurgolf aan.
Het is essentieel om conjuncturele groei en structurele (trendmatige) groei goed uit elkaar te houden, want ze spelen op verschillende termijnen en hebben verschillende oorzaken. Conjuncturele groei is een kortetermijnverschijnsel en wordt bepaald door de vraagkant: het is de beweging rond de trend, aangedreven door schommelende bestedingen. Structurele groei is een langetermijnverschijnsel en wordt bepaald door de aanbodkant, oftewel door de groei van de productiecapaciteit — hoeveel een land maximaal kán produceren. Die capaciteit hangt af van de hoeveelheid arbeid (de beroepsbevolking), de hoeveelheid kapitaal (machines, infrastructuur) en vooral de productiviteit, die stijgt door betere technologie, scholing en organisatie. De trendlijn in de figuur is dus de structurele groei; de golf eromheen is de conjunctuur. Een land kan op lange termijn een prachtige structurele groei hebben en tóch jaren van laagconjunctuur kennen, en omgekeerd.
Tot slot bewegen twee grootheden trouw met de golf mee, en dat verband moet je kunnen uitleggen. In een hoogconjunctuur draaien bedrijven op volle toeren en nemen ze veel mensen aan, zodat de werkloosheid laag is; maar de arbeidsmarkt raakt krap en de vraag overtreft wat de economie aankan, waardoor de lonen en prijzen oplopen en de inflatie toeneemt. Men spreekt dan van overbesteding of zelfs 'oververhitting'. In een laagconjunctuur gebeurt het omgekeerde: de vraag valt weg (onderbesteding), bedrijven verkopen minder en ontslaan personeel of nemen niemand aan, zodat de werkloosheid oploopt — de zogeheten conjuncturele werkloosheid — terwijl de inflatie juist laag blijft of zelfs in deflatie omslaat. In de figuur betekent 'feitelijk boven de trend' dus lage werkloosheid en oplopende inflatie, en 'feitelijk onder de trend' hoge werkloosheid en lage inflatie. Daarmee verbindt deze paragraaf de golf met de twee thema's die in de rest van dit onderwerp centraal staan: het overheidsbeleid en het beleid van de centrale bank, die beide proberen deze schommelingen te dempen.
Uitgewerkt voorbeeld

Hoog- en laagconjunctuur aflezen uit de figuur

Bekijk de conjunctuurgolf in de figuur. De stippellijn is de trend (de structurele groei), de doorgetrokken lijn het feitelijke BBP. Leg uit hoe je aan de figuur ziet of de economie in hoogconjunctuur of in laagconjunctuur verkeert, en beschrijf in beide gevallen wat dat betekent voor de werkloosheid en de inflatie.

  1. 01Stap 1 — Vergelijk het feitelijke BBP met de trend

    De trend (stippellijn) geeft aan wat de economie structureel, gemiddeld over de jaren, zou produceren. Het feitelijke BBP (de golvende lijn) beweegt daar in een golf omheen. De conjunctuur lees je af door op elk moment de doorgetrokken lijn met de stippellijn te vergelijken: ligt de feitelijke productie erboven of eronder?

  2. 02Stap 2 — Hoogconjunctuur: feitelijk BBP boven de trend

    Waar de doorgetrokken lijn bóven de stippellijn ligt, is de feitelijke productie groter dan de trend en is er hoogconjunctuur. De bestedingen zijn hoog (overbesteding), bedrijven draaien op volle capaciteit en nemen veel mensen aan, zodat de werkloosheid laag is. Door de krappe arbeidsmarkt en de hoge vraag lopen de lonen en prijzen op: de inflatie stijgt.

  3. 03Stap 3 — Laagconjunctuur: feitelijk BBP onder de trend

    Waar de doorgetrokken lijn ónder de stippellijn ligt, is de feitelijke productie kleiner dan de trend en is er laagconjunctuur. De bestedingen vallen terug (onderbesteding), bedrijven verkopen minder en ontslaan personeel of nemen niemand aan, zodat de (conjuncturele) werkloosheid oploopt. De inflatie blijft dan juist laag of daalt.

Resultaat: In de figuur wisselen hoog- en laagconjunctuur elkaar af rond de trend. Boven de trend (hoogconjunctuur) horen lage werkloosheid en oplopende inflatie; onder de trend (laagconjunctuur) horen hoge werkloosheid en lage inflatie. Het gaat om dit patroon van de golf rond de trend; de getoonde getallen zijn illustratief.

Eindexamen-focus

  • Je moet uit een beschrijving of een figuur kunnen aflezen in welke conjunctuurfase de economie zit: ligt de feitelijke productie boven de trend, dan is er hoogconjunctuur; eronder is er laagconjunctuur. Benoem daarbij de bijbehorende werkloosheid (laag bij hoogconjunctuur, hoog bij laagconjunctuur) en inflatie (oplopend bij hoogconjunctuur, laag bij laagconjunctuur).
  • Het examen toetst het onderscheid tussen conjuncturele groei (korte termijn, vraagkant, schommeling rond de trend) en structurele groei (lange termijn, aanbodkant, groei van de productiecapaciteit). Kun je in een context uitleggen waardoor de bestedingen — en dus de conjunctuur — op of neer gaan?

Veelgemaakte fouten

  • Conjuncturele en structurele groei door elkaar halen. De trend is de structurele, langetermijngroei van de productiecapaciteit (aanbodkant); de conjunctuur is de kortetermijnschommeling daaromheen door wisselende bestedingen (vraagkant).
  • Denken dat een recessie betekent dat het BBP negatief of kleiner dan ooit is. Een recessie is twee opeenvolgende kwartalen van krimp (negatieve groei ten opzichte van het vorige kwartaal); de productie wordt dan tijdelijk kleiner, maar blijft ruim positief.
  • Aannemen dat hoogconjunctuur alleen maar gunstig is. Een te sterke hoogconjunctuur leidt tot oververhitting: de arbeidsmarkt wordt krap en de inflatie loopt op.

Actieve herhaling

In een land daalt het consumentenvertrouwen sterk; gezinnen stellen grote aankopen uit en bedrijven schrappen investeringen. Leg uit waardoor de economie hierdoor in een laagconjunctuur terechtkomt, beschrijf wat er met de feitelijke productie ten opzichte van de trend gebeurt, en geef beredeneerd aan wat dit betekent voor de werkloosheid en de inflatie.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Begrotingsbeleid van de overheid#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Kernpunten

De overheid speelt een grote rol in de economie, en haar financiële plan voor een jaar heet de overheidsbegroting. Die begroting heeft twee kanten. Aan de inkomstenkant staan vooral de belastingen en premies: de inkomstenbelasting die mensen over hun loon betalen, de btw op wat we kopen, de vennootschapsbelasting over de winst van bedrijven en de premies voor de sociale zekerheid. Aan de uitgavenkant staat alles waaraan de overheid haar geld besteedt: onderwijs, zorg, infrastructuur (wegen, dijken), defensie, het ambtenarenapparaat, de sociale uitkeringen en de rente die ze over haar schulden moet betalen. De begroting is dus een raming vooraf van wat er binnenkomt en wat eruit gaat. Of de overheid 'rondkomt', lees je af aan het saldo van die twee — het onderwerp van de volgende alinea.
Het begrotingssaldo is het verschil tussen de inkomsten en de uitgaven van de overheid in een jaar: saldo is inkomsten min uitgaven. Zijn de inkomsten groter dan de uitgaven, dan is het saldo positief en is er een begrotingsoverschot. Zijn de uitgaven groter dan de inkomsten, dan is het saldo negatief en is er een begrotingstekort. Een klein voorbeeld: int de overheid 290 miljard euro en geeft ze 320 miljard euro uit, dan is het saldo 290−320=−30290 - 320 = -30290−320=−30 miljard — een tekort van 30 miljard. Het begrotingssaldo is een stroomgrootheid: het hoort bij één bepaald jaar, net als het inkomen dat jij in een jaar verdient. Dat onderscheid — een grootheid per jaar — is belangrijk voor het verschil met de staatsschuld.
De staatsschuld is namelijk iets heel anders: het is het totale bedrag dat de overheid op een bepaald moment nog moet terugbetalen aan haar geldschieters. Waar het saldo een stroom per jaar is, is de staatsschuld een voorraad: een opgeteld bedrag op een peilmoment, te vergelijken met het totale bedrag dat jij nog op je studielening hebt openstaan. Het verband tussen beide is precies de sleutel van deze paragraaf. Elk jaar met een tekort moet de overheid dat tekort bíj lenen — meestal door staatsobligaties uit te geven — en dus wordt de staatsschuld dat jaar groter; elk jaar met een overschot kan ze juist schuld aflossen, zodat de schuld kleiner wordt. De staatsschuld is daarmee de optelsom van alle tekorten uit het verleden, verminderd met de overschotten. Over die schuld betaalt de overheid bovendien rente, wat op zijn beurt weer een uitgave op de begroting is.
Een mooie eigenschap van de begroting is dat ze de conjunctuur uit zichzelf al een beetje dempt, via de zogeheten automatische stabilisatoren. Het woord 'automatisch' is hier letterlijk: er is geen nieuw besluit van de politiek voor nodig. Komt de economie in een recessie, dan dalen de belastinginkomsten vanzelf — mensen verdienen minder, bedrijven maken minder winst en er wordt minder gekocht, dus stroomt er minder belasting binnen — terwijl de uitgaven vanzelf stijgen, doordat meer mensen werkloos worden en een uitkering ontvangen. Die combinatie laat het begrotingstekort oplopen, maar precies dat extra overheidsgeld in handen van burgers houdt de bestedingen op peil en dempt zo de neergang. In een hoogconjunctuur werkt het mechanisme andersom: de belastinginkomsten stijgen vanzelf en de uitkeringen dalen, wat de oververhitting afremt. De automatische stabilisatoren vlakken de conjunctuurgolf dus af zonder dat iemand aan de knoppen hoeft te draaien.
Wil de overheid bewust méér doen dan dat, dan voert ze anticyclisch begrotingsbeleid — een idee dat teruggaat op de econoom Keynes. Anticyclisch betekent: tegen de conjunctuur in sturen. In een recessie stimuleert de overheid de economie bewust door meer uit te geven of de belastingen te verlagen, wat de bestedingen aanjaagt maar het tekort en de schuld vergroot; in een hoogconjunctuur remt ze juist af door te bezuinigen of de belastingen te verhogen, wat een overschot oplevert waarmee schuld kan worden afgelost. Het tegenovergestelde, procyclisch beleid (meebewegen met de golf, bijvoorbeeld bezuinigen in een recessie), versterkt de schommelingen juist en geldt als ongewenst. Tegenover de wens om anticyclisch te stimuleren staan begrotingsregels die het tekort en de schuld aan banden leggen — denk aan de Europese afspraken die de lidstaten maken. Daar zit de afweging: stimuleren helpt de economie op korte termijn, maar een te grote schuld kost veel rente en beperkt de ruimte om in de toekomst nog te kunnen ingrijpen. Het begrotingsbeleid is zo het eerste grote instrument waarmee de overheid de conjunctuur probeert te sturen; het tweede, het rentebeleid van de centrale bank, komt in de volgende paragraaf aan bod.
begrotingssaldo=inkomsten−uitgaven\text{begrotingssaldo} = \text{inkomsten} - \text{uitgaven}begrotingssaldo=inkomsten−uitgaven

begrotingssaldo

Het begrotingssaldo over een jaar is het verschil tussen de overheidsinkomsten (vooral belastingen en premies) en de overheidsuitgaven. Een positief saldo is een overschot, een negatief saldo een tekort.

staatsschuldnieuw=staatsschuldoud+begrotingstekort\text{staatsschuld}_{\text{nieuw}} = \text{staatsschuld}_{\text{oud}} + \text{begrotingstekort}staatsschuldnieuw​=staatsschuldoud​+begrotingstekort

tekort vergroot de staatsschuld

De staatsschuld aan het eind van een jaar is de schuld van het begin van het jaar plus het tekort van dat jaar (bij een overschot trek je dat overschot juist af). Zo is de staatsschuld de optelsom van alle tekorten min de overschotten uit het verleden.

Uitgewerkt voorbeeld

Het begrotingssaldo berekenen en de staatsschuld

Een overheid heeft in een jaar 290 miljard euro aan inkomsten (vooral belastingen) en 320 miljard euro aan uitgaven. Bereken het begrotingssaldo, geef aan of het een overschot of een tekort is, en leg uit wat dit met de staatsschuld doet. Leg ten slotte uit wat automatische stabilisatoren in een recessie doen.

  1. 01Stap 1 — Bereken het begrotingssaldo

    Het begrotingssaldo is de inkomsten min de uitgaven in dat jaar. Vul de bedragen (in miljarden euro) in.

    saldo=inkomsten−uitgaven=290−320=−30\text{saldo} = \text{inkomsten} - \text{uitgaven} = 290 - 320 = -30saldo=inkomsten−uitgaven=290−320=−30
  2. 02Stap 2 — Overschot of tekort?

    Het saldo is negatief: de overheid geeft 30 miljard euro méér uit dan ze binnenkrijgt. Dat is dus geen overschot maar een begrotingstekort van 30 miljard euro.

  3. 03Stap 3 — Het gevolg voor de staatsschuld

    Dat tekort van 30 miljard moet de overheid bíj lenen, bijvoorbeeld door staatsobligaties uit te geven. Daardoor groeit de staatsschuld dit jaar met 30 miljard. De staatsschuld is immers de optelsom van alle tekorten uit het verleden: elk tekort maakt hem groter, elk overschot kleiner.

    staatsschuldnieuw=staatsschuldoud+30\text{staatsschuld}_{\text{nieuw}} = \text{staatsschuld}_{\text{oud}} + 30staatsschuldnieuw​=staatsschuldoud​+30
  4. 04Stap 4 — Automatische stabilisatoren in een recessie

    Komt de economie in een recessie, dan dalen de belastinginkomsten vanzelf (lagere inkomens en winsten, minder bestedingen) en stijgen de uitgaven vanzelf (meer werkloosheidsuitkeringen). Het tekort loopt daardoor op, maar precies die extra overheidsbestedingen en lagere belastingen houden de totale bestedingen op peil en dempen zo de neergang — zonder dat de politiek een nieuw besluit hoeft te nemen.

Resultaat: Het begrotingssaldo is 290−320=−30290 - 320 = -30290−320=−30 miljard euro: een tekort van 30 miljard, dat de staatsschuld met 30 miljard vergroot. Automatische stabilisatoren laten het tekort in een recessie vanzelf oplopen en dempen daarmee de conjuncturele klap; in een hoogconjunctuur werken ze omgekeerd en remmen ze de economie af.

Eindexamen-focus

  • Je moet het begrotingssaldo kunnen berekenen als inkomsten min uitgaven en het correct benoemen als overschot (positief) of tekort (negatief), en daarna uitleggen hoe een tekort de staatsschuld vergroot en een overschot hem verkleint.
  • Het examen vraagt vaak om de werking van automatische stabilisatoren of van anticyclisch beleid in een gegeven conjunctuurfase te beredeneren: wat gebeurt er met belastinginkomsten, uitkeringen, het saldo en de bestedingen in een recessie of een hoogconjunctuur?

Veelgemaakte fouten

  • Het begrotingssaldo en de staatsschuld verwarren. Het saldo is een stroomgrootheid per jaar (inkomsten min uitgaven); de staatsschuld is een voorraad, de opgetelde som van alle tekorten en overschotten uit het verleden.
  • De richting van het verband fout leggen. Een begrotingstekort vergróót de staatsschuld (er moet bij geleend worden); een overschot verkleint hem juist. Een tekort doet de schuld niet dalen.
  • Automatische stabilisatoren verwarren met bewust (anticyclisch) beleid. Stabilisatoren werken vanzelf, zonder nieuw politiek besluit; anticyclisch beleid is een bewuste keuze om extra te stimuleren of af te remmen.

Actieve herhaling

Een land glijdt in een recessie. Leg uit wat er zonder nieuw beleid vanzelf met de belastinginkomsten, de werkloosheidsuitgaven en het begrotingssaldo gebeurt (de automatische stabilisatoren), en waarom dit de neergang dempt. Leg daarna uit welke extra stap een overheid zou zetten als ze anticyclisch begrotingsbeleid wil voeren, en wat dat voor de staatsschuld betekent.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Geld, inflatie en de centrale bank#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

De transmissie van het rentebeleid

Monetair beleid (transmissie)Graaf, Centrale bank → Rente omlaag, Rente omlaag → Meer lenen, Meer lenen → Bestedingen +, Bestedingen + → BBP + / inflatie +Centrale bankRente omlaagMeer lenenBestedingen +BBP + /inflatie+
Afb. 2De transmissieketen van een renteverlaging: de centrale bank verlaagt de rente, waardoor er meer geleend wordt, de bestedingen stijgen en uiteindelijk de productie (BBP) en mogelijk de inflatie toenemen. Bij een renteverhoging loopt de keten precies andersom.

Kernpunten

Inflatie is een aanhoudende stijging van het algemene prijspeil: niet de prijs van één product, maar het gemiddelde prijsniveau van alle goederen en diensten samen die loopt op. Om dat gemiddelde te meten gebruikt men de consumentenprijsindex (de CPI). Daarvoor stelt het statistiekbureau een vast 'mandje' samen van de producten die een doorsnee huishouden koopt — boodschappen, huur, energie, vervoer, kleding — en volgt het de totale prijs van dat mandje in de tijd, uitgedrukt in een indexcijfer. Het inflatiepercentage is dan de procentuele stijging van de CPI ten opzichte van een jaar eerder. Stijgt de CPI met bijvoorbeeld 3 procent, dan is de inflatie 3 procent en kun je voor hetzelfde geld minder kopen: de koopkracht daalt. Het omgekeerde, een aanhoudende daling van het algemene prijspeil, heet deflatie.
Inflatie kan twee verschillende oorzaken hebben, en je moet ze kunnen onderscheiden. De eerste is vraaginflatie: de prijzen stijgen doordat de totale bestedingen te groot zijn voor wat de economie kan produceren. De vraag overtreft dan het aanbod, en bij schaarste worden de prijzen opgedreven. Dit is het type inflatie dat hoort bij de hoogconjunctuur uit de eerste paragraaf: bij overbesteding en een economie die tegen haar capaciteitsgrens aanloopt, jaagt de extra vraag de prijzen omhoog. Denk aan een drukke woningmarkt waar veel kopers op weinig huizen bieden, zodat de prijzen oplopen. Vraaginflatie komt dus van de vraagkant en is nauw verbonden met de stand van de conjunctuur.
De tweede oorzaak is kosteninflatie: de prijzen stijgen doordat de productiekosten van bedrijven omhoog gaan en die hogere kosten worden doorberekend in de verkoopprijzen. Die kosten kunnen stijgen door duurdere grondstoffen of energie (een hogere olieprijs werkt door in vrijwel alles wat vervoerd of verwarmd wordt), door hogere lonen, of door hogere belastingen op productie. Het kenmerkende van kosteninflatie is dat ze ook kan optreden als de vraag níét hoog is: zelfs in een matige economie kan een plotselinge prijssprong van olie of gas de inflatie opjagen. Het onderscheid is belangrijk omdat de oorzaak bepaalt hoe gemakkelijk de inflatie te bestrijden is — vraaginflatie kun je afremmen door de bestedingen te temperen, terwijl kosteninflatie van buitenaf (zoals een energieprijsschok) veel lastiger met beleid is te keren.
Tegen te hoge of te grillige inflatie waakt de centrale bank. In de eurozone is dat de Europese Centrale Bank (de ECB), die het monetaire beleid voor alle eurolanden voert. Haar hoofddoel is prijsstabiliteit: een lage en stabiele inflatie, waarbij de ECB streeft naar een inflatie van rond de 2 procent op middellange termijn. Prijsstabiliteit is waardevol omdat hoge of onvoorspelbare inflatie het sparen, lenen en investeren ontwricht en de koopkracht uitholt, terwijl deflatie de economie juist kan laten vastlopen. Belangrijk is dat de centrale bank onafhankelijk is van de politiek: ze is iets anders dan de overheid uit de vorige paragraaf. Het begrotingsbeleid (belastingen en uitgaven) is van de overheid; het monetaire beleid (de rente en de geldhoeveelheid) is van de centrale bank. Houd die twee instrumenten dus goed uit elkaar.
De centrale bank stuurt de economie vooral via de rente, en het is leerzaam om de transmissie — de keten waarlangs een renteverandering doorwerkt — stap voor stap te volgen, zoals in de figuur hiernaast. Bij verruimend (expansief) beleid verlaagt de bank de rente: lenen wordt goedkoper en sparen levert minder op, dus sluiten huishoudens en bedrijven méér kredieten af. Met dat geleende geld stijgen de consumptie en de investeringen — de bestedingen nemen toe — waardoor bedrijven meer produceren, meer mensen aannemen en het BBP groeit; loopt de economie daarbij tegen haar capaciteit aan, dan loopt ook de inflatie op. Bij verkrappend (restrictief) beleid doet de bank precies het omgekeerde: ze verhoogt de rente, waardoor lenen duurder wordt, de bestedingen afnemen en de inflatie afkoelt. Hierin zit de centrale afweging van het monetaire beleid: een lagere rente stimuleert de groei maar riskeert meer inflatie, terwijl een hogere rente de inflatie beteugelt maar de groei afremt. Zo vormen het begrotingsbeleid van de overheid en het rentebeleid van de centrale bank samen het gereedschap waarmee de conjunctuurgolf uit de eerste paragraaf wordt bijgestuurd.
inflatie=CPInieuw−CPIoudCPIoud×100%\text{inflatie} = \dfrac{\text{CPI}_{\text{nieuw}} - \text{CPI}_{\text{oud}}}{\text{CPI}_{\text{oud}}} \times 100\%inflatie=CPIoud​CPInieuw​−CPIoud​​×100%

inflatiepercentage uit de CPI

Het inflatiepercentage is de procentuele stijging van de consumentenprijsindex (CPI) ten opzichte van een jaar eerder: het nieuwe indexcijfer min het oude, gedeeld door het oude, maal honderd procent.

Uitgewerkt voorbeeld

De centrale bank verlaagt de rente

De inflatie is laag en de economie groeit nauwelijks. De centrale bank besluit de rente te verlagen. Beschrijf stap voor stap, volgens de transmissieketen in de figuur, hoe deze renteverlaging via meer lenen en meer bestedingen tot meer productie en mogelijk meer inflatie leidt. Leg ten slotte uit wanneer de bank juist de rente zou verhogen.

  1. 01Stap 1 — De centrale bank verlaagt de rente

    De centrale bank zet de rente omlaag. Daardoor wordt het voor huishoudens en bedrijven goedkoper om geld te lenen, terwijl sparen minder oplevert. Dit is de eerste schakel van de transmissieketen.

  2. 02Stap 2 — Meer lenen

    Omdat lenen goedkoper is geworden, sluiten huishoudens en bedrijven méér kredieten af. Een gezin neemt eerder een hypotheek of een lening voor een auto; een bedrijf leent om een nieuwe machine of een uitbreiding te financieren.

  3. 03Stap 3 — Meer bestedingen

    Met dat geleende geld — en doordat sparen minder aantrekkelijk is — stijgen de consumptie en de investeringen, samen de bestedingen. Mensen en bedrijven geven dus relatief meer uit dan ze oppotten.

  4. 04Stap 4 — Meer productie en mogelijk meer inflatie

    De hogere bestedingen betekenen meer vraag naar goederen en diensten. Bedrijven gaan meer produceren en nemen mensen aan: het BBP groeit en de werkloosheid daalt. Loopt de economie daarbij tegen de grens van haar capaciteit aan, dan drijft de extra vraag de prijzen op en neemt de inflatie toe.

Resultaat: Een renteverlaging werkt via de keten rente omlaag, meer lenen, meer bestedingen, meer productie en mogelijk meer inflatie; ze is bedoeld om een trage economie te stimuleren. Dreigt de inflatie juist te hoog op te lopen, dan doet de bank het omgekeerde: ze verhóógt de rente, waardoor lenen duurder wordt, de bestedingen afnemen en de inflatie weer richting de prijsstabiliteit (rond de 2 procent) zakt.

Eindexamen-focus

  • Je moet inflatie kunnen definiëren als een aanhoudende stijging van het algemene prijspeil, gemeten met de consumentenprijsindex (CPI), en vraaginflatie (te veel bestedingen) van kosteninflatie (hogere grondstof-, energie- of loonkosten) kunnen onderscheiden aan de hand van de oorzaak.
  • Het examen verwacht dat je de transmissie van het rentebeleid stap voor stap beschrijft — rente, lenen, bestedingen, productie en inflatie — en dat je uitlegt wanneer de centrale bank verruimt (rente omlaag om te stimuleren) en wanneer ze verkrapt (rente omhoog om de inflatie te dempen).

Veelgemaakte fouten

  • Inflatie verwarren met een hoog prijspeil of met de prijsstijging van één product. Inflatie is de aanhoudende stijging van het álgemene prijspeil (het hele mandje van de CPI), niet een enkel duur product.
  • De richting van het rentebeleid omdraaien. Een lagere rente stimuleert de bestedingen en kan de inflatie aanjagen; een hogere rente remt de bestedingen en dempt de inflatie. Verruimen is rente omlaag, verkrappen is rente omhoog.
  • De centrale bank gelijkstellen aan de overheid. Het monetaire beleid (rente, geldhoeveelheid) is van de onafhankelijke centrale bank; het begrotingsbeleid (belastingen, uitgaven) is van de overheid. Het zijn twee verschillende instrumenten.

Actieve herhaling

De inflatie in de eurozone loopt op tot ver boven de 2 procent. Leg uit of de centrale bank de rente zou verlagen of verhogen, en beschrijf via de transmissieketen (rente, lenen, bestedingen, productie en inflatie) waarom dat de inflatie afremt. Geef ook aan welk nadeel deze maatregel voor de economische groei kan hebben.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma economie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 03

    • 01De conjunctuur○
    • 02Begrotingsbeleid van de overheid◐
    • 03Geld, inflatie en de centrale bank◐

0/3 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Conjunctuur, overheid en centrale bank

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~23
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma economie (HAVO)

Vorig onderwerp

Ongelijkheid en herverdeling

EuraStudy·Samenvattingen T·15·MMXXVI

Laatste onderwerp van dit vak — terug naar het vakoverzicht.