EuraStudy
Samenvattingen/Biologie/Zelforganisatie van cellen (genexpressie en celdifferentiatie)
Samenvattingen · BiologieNL · HAVO

Zelforganisatie van cellen (genexpressie en celdifferentiatie)

Alle cellen in een organisme hebben hetzelfde DNA, en toch is je lichaam opgebouwd uit honderden verschillende celtypen. Dit onderwerp legt uit hoe dat kan: genregulatie bepaalt welke genen in een cel tot expressie komen, waardoor cellen zich via celdifferentiatie specialiseren en stamcellen voor steeds nieuwe cellen zorgen. Ten slotte organiseren die cellen zich vanzelf tot weefsels, organen en een compleet organisme.

4 Onderdelen·~29 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 3

T·0444 / 20
Examenprofiel
Uitleggen dat alle lichaamscellen hetzelfde DNA bevatten en dat verschillen tussen cellen ontstaan doordat genregulatie bepaalt welke genen tot expressie komen.Celdifferentiatie beschrijven als de ontwikkeling van een ongespecialiseerde naar een gespecialiseerde cel, en het principe 'vorm volgt functie' herkennen en toepassen.Het verschil tussen embryonale (pluripotente) en adulte (multipotente) stamcellen uitleggen, met hun rol bij weefselvernieuwing, hun toepassing in de regeneratieve geneeskunde en een neutrale blik op de ethiek.De organisatieniveaus cel → weefsel → orgaan → orgaanstelsel → organisme ordenen en de zelforganisatie van een veelcellig organisme uitleggen.
Operatoren:leg uitverklaarberedeneerinterpreteernoem

basisniveau

Zorg dat je kunt uitleggen dat alle lichaamscellen hetzelfde DNA hebben maar dat genregulatie bepaalt welke genen aan- of uitstaan, dat je celdifferentiatie (ongespecialiseerd → gespecialiseerd, vorm volgt functie) kunt beschrijven, het verschil tussen embryonale (pluripotent) en adulte (multipotent) stamcellen kent en de organisatieniveaus cel → weefsel → orgaan → orgaanstelsel → organisme op volgorde kunt zetten.

verhoogd niveau

Redeneer in onbekende contexten: leg uit waarom een fout in een regulerend gen veel celtypen tegelijk kan treffen, weeg de ethische kanten van embryonale stamcellen neutraal af (inclusief alternatieven zoals adulte of herprogrammeerde cellen) en verbind genexpressie, celdifferentiatie en stamcellen tot de zelforganisatie van een heel organisme.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Zelforganisatie van cellen (genexpressie en celdifferentiatie)
    • 01Genexpressie en genregulatie○
    • 02Celdifferentiatie◐
    • 03Stamcellen en hun toepassing◐
    • 04Van cel tot weefsel en orgaan◐
§ 01

Genexpressie en genregulatie#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Eén genoom, vele celtypen

Eén genoom, vele celtypenGraaf, zelfde DNA → genregulatie, genregulatie → spiercel, genregulatie → zenuwcelzelfde DNAgenregulatiespiercelzenuwcelgenen aan/uitdifferentiatiedifferentiatie
Afb. 1Eén genoom kan tot verschillende celtypen leiden. De genregulatie (benadrukt) bepaalt welke genen aan- of uitstaan en daarmee of een cel bijvoorbeeld een spiercel of een zenuwcel wordt.

Kernpunten

Je lichaam bestaat uit een enorm aantal cellen — naar schatting tientallen biljoenen — en bijna al die cellen bevatten precies hetzelfde DNA. Dat is op het eerste gezicht verrassend, want een spiercel, een huidcel en een zenuwcel zien er totaal verschillend uit en doen heel verschillend werk. Toch klopt het: alle lichaamscellen zijn ontstaan uit één bevruchte eicel, de zygote. Die zygote deelt zich door mitose, en bij een mitose ontstaan twee dochtercellen met exact hetzelfde DNA als de moedercel. Herhaal je dat miljarden keren, dan krijgt elke cel in het lichaam dezelfde complete set genen — het hele genoom. Het genoom is dus de volledige verzameling erfelijke informatie van een organisme, en elke cel draagt daar een kopie van. De kernvraag van dit onderwerp is daarom: als alle cellen hetzelfde 'kookboek' hebben, hoe kan het dan dat ze zulke verschillende 'gerechten' maken? Het antwoord ligt niet in het DNA zelf, maar in welke delen ervan een cel gebruikt.
Het verschil tussen celtypen ontstaat doordat in elke cel andere genen actief zijn. Een gen is een stukje DNA met de code voor één eiwit. Wanneer dat gen wordt afgelezen en omgezet in een eiwit, noem je dat genexpressie: het gen komt 'tot expressie'. Genexpressie verloopt in twee stappen die je bij de eiwitsynthese hebt gezien — eerst wordt het gen overgeschreven naar mRNA (transcriptie), daarna wordt dat mRNA in het ribosoom vertaald tot een eiwit (translatie). Staat een gen 'aan', dan wordt het eiwit gemaakt; staat een gen 'uit', dan gebeurt er niets met dat stukje code. Belangrijk is dat geen enkele cel al haar genen tegelijk gebruikt: in een gewone cel is maar een deel van de genen actief, en juist welk deel dat is, maakt het verschil. Een spiercel leest de genen voor spiereiwitten af; een alvleeskliercel leest het gen voor insuline af. Hetzelfde kookboek, maar elke cel slaat andere bladzijden open.
Dat genen aan of uit kunnen staan, gebeurt niet willekeurig maar wordt geregeld. Dit heet genregulatie: het geheel van mechanismen dat bepaalt welke genen in een cel tot expressie komen. De regeling gebeurt vooral door speciale regeleiwitten, de transcriptiefactoren, die aan het DNA binden en zo de transcriptie van een gen aanzetten of juist blokkeren. Welke transcriptiefactoren actief zijn, hangt af van signalen die de cel ontvangt: hormonen via het bloed, stoffen van buurcellen, of de plaats die de cel in het lichaam inneemt. Zo 'weet' een cel wat ze moet worden. Je kunt genregulatie vergelijken met een rij lichtschakelaars: het DNA bevat alle lampen (de genen), maar de schakelaars bepalen welke branden. Door in verschillende cellen verschillende schakelaars om te zetten, ontstaan met hetzelfde DNA toch heel verschillende cellen. Genregulatie is daarmee de sleutel van dit hele onderwerp — onthoud het begrip goed, want het komt bij celdifferentiatie en bij de ontwikkeling van een organisme telkens terug.
Waarom maken juist die eiwitten het verschil? Omdat eiwitten het meeste werk in een cel doen en zo de eigenschappen van de cel bepalen. Eiwitten vormen bouwstoffen (bijvoorbeeld de samentrekkende draden in een spiercel), ze werken als enzymen die reacties versnellen, ze vervoeren stoffen (zoals hemoglobine dat zuurstof bindt in een rode bloedcel) en ze geven signalen door. De verzameling eiwitten die een cel maakt, is als het ware haar gereedschapskist, en die kist bepaalt wat de cel kan. Een alvleeskliercel die het insulinegen aflees, maakt insuline en kan daarmee de bloedsuiker helpen regelen; een rode bloedcel die het hemoglobinegen aflees, kan zuurstof vervoeren; een kliercel in je maag die verteringsenzymen aflees, kan voedsel afbreken. Andere genen blijven in die cellen uit, zodat ze de bijbehorende eiwitten níét maken. Verander je via genregulatie welke eiwitten een cel maakt, dan verander je in feite wat voor cel het is.
Zet je deze stappen achter elkaar, dan heb je de kern van zelforganisatie te pakken: hetzelfde DNA plus verschillende genregulatie levert verschillende eiwitten op, en verschillende eiwitten leveren verschillende celtypen op. In de figuur hiernaast zie je dat één genoom via genregulatie kan uitmonden in bijvoorbeeld een spiercel of een zenuwcel; de genregulatie in het midden is het scharnierpunt waar het zich splitst. Dit verklaart meteen waarom een fout op de verkeerde plek zo ingrijpend kan zijn: gaat er iets mis met een regeleiwit dat veel genen aanstuurt, dan kan dat in één klap talloze processen in de cel verstoren. Gebruik deze redenering altijd wanneer een vraag begint met 'alle cellen hebben hetzelfde DNA, maar …': het sleutelwoord in je antwoord is dan genregulatie, die per cel bepaalt welke genen tot expressie komen. In de volgende paragraaf gebruiken we precies dit mechanisme om te begrijpen hoe een cel zich specialiseert: de celdifferentiatie.
Uitgewerkt voorbeeld

Zelfde DNA, toch verschillende eiwitten

In je lichaam hebben een spiercel en een alvleeskliercel (die insuline maakt) precies hetzelfde DNA. Leg uit hoe het kan dat ze toch heel verschillende eiwitten maken. Gebruik in je antwoord de begrippen genexpressie en genregulatie.

  1. 01Stap 1 — Stel vast dat het DNA gelijk is

    Beide cellen zijn door mitose ontstaan uit dezelfde bevruchte eicel. Bij mitose krijgen de dochtercellen exact hetzelfde DNA, dus de spiercel en de alvleeskliercel bevatten allebei het complete genoom, inclusief zowel de spiereiwit-genen als het insulinegen. Het verschil kan dus niet in het DNA zelf zitten.

  2. 02Stap 2 — Bedenk welke genen tot expressie komen

    In de spiercel staan de genen voor spiereiwitten 'aan' en wordt het insulinegen niet afgelezen; in de alvleeskliercel is het juist andersom. Dit aflezen-en-omzetten van een gen tot een eiwit is genexpressie. Omdat in elke cel andere genen tot expressie komen, ontstaan er andere eiwitten.

  3. 03Stap 3 — Benoem wat dat regelt

    Welke genen aan- of uitstaan, wordt bepaald door genregulatie: transcriptiefactoren binden aan het DNA en zetten genen aan of uit, gestuurd door signalen die de cel ontvangt. In de alvleeskliercel zorgen die regeleiwitten ervoor dat juist het insulinegen wordt afgelezen.

  4. 04Stap 4 — Trek de conclusie

    Verschillende actieve genen leveren verschillend mRNA op, en dus verschillende eiwitten. Die eiwitten bepalen wat de cel kan: insuline maken of samentrekken.

Resultaat: Resultaat: de spiercel en de alvleeskliercel hebben hetzelfde DNA, maar door genregulatie komen in elke cel andere genen tot expressie. Daardoor maken ze verschillende eiwitten en hebben ze verschillende functies — niet het DNA, maar de regulatie van de genexpressie maakt het verschil.

Eindexamen-focus

  • Je moet kunnen uitleggen dat alle lichaamscellen hetzelfde DNA bevatten (omdat ze door mitose uit één zygote zijn ontstaan) en dat verschillen tussen cellen ontstaan door genregulatie, niet door verschillen in het DNA zelf.
  • Het examen verwacht dat je het verband legt: genregulatie bepaalt welke genen tot expressie komen → welke eiwitten worden gemaakt → wat voor cel het wordt.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat gespecialiseerde cellen verschillende genen of minder DNA hebben. Ze hebben allemaal hetzelfde, complete genoom; alleen de actieve genen verschillen.
  • Genexpressie en genregulatie door elkaar halen. Genexpressie is het tot expressie komen van een gen (transcriptie + translatie tot een eiwit); genregulatie is het áánsturen welke genen dat doen.
  • Zeggen dat 'een gen staat uit' betekent dat het gen verdwenen is. Het gen blijft gewoon aanwezig in het DNA, maar wordt niet afgelezen.

Actieve herhaling

In je lichaam hebben een spiercel en een alvleeskliercel (die insuline maakt) precies hetzelfde DNA. Leg uit hoe het kan dat ze toch heel verschillende eiwitten maken. Gebruik in je antwoord de begrippen genexpressie en genregulatie.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Celdifferentiatie#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Vorm volgt functie

Vorm volgt functieTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Celtype · Vorm · Functie; spiercel · langgerekt · samentrekken; zenuwcel · lange uitlopers · prikkels geleiden; rode bloedcel · schijfvormig · zuurstof vervoeren, gemarkeerde cel: lange uitlopersCELTYPEVORMFUNCTIESPIERCELlanggerektsamentrekkenZENUWCELlange uitlopersprikkels geleidenRODE BLOEDCELschijfvormigzuurstof vervoeren
Afb. 2Bij gespecialiseerde cellen past de vorm bij de functie. De bouw van elke cel is afgestemd op haar taak — dat is het principe 'vorm volgt functie'.

Kernpunten

In de vorige paragraaf zag je dat genregulatie bepaalt welke genen een cel gebruikt. Het proces waarbij een cel daardoor verandert van een ongespecialiseerde in een gespecialiseerde cel, heet celdifferentiatie. Een ongespecialiseerde cel is nog 'algemeen' en heeft zich nog niet op een taak vastgelegd; een gespecialiseerde cel is aangepast aan één bepaalde functie, zoals samentrekken, prikkels geleiden of zuurstof vervoeren. Tijdens de differentiatie worden in de cel stap voor stap bepaalde genen aangezet en andere uitgezet, zodat de cel precies de eiwitten gaat maken die bij haar toekomstige taak passen. Differentiatie is dus geen verandering van het DNA, maar een verandering in de genexpressie. Je kunt het vergelijken met leerlingen die allemaal op dezelfde brede school beginnen en zich daarna in een richting specialiseren: de basis (het DNA) is gelijk, maar ieder ontwikkelt andere vaardigheden (eiwitten). Door differentiatie ontstaan in de mens zo'n tweehonderd verschillende celtypen, allemaal uit dat ene begin.
Het mooiste kenmerk van gespecialiseerde cellen is dat hun bouw past bij hun taak. Dit principe heet 'vorm volgt functie': de vorm en inhoud van een cel zijn aangepast aan wat de cel moet doen. De figuur hiernaast zet er drie voorbeelden naast elkaar. Een spiercel is langgerekt en zit vol samentrekbare eiwitdraden, zodat ze kracht kan leveren door korter te worden. Een zenuwcel heeft lange uitlopers waarmee ze prikkels over grote afstand kan geleiden, soms wel een meter ver. Een rode bloedcel is plat en schijfvormig en heeft bij de mens zelfs geen celkern meer, waardoor er extra veel hemoglobine in past om zuurstof te vervoeren. Telkens kun je aan de vorm aflezen wat de functie is, en omgekeerd verklaart de functie waarom de cel die vorm heeft. Dit is een geliefd examenidee: krijg je een onbekende cel te zien, kijk dan naar opvallende vormkenmerken — een groot oppervlak, veel mitochondriën, trilharen — en redeneer van daaruit naar de functie.
Een tweede belangrijk kenmerk is dat celdifferentiatie meestal blijvend is. Heeft een cel zich eenmaal gespecialiseerd, dan blijft ze normaal gesproken dat celtype: een spiercel wordt niet zomaar weer een zenuwcel. De genregulatie die de cel in haar gespecialiseerde toestand houdt, ligt als het ware vast. Vaak gaat sterke specialisatie samen met het verlies van het vermogen om te delen — denk aan zenuwcellen en rode bloedcellen, die zich niet of nauwelijks meer vermenigvuldigen. Dat heeft een belangrijk gevolg: als gespecialiseerde cellen slijten of doodgaan, kunnen ze zichzelf meestal niet vervangen. Toch worden je huid, je bloed en de binnenkant van je darm voortdurend ververst. Dat kan doordat er in het lichaam een voorraad nog níét gedifferentieerde cellen achterblijft die wél blijven delen en steeds nieuwe gespecialiseerde cellen leveren. Die cellen zijn de stamcellen, het onderwerp van de volgende paragraaf. Dat differentiatie blijvend is, maakt dus dat een organisme stamcellen nódig heeft.
Hoe 'weet' een ongespecialiseerde cel waarin ze zich moet ontwikkelen? Dat wordt bepaald door signalen die de cel ontvangt en door haar plaats in het lichaam of embryo. Stoffen van buurcellen en hormonen activeren bepaalde transcriptiefactoren, die op hun beurt de juiste set genen aanzetten. Zo stuurt de omgeving de differentiatie de goede kant op: een cel op de ene plek ontvangt andere signalen dan een cel op de andere plek, en gaat daardoor een ander celtype vormen. Heel belangrijk om te onthouden is dat de cel tijdens dit alles haar volledige DNA behoudt. Bij differentiatie raakt een cel géén genen kwijt; ze gebruikt alleen een ander deel ervan. Dat een levercel geen spiereiwitten maakt, komt niet doordat het spiergen ontbreekt, maar doordat het in die cel is uitgeschakeld. Juist omdat het DNA compleet blijft, is het in het laboratorium soms mogelijk een gespecialiseerde cel te 'herprogrammeren' tot een cel die opnieuw veel kanten op kan.
Celdifferentiatie is dus het scharnier tussen het DNA en het zichtbare lichaam. Begin je bij één bevruchte eicel, dan zorgt een opeenvolging van celdelingen voor heel veel cellen, en zorgt differentiatie ervoor dat die cellen verschillende vormen en functies krijgen. Het resultaat is een lichaam met spiercellen, zenuwcellen, bloedcellen, kliercellen en nog veel meer, elk met een bouw die bij hun taak past. Gespecialiseerde cellen van hetzelfde type gaan vervolgens samenwerken in weefsels, en zo bouwt het organisme zichzelf laag voor laag op — dat zie je in de laatste paragraaf. Voor het examen is de rode draad: ongespecialiseerd wordt gespecialiseerd door selectieve genexpressie, vorm volgt functie, en de uitkomst is meestal blijvend. Kun je dat met een voorbeeld toelichten, dan kun je de meeste vragen over differentiatie aan. Houd daarbij steeds het verband met de vorige paragraaf vast: differentiatie ís genregulatie in actie, alleen nu zichtbaar gemaakt in de vorm en functie van een hele cel.
Uitgewerkt voorbeeld

Hoe twee cellen met hetzelfde DNA verschillend worden

Een huidcel en een levercel in hetzelfde lichaam zijn allebei ontstaan uit dezelfde bevruchte eicel en hebben hetzelfde DNA, maar zien er totaal anders uit en doen ander werk. Leg met behulp van celdifferentiatie uit hoe dit verschil ontstaat, en leg met één voorbeeld uit wat 'vorm volgt functie' betekent.

  1. 01Stap 1 — Begin bij de gemeenschappelijke oorsprong

    De huidcel en de levercel stammen allebei af van dezelfde bevruchte eicel en hebben door mitose hetzelfde DNA gekregen. Het verschil tussen beide cellen kan dus niet in het DNA zitten.

  2. 02Stap 2 — Pas celdifferentiatie toe

    Tijdens de ontwikkeling hebben beide cellen een verschillende celdifferentiatie doorgemaakt: ze zijn van ongespecialiseerd naar gespecialiseerd gegaan. Daarbij zijn in de huidcel andere genen aangezet dan in de levercel (selectieve genexpressie), zodat elke cel andere eiwitten maakt en een ander celtype wordt.

  3. 03Stap 3 — Werk 'vorm volgt functie' uit met een voorbeeld

    Neem als voorbeeld een zenuwcel: die heeft lange uitlopers, want haar functie is prikkels over grote afstand geleiden. De vorm (lange uitlopers) past precies bij de functie (geleiden). Zo geldt voor elke gespecialiseerde cel dat haar bouw is afgestemd op haar taak.

  4. 04Stap 4 — Benoem dat het blijvend is

    Eenmaal gedifferentieerd blijft de huidcel een huidcel en de levercel een levercel; de differentiatie is in principe blijvend.

Resultaat: Resultaat: het verschil tussen de huidcel en de levercel ontstaat niet door verschillend DNA, maar door celdifferentiatie — in elke cel komen andere genen tot expressie. Bij 'vorm volgt functie' verklaar je de bouw van een cel vanuit haar taak, zoals de lange uitlopers van een zenuwcel die bij het geleiden van prikkels passen.

Eindexamen-focus

  • Je moet celdifferentiatie kunnen omschrijven als de ontwikkeling van een ongespecialiseerde naar een gespecialiseerde cel, aangestuurd door selectieve genexpressie (welke genen aan- of uitstaan).
  • Het examen toetst het principe 'vorm volgt functie': je moet bij een gespecialiseerde cel uitleggen hoe haar bouw past bij haar taak, of andersom de bouw vanuit de functie verklaren.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat een cel bij differentiatie genen of DNA verliest. De cel houdt haar volledige genoom; alleen de genexpressie verandert.
  • Vorm en functie los van elkaar zien. Bij 'vorm volgt functie' verklaar je de vorm juist vanuit de taak van de cel (en omgekeerd) — benoem altijd het verband.
  • Aannemen dat alle gespecialiseerde cellen zich nog goed kunnen delen. Veel sterk gespecialiseerde cellen (zoals zenuwcellen) delen niet of nauwelijks meer; daarvoor zijn stamcellen nodig.

Actieve herhaling

Een huidcel en een levercel in hetzelfde lichaam zijn allebei ontstaan uit dezelfde bevruchte eicel en hebben hetzelfde DNA, maar zien er totaal anders uit en doen ander werk. Leg met behulp van celdifferentiatie uit hoe dit verschil ontstaat, en leg met één voorbeeld uit wat 'vorm volgt functie' betekent.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Stamcellen en hun toepassing#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Embryonale vs adulte stamcel

Embryonale vs adulte stamcelTabel met 3 kolommen en 3 rijen, Gegevens: Kenmerk · Embryonaal · Adult; potentie · pluripotent · multipotent; herkomst · embryo · weefsel; differentiatie · veel celtypen · beperkt, gemarkeerde cel: embryoKENMERKEMBRYONAALADULTPOTENTIEpluripotentmultipotentHERKOMSTembryoweefselDIFFERENTIATIEveel celtypenbeperkt
Afb. 3Embryonale stamcellen zijn pluripotent (vrijwel alle celtypen) en komen uit het vroege embryo; adulte stamcellen zijn multipotent (een beperkt aantal celtypen) en zitten in de weefsels van het lichaam.

Kernpunten

Omdat gespecialiseerde cellen meestal blijvend zijn en zich vaak niet meer delen, heeft een organisme een voorraad cellen nodig die wél nieuwe cellen kunnen blijven leveren. Dat zijn de stamcellen. Een stamcel is een nog ongespecialiseerde cel met twee bijzondere eigenschappen tegelijk. Ten eerste kan ze zich blijven delen en daarbij kopieën van zichzelf maken, zodat de voorraad stamcellen niet opraakt; dit heet zelfvernieuwing. Ten tweede kan ze differentiëren tot een of meer gespecialiseerde celtypen. Juist die combinatie van deling én differentiatie maakt een cel tot stamcel. Een gewone gespecialiseerde cel kan zich meestal niet meer delen, terwijl deling zonder ooit te specialiseren ook geen echte stamcel oplevert — het zijn de twee eigenschappen samen die tellen. Een handige manier om het te onthouden: een stamcel houdt steeds één 'voorraadkopie' van zichzelf in stand en stuurt tegelijk dochtercellen op weg om gespecialiseerd te worden. Hoeveel verschillende celtypen een stamcel kan vormen, noem je haar potentie, en juist op dat punt verschillen de twee soorten stamcellen die je moet kennen.
De eerste soort zijn de embryonale stamcellen. Die komen uit een heel vroeg embryo: enkele dagen na de bevruchting is de zygote uitgegroeid tot een bolletje van cellen, en de cellen daarbinnen zijn nog volledig ongespecialiseerd. Embryonale stamcellen zijn pluripotent, wat betekent dat ze kunnen uitgroeien tot vrijwel álle celtypen van het lichaam — van spiercel tot zenuwcel tot bloedcel. Dat is logisch, want in een embryo moeten uit deze cellen nog alle weefsels en organen ontstaan; ze hebben hun specialisatie dus nog volledig 'open' staan. Deze brede mogelijkheid maakt embryonale stamcellen wetenschappelijk heel waardevol: in principe kun je er elk gewenst weefsel uit kweken. Tegelijk is dit ook precies de soort stamcel waar ethische vragen aan kleven, omdat je voor het verkrijgen ervan een embryo nodig hebt — daar komen we aan het eind van deze paragraaf op terug. Onthoud de kern: embryonaal = uit het vroege embryo = pluripotent = (bijna) alle celtypen.
De tweede soort zijn de adulte of volwassen stamcellen. Die zitten verspreid in de weefsels van het al ontwikkelde lichaam, bijvoorbeeld in het beenmerg, in de huid en in de wand van de darm. Adulte stamcellen zijn multipotent: ze kunnen maar een beperkt aantal celtypen vormen, meestal alleen de celtypen van het weefsel waarin ze zitten. Zo leveren de bloedstamcellen in het beenmerg de verschillende soorten bloedcellen, maar geen zenuw- of spiercellen. Hun taak in het lichaam is weefselvernieuwing: ze vervangen voortdurend versleten of afgestorven cellen, en daardoor blijven je bloed, huid en darmwand levenslang functioneren. In de figuur hiernaast zie je de twee soorten naast elkaar, met als belangrijkste verschil de potentie: pluripotent tegenover multipotent. Let op de tegenstelling: embryonale stamcellen kunnen méér, maar adulte stamcellen heb je je leven lang bij je en zijn makkelijker en zonder ethische bezwaren te verkrijgen. Beide eigenschappen — herkomst en potentie — moet je uit elkaar kunnen houden.
Stamcellen zijn niet alleen biologisch interessant, ze worden ook in de geneeskunde gebruikt. Het vakgebied dat beschadigd of verloren weefsel probeert te herstellen met (stam)cellen, heet de regeneratieve geneeskunde. Het bekendste, al lang bestaande voorbeeld is de stamceltransplantatie bij het beenmerg: bij patiënten met bepaalde vormen van bloedkanker wordt het zieke beenmerg vervangen door gezonde bloedstamcellen, die daarna nieuw, gezond bloed aanmaken. Ook gekweekte huid voor brandwondpatiënten is een toepassing waarbij stamcellen nieuw weefsel leveren. Verder wordt er veel onderzoek gedaan naar het herstellen van weefsels die het lichaam zelf nauwelijks vervangt, zoals hartspierweefsel na een infarct, zenuwweefsel bij een dwarslaesie, of de insulineproducerende cellen bij diabetes. De grote belofte van de pluripotente embryonale stamcellen is dat je er in principe élk weefsel uit zou kunnen maken. Veel van deze toepassingen zijn nog volop in ontwikkeling en nog geen standaardbehandeling — dat is eerlijk om te benoemen — maar de richting is duidelijk: cellen inzetten om het lichaam te laten repareren wat het zelf niet kan.
Aan het gebruik van embryonale stamcellen zit een ethische kant, en die mag je op het examen kort en neutraal weergeven. Om embryonale stamcellen te verkrijgen, is een heel vroeg embryo nodig, dat daarbij niet kan uitgroeien tot een mens. Voor sommige mensen is een embryo vanaf de bevruchting al beschermwaardig menselijk leven, en daarom vinden zij dit bezwaarlijk. Anderen wegen daar de mogelijke medische winst tegen op — het vooruitzicht om ernstig zieke patiënten te helpen — en komen tot een ander oordeel. Het is geen vraag met één goed biologisch antwoord, maar een afweging van waarden, en als biologie hoef je daar zelf geen kant in te kiezen. Wel is het goed te weten dat er manieren zijn die dit bezwaar omzeilen: met adulte stamcellen werk je sowieso zonder embryo, en wetenschappers kunnen tegenwoordig ook gewone lichaamscellen 'herprogrammeren' tot stamcellen die weer veel kanten op kunnen. Zo blijven de medische mogelijkheden bestaan zonder dat er een embryo aan te pas komt.
Uitgewerkt voorbeeld

Embryonale of adulte stamcellen kiezen

Een arts wil beschadigd weefsel herstellen met stamcellen. Leg uit waarom embryonale stamcellen in principe voor meer soorten weefsel bruikbaar zijn dan adulte stamcellen. Noem ook één reden waarom er toch vaak voor adulte stamcellen wordt gekozen.

  1. 01Stap 1 — Vergelijk de potentie

    Embryonale stamcellen zijn pluripotent: ze kunnen uitgroeien tot vrijwel alle celtypen van het lichaam. Adulte stamcellen zijn multipotent: ze kunnen maar een beperkt aantal celtypen vormen, meestal die van hun eigen weefsel.

  2. 02Stap 2 — Koppel de potentie aan de bruikbaarheid

    Omdat embryonale stamcellen elk celtype kunnen worden, kun je er in principe elk gewenst weefsel uit kweken. Met multipotente adulte stamcellen lukt dat alleen voor de beperkte set celtypen die ze kunnen vormen. Voor 'meer soorten weefsel' zijn pluripotente cellen dus veelzijdiger.

  3. 03Stap 3 — Geef een reden om tóch adulte stamcellen te kiezen

    Voor adulte stamcellen is geen embryo nodig, zodat het ethische bezwaar dat bij embryonale stamcellen speelt, vervalt. Bovendien kun je ze vaak uit de patiënt zelf halen, bijvoorbeeld uit het beenmerg.

  4. 04Stap 4 — Trek de conclusie

    De keuze is dus een afweging: pluripotente embryonale stamcellen zijn biologisch veelzijdiger, maar adulte stamcellen zijn praktischer en zonder ethisch bezwaar te verkrijgen.

Resultaat: Resultaat: embryonale stamcellen zijn voor méér soorten weefsel bruikbaar doordat ze pluripotent zijn (alle celtypen), terwijl adulte stamcellen multipotent zijn (beperkt). Toch wordt vaak voor adulte stamcellen gekozen omdat daarvoor geen embryo nodig is en ze uit de patiënt zelf kunnen komen.

Eindexamen-focus

  • Je moet het verschil tussen embryonale stamcellen (uit het vroege embryo, pluripotent — bijna alle celtypen) en adulte stamcellen (uit weefsels, multipotent — beperkt aantal celtypen) kunnen uitleggen, inclusief de twee kenmerken deling en differentiatie.
  • Het examen verwacht dat je een toepassing in de regeneratieve geneeskunde kunt noemen en de ethische kant van embryonale stamcellen kort en neutraal kunt weergeven.

Veelgemaakte fouten

  • Pluripotent en multipotent verwisselen. Pluripotent (embryonaal) = (bijna) alle celtypen; multipotent (adult) = een beperkt aantal, meestal van één weefsel.
  • Vergeten dat een stamcel twee eigenschappen heeft. Een stamcel kan zich zowel blijven delen (zelfvernieuwing) als differentiëren; alleen kunnen delen is niet genoeg.
  • Bij de ethiek een kant kiezen of stellige beweringen doen. Geef de afweging neutraal weer: het embryo als beschermwaardig leven tegenover de mogelijke medische winst.

Actieve herhaling

Een arts wil beschadigd weefsel herstellen met stamcellen. Leg uit waarom embryonale stamcellen in principe voor meer soorten weefsel bruikbaar zijn dan adulte stamcellen. Noem ook één reden waarom er toch vaak voor adulte stamcellen wordt gekozen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Van cel tot weefsel en orgaan#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Van stamcel tot weefsel

Van stamcel tot weefselGraaf, stamcel → celdeling, celdeling → differentiatie, differentiatie → weefselstamcelceldelingdifferentiatieweefsel
Afb. 4Hoe een weefsel ontstaat: een stamcel deelt zich, de dochtercellen differentiëren tot gespecialiseerde cellen, en cellen van hetzelfde type vormen samen een weefsel — de eerste stap in de opbouw naar orgaan en organisme.

Kernpunten

Een veelcellig organisme is niet zomaar een hoop losse cellen, maar een geordend geheel met duidelijke niveaus van organisatie. Voor het examen moet je de belangrijkste niveaus op volgorde kennen: cel → weefsel → orgaan → orgaanstelsel → organisme. Elk niveau is opgebouwd uit eenheden van het niveau eronder, en op elk hoger niveau ontstaat samenwerking die een grotere functie mogelijk maakt. De cel is de kleinste levende bouwsteen. Cellen van hetzelfde type die samen één taak uitvoeren, vormen samen een weefsel. Verschillende weefsels die als eenheid samenwerken, vormen een orgaan. Organen die samen een grotere functie verzorgen, vormen een orgaanstelsel. En alle orgaanstelsels samen vormen ten slotte het hele organisme. Je kunt de niveaus zien als een ladder: je begint klein bij de cel en bouwt trede voor trede op naar het complete levende wezen. Belangrijk is dat je niet alleen de volgorde kent, maar bij elk niveau ook een voorbeeld kunt geven en kunt uitleggen waarom het ene niveau het volgende mogelijk maakt.
Laten we de twee middelste niveaus wat scherper bekijken, want daar gaat het vaak mis. Een weefsel bestaat uit veel cellen van hetzelfde type met dezelfde taak: spierweefsel bestaat uit spiercellen die samen kunnen samentrekken, zenuwweefsel uit zenuwcellen die prikkels geleiden, en dekweefsel (epitheel) uit cellen die oppervlakken bekleden en beschermen. Een orgaan bestaat daarentegen juist uit verschillende weefsels die samen één functie verzorgen. Neem het hart: dat is opgebouwd uit hartspierweefsel dat samentrekt, zenuwweefsel dat het ritme aanstuurt, bindweefsel dat alles stevigheid geeft en een dun dekweefsel aan de binnenkant. Pas doordat deze verschillende weefsels samenwerken, kan het hart als geheel bloed rondpompen — iets wat geen van de weefsels alleen zou kunnen. Het verschil zit hem dus in de variatie: een weefsel is 'één soort cel, één taak', een orgaan is 'meerdere weefsels, samen één orgaanfunctie'. Dat onderscheid moet je helder hebben, want het wordt vaak gevraagd.
Boven het orgaan komen nog twee niveaus. Een orgaanstelsel is een groep organen die samen een grote lichaamsfunctie verzorgen. De bloedsomloop bijvoorbeeld bestaat uit het hart en de bloedvaten, die samen zorgen voor het transport van stoffen door het hele lichaam. Andere voorbeelden zijn het spijsverteringsstelsel (mond, maag, darmen en meer, samen voor de vertering) en het ademhalingsstelsel (luchtwegen en longen, samen voor de gaswisseling). Het hoogste niveau is het organisme: alle orgaanstelsels werken samen tot één levend wezen. Geen enkel stelsel kan op zichzelf staan — de bloedsomloop heeft het ademhalingsstelsel nodig voor zuurstof, dat op zijn beurt de spijsvertering nodig heeft voor voedingsstoffen, enzovoort. In de figuur hiernaast zie je dit opbouwprincipe in het klein: een stamcel deelt, de dochtercellen differentiëren, en gespecialiseerde cellen van hetzelfde type vormen samen een weefsel — de eerste stap van cel naar de hogere niveaus. Vanaf het weefsel loopt dezelfde lijn door naar orgaan, orgaanstelsel en organisme.
De grote vraag van dit onderwerp is hoe al die ordening vanzelf ontstaat, zonder dat iemand het 'bouwt'. Dat noem je de zelforganisatie van een organisme: een veelcellig wezen organiseert zichzelf vanuit één bevruchte eicel tot een geordend geheel van cellen, weefsels, organen en orgaanstelsels. De motor daarachter ken je inmiddels. Door celdeling ontstaan heel veel cellen, door celdifferentiatie krijgen die cellen verschillende vormen en functies, en het is de genregulatie uit de eerste paragraaf die in elke cel op het juiste moment en de juiste plaats de juiste genen aanzet. Cellen wisselen daarbij voortdurend signalen uit, zodat ze op elkaar afgestemd raken en netjes op hun plek terechtkomen. Zo bouwt het organisme zich als het ware volgens een ingebouwd plan op, zonder externe regisseur. Het bijzondere is dat op elk niveau iets nieuws ontstaat wat de losse delen niet kunnen: één hartspiercel kan hooguit even samentrekken, maar miljoenen samen, geordend tot het orgaan hart, kunnen je leven lang bloed rondpompen.
Daarmee is de cirkel rond en zie je de rode draad van dit hele onderwerp. Alle cellen hebben hetzelfde DNA, maar genregulatie bepaalt welke genen tot expressie komen (paragraaf 1); daardoor specialiseren cellen zich via celdifferentiatie, waarbij vorm volgt functie (paragraaf 2); stamcellen blijven delen en leveren steeds nieuwe gespecialiseerde cellen, in het lichaam en in de geneeskunde (paragraaf 3); en die cellen organiseren zich ten slotte tot weefsels, organen, orgaanstelsels en uiteindelijk een heel organisme (paragraaf 4). Voor een examenvraag is het slim om in je antwoord steeds dezelfde ketting te gebruiken: van genexpressie, via differentiatie, naar de organisatieniveaus. Kun je een voorbeeld als het hart op die ladder plaatsen én uitleggen dat de opbouw door deling, differentiatie en genregulatie vanzelf tot stand komt, dan laat je zien dat je zelforganisatie echt begrijpt. Dat is precies wat dit thema van je vraagt: niet losse feiten, maar het verband zien tussen één rij DNA en een compleet, levend, geordend organisme.
Uitgewerkt voorbeeld

Het hart in de organisatieniveaus plaatsen

Het hart is een orgaan. Plaats het hart in de organisatieniveaus door de volgorde cel → weefsel → orgaan → orgaanstelsel toe te passen, met bij elke stap een voorbeeld. Leg daarna in eigen woorden uit wat met de 'zelforganisatie' van een organisme wordt bedoeld.

  1. 01Stap 1 — Begin bij de cel

    De kleinste bouwsteen is de cel. Bij het hart is dat bijvoorbeeld één hartspiercel, een gespecialiseerde cel die kan samentrekken.

  2. 02Stap 2 — Ga naar het weefsel

    Veel hartspiercellen van hetzelfde type vormen samen hartspierweefsel. Een weefsel is dus een groep cellen van hetzelfde type met dezelfde taak: hier samentrekken.

  3. 03Stap 3 — Ga naar het orgaan

    Het hart als orgaan bestaat niet uit één weefsel, maar uit verschillende weefsels die samenwerken: hartspierweefsel, zenuwweefsel (het ritme), bindweefsel (stevigheid) en dekweefsel. Samen vormen ze het orgaan dat bloed kan rondpompen.

  4. 04Stap 4 — Ga naar het orgaanstelsel

    Het hart werkt samen met de bloedvaten tot het orgaanstelsel bloedsomloop, dat stoffen door het hele lichaam transporteert. Alle orgaanstelsels samen vormen het organisme.

  5. 05Stap 5 — Leg zelforganisatie uit

    Al deze niveaus zijn vanuit één bevruchte eicel ontstaan. Door celdeling kwamen er veel cellen, door celdifferentiatie kregen ze verschillende functies, en genregulatie bepaalde per cel welke genen aangingen. Doordat cellen elkaar signalen geven, komen ze geordend op hun plek — het organisme bouwt zichzelf op. Dat is zelforganisatie.

Resultaat: Resultaat: een hartspiercel (cel) vormt met gelijke cellen hartspierweefsel (weefsel); verschillende weefsels samen vormen het hart (orgaan); het hart met de bloedvaten vormt de bloedsomloop (orgaanstelsel), en alle stelsels samen het organisme. Zelforganisatie betekent dat dit geordende geheel vanzelf ontstaat uit celdeling, celdifferentiatie en genregulatie, gestuurd door signalen tussen cellen.

Eindexamen-focus

  • Je moet de organisatieniveaus cel → weefsel → orgaan → orgaanstelsel → organisme op volgorde kunnen zetten en bij elk niveau een voorbeeld kunnen geven, met het verschil tussen weefsel (één celtype) en orgaan (meerdere weefsels) helder.
  • Het examen verwacht dat je 'zelforganisatie' kunt uitleggen: hoe een organisme zich vanuit één cel via celdeling, celdifferentiatie en genregulatie tot een geordend geheel opbouwt.

Veelgemaakte fouten

  • Weefsel en orgaan verwisselen. Een weefsel is opgebouwd uit cellen van hetzelfde type; een orgaan uit verschillende weefsels die samen één functie hebben.
  • De volgorde van de organisatieniveaus omdraaien of een niveau overslaan. De vaste volgorde is cel → weefsel → orgaan → orgaanstelsel → organisme.
  • Denken dat zelforganisatie iets vaags of toevalligs is. Het is het resultaat van celdeling, celdifferentiatie en genregulatie, gestuurd door signalen tussen cellen.

Actieve herhaling

Het hart is een orgaan. Plaats het hart in de organisatieniveaus door de volgorde cel → weefsel → orgaan → orgaanstelsel toe te passen, met bij elke stap een voorbeeld. Leg daarna in eigen woorden uit wat met de 'zelforganisatie' van een organisme wordt bedoeld.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Genexpressie en genregulatie○
    • 02Celdifferentiatie◐
    • 03Stamcellen en hun toepassing◐
    • 04Van cel tot weefsel en orgaan◐

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Zelforganisatie van cellen (genexpressie en celdifferentiatie)

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~29
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma biologie (HAVO)

Vorig onderwerp

Stofwisseling van de cel

Volgend onderwerp

Moleculaire interactie: receptor, ligand en signaaltransductie

EuraStudy·Samenvattingen T·04·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.