EuraStudy
Samenvattingen/Biologie/Gedrag, interactie en seksualiteit
Samenvattingen · BiologieNL · HAVO

Gedrag, interactie en seksualiteit

Dieren reageren met gedrag op prikkels uit hun omgeving, en dat gedrag is deels aangeboren en deels aangeleerd. Dit onderwerp laat zien welke functies gedrag heeft, hoe dieren met elkaar omgaan en communiceren, en hoe partnerkeuze, balts en ouderzorg het voortplantingssucces bepalen. Er loopt telkens één rode draad doorheen: gedrag levert baten én kosten op, en gedrag dat de fitness vergroot, wordt door natuurlijke selectie bevoordeeld.

4 Onderdelen·~26 min leestijd·4 Vaardigheden·Niveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1

T·141414 / 20
Examenprofiel
Aangeboren gedrag onderscheiden van aangeleerd gedrag en de vier leervormen (gewenning, conditionering, inprenting, imitatie) herkennen.De functie van gedrag benoemen en gedrag verklaren met een afweging van baten en kosten, gekoppeld aan overleving en fitness.Sociaal gedrag en communicatie beschrijven — signalen, feromonen, territorium en rangorde — en hun functie verklaren.Voortplantingsgedrag (partnerkeuze, balts, ouderzorg) en menselijke seksualiteit koppelen aan voortplantingssucces en natuurlijke selectie.
Operatoren:leg uitverklaarberedeneerinterpreteernoem

basisniveau

Zorg dat je gedrag kunt definiëren als een waarneembare reactie op een prikkel, aangeboren van aangeleerd gedrag kunt onderscheiden, de vier leervormen kunt herkennen en de functie van een gedrag kunt benoemen (voedsel zoeken, veiligheid, voortplanting).

verhoogd niveau

Beredeneer in onbekende voorbeelden waarom gedrag voorkomt door baten tegen kosten af te wegen en het gedrag via fitness en voortplantingssucces aan de natuurlijke selectie te koppelen — ook bij communicatie, territorium, rangorde en voortplantingsgedrag.

Diepte

Leesdiepte: Verdieping

Tekst

Tekstgrootte: Standaard

Inhoud · 4 onderdelen▾
  1. Gedrag, interactie en seksualiteit
    • 01Aangeboren en aangeleerd gedrag○
    • 02Functies van gedrag◐
    • 03Interactie en communicatie◐
    • 04Seksualiteit en voortplantingsgedrag●
§ 01

Aangeboren en aangeleerd gedrag#

●○○BasisLPexamenblad-nl

Aangeboren vs aangeleerd gedrag

Aangeboren vs aangeleerd gedragTabel met 3 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Kenmerk · Aangeboren · Aangeleerd; herkomst · erfelijk · door ervaring; bij geboorte · al aanwezig · ontwikkelt later; aanpasbaar · nauwelijks · goed aanpasbaar; voorbeeld · reflex · conditionering, gemarkeerde cel: erfelijkKENMERKAANGEBORENAANGELEERDHERKOMSTerfelijkdoor ervaringBIJ GEBOORTEal aanwezigontwikkelt laterAANPASBAARnauwelijksgoed aanpasbaarVOORBEELDreflexconditionering
Afb. 1Aangeboren gedrag is erfelijk en bij de geboorte al aanwezig; aangeleerd gedrag ontstaat door ervaring en verschilt per individu. Het verschil in herkomst is de kern van het onderscheid.

Kernpunten

Gedrag is alles wat een dier (of mens) waarneembaar doet als reactie op een prikkel. Een prikkel is een verandering in de omgeving of in het lichaam zelf die door een zintuig wordt opgevangen — licht, geluid, een geur, honger of kou. Het dier neemt de prikkel waar, verwerkt die in het zenuwstelsel en reageert met een waarneembare handeling: weglopen, happen of roepen. Gedrag is dus altijd een reactie, nooit iets wat zomaar uit het niets ontstaat. Belangrijk is dat gedrag waarneembaar moet zijn: gedachten of gevoelens die je niet van buitenaf kunt zien, vallen er strikt genomen niet onder. Denk aan een kat die een muis hoort ritselen (de prikkel) en zich klaarmaakt om te springen (het gedrag). Door gedrag steeds te koppelen aan de prikkel die het uitlokt, kun je in elke examenvraag aanwijzen wat de prikkel is en wat de reactie.
Aangeboren gedrag is gedrag dat een dier al kan vertonen zonder dat het geleerd hoeft te worden; het ligt vast in de erfelijke informatie (het DNA) en is bij de geboorte al aanwezig of ontwikkelt zich vanzelf. Twee vormen vallen hieronder. Een reflex is een snelle, automatische reactie op een prikkel waarbij maar een klein deel van het zenuwstelsel betrokken is, zoals je hand terugtrekken bij een hete pan of een baby die gaat zuigen. Een instinct is een complexer, vast patroon van handelingen dat een dier helemaal kan afmaken zonder oefening, zoals een spin die een web bouwt of een vogel die een nest maakt. Kenmerkend voor aangeboren gedrag is dat het bij alle dieren van een soort vrijwel hetzelfde verloopt en nauwelijks aanpasbaar is. Juist omdat het erfelijk is, kan het van ouder op nakomeling worden doorgegeven en staat het onder invloed van natuurlijke selectie.
Aangeleerd gedrag is gedrag dat een dier in de loop van zijn leven ontwikkelt door ervaring; het ligt niet vast in het DNA, maar wordt gevormd door wat het dier meemaakt. Daardoor kan aangeleerd gedrag per individu verschillen en zich aanpassen aan de omstandigheden — een groot voordeel in een veranderlijke omgeving. Een hond die leert zitten op commando vertoont aangeleerd gedrag; zonder training zou hij het nooit doen. Aangeleerd gedrag kost wel tijd en herhaling om te ontstaan, en het kan ook weer veranderen of verdwijnen als de ervaring verandert. Veel gedrag is overigens een mengvorm: de aanleg is aangeboren, maar de precieze uitvoering wordt door leren verfijnd. Een jonge zangvogel heeft bijvoorbeeld de aanleg om te zingen (aangeboren), maar leert de precieze melodie van soortgenoten (aangeleerd). Het onderscheid aangeboren–aangeleerd is daarom geen harde tweedeling, maar vaak een kwestie van verhouding.
Aangeleerd gedrag ontstaat via een aantal herkenbare leervormen, die je in de figuur hiernaast naast elkaar ziet. Bij gewenning (habituatie) neemt de reactie op een prikkel áf doordat die prikkel steeds terugkeert zonder gevolgen: vogels schrikken eerst van een vogelverschrikker, maar negeren hem na verloop van tijd. Bij conditionering leert een dier twee zaken aan elkaar te koppelen; in het klassieke voorbeeld van Pavlov ging een hond kwijlen bij een belgeluid, omdat dat geluid telkens aan voer voorafging. Bij inprenting legt een jong dier in een korte, gevoelige periode kort na de geboorte iets blijvend vast, zoals een eendenkuiken dat het eerste bewegende voorwerp als 'moeder' aanneemt en volgt. Bij imitatie leert een dier door het gedrag van soortgenoten na te doen, zoals jonge apen die het kraken van noten afkijken. Onthoud per leervorm één kernkenmerk en één voorbeeld; daarmee herken je ze feilloos in een opgave.
Het onderscheid tussen aangeboren en aangeleerd gedrag is een vast onderdeel van het examen, en in de figuur hiernaast staan de kenmerken overzichtelijk tegenover elkaar. De handige toets is steeds: kon het dier dit gedrag zonder enige ervaring vertonen (dan is het aangeboren), of moest het er iets voor meemaken of oefenen (dan is het aangeleerd)? Erfelijk en vanaf de geboorte aanwezig wijst op aangeboren; ontstaan door ervaring en per individu verschillend wijst op aangeleerd. Bij twijfel helpt het te kijken of het gedrag aanpasbaar is: aangeboren gedrag verloopt bij iedereen vrijwel gelijk, aangeleerd gedrag verschilt en verandert. Dit fundament heb je in de rest van dit onderwerp steeds nodig, want of gedrag nu dient om voedsel te vinden, te communiceren of een partner te kiezen — telkens speelt mee of het een vast aangeboren patroon is of door leren is bijgeschaafd.

Vormen van leren

Vormen van lerenTabel met 2 kolommen en 4 rijen, Gegevens: Vorm · Kenmerk; gewenning · reactie neemt af; conditionering · prikkels koppelen; inprenting · vroeg en blijvend; imitatie · gedrag nadoenVORMKENMERKGEWENNINGreactie neemt afCONDITIONERINGprikkels koppelenINPRENTINGvroeg en blijvendIMITATIEgedrag nadoen
Afb. 2De vier leervormen die je moet kennen, elk met één kernkenmerk. Gewenning vermindert een reactie, conditionering koppelt prikkels, inprenting is vroeg en blijvend, en imitatie is nadoen.
Uitgewerkt voorbeeld

Aangeboren of aangeleerd? Een hond die zit op commando

Een hond gaat zitten zodra zijn baas 'zit' zegt. Een pasgeboren puppy doet dit niet. Beredeneer of dit gedrag aangeboren of aangeleerd is en benoem via welke leervorm het is ontstaan.

  1. 01Stap 1 — Bepaal de prikkel en de reactie

    De prikkel is het commando 'zit' (een geluid). De reactie is het gaan zitten. Er is dus duidelijk sprake van gedrag: een waarneembare reactie op een prikkel.

  2. 02Stap 2 — Aangeboren of aangeleerd?

    Een pasgeboren puppy vertoont dit gedrag niet; de hond moet het eerst meemaken en oefenen. Gedrag dat door ervaring ontstaat en niet vanaf de geboorte aanwezig is, is aangeleerd.

  3. 03Stap 3 — Welke leervorm?

    De hond heeft geleerd het geluid 'zit' te koppelen aan de handeling zitten, vaak versterkt door een beloning. Het aan elkaar koppelen van een prikkel en een reactie is conditionering.

Resultaat: Het gaan zitten op commando is aangeleerd gedrag, ontstaan door conditionering: de hond koppelt het commando 'zit' aan de handeling zitten. Dat het bij een pasgeboren puppy ontbreekt en pas na oefening verschijnt, bevestigt dat het niet aangeboren maar aangeleerd is.

Eindexamen-focus

  • Je moet aangeboren gedrag (erfelijk, bij de geboorte aanwezig, nauwelijks aanpasbaar) kunnen onderscheiden van aangeleerd gedrag (ontstaan door ervaring, per individu verschillend) en bij een voorbeeld kunnen beargumenteren welk van de twee het is.
  • Het examen toetst of je de vier leervormen — gewenning, conditionering, inprenting en imitatie — aan een kernkenmerk en een voorbeeld kunt herkennen.

Veelgemaakte fouten

  • Reflex en instinct verwarren. Een reflex is een enkelvoudige, zeer snelle reactie (hand terugtrekken); een instinct is een complex, vast gedragspatroon (nestbouw). Beide zijn wél aangeboren.
  • Denken dat een gedrag óf volledig aangeboren óf volledig aangeleerd is. Veel gedrag is een mengvorm: een aangeboren aanleg die door leren wordt verfijnd.
  • Gewenning en inprenting door elkaar halen. Bij gewenning neemt een reactie áf door herhaling; inprenting is juist een blijvende koppeling die alleen in een korte gevoelige periode kort na de geboorte ontstaat.

Actieve herhaling

Een kuiken volgt vlak na het uitkomen het eerste bewegende voorwerp dat het ziet, en blijft dat daarna volgen. Leg uit welke leervorm dit is, noem twee kenmerken waaraan je dat herkent, en geef aan of het om aangeboren of aangeleerd gedrag gaat.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 02

Functies van gedrag#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Prikkel, gedrag en gevolg

Prikkel, gedrag en gevolgGraaf, prikkel → gedrag, gedrag → baat (overleving), gedrag → kosten (energie)prikkelgedragbaat(overleving)kosten (energie)reactie
Afb. 3Een prikkel lokt gedrag uit; dat gedrag levert zowel een baat (voordeel voor overleving) als kosten (energie, tijd, risico) op. Gedrag is voordelig zolang de baten groter zijn dan de kosten.

Kernpunten

Gedrag is geen doel op zich: het heeft altijd een functie, een nut voor het dier dat het vertoont. De functie van gedrag is het voordeel dat het oplevert voor de overleving of de voortplanting van het dier. In de biologie worden de meeste gedragingen teruggebracht tot drie grote functies: voedsel zoeken (zodat het dier energie en bouwstoffen binnenkrijgt), veiligheid (zichzelf beschermen tegen vijanden, kou of ander gevaar) en voortplanting (nakomelingen krijgen en grootbrengen). Een eekhoorn die noten verzamelt zoekt voedsel; een konijn dat bij gevaar in zijn hol duikt zorgt voor veiligheid; een vogel die een nest bouwt bereidt de voortplanting voor. Door bij elk gedrag te vragen welk voordeel het het dier oplevert, kun je de functie benoemen — een vaardigheid die in dit onderwerp telkens terugkomt.
Elk gedrag levert niet alleen voordelen op, maar kost het dier ook iets; biologen wegen daarom de baten tegen de kosten. De baten zijn de voordelen voor overleving en voortplanting, bijvoorbeeld voedsel, bescherming of een partner. De kosten zijn alles wat het gedrag het dier kost: energie, tijd en risico. Een vogel die ver vliegt om voedsel te halen, verbruikt energie (kosten) maar krijgt eten binnen (baten). In de figuur hiernaast zie je dit als één prikkel die tot gedrag leidt, waarna het gedrag zowel een baat als kosten met zich meebrengt. Gedrag is 'de moeite waard' zolang de baten groter zijn dan de kosten. Dieren die zonder erbij na te denken een gunstige balans aanhouden — die bijvoorbeeld niet onnodig veel energie verspillen — houden netto meer over voor overleving en voortplanting. Zo verklaart de kosten-batenafweging waarom gedrag vaak zo doelmatig en zuinig is.
Gedrag dat de kosten-batenbalans gunstig houdt, vergroot de kans van een dier om te overleven. Een dier dat efficiënt voedsel vindt, krijgt voldoende energie binnen; een dier dat gevaar op tijd herkent en vlucht, ontloopt zijn vijanden. Overleven is in de biologie geen doel op zich, maar de voorwaarde om je te kunnen voortplanten: een dier dat sterft voordat het nakomelingen heeft gekregen, geeft niets door. Daarom zijn voedsel zoeken en veiligheid zo belangrijk — ze houden het dier lang genoeg in leven om zich te kunnen voortplanten. Let op dat overlevingsgedrag soms botst met voortplantingsgedrag: opvallend baltsen trekt een partner aan (goed voor de voortplanting), maar maakt het dier ook zichtbaar voor vijanden (slecht voor de overleving). Ook hier draait het weer om een afweging van baten tegen kosten.
De uiteindelijke maat waarmee biologen het succes van gedrag meten, is de fitness van een dier. Fitness is de mate waarin een individu erin slaagt om nakomelingen te krijgen die zélf weer overleven en zich voortplanten — kortom, hoeveel van zijn erfelijke informatie het doorgeeft aan volgende generaties. Gedrag dat de fitness verhoogt, zorgt ervoor dat het dier méér of betere nakomelingen krijgt. Belangrijk is dat fitness niet alleen over overleven gaat: een dier dat oeroud wordt maar nooit nakomelingen krijgt, heeft een fitness van vrijwel nul. Voedsel zoeken en veilig blijven tellen alleen mee voor zover ze uiteindelijk bijdragen aan succesvolle voortplanting. Door gedrag aan fitness te koppelen, kun je verklaren waarom een bepaald gedrag in een soort voorkomt: het heeft de fitness van de voorouders verhoogd.
Hiermee ligt de brug naar de evolutie. Omdat veel gedrag (deels) erfelijk is en omdat gedrag dat de fitness verhoogt tot meer nakomelingen leidt, wordt voordelig gedrag vanzelf vaker doorgegeven aan volgende generaties — dat is natuurlijke selectie. Gedrag dat de kosten-batenbalans gunstig houdt en de fitness verhoogt, breidt zich daardoor over de generaties uit in een populatie, terwijl ongunstig gedrag verdwijnt. Zo 'ontwerpt' de natuurlijke selectie als het ware doelmatig gedrag, zonder dat een dier hoeft na te denken. Wanneer je in een examenvraag moet beredeneren waarom een dier zich op een bepaalde manier gedraagt, gebruik je precies deze redenering: benoem de functie, weeg baten tegen kosten en koppel het aan overleving en uiteindelijk aan fitness en voortplantingssucces. In de volgende paragrafen passen we deze redenering toe op interactie, communicatie en voortplantingsgedrag.
Uitgewerkt voorbeeld

Waarom een vos 's nachts ver jaagt: een kosten-batenredenering

Een vos legt 's nachts grote afstanden af om muizen te vangen. Het lopen kost veel energie. Beredeneer met baten en kosten waarom dit gedrag toch voordelig kan zijn en koppel je antwoord aan overleving en fitness.

  1. 01Stap 1 — Benoem de functie

    Het jagen op muizen levert de vos voedsel op. De functie van dit gedrag is dus voedsel zoeken — het verschaft energie en bouwstoffen.

  2. 02Stap 2 — Weeg baten tegen kosten

    De baten zijn de muizen die de vos vangt (energie). De kosten zijn de energie en tijd die het lange lopen vraagt, plus enig risico. Het gedrag is voordelig zolang de energie uit de gevangen muizen groter is dan de energie die het jagen kost.

  3. 03Stap 3 — Koppel aan overleving en fitness

    Levert het jagen netto energie op, dan blijft de vos in goede conditie en overleeft hij. Een vos die zo genoeg energie overhoudt, kan zich voortplanten en nakomelingen grootbrengen; zijn fitness is dan hoog. Daardoor wordt (deels erfelijk) efficiënt jaaggedrag aan volgende generaties doorgegeven.

Resultaat: Het ver jagen is voordelig zolang de baten (energie uit muizen) groter zijn dan de kosten (energie, tijd en risico van het lopen). Een gunstige balans houdt de vos in leven en stelt hem in staat zich voort te planten, waardoor zijn fitness stijgt — en dat verklaart waarom zulk doelmatig jaaggedrag in de soort blijft bestaan.

Eindexamen-focus

  • Je moet bij een gedrag de functie kunnen benoemen (voedsel zoeken, veiligheid of voortplanting) en uitleggen welk voordeel het het dier oplevert voor overleving of voortplanting.
  • Het examen verwacht dat je gedrag kunt verklaren met een kosten-batenafweging en dat je gedrag kunt koppelen aan fitness: een gedrag komt voor doordat het de voortplantingskansen van de voorouders heeft vergroot.

Veelgemaakte fouten

  • Fitness verwarren met lichamelijke fitheid of met enkel lang leven. Fitness in de biologie is de mate waarin een dier (overlevende) nakomelingen krijgt, niet hoe sterk of gezond het is.
  • Alleen de baten van gedrag noemen en de kosten vergeten. Een volledige verklaring weegt het voordeel (de baat) altijd af tegen energie, tijd en risico (de kosten).
  • Overleving als einddoel zien. Overleven is in evolutionair opzicht een middel: het telt pas mee als het uiteindelijk tot voortplanting en dus tot fitness leidt.

Actieve herhaling

Een grondeekhoorn die een roofvogel ziet, gaat luid alarmroepen waardoor soortgenoten kunnen vluchten, maar maakt zichzelf daarmee opvallend. Benoem de functie van dit gedrag en beredeneer met baten en kosten waarom dit alarmgedrag toch in de soort kan voorkomen.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 03

Interactie en communicatie#

●●○StandaardLPexamenblad-nl

Communicatie: van zender naar ontvanger

Communicatie tussen dierenGraaf, zender → signaal, signaal → ontvanger, ontvanger → reactiezendersignaalontvangerreactiezendtbereiktreageert
Afb. 4Communicatie verloopt van een zender via een signaal naar een ontvanger, die zijn gedrag aanpast. Zonder een ontvanger die reageert, is er geen communicatie.

Kernpunten

Veel dieren leven niet alleen, maar in groepen, en dan ontstaat er sociaal gedrag: gedrag van dieren van dezelfde soort ten opzichte van elkaar. Samenleven in een groep heeft duidelijke baten — samen merk je een vijand eerder op, kun je gezamenlijk jagen of warmte delen — maar ook kosten, zoals concurrentie om voedsel en het risico dat ziekten zich snel verspreiden. Om de groep te laten functioneren, moeten dieren hun gedrag op elkaar afstemmen, en daarvoor is informatie-uitwisseling nodig. Sociaal gedrag omvat dus zaken als samenwerken, elkaar verzorgen, conflicten oplossen en het verdedigen van een gebied. Denk aan een school vissen die als één geheel beweegt, of aan wolven die samen jagen. In alle gevallen geldt: sociaal gedrag werkt alleen als dieren elkaars signalen begrijpen — en daarmee komen we bij communicatie.
Communicatie is het overbrengen van informatie van een zender naar een ontvanger via een signaal, waarop de ontvanger zijn gedrag aanpast. In de figuur hiernaast zie je die keten: de zender produceert een signaal, het signaal bereikt de ontvanger, en die reageert. Dieren gebruiken allerlei soorten signalen: geluiden (de alarmroep van een vogel), houdingen en kleuren (een hond die zijn tanden laat zien), aanrakingen (apen die elkaars vacht verzorgen) en geuren. Een signaal werkt alleen als zender en ontvanger het op dezelfde manier opvatten; daarom is veel communicatie soortgebonden en vaak aangeboren. Het voordeel van communicatie is dat een dier het gedrag van een ander kan beïnvloeden zonder fysiek geweld — een dreighouding kan een gevecht voorkomen, wat voor beide dieren energie en risico bespaart.
Een bijzondere en voor het examen belangrijke vorm van geursignalen zijn feromonen. Een feromoon is een chemische stof die een dier afgeeft aan de omgeving en die bij een soortgenoot een bepaald gedrag of een bepaalde reactie oproept. Feromonen werken dus tússen individuen van dezelfde soort, in tegenstelling tot hormonen, die bínnen het lichaam van één individu werken — dat onderscheid wordt vaak gevraagd. Met feromonen kan een vrouwtjesvlinder over grote afstand mannetjes lokken, kunnen mieren een geurspoor naar voedsel leggen dat soortgenoten volgen, en kan een dier zijn territorium markeren. Het voordeel van feromonen is dat ze ook werken als de zender niet zichtbaar of zelfs niet meer aanwezig is, en dat ze met heel weinig stof een sterk effect hebben. Onthoud de kern: een feromoon is een chemisch signaal náár een soortgenoot, een hormoon een chemisch signaal bínnen het eigen lichaam.
Een veelvoorkomend resultaat van sociaal gedrag en communicatie is het territorium: een gebied dat een dier (of een groep) bezet en verdedigt tegen soortgenoten. Een territorium geeft de bezitter toegang tot voedsel, een nestplaats of partners, zonder voortdurende concurrentie. Het verdedigen kost echter energie en brengt risico mee, dus ook hier geldt een kosten-batenafweging: een territorium is alleen zinvol als de baten (exclusieve toegang tot voedsel en veilige voortplanting) opwegen tegen de kosten van het verdedigen. Dieren markeren hun territorium vaak met signalen — een vogel die zingt, een hond die geurmarkeringen plaatst — zodat soortgenoten van een afstand al weten dat het gebied bezet is. Dat bespaart gevechten: communicatie vervangt geweld. Zo zie je hoe sociaal gedrag, communicatie en de kosten-batenredenering uit de vorige paragraaf in elkaar grijpen.
Binnen een groep ontstaat vaak een rangorde: een vaste volgorde die bepaalt welk dier voorrang heeft bij voedsel, een rustplaats of een partner. Het bekendste voorbeeld is de 'pikorde' bij kippen, waarbij hoger geplaatste dieren lager geplaatste mogen verdringen. Een rangorde lijkt oneerlijk, maar heeft een duidelijke functie: zodra de volgorde eenmaal vaststaat, hoeven dieren niet bij elk meningsverschil opnieuw te vechten. Dat bespaart de hele groep energie en vermindert het risico op verwondingen — opnieuw een gunstige kosten-batenbalans. De rangorde wordt meestal bepaald en bevestigd door communicatie: dreighoudingen, geluiden en gebaren, in plaats van echte gevechten. Hoger geplaatste dieren hebben doorgaans betere toegang tot partners en voedsel, waardoor hun fitness hoger is. Territorium en rangorde zijn dus twee manieren waarop dieren met sociaal gedrag en communicatie de onvermijdelijke concurrentie in goede banen leiden.
Uitgewerkt voorbeeld

Feromoon of hormoon? Een vrouwtjesvlinder die mannetjes lokt

Een vrouwtjesnachtvlinder geeft een stofje af waardoor mannetjes van soms kilometers ver naar haar toe vliegen. Een ander stofje in haar eigen lichaam regelt de rijping van haar eitjes. Leg voor beide stofjes uit of het een feromoon of een hormoon is en beschrijf de communicatie met zender, signaal en ontvanger.

  1. 01Stap 1 — Wat doet het eerste stofje?

    Het eerste stofje wordt aan de omgeving afgegeven en roept gedrag op bij soortgenoten (de mannetjes vliegen naar haar toe). Een chemische stof die náár een soortgenoot werkt, is een feromoon.

  2. 02Stap 2 — Wat doet het tweede stofje?

    Het tweede stofje werkt bínnen het lichaam van het vrouwtje zelf en regelt daar de rijping van de eitjes. Een chemische stof die binnen het eigen lichaam een proces regelt, is een hormoon.

  3. 03Stap 3 — Beschrijf de communicatie

    Bij het feromoon is het vrouwtje de zender, het feromoon het signaal en het mannetje de ontvanger; het mannetje past zijn gedrag aan door naar de geur toe te vliegen. Dat is communicatie: informatie van een zender via een signaal naar een ontvanger.

Resultaat: Het lokstofje is een feromoon (het werkt náár soortgenoten), het stofje voor de eirijping is een hormoon (het werkt bínnen het eigen lichaam). De lokking verloopt als communicatie van zender (het vrouwtje) via signaal (het feromoon) naar ontvanger (het mannetje), die zijn gedrag aanpast.

Eindexamen-focus

  • Je moet communicatie kunnen beschrijven als het overbrengen van een signaal van een zender naar een ontvanger, en verschillende signaaltypen (geluid, houding, geur/feromoon, aanraking) met een functie kunnen herkennen.
  • Het examen toetst het verschil tussen een feromoon (chemisch signaal náár een soortgenoot) en een hormoon (chemisch signaal bínnen het eigen lichaam), en de functie van territorium en rangorde (concurrentie beperken, gevechten vermijden).

Veelgemaakte fouten

  • Feromoon en hormoon verwarren. Een feromoon werkt tússen dieren van dezelfde soort (naar buiten afgegeven); een hormoon werkt bínnen het lichaam van één dier (via het bloed).
  • Denken dat een rangorde of territorium 'onnodig agressief' is. De functie is juist het tegenovergestelde: een vaste rangorde en duidelijke territoriumgrenzen vermínderen gevechten en besparen energie en risico.
  • Vergeten dat communicatie een ontvanger nodig heeft die reageert. Een signaal zonder een ontvanger die er zijn gedrag op aanpast, is geen communicatie.

Actieve herhaling

Een mannetjesmerel zingt elke ochtend luid vanaf een vaste tak aan de rand van zijn tuin. Leg uit welke functie dit zingen kan hebben voor het afbakenen van een territorium, beschrijf de communicatie in termen van zender, signaal en ontvanger, en beredeneer met baten en kosten waarom zingen voordeliger kan zijn dan vechten.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

§ 04

Seksualiteit en voortplantingsgedrag#

●●●VerdiepingLPexamenblad-nl

Van balts tot nakomelingen

Van balts tot nakomelingenGraaf, baltsgedrag → partnerkeuze, partnerkeuze → paring, paring → ouderzorg, ouderzorg → nakomelingenbaltsgedragpartnerkeuzeparingouderzorgnakomelingenloktkiestjongenoverleven
Afb. 5Baltsgedrag, partnerkeuze, paring en ouderzorg leiden samen tot overlevende nakomelingen — het voortplantingssucces. Gedrag dat dit succes vergroot, wordt door natuurlijke selectie bevoordeeld.

Kernpunten

Voortplantingsgedrag omvat alle gedragingen die te maken hebben met het krijgen en grootbrengen van nakomelingen, van het kiezen van een partner tot de zorg voor de jongen. Centraal staat de partnerkeuze: het kiezen van een geschikte partner om mee voort te planten. Die keuze is geen toeval — vaak kiezen dieren (meestal de vrouwtjes) voor een partner met kenmerken die wijzen op goede gezondheid of goede genen, zoals een felle kleur, een groot gewei of een ingewikkelde zang. Het voordeel is dat de nakomelingen van zo'n partner een grotere kans hebben om zelf te overleven en zich voort te planten. Partnerkeuze is dus geen luxe maar een investering in de fitness: een goede keuze levert betere nakomelingen op. In de figuur hiernaast zie je hoe baltsgedrag, partnerkeuze, paring en ouderzorg samen leiden tot voortplantingssucces.
Voordat het tot paring komt, vertonen veel dieren baltsgedrag: opvallend gedrag waarmee een dier een partner lokt en imponeert. Baltsgedrag kan bestaan uit zang, een dans, het tonen van felle kleuren of het aanbieden van voedsel. Het heeft meerdere functies tegelijk: het trekt de aandacht van een mogelijke partner, het laat zien dat het dier gezond en sterk is, en het zorgt ervoor dat dieren van dezelfde soort elkaar herkennen — zodat ze niet per ongeluk met een andere soort paren. Baltsgedrag is vaak grotendeels aangeboren en bij een soort herkenbaar gelijk. Er zitten wel kosten aan: opvallend baltsen kost energie en maakt het dier zichtbaar voor vijanden. Dat het tóch voorkomt, laat zien dat de baten — een grotere kans op een goede partner en dus op voortplanting — voor de fitness zwaarder wegen dan de kosten. Hier zie je de kosten-batenredenering opnieuw terug.
Na de paring volgt bij veel soorten ouderzorg: het beschermen en verzorgen van eieren of jongen totdat die voor zichzelf kunnen zorgen. Ouderzorg kost de ouders veel energie, tijd en risico, maar vergroot de overlevingskans van de nakomelingen sterk. Hier speelt een belangrijke afweging tussen twee strategieën. Sommige dieren krijgen heel veel nakomelingen en zorgen er nauwelijks voor (zoals een vis met duizenden eitjes); andere krijgen weinig nakomelingen maar investeren veel zorg in elk (zoals een vogel of een zoogdier). Beide kunnen succesvol zijn: bij weinig zorg overleeft een klein deel van de vele jongen, bij veel zorg overleeft een groot deel van de weinige jongen. Welke strategie het meeste oplevert, hangt af van de omgeving. In alle gevallen draait het om hetzelfde: zo veel mogelijk nakomelingen die zélf overleven en zich voortplanten — oftewel een zo hoog mogelijke fitness.
Ook bij de mens speelt voortplantingsgedrag, al is dat sterk verweven met gevoelens, relaties en cultuur. Seksualiteit bij de mens gaat over meer dan alleen voortplanting: het heeft ook een belangrijke functie in het aangaan en versterken van een band tussen partners. Tijdens de puberteit zorgen geslachtshormonen voor de lichamelijke en seksuele rijping, waardoor voortplanting mogelijk wordt; tegelijk ontwikkelen jongeren gevoelens van verliefdheid en seksuele aantrekking. Anders dan bij veel dieren is menselijk seksueel gedrag niet aan een vaste vruchtbare periode gebonden, en wordt het sterk bepaald door persoonlijke keuze, normen en waarden. Het is belangrijk om hier respectvol en met aandacht voor de verschillen tussen mensen naar te kijken: mensen verschillen in wie ze aantrekkelijk vinden en in hoe ze hun seksualiteit beleven. Biologisch gezien blijft de basis hetzelfde als bij dieren — partnerkeuze, een band en zorg voor nakomelingen — maar bij de mens komt daar een grote rol van gevoel en cultuur bij.
Tot slot brengt voortplantingsgedrag alles van dit onderwerp samen rond één begrip: voortplantingssucces, het aantal nakomelingen dat een dier krijgt dat zélf weer overleeft en zich voortplant — de kern van fitness. Gedrag dat het voortplantingssucces vergroot, zoals een goede partnerkeuze, doeltreffend baltsgedrag of effectieve ouderzorg, wordt door natuurlijke selectie bevoordeeld: omdat zulk gedrag (deels) erfelijk is en tot meer nakomelingen leidt, komt het in volgende generaties steeds vaker voor. Zo verklaart de selectie waarom dieren juist díé partner kiezen, díé balts uitvoeren en zóveel zorg geven als ze doen: het zijn telkens gedragingen die bij hun voorouders de meeste overlevende nakomelingen opleverden. Wanneer je in een examenvraag voortplantingsgedrag moet verklaren, gebruik je dus dezelfde redenering als in het hele onderwerp: benoem het gedrag en zijn functie, weeg baten tegen kosten, en koppel het via fitness en voortplantingssucces aan de natuurlijke selectie.
Uitgewerkt voorbeeld

Veel of weinig nakomelingen? Twee strategieën vergeleken

Een zeevis legt duizenden eitjes en laat ze daarna aan hun lot over; een pinguïn legt één ei en verzorgt het jong maandenlang. Beredeneer waarom beide strategieën evenveel voortplantingssucces kunnen opleveren en koppel je antwoord aan fitness.

  1. 01Stap 1 — Vergelijk de baten en kosten

    De vis investeert nauwelijks zorg (lage kosten per ei), maar van de duizenden eitjes overleeft slechts een klein deel. De pinguïn investeert veel zorg (hoge kosten per jong), waardoor juist een groot deel van zijn ene jong overleeft.

  2. 02Stap 2 — Wat bepaalt het voortplantingssucces?

    Voortplantingssucces is niet het aantal eitjes of jongen, maar het aantal nakomelingen dat zélf overleeft en zich voortplant. Veel jongen met weinig zorg én weinig jongen met veel zorg kunnen onder de streep evenveel overlevende nakomelingen opleveren.

  3. 03Stap 3 — Koppel aan fitness en selectie

    Beide strategieën kunnen dus tot een vergelijkbare fitness leiden. Welke strategie in een soort voorkomt, hangt af van de omgeving; de natuurlijke selectie heeft per soort de strategie bevoordeeld die daar de meeste overlevende nakomelingen opleverde.

Resultaat: Beide strategieën kunnen evenveel voortplantingssucces geven, omdat het niet om het áántal eitjes of jongen gaat, maar om hoeveel nakomelingen overleven en zich voortplanten. Veel jongen met weinig zorg en weinig jongen met veel zorg leiden langs verschillende wegen tot dezelfde maat — een hoge fitness — en de selectie kiest per soort de strategie die in die omgeving het best werkt.

Eindexamen-focus

  • Je moet kunnen uitleggen hoe partnerkeuze, baltsgedrag en ouderzorg bijdragen aan het voortplantingssucces, en dit met een kosten-batenafweging kunnen onderbouwen.
  • Het examen verwacht dat je voortplantingsgedrag kunt koppelen aan natuurlijke selectie: erfelijk gedrag dat het voortplantingssucces (de fitness) vergroot, komt in volgende generaties vaker voor.

Veelgemaakte fouten

  • Denken dat 'veel nakomelingen' altijd het meeste voortplantingssucces geeft. Wat telt zijn nakomelingen die zélf overleven; soms levert weinig nakomelingen met veel ouderzorg méér overlevende jongen op.
  • Baltsgedrag alleen als 'mooi vertoon' zien. Het heeft duidelijke functies — een partner lokken, gezondheid tonen én soortgenoten laten herkennen — en het kost energie en veiligheid.
  • Voortplantingssucces gelijkstellen aan paren. Het gaat niet om het aantal paringen, maar om het aantal nakomelingen dat overleeft en zich op zijn beurt voortplant.

Actieve herhaling

Bij pauwen heeft het mannetje een enorme, opvallende staart die hij tijdens de balts uitspreidt, terwijl het vrouwtje onopvallend is. Beredeneer met partnerkeuze, baten en kosten en natuurlijke selectie waarom zo'n grote staart bij mannetjespauwen kan zijn ontstaan, ook al maakt die staart het mannetje opvallender voor vijanden.

Actief ophalen

Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.

Bronnen: Examenprogramma biologie (HAVO) (CvTE / Examenblad)

Inhoud

Sectie -- / 04

    • 01Aangeboren en aangeleerd gedrag○
    • 02Functies van gedrag◐
    • 03Interactie en communicatie◐
    • 04Seksualiteit en voortplantingsgedrag●

0/4 Gelezen

Van samenvatting naar oefening

Gedrag, interactie en seksualiteit

Verstevig dit onderwerp met vragen uit de vragenbank.

~26
min
4
Vaardigheden
Oefenen

Referenties en bronnen

Bronnen

CvTE / Examenblad

  • Examenprogramma biologie (HAVO)

Vorig onderwerp

Zelforganisatie van het organisme

Volgend onderwerp

Voortplanting van het organisme

EuraStudy·Samenvattingen T·14·MMXXVI

Ga verder met het volgende onderwerp — je leerpad blijft bewaard.