Domein A bundelt de vaardigheden die door heel wiskunde D heen lopen: nauwkeurig redeneren met beweringen en kwantoren, en wiskundige uitspraken echt bewijzen — direct, uit het ongerijmde en met volledige inductie. Je leert het verschil tussen een voorbeeld en een sluitend bewijs, en je gebruikt algemene en vakspecifieke vaardigheden als modelleren en ICT. Wiskunde D kent geen centraal examen; deze stof wordt in het schoolexamen (SE) in samenhang met alle andere domeinen getoetst.
4 Onderdelen~22 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Domein A is geen los examenonderdeel maar loopt door alle domeinen van wiskunde D heen; in het schoolexamen (SE) wordt het altijd in samenhang met de inhoud (kansrekening, dynamische systemen, meetkunde, complexe getallen) getoetst. Beheers minimaal: een bewering met kwantoren lezen, een direct bewijs geven en het schema van volledige inductie toepassen.
verhoogd niveau
Verdieping: een bewijs uit het ongerijmde zelfstandig opzetten (zoals de irrationaliteit van √2), volledige inductie op ongelijkheden en deelbaarheid toepassen, en de logische structuur (contrapositie, nodig versus voldoende) foutloos hanteren. Deze redeneervaardigheid is de rode draad naar de bewijzen in de meetkunde (domein D) en bij de complexe getallen (domein E).
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Tegenvoorbeeld: y = x² ligt onder y = x op (0, 1)
Implicatie (als-dan)
Alleen onwaar als P waar is en Q onwaar. P is voldoende voor Q; Q is nodig voor P.
Contrapositie
De contrapositie is altijd gelijkwaardig aan de implicatie; de omkering Q ⇒ P is dat niet.
Ontkenning van een voor-alle-bewering
Eén tegenvoorbeeld — een x waarvoor P niet geldt — weerlegt „voor alle x geldt P(x)”.
Weerleg de bewering: voor elk reëel getal geldt .
De bewering is een „voor alle”-uitspraak. Om haar te weerleggen volstaat één reëel getal x waarvoor x² ≥ x niet geldt, dus waarvoor x² < x.
Tussen 0 en 1 is een getal groter dan zijn eigen kwadraat. Neem x = 1/2.
Bereken x² en vergelijk met x.
Bij x = 1/2 geldt x² < x, dus de bewering „voor alle x geldt x² ≥ x” is onwaar (zie ook Afb. 1).
Resultaat: De bewering is onwaar; x = 1/2 is een tegenvoorbeeld, want (1/2)² = 1/4 < 1/2.
Gegeven: is een geheel getal. Toon met de contrapositie aan dat als even is, ook even is.
De bewering „als n² even, dan n even” is gelijkwaardig aan haar contrapositie: „als n oneven, dan n² oneven”. Die bewijzen we.
Een oneven getal schrijf je als n = 2k + 1 met k geheel.
Werk het kwadraat uit en haal een factor 2 buiten haakjes.
n² heeft de vorm 2m + 1, dus n² is oneven. Daarmee is de contrapositie bewezen, en dus ook de oorspronkelijke bewering.
Resultaat: Omdat de contrapositie „n oneven ⇒ n² oneven” klopt, geldt ook „n² even ⇒ n even”.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschouw de bewering: „voor elk geheel getal n is n² + n + 41 een priemgetal”. (a) Controleer de bewering voor n = 0, 1 en 2. (b) Toon met een tegenvoorbeeld aan dat de bewering onwaar is (tip: probeer n = 41). (c) Formuleer de ontkenning van de bewering met een kwantor.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
De logische keten van het ongerijmde-bewijs van √2
Definitie even (en oneven: n = 2k + 1)
Met deze definities wordt een bewering over pariteit algebraïsch narekenbaar.
Kernstap in het ongerijmde-bewijs
Kwadrateren van de aanname; hieruit volgt dat a even is.
Naar de tegenspraak
Ook b blijkt even, in tegenspraak met ggd(a, b) = 1.
Toon met een direct bewijs aan dat het product van twee opeenvolgende gehele getallen even is.
Twee opeenvolgende gehele getallen zijn n en n + 1, met n geheel.
Van twee opeenvolgende getallen is er precies één even. Is n even, dan n = 2k; is n oneven, dan is n + 1 even, dus n + 1 = 2k.
Met n = 2k is het product 2k(2k + 1) = 2 · (k(2k + 1)), een veelvoud van 2.
In beide gevallen is het product een veelvoud van 2, dus even. (Is n oneven, dan haal je de factor 2 uit n + 1 = 2k.)
Resultaat: Het product van twee opeenvolgende gehele getallen is altijd even.
Bewijs dat niet als breuk van gehele getallen te schrijven is.
Stel dat √2 wél een breuk is: √2 = a/b met a, b geheel en de breuk vereenvoudigd, dus ggd(a, b) = 1.
Kwadrateren en kruislings vermenigvuldigen geeft een verband tussen a² en b².
a² is even (het is 2b²), dus a is even. Schrijf a = 2c en vul in.
Ook b² is even, dus b is even. Nu zijn a en b beide even, dus allebei deelbaar door 2 — in tegenspraak met ggd(a, b) = 1.
De aanname leidt tot een tegenspraak en is dus onhoudbaar. Er bestaat geen zulke breuk: √2 is irrationaal.
Resultaat: √2 is irrationaal: de aanname √2 = a/b (vereenvoudigd) leidt tot „a en b beide even”, een tegenspraak.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
(a) Toon met een direct bewijs aan dat de som van twee oneven getallen even is. (b) Bewijs uit het ongerijmde dat er geen grootste geheel getal bestaat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
Deelsommen van de oneven getallen zijn kwadraten
Som van de eerste n oneven getallen
De deelsommen zijn precies de kwadraten (zie Afb. 3).
Som van de eerste n natuurlijke getallen
Een tweede standaardidentiteit die je met inductie bewijst.
De inductiestap
De inductiehypothese S_k = k² wordt ingevuld; het resultaat heeft precies de vorm voor k + 1.
Bewijs met volledige inductie dat voor alle gehele geldt: .
Voor n = 1 is de linkerkant het eerste oneven getal, 1, en de rechterkant 1² = 1. Beide zijn gelijk, dus A(1) klopt.
Neem aan dat de bewering waar is voor een zekere k ≥ 1.
Tel bij beide kanten het volgende oneven getal 2(k + 1) − 1 = 2k + 1 op en gebruik de hypothese.
De rechterkant is een merkwaardig product.
A(k) ⇒ A(k + 1), en A(1) klopt, dus de identiteit geldt voor alle n ≥ 1.
Resultaat: Voor alle n ≥ 1 geldt 1 + 3 + ⋯ + (2n − 1) = n².
Bewijs met volledige inductie dat voor alle gehele geldt: .
Links 1, rechts 1 · 2 / 2 = 1. Gelijk, dus A(1) klopt.
Neem aan dat de formule geldt voor k.
Tel k + 1 op bij beide kanten en breng op één noemer.
De rechterkant is de formule met n = k + 1, dus A(k) ⇒ A(k + 1). Met de basisstap volgt dat de formule voor alle n ≥ 1 geldt.
Resultaat: Voor alle n ≥ 1 geldt 1 + 2 + ⋯ + n = n(n + 1)/2.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bewijs met volledige inductie dat voor elk geheel getal n ≥ 1 geldt: 1² + 2² + 3² + ⋯ + n² = n(n + 1)(2n + 1)/6. Voer zowel de basisstap als de inductiestap volledig uit.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
De modelleercyclus
Exponentieel model
Een veelgebruikt groeimodel: beginwaarde N₀ en groeifactor g per tijdstap t. Bij verdubbeling is g = 2.
Lineair model
Het eenvoudigste model voor een lineair verband; a is de richtingscoëfficiënt, b de startwaarde (het snijpunt met de y-as).
Een bacteriecultuur begint met 500 bacteriën en verdubbelt elk uur. (a) Stel een model op voor het aantal bacteriën na uur. (b) Bereken na 6 uur. (c) Hoe zou je met ICT het model controleren?
Aanname: de cultuur verdubbelt elk uur precies (constante groeifactor 2, met genoeg ruimte en voeding). Dan is het model exponentieel met beginwaarde 500 en groeifactor 2.
Vul t = 6 in; 2⁶ = 64.
Zet t = 0, 1, 2, … in een spreadsheet met telkens ×2, of plot N(t) = 500 · 2^t op de grafische rekenmachine, en vergelijk de modelwaarden met gemeten aantallen.
In het echt stopt de groei door ruimte- en voedselgebrek; het exponentiële model geldt alleen voor de beginfase. Dat is de validatiestap uit de modelleercyclus (Afb. 4).
Resultaat: (a) N(t) = 500 · 2^t; (b) N(6) = 32 000 bacteriën; (c) natekenen in een spreadsheet of op de GR en met metingen vergelijken.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een kop thee van 90 °C koelt af in een kamer van 20 °C. Na 10 minuten is de thee 60 °C. (a) Leg uit welke aannames je maakt om dit met een model te beschrijven. (b) Beschrijf hoe je met ICT (bijvoorbeeld een spreadsheet of grafische rekenmachine) het afkoelmodel kunt natekenen en aan de meting kunt toetsen. (c) Noem één beperking van je model.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — examenprogramma wiskunde D (VWO) (CvTE / DUO)
Referenties en bronnen