Dit onderwerp legt de rekenkundige en algebraïsche basis voor de hele wiskunde A: rekenen met machten (ook negatieve en gebroken exponenten) en wortels, wetenschappelijke notatie en afronden op significante cijfers, algebraïsch herleiden en ontbinden, en het exact oplossen van lineaire en kwadratische vergelijkingen. Daarnaast frissen we procenten en groeifactoren op tot eindexamenniveau, met als sleutelgedachte dat een procentuele verandering hetzelfde is als vermenigvuldigen met een groeifactor. Deze technieken zijn examenstof en keren in vrijwel elke andere opgave terug als gereedschap.
4 Onderdelen~26 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 3
basisniveau
Dit is gereedschap voor het hele centraal examen: machten, herleiden, vergelijkingen oplossen en groeifactoren gebruik je in bijna elke contextopgave, dus beheers ze vlot en foutloos.
verhoogd niveau
Wie verder reikt, kiest bewust de handigste techniek (ontbinden, abc-formule of kwadraatafsplitsen), werkt volledig exact met wortels en gebroken exponenten, en schakelt moeiteloos tussen procenten, groeifactoren en machten.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — Exponentiële groei y = 2·1,5^x
Machten vermenigvuldigen en delen
Zelfde grondtal: bij vermenigvuldigen tel je de exponenten op, bij delen trek je ze af.
Macht van een macht en van een product
Een macht van een macht geeft het product van de exponenten; een macht van een product verdeel je over de factoren (niet over een som).
Nul- en negatieve exponent
Elk grondtal (behalve 0) tot de macht 0 is 1; een negatieve exponent zet de macht onder de deelstreep.
Wortels als gebroken exponenten
De n-de-machtswortel is de macht met exponent 1/n; een breukexponent combineert een macht en een wortel.
Wetenschappelijke notatie
Het significantiegetal a ligt tussen 1 en 10; de macht van tien geeft de grootteorde.
Herleid tot één macht van a (met a > 0): (a^5 · a^{-2}) / a^4. Schrijf daarna a^{1/2} als wortel en licht toe waarom een negatieve exponent geen negatief getal geeft.
Zelfde grondtal, dus exponenten optellen: a^5 · a^{-2} = a^{5 + (-2)} = a^3.
Bij delen de exponenten aftrekken: a^3 / a^4 = a^{3-4} = a^{-1}.
a^{-1} betekent 1 gedeeld door a^1, dus 1/a. Dat is een breuk, geen negatief getal: voor a > 0 is 1/a positief.
Een exponent 1/2 is de vierkantswortel: a^{1/2} = √a.
Resultaat: De uitdrukking is gelijk aan a^{-1} = 1/a, en a^{1/2} = √a. Een negatieve exponent zet het grondtal onder de deelstreep; hij maakt het getal niet negatief.
Bereken (3,0 · 10^8) × (2,0 · 10^{-3}) en geef het antwoord in wetenschappelijke notatie met 2 significante cijfers. Schrijf ter controle ook 0,00000642 in wetenschappelijke notatie.
Vermenigvuldig eerst de getallen vóór de macht van tien: 3,0 × 2,0 = 6,0.
Zelfde grondtal 10, dus exponenten optellen: 10^8 · 10^{-3} = 10^{8 + (-3)} = 10^5.
Het product is 6,0 · 10^5. Het significantiegetal 6,0 ligt tussen 1 en 10, dus de notatie is al goed; met 2 significante cijfers blijft het 6,0 · 10^5.
Schuif de komma in 0,00000642 zes plaatsen naar rechts tot 6,42; dat kostte 6 plaatsen naar rechts, dus n = −6.
Resultaat: (3,0 · 10^8) × (2,0 · 10^{-3}) = 6,0 · 10^5, en 0,00000642 = 6,42 · 10^{-6}. Reken de significantiegetallen en de machten van tien altijd apart uit.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Herleid tot één macht van a (met a > 0): ((a^3)^2 · a^{-1}) / √a. Schrijf het antwoord zowel met een gebroken exponent als met een wortel, en bereken de waarde voor a = 4.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Afb. 2 — Oppervlaktemodel voor (x + 3)(x + 2)
Kwadraat van som en verschil
Vergeet het dubbele product 2ab niet; dat is precies de fout (a+b)^2 = a^2 + b^2.
Verschil van twee kwadraten
Product van som en verschil; andersom herken je a^2 − b^2 meteen als (a+b)(a−b).
Ontbinden van x² + bx + c
Zoek twee getallen met som b en product c; dat paar levert de factoren.
Breuken gelijknamig optellen
Maak de noemers gelijk; optellen kan alleen bij gelijke noemers.
Werk de haakjes weg en herleid zo ver mogelijk: (2x + 3)^2 − (x − 1)(x + 1).
Gebruik (a+b)^2 = a^2 + 2ab + b^2 met a = 2x en b = 3: (2x+3)^2 = 4x^2 + 12x + 9.
Gebruik (a+b)(a−b) = a^2 − b^2 met a = x en b = 1: (x−1)(x+1) = x^2 − 1.
Trek de tweede uitdrukking af en voer het minteken over beide termen door: 4x^2 + 12x + 9 − (x^2 − 1) = 4x^2 + 12x + 9 − x^2 + 1.
4x^2 − x^2 = 3x^2 en 9 + 1 = 10, de 12x blijft staan.
Resultaat: (2x + 3)^2 − (x − 1)(x + 1) = 3x^2 + 12x + 10. Let op het dubbele product 12x in het kwadraat en op het minteken dat je over de héle tweede haak doorvoert.
Ontbind de teller in factoren en vereenvoudig: (x^2 − 5x + 6) / (x − 2). Vermeld voor welke x de breuk niet bestaat.
Zoek twee getallen met som −5 en product 6: dat zijn −2 en −3. Dus x^2 − 5x + 6 = (x − 2)(x − 3).
Teller en noemer hebben de factor (x − 2) gemeen; die mag je wegstrepen omdat het een factor is (geen term).
Delen door nul mag niet, dus de noemer x − 2 mag geen 0 zijn: x ≠ 2. Voor x = 2 bestaat de breuk niet.
Resultaat: (x^2 − 5x + 6) / (x − 2) = x − 3, mits x ≠ 2. Strepen mag pas na ontbinden en alleen bij een gemeenschappelijke factor.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Herleid (x^2 − 9) / (x^2 + 6x + 9) door teller en noemer te ontbinden, en geef aan voor welke x de breuk niet bestaat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Afb. 3 — De parabool y = x²−4x+3 met nulpunten en top
Afb. 4 — Oplossing van de ongelijkheid x²−4x+3 < 0
Lineaire vergelijking
Breng b naar rechts en deel door a; er is precies één oplossing.
De abc-formule
Lost elke kwadratische vergelijking ax^2 + bx + c = 0 op; let op de ± en op het teken van b.
De discriminant
D > 0: twee oplossingen; D = 0: één; D < 0: geen reële oplossing.
x-waarde van de top
De symmetrieas van de parabool; ligt precies midden tussen de nulpunten.
Los exact op: x^2 − 4x + 3 = 0. Doe het via ontbinden én via de abc-formule, en controleer je antwoord met de grafiek in Afb. 3.
Zoek twee getallen met som −4 en product 3: dat zijn −1 en −3. Dus x^2 − 4x + 3 = (x − 1)(x − 3) = 0.
Een product is nul als een factor nul is: x − 1 = 0 of x − 3 = 0, dus x = 1 of x = 3.
Met a = 1, b = −4, c = 3: D = (−4)^2 − 4·1·3 = 16 − 12 = 4. Omdat D > 0 zijn er twee oplossingen.
x = (−b ± √D)/(2a) = (4 ± 2)/2, dus x = 3 of x = 1.
De parabool in Afb. 3 snijdt de x-as bij x = 1 en x = 3 — precies de gevonden oplossingen; de top (2, −1) ligt ertussen.
Resultaat: x = 1 of x = 3. Beide methoden geven hetzelfde, en dat klopt met de nulpunten van de parabool in Afb. 3. Let bij de abc-formule op: b = −4, dus −b = +4.
Los exact op: x^2 − 2x − 4 = 0. Gebruik de abc-formule en controleer met kwadraatafsplitsen.
Met a = 1, b = −2, c = −4: D = (−2)^2 − 4·1·(−4) = 4 + 16 = 20.
√20 = √(4·5) = 2√5, want √4 = 2.
x = (2 ± 2√5)/2 = 1 ± √5. Numeriek: x ≈ 3,24 of x ≈ −1,24.
x^2 − 2x − 4 = (x − 1)^2 − 1 − 4 = (x − 1)^2 − 5 = 0, dus (x − 1)^2 = 5 en x − 1 = ±√5, oftewel x = 1 ± √5 — hetzelfde antwoord.
Resultaat: x = 1 + √5 of x = 1 − √5 (ongeveer 3,24 en −1,24). Bij worteltrekken hoort altijd de ±; vergeet die niet, anders mis je een oplossing.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Los exact op: 2x^2 − 3x − 2 = 0. Bereken eerst de discriminant, gebruik daarna de abc-formule, en controleer je antwoord door te ontbinden.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Afb. 5 — Samengestelde groei (×1,1) versus enkelvoudige groei (+€100)
Groeifactor uit een percentage
Een verandering van p procent is vermenigvuldigen met de groeifactor g.
Herhaalde (samengestelde) groei
n keer met dezelfde factor g vermenigvuldigen is de macht g^n.
Procentuele verandering
Altijd delen door het oude (begin)getal; dat grondtal bepaalt het percentage.
Kruislings vermenigvuldigen
Voor evenredige grootheden; handig bij verhoudingstabellen.
Een spaarbedrag van €1000 groeit met 10% samengestelde rente per jaar. Bepaal de groeifactor en het saldo na 5 jaar, en vergelijk met €100 vaste (enkelvoudige) bijschrijving per jaar (zie Afb. 5).
Een toename van 10% is vermenigvuldigen met g = 1 + 10/100 = 1,1.
Vijf keer met 1,1 vermenigvuldigen is de macht 1,1^5 = 1,61051. Dus 1000 · 1,1^5 = 1610,51 euro.
Elk jaar komt er een vast bedrag van €100 bij: 1000 + 5 · 100 = 1500 euro.
Het verschil is 1610,51 − 1500 = 110,51 euro in het voordeel van de samengestelde groei; dat verschil groeit elk volgend jaar sneller (zie de staven in Afb. 5).
Resultaat: Groeifactor 1,1; het samengestelde saldo is 1000 · 1,1^5 = 1610,51 euro tegen €1500 bij enkelvoudige bijschrijving — een verschil van €110,51 dat elk jaar sneller oploopt.
Een product wordt eerst 20% duurder en daarna 20% goedkoper. Met welk percentage is de prijs in totaal veranderd?
20% duurder is vermenigvuldigen met g₁ = 1 + 20/100 = 1,20.
20% goedkoper is vermenigvuldigen met g₂ = 1 − 20/100 = 0,80.
Opeenvolgende veranderingen vermenigvuldig je: g = 1,20 · 0,80 = 0,96.
0,96 = 1 − 0,04, dus een groeifactor kleiner dan 1: de prijs is per saldo 4% gedaald, niet 0%. De 20% korting geldt namelijk over een hogere tussenprijs dan de 20% verhoging.
Resultaat: De totale groeifactor is 1,20 · 0,80 = 0,96, dus de prijs is per saldo 4% gedaald. Percentages van verschillende grondtallen mag je niet zomaar tegen elkaar wegstrepen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een auto van €24000 verliest per jaar 15% van zijn waarde. Bepaal de groeifactor, bereken de waarde na 3 jaar, en bepaal met hoeveel procent de auto in die 3 jaar in totaal in waarde is gedaald (rond af op één decimaal).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenblad.nl — wiskunde A (VWO) (CvTE / DUO)
Referenties en bronnen
CvTE / DUO