Zuren en basen volgens Brønsted als proton-donoren en -acceptoren, met geconjugeerde zuur-baseparen en amfolyten. Je leert de pH-schaal begrijpen vanuit het evenwicht van water (Kw), de pH van sterke zuren en basen berekenen, met Ka/Kb rekenen aan zwakke zuren en buffers, en een titratiecurve interpreteren om het equivalentiepunt en de juiste indicator te bepalen.
4 Onderdelen~12 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Voor het CE bereken je pH van sterke zuren/basen en lees je Ka af uit BINAS.
verhoogd niveau
In de profielverdieping reken je aan zwakke zuren, buffers en titratiecurves met Ka/Kb en evenwichtsbenaderingen.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Geconjugeerde zuur-baseparen
Wijs in NH₃ + H₂O ⇌ NH₄⁺ + OH⁻ de twee geconjugeerde zuur-baseparen aan en benoem de rol van water.
H₂O staat een proton af aan NH₃; H₂O werkt hier dus als zuur en NH₃ als base.
Water (zuur) en zijn geconjugeerde base OH⁻ vormen het paar H₂O / OH⁻.
Ammoniak (base) en zijn geconjugeerd zuur NH₄⁺ vormen het paar NH₄⁺ / NH₃.
Resultaat: De paren zijn H₂O/OH⁻ en NH₄⁺/NH₃; water treedt hier op als zuur (amfolyt).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Geef voor de reactie NH₃ + H₂O ⇌ NH₄⁺ + OH⁻ de twee geconjugeerde zuur-baseparen en benoem de rol van water.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: BINAS informatieboek — tabel 49 (zuren en basen) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
De pH-schaal
Water-evenwicht en pH
Het ionproduct van water is constant bij 25 °C; pH en pOH zijn logaritmische maten die samen 14 opleveren.
Bereken de pH van 0,010 mol/L HCl en van 0,010 mol/L NaOH.
HCl ioniseert volledig, dus [H₃O⁺] = 0,010 mol/L; pH = −log(0,010) = 2,0.
NaOH geeft [OH⁻] = 0,010 mol/L; pOH = −log(0,010) = 2,0.
pH = 14 − pOH = 14 − 2,0 = 12,0.
Resultaat: 0,010 mol/L HCl heeft pH 2,0; 0,010 mol/L NaOH heeft pH 12,0.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bereken de pH van een oplossing van 0,010 mol/L zoutzuur (HCl) en van een oplossing van 0,010 mol/L natronloog (NaOH).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde VWO — pH en het water-evenwicht (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Zuurconstanten van zwakke zuren
Zwak zuur: Ka en pH
De wortelbenadering geldt als de ionisatie klein is; Ka en Kb van een geconjugeerd paar zijn via Kw gekoppeld.
Bereken de pH van 0,10 mol/L azijnzuur (Ka = 1,8·10⁻⁵).
Azijnzuur is zwak, dus [H₃O⁺] = √(Ka·c) = √(1,8·10⁻⁵ × 0,10).
√(1,8·10⁻⁶) = 1,34·10⁻³ mol/L.
pH = −log(1,34·10⁻³) = 2,9.
Resultaat: De pH is 2,9 — hoger (minder zuur) dan de pH 1,0 van 0,10 mol/L HCl, doordat azijnzuur maar gedeeltelijk ioniseert.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bereken de pH van 0,10 mol/L azijnzuur (Ka = 1,8·10⁻⁵) met de wortelbenadering en leg uit waarom deze pH hoger is dan die van 0,10 mol/L zoutzuur.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: BINAS informatieboek — tabel 49 (Ka-waarden) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Titratiecurve (sterk zuur met sterke base)
Titratieberekening (1:1)
Bij een neutralisatie met molverhouding 1:1 is bij het equivalentiepunt het aantal mol zuur gelijk aan het aantal mol base.
Bij het titreren van 25,0 mL zoutzuur is bij het equivalentiepunt 20,0 mL NaOH van 0,100 mol/L verbruikt. Bereken de concentratie van het zoutzuur.
n(NaOH) = c·V = 0,100 × 0,0200 = 2,00·10⁻³ mol.
HCl + NaOH → NaCl + H₂O is 1:1, dus n(HCl) = n(NaOH) = 2,00·10⁻³ mol.
c(HCl) = n/V = 2,00·10⁻³ / 0,0250 = 0,0800 mol/L.
Resultaat: De concentratie van het zoutzuur is 0,0800 mol/L.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bij de titratie van 25,0 mL zoutzuur is bij het equivalentiepunt 20,0 mL natronloog van 0,100 mol/L toegevoegd. Bereken de concentratie van het zoutzuur.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde VWO — zuur-basetitratie (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)