Van het macroscopische gedrag van stoffen naar het deeltjesniveau: hoe de atoommodellen van Dalton, Thomson, Rutherford, Bohr en Schrödinger stap voor stap zijn ontstaan, en hoe protonen, neutronen en elektronen de identiteit, lading en massa van een atoom of ion bepalen. Je leert p, n en e tellen, isotopen en gemiddelde atoommassa berekenen en het verband leggen tussen schillen, energieniveaus en atoomspectra.
4 Onderdelen~14 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 2 · Standaard 2
basisniveau
Voor het CE moet je vlot p, n en e kunnen tellen, isotopen en gemiddelde atoommassa berekenen en het schillenmodel gebruiken; BINAS levert atoommassa's en isotoopgegevens.
verhoogd niveau
In de profielverdieping (NT/NG) koppel je het schillenmodel aan het orbitaalmodel en aan atoomspectra (Bohr, energieniveaus), en beoordeel je modellen naar hun toepassingsgebied.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Schillenmodel van natrium
Bohr-energieniveaus van het waterstofatoom
De energie van een elektron op schil n is negatief (gebonden toestand); bij n → ∞ (ionisatie) nadert de energie 0.
Een leerling wil de kleur van het licht verklaren dat een natriumlamp uitzendt. Beoordeel of het model van Dalton hiervoor volstaat en welk model wél geschikt is.
Het uitzenden van licht met een bepaalde kleur betekent dat er straling met een vaste energie (golflengte) vrijkomt. Dat vraagt om een model met gekwantiseerde energieniveaus.
Dalton beschrijft atomen als ondeelbare bollen zonder inwendige structuur en zonder energieniveaus. Het kan het uitzenden van licht met een specifieke energie niet verklaren.
Het model van Bohr kent schillen met vaste energie E_n; bij een sprong van een hogere naar een lagere schil komt een lichtquant vrij met energie ΔE = E_hoog − E_laag, wat de vaste kleur verklaart.
Resultaat: Het model van Dalton volstaat niet; het model van Bohr (gekwantiseerde energieniveaus) verklaart de vaste kleur van het uitgezonden licht.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg met de verstrooiingsproef van Rutherford uit waarom het krentenbroodmodel van Thomson verworpen moest worden, en beschrijf het atoombeeld dat eruit volgt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde VWO — domein stoffen en materialen (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Subatomaire deeltjes
Bepaal het aantal protonen, neutronen en elektronen in het chloride-ion .
Het atoomnummer Z = 17, dus er zijn 17 protonen. Dit maakt het per definitie een chlooratoom.
Het massagetal A = 35, dus het aantal neutronen N = A − Z = 35 − 17 = 18.
De lading is 1−, dus het deeltje heeft één elektron méér dan protonen: aantal elektronen = 17 − (−1) = 18.
Resultaat: Het ion bevat 17 protonen, 18 neutronen en 18 elektronen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bepaal het aantal protonen, neutronen en elektronen in het ion en licht elke stap toe.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: BINAS informatieboek — tabel 25 (nuclidegegevens) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Massaspectrum van chloor
Gewogen gemiddelde atoommassa
Elke isotoopmassa wordt vermenigvuldigd met zijn fractie; de som is de gemiddelde atoommassa.
Chloor bestaat uit 75,77 % ³⁵Cl (34,97 u) en 24,23 % ³⁷Cl (36,97 u). Bereken de gemiddelde atoommassa.
f(³⁵Cl) = 75,77/100 = 0,7577 en f(³⁷Cl) = 24,23/100 = 0,2423.
m̄ = 0,7577 × 34,97 + 0,2423 × 36,97.
0,7577 × 34,97 = 26,50 u en 0,2423 × 36,97 = 8,96 u; samen 26,50 + 8,96 = 35,45 u.
Resultaat: De gemiddelde atoommassa van chloor is 35,45 u, in overeenstemming met BINAS.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Broom bestaat uit 50,7 % ⁷⁹Br (78,92 u) en 49,3 % ⁸¹Br (80,92 u). Bereken de gemiddelde atoommassa van broom in u (2 decimalen).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: BINAS informatieboek — tabel 25 (isotopen en abundanties) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Energieniveaus van het waterstofatoom
Foton-energie bij een elektronovergang
Het energieverschil tussen twee schillen komt vrij (of wordt opgenomen) als één foton met bijbehorende golflengte.
Bij een overgang van n = 3 naar n = 2 in een waterstofatoom komt een foton vrij. Bereken de energie van dit foton (in eV) en de bijbehorende golflengte (in nm).
E₃ = −13,6/3² = −1,51 eV en E₂ = −13,6/2² = −3,40 eV.
ΔE = E₃ − E₂ = −1,51 − (−3,40) = 1,89 eV; dit komt vrij als foton.
Met λ(nm) ≈ 1240/E(eV) volgt λ = 1240/1,89 ≈ 656 nm — rood licht.
Resultaat: Het foton heeft een energie van 1,89 eV en een golflengte van ongeveer 656 nm (de rode Hα-lijn).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom het spectrum van waterstofgas uit losse lijnen bestaat en niet uit een aaneengesloten kleurenband, en beschrijf welke overgang de rode lijn bij 656 nm veroorzaakt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma scheikunde VWO — atoombouw en spectra (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)