Literatuurgeschiedenis plaatst werken in hun tijd: je kent de grote perioden en stromingen van de Nederlandse letterkunde van de Middeleeuwen tot heden en herkent hun kenmerken. Dit onderwerp voert je langs Middeleeuwen en Renaissance, Verlichting en Romantiek, Realisme, Naturalisme en de Tachtigers, en de twintigste eeuw. Literatuurgeschiedenis hoort nadrukkelijk tot de VWO-stof van domein E en wordt in het schoolexamen (SE) getoetst, niet in het centraal examen.
4 Onderdelen~17 min leestijd3 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Literatuurgeschiedenis is nadrukkelijk VWO-stof binnen domein E en wordt in het schoolexamen getoetst; het is geen onderdeel van het CE.
verhoogd niveau
Op het VWO verbind je de stromingen met de werken van je leeslijst: je plaatst je gelezen boeken in hun periode en herkent de stromingskenmerken erin.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — Tijdlijn van de Nederlandse literaire stromingen
Een tekstfragment is een anoniem, berijmd verhaal waarin een non het klooster verlaat en na een zondig leven door de ingrijpende genade van Maria wordt gered. Tot welke periode behoort het, en waaraan zie je dat?
Het verhaal draait om zonde, genade en de tussenkomst van Maria: een godsdienstig, op verlossing gericht wereldbeeld.
Het is anoniem en berijmd, met een heilige als spil — kenmerken van de geestelijke middeleeuwse literatuur.
Religieus wereldbeeld + anonimiteit + Marialegende plaatsen het in de Middeleeuwen (het is het type verhaal van Beatrijs).
Resultaat: Het fragment hoort tot de Middeleeuwen: het religieuze verlossingsthema, de anonimiteit en de Marialegende zijn kenmerken van de geestelijke middeleeuwse literatuur.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Plaats vijf kernwerken (bijvoorbeeld Van den vos Reynaerde, Beatrijs, Elckerlijc, Gysbreght van Aemstel en een sonnet van Hooft) op de tijdlijn en benoem per werk twee kenmerken die de periode verraden.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)
Afb. 2 — Verlichting tegenover Romantiek
Een gedicht bezingt de eenzame wandelaar die in een woeste bergnatuur zijn tranen de vrije loop laat en verlangt naar een verheven, oneindig gevoel. Tot welke stroming hoort het?
Centraal staan het individuele gevoel, de natuurbeleving, het verlangen naar het verhevene en het oneindige.
De tekst appelleert aan het gevoel en de verbeelding, niet aan het verstand; van didactiek of nut is geen spoor.
Gevoel, natuur, individu en het verhevene zijn de kernwaarden van de Romantiek.
Resultaat: Het gedicht is romantisch: het eenzame individu, de woeste natuur en het verlangen naar het verhevene en oneindige zijn kenmerkend voor de Romantiek, niet voor de op de rede gerichte Verlichting.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Lees twee negentiende-eeuwse fragmenten, één verlicht-didactisch en één romantisch-gevoelig. Wijs elk aan de juiste stroming toe en onderbouw je keuze met de waarden (rede versus gevoel) die eruit spreken.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)
In een roman uit 1890 gaat een overgevoelige jonge vrouw langzaam ten onder; de verteller wijt dit uitdrukkelijk aan haar zwakke zenuwgestel én aan het benauwde, deftige milieu waarin zij is opgegroeid. Tot welke stroming hoort dit, en waaraan zie je dat?
De neergang wordt toegeschreven aan aanleg (zwak zenuwgestel = erfelijkheid) én omgeving (het benauwde milieu).
Erfelijkheid + milieu die de mens bepalen, plus een onafwendbare neergang, is de kern van het naturalistische determinisme.
Datering (1890) en het thema passen bij het Naturalisme; het roept Couperus' Eline Vere in herinnering.
Resultaat: Het is Naturalisme: de ondergang wordt deterministisch verklaard uit erfelijkheid (aanleg) en milieu, met een pessimistische, onafwendbare neergang — kenmerkend voor werk als Eline Vere (1889).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Vergelijk een naturalistisch prozafragment met een gedicht van de Tachtigers. Benoem per fragment de stroming en twee kenmerken (determinisme/milieu versus individuele schoonheidsbeleving), en verklaar waartegen elke stroming in opstand kwam.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)
Een roman uit de jaren tachtig laat de verteller halverwege toegeven dat hij de gebeurtenissen misschien verzint, verwijst voortdurend naar andere boeken en films, en speelt met de vraag wat in het verhaal „echt” is. Tot welke stroming hoort dit?
De verteller ondermijnt zijn eigen betrouwbaarheid, er is veel intertekstualiteit (verwijzingen), en de grens tussen feit en fictie wordt bewust vertroebeld.
Deze zelfbewuste twijfel aan waarheid en betekenis, plus het spel met fictie, is geen zoektocht naar nieuwe vorm (modernisme) maar een ondergraven van zekerheid.
Datering (jaren tachtig) en de kenmerken — ironie, intertekstualiteit, onbetrouwbaarheid, feit/fictie-spel — wijzen op het postmodernisme.
Resultaat: Het is postmodernisme: de onbetrouwbare, zelfbewuste verteller, de intertekstualiteit en het bewuste spel met feit en fictie zijn de kernkenmerken ervan, passend bij de late twintigste eeuw.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Plaats drie twintigste-eeuwse werken van je leeslijst in hun periode (modernisme, naoorlogs, postmodern) en onderbouw elke plaatsing met kenmerken (vormexperiment, existentiële toon, of spel met fictie). Verbind elk werk kort met de tijd waarin het ontstond.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad