Een goede tekst is gebouwd: hij heeft een macrostructuur (inleiding, kern, slot) en binnen de kern een herkenbaar ordeningsprincipe. Dit onderwerp leert je die bouw doorzien — de functie van elk tekstdeel benoemen en de tekststructuurtypen (probleem-oplossing, oorzaak-gevolg, afweging en meer) herkennen. Het hoort bij domein A (Leesvaardigheid) en levert in het centraal examen de vragen naar opbouw, functie en indeling.
4 Onderdelen~15 min leestijd3 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Structuur herkennen is basisleesvaardigheid voor het CE en geldt voor alle profielen gelijk.
verhoogd niveau
Wie schrijfvaardigheid doet, gebruikt dezelfde structuurkennis omgekeerd: bij het lezen ontleed je de bouw, bij het schrijven bouw je haar zelf op.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — De macrostructuur van een tekst
Een tekst opent met het verhaal van een scholier die door een chatbot bij zijn huiswerk wordt geholpen, en eindigt met: „De vraag is dus niet óf, maar hóe we deze hulp in het onderwijs een plek geven.” Benoem het type inleiding en de functie van het slot.
De tekst begint met een concreet verhaaltje van één persoon; dat is een anekdotische inleiding, bedoeld om de aandacht te trekken en het onderwerp aanschouwelijk te maken.
De slotzin herhaalt de kwestie niet feitelijk, maar spitst haar toe op een keuze voor de toekomst („hóe we deze hulp een plek geven”).
Het slot verlegt het onderwerp naar de toekomst en spoort impliciet aan tot handelen: het is een vooruitblik met een aanbevelend karakter.
Resultaat: Type inleiding: anekdotisch. Functie van het slot: een vooruitblik die de kwestie naar de toekomst verlegt en tot handelen aanzet.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Neem een achtergrondartikel van ongeveer tien alinea's. Geef aan welke alinea's de inleiding, de kern en het slot vormen, benoem het type inleiding en het type slot, en verantwoord elke grens met de functie van de betreffende alinea('s).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)
Alinea 4 betoogt dat strengere privacyregels de innovatie afremmen. Alinea 5 begint met: „Toch laat het voorbeeld van de bankensector zien dat strenge regels en innovatie heel goed samengaan.” Wat is de functie van alinea 5 ten opzichte van alinea 4?
„Toch” kondigt een tegenstelling aan: wat volgt gaat in tegen de stelling van alinea 4.
Alinea 5 brengt een voorbeeld (de bankensector) in dat de stelling van alinea 4 ontkracht — regels en innovatie sluiten elkaar niet uit.
Alinea 5 spreekt de stelling van alinea 4 tegen met een tegenvoorbeeld: de functie is weerleggen (met een nuancerende ondertoon).
Resultaat: Alinea 5 weerlegt de stelling van alinea 4 met een tegenvoorbeeld; het signaalwoord „Toch” markeert die tegenstelling.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies uit een examentekst drie opeenvolgende alinea's. Beschrijf per alinea in één werkwoordelijke zin haar functie ten opzichte van de vorige, en bepaal of een van de drie een overgangsfunctie vervult.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)
Afb. 2 — Veelvoorkomende tekststructuurtypen
Een tekst opent: „Waarom lezen jongeren steeds minder?” De kern behandelt achtereenvolgens de opkomst van beeldschermen, de concurrentie van sociale media en de rol van het onderwijs. Het slot vat de verklaringen samen. Bepaal het tekststructuurtype.
De tekst opent met een expliciete waaróm-vraag over een waargenomen verschijnsel (jongeren lezen minder).
De kern noemt geen oplossingen, maar geeft achtereenvolgens verklaringen (oorzaken) voor het verschijnsel.
Verschijnsel in de inleiding, verklaringen in de kern: dit is een verschijnsel-verklaringsstructuur, hier gegoten in de vorm van een vraag-antwoordstructuur.
Resultaat: Het is een verschijnsel-verklaringsstructuur (in vraag-antwoordvorm): het verschijnsel wordt in de inleiding als vraag gesteld en in de kern met opeenvolgende oorzaken verklaard.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Analyseer twee examenteksten. Bepaal per tekst het overkoepelende structuurtype, wijs de inleiding aan die het type aankondigt, en noteer twee signaalwoorden uit de kern die het patroon bevestigen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)
Afb. 3 — Een gereconstrueerde tekstopbouw als keten van tekstgedeelten
Een tekst van negen alinea's over lerarentekort: alinea 1 schetst het probleem; 2–3 geven de oorzaken; 4–5 de gevolgen voor leerlingen; 6–8 bespreken drie oplossingen; 9 concludeert. Geef de indeling in tekstgedeelten met koppen.
Per alinea het deelonderwerp noteren laat vier inhoudelijke blokken zien: probleem (1), oorzaken (2–3), gevolgen (4–5), oplossingen (6–8), plus een slot (9).
Alinea's met dezelfde functie horen bij elkaar: 2–3 vormen samen 'oorzaken', 6–8 samen 'oplossingen'.
Ken elk blok een specifieke kop toe die precies dat blok dekt en geen ander.
Resultaat: Indeling: alinea 1 = Inleiding/probleem; alinea 2–3 = Oorzaken van het tekort; alinea 4–5 = Gevolgen voor leerlingen; alinea 6–8 = Mogelijke oplossingen; alinea 9 = Slot/conclusie.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Maak van een examentekst een tekstschema: noteer per alinea het deelonderwerp in enkele woorden, groepeer de alinea's tot tekstgedeelten en geef elk gedeelte een dekkende kop. Vergelijk je indeling met de macrostructuur inleiding-kern-slot.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands VWO — domein A Leesvaardigheid (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad