Domein A is de basis onder alle andere domeinen: leren hoe je beter gaat bewegen. Je leert je eigen leerproces sturen (leerdoelen, oefenen, reflecteren), je herkent de fasen van motorisch leren en de bijbehorende leercurve, en je maakt een eenvoudige bewegingsanalyse om gericht te verbeteren met de juiste feedback en oefenvormen.
4 Onderdelen~17 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 3
basisniveau
Voor LO als handelingsdeel volstaat het herkennen van de leerfasen en het geven van bruikbare feedback tijdens de lessen.
verhoogd niveau
Binnen BSM wordt dit op examenniveau getoetst: je onderbouwt oefenkeuzes met de theorie van motorisch leren en maakt een uitgewerkte bewegingsanalyse.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Een leerling schrijft als doel op: „Ik wil beter leren volleyballen.” Herschrijf dit tot een bruikbaar, toetsbaar leerdoel en beschrijf de leercyclus eromheen.
Kies één deelvaardigheid in plaats van het hele spel, bijvoorbeeld de bovenhandse set (set-up).
„Ik wil van 10 sets er 7 met gestrekte armen boven mijn voorhoofd en richting de spelverdeler kunnen spelen.”
Oefen in tweetallen: 3 series van 10 sets tegen de muur, daarna 3 series naar een partner op positie.
Laat een medeleerling na twee lessen tellen hoeveel van de 10 sets aan de criteria voldoen en vergelijk met de beginmeting.
Resultaat: Het vage doel is omgezet in een specifiek, waarneembaar en toetsbaar leerdoel met een oefen- en evaluatieplan — de kern van zelfregulerend leren.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Kies een beweging die je nog niet goed beheerst. Formuleer één specifiek, waarneembaar leerdoel, beschrijf twee oefeningen waarmee je eraan werkt, en geef aan hoe je na afloop toetst of je je doel hebt gehaald.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein A (Vaardigheden) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
De drie fasen van motorisch leren
De leercurve
Een leerling die leert hooghouden met een voetbal kijkt bij elke aanraking naar de bal, telt hardop mee, verliest de bal na twee tot drie keer en vraagt telkens „hoe moet het ook alweer?”. In welke fase van motorisch leren zit deze leerling en welke begeleiding past daarbij?
Bewust nadenken (hardop tellen, telkens naar de bal kijken), grote en wisselende fouten (na 2–3 keer kwijt), en veel behoefte aan uitleg.
Deze kenmerken horen bij de cognitieve fase: de leerling snapt de beweging nog niet routinematig.
Vereenvoudig de taak (eerst laten stuiteren en dan raken, met de handen vangen na één aanraking), doe voor en geef één duidelijk aandachtspunt tegelijk.
Resultaat: De leerling zit in de cognitieve fase; de juiste aanpak is vereenvoudigen, voordoen en één aandachtspunt per keer — geen stortvloed aan details.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Beschrijf voor een zelfgekozen vaardigheid (bijvoorbeeld de opslag bij tennis) hoe het bewegen en de begeleiding eruitzien in elk van de drie leerfasen, en teken globaal de bijbehorende leercurve met het plateau erin.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — domein A (leren en bewegen verbeteren) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Bij het verspringen springt een leerling telkens te kort. Op video zie je dat hij in de laatste passen vaart mindert en met een lange, gestrekte laatste pas ver vóór zijn lichaam afzet. Maak een bewegingsanalyse en geef een verbeteradvies.
Aanloop – afzet – zweeffase – landing; het probleem zit zichtbaar in de overgang aanloop→afzet.
Snelheidsverlies in de laatste passen; laatste pas lang en gestrekt; afzetvoet ver vóór het lichaam.
Door ver vóór het lichaam en met een gestrekte, remmende voet af te zetten, gaat horizontale snelheid verloren en wordt de afzet passief — dat verklaart de korte sprong.
Aanloopsnelheid vasthouden, laatste passen juist iets korter en sneller, actief onder het lichaam afzetten; oefenen met een afzetzone en op teken afzetten.
Resultaat: De korte sprong komt niet door te weinig kracht maar door een remmende, te vroege afzet; het advies richt zich op het behoud van snelheid en een actieve afzet onder het lichaam.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Verdeel de bovenhandse opslag bij volleybal (of tennis) in drie bewegingsfasen. Benoem per fase één kritisch kenmerk, en beschrijf hoe je met video zou controleren of dat kenmerk goed wordt uitgevoerd.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — bewegen verbeteren en analyseren (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Soorten feedback bij bewegen
Een leerling in de associatieve fase leert de bovenhandse tennisservice; de bal komt vaak in het net. Welke soort feedback en welke oefenvorm passen hierbij, en waarom?
In de verfijningsfase is kennis van uitvoering nuttig: benoem het bepalende kenmerk, bijvoorbeeld „gooi de bal iets hoger en meer voor je op”.
Gebruik een externe focus („raak de bal op het hoogste punt en sla richting het serviceveld”) — dat maakt de slag vloeiender dan „strek je arm”.
De service is een vloeiende, samenhangende beweging: oefen met de hele methode, maar isoleer eventueel kort het opgooien als dat de kernfout is.
Geef samengevat feedback na een serie van 10 services en varieer daarna de plaatsing, zodat het geleerde overdraagbaar wordt naar een wedstrijd (transfer).
Resultaat: Bij een associatieve leerling passen kennis van uitvoering, een externe focus, de hele methode en gedoseerde, samengevatte feedback — met variatie voor de transfer naar het spel.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bedenk voor het aanleren van de basketbal-lay-up één voorbeeld van kennis van resultaat en één van kennis van uitvoering, en beargumenteer of je deze vaardigheid met de hele of de deelmethode zou aanleren.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma lichamelijke opvoeding havo/vwo — feedback en oefenen (domein A) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)