Dit keuzethema verdiept de grondslagen tot hun theoretische kern: hoe meet je de efficiëntie van een algoritme (complexiteit en O-notatie, P versus NP), wat kan een computer principieel wél en niet berekenen (de turingmachine en het onbeslisbare haltingsprobleem), en hoe redeneer je exact met propositie- en predicatenlogica (waarheidstabellen, geldige argumenten). Het is verdieping binnen het schoolexamen, geen ‘buiten-het-examen’-stof.
4 Onderdelen~14 min leestijd4 VaardighedenNiveau Standaard 2 · Verdieping 2
basisniveau
O-notatie en waarheidstabellen zijn de kern van dit thema en sluiten aan op domein B (algoritmen).
verhoogd niveau
P versus NP en de onbeslisbaarheid van het haltingsprobleem raken de diepste grenzen van wat berekenbaar is.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Groeikrommen van complexiteitsklassen
Complexiteitsklassen van gunstig naar ongunstig
Elke klasse groeit sneller dan de vorige naarmate n toeneemt.
Bepaal de tijdcomplexiteit van een algoritme dat met twee geneste lussen elk paar elementen uit een array van lengte n één keer vergelijkt.
De buitenlus draait n keer (voor elk element).
Voor elke ronde van de buitenlus draait de binnenlus in de orde van n keer.
Totaal aantal vergelijkingen is in de orde van n × n = n².
Resultaat: Het algoritme is O(n²): bij tien keer zoveel elementen honderd keer zoveel werk.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bepaal de tijdcomplexiteit in O-notatie van: (a) een lus die elk element van een array van lengte n één keer optelt; (b) twee geneste lussen die elk element met elk ander element vergelijken; (c) binair zoeken in een gesorteerde array van n elementen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma informatica vwo — keuze G (complexiteit) (CvTE / Examenblad)
De turingmachine
Toon met een tegenspraak aan dat er geen programma H bestaat dat voor elk programma P en invoer x beslist of P(x) stopt.
Stel H bestaat en zegt correct ‘stopt’ of ‘stopt niet’ voor elke P en x.
Maak een programma T dat op invoer P vraagt aan H of P(P) stopt; als H ‘stopt’ zegt, gaat T juist eeuwig door, zegt H ‘stopt niet’, dan stopt T meteen.
Beschouw T(T): stopt T(T), dan doet T juist het tegenovergestelde en stopt niet — en omgekeerd. Beide gevallen leiden tot een tegenspraak.
Resultaat: De aanname dat H bestaat leidt tot een tegenspraak; dus geen enkel algoritme kan het haltingsprobleem in het algemeen oplossen.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg in eigen woorden uit waarom er geen algoritme kan bestaan dat voor elk programma beslist of het stopt. Schets de kern van het diagonaalargument (een programma dat de veronderstelde haltbeslisser op zichzelf toepast).
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma informatica vwo — keuze G (berekenbaarheid) (CvTE / Examenblad)
Waarheidstabel voor twee proposities
Wetten van De Morgan
De ontkenning verdeelt over de operanden en wisselt en/of om.
Toon met een waarheidstabel aan dat equivalent is met .
¬p = 0, dus ¬p ∨ q = 0 ∨ 1 = 1. En p → q = 1. Gelijk.
¬p ∨ q = 0 ∨ 0 = 0. En p → q = 0. Gelijk.
¬p = 1, dus ¬p ∨ q = 1 in beide gevallen. En p → q = 1 als p onwaar. Gelijk.
Resultaat: In alle vier de rijen komen de uitkomsten overeen; dus — een implicatie is een verkapte of-uitdrukking.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Stel de volledige waarheidstabel op van de uitdrukking en toon aan dat die logisch equivalent is met de implicatie .
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma informatica vwo — keuze G (logica) (CvTE / Examenblad)
Modus ponens
Uit ‘als het regent, is de straat nat’ en ‘de straat is nat’ concludeert iemand ‘dus het regent’. Beoordeel deze redenering.
Premissen: p → q (regen → nat) en q (nat). Conclusie: p (regen).
Modus ponens gebruikt p → q én p om q te concluderen; hier wordt juist uit q naar p geredeneerd.
De straat kan nat zijn door een sproeier; dan geldt q wel maar p niet.
Resultaat: De redenering bevestigt de consequent en is ongeldig: uit ‘nat’ volgt niet ‘regen’.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Gegeven: ‘Als een getal deelbaar is door 4, dan is het even’ en ‘het getal 10 is niet deelbaar door 4’. Welke conclusie mag je hieruit wél en welke níet trekken? Benoem de geldige of ongeldige redeneervorm.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma informatica vwo — keuze G (predicatenlogica en redeneren) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad