Literatuurgeschiedenis plaatst Franstalige werken in hun literair-historische en cultuurhistorische context: je kent de grote periodes (Moyen Âge, Renaissance, classicisme, Lumières, romantisme, réalisme en naturalisme, symbolisme, 20e siècle en de hedendaagse literatuur) met hun kenmerken en sleutelauteurs. Het hoort bij domein E (Literatuur), subdomein literatuurgeschiedenis (E3), dat nadrukkelijk tot de VWO-eindtermen behoort (op de HAVO blijft het lichter) en in het schoolexamen (SE) wordt getoetst — niet in het centraal examen.
4 Onderdelen~18 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Literatuurgeschiedenis is schoolexamenstof (domein E); je kent de hoofdlijnen van de periodisering en de belangrijkste Franse auteurs.
verhoogd niveau
Literatuurgeschiedenis (E3) is nadrukkelijk VWO-stof — op de HAVO blijft het lichter. Je herkent periodekenmerken in een fragment en verbindt een werk met zijn cultuurhistorische context.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Afb. 1 — Tijdlijn van de Franse literaire periodes
Een episch gedicht in het Oudfrans bezingt hoe een dappere ridder in dienst van zijn keizer tot de laatste man standhoudt tegen een overmacht, trouw aan vorst en geloof. Bepaal de periode, het genre en (waarschijnlijk) het werk.
Eer, moed en absolute trouw aan vorst en geloof, verwoord in een episch heldenlied: dat zijn de idealen van de feodale, christelijke middeleeuwen.
Een heldenepos over een ridder in dienst van zijn heer is een chanson de geste, het typische middeleeuwse epische genre.
Het Oudfrans en het motief plaatsen het rond 1100, in de Moyen Âge; het bekendste voorbeeld is La Chanson de Roland.
Resultaat: De Moyen Âge (omstreeks 1100): een chanson de geste, met als bekendste voorbeeld La Chanson de Roland — herkenbaar aan de feodaal-christelijke idealen van eer en trouw.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Zet La Chanson de Roland, een roman van Chrétien de Troyes en een werk van Rabelais of Montaigne op de tijdlijn van Afb. 1 en benoem per werk één kenmerk dat bij de periode hoort.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)
Een prozawerk uit 1759 laat een naïeve held door een wereld vol rampen reizen, terwijl zijn leermeester blijft volhouden dat „alles ten beste is”. De schrijver hekelt zo het blinde optimisme. Bepaal de periode, de stroming, het genre en de auteur.
Het bespotten van een filosofische dwaling (het naïeve optimisme) om de lezer tot rede te brengen, is satire — het centrale wapen van de Verlichting.
Het jaartal 1759 en de satirische, kritische inslag plaatsen het in de achttiende eeuw, de tijd van de Lumières.
Het is een conte philosophique (filosofische vertelling); het werk is Candide van Voltaire, de bekendste Verlichtingssatiricus.
Resultaat: De Lumières (1759): de conte philosophique Candide van Voltaire — herkenbaar aan de satire waarmee hij het naïeve optimisme ontmaskert.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg in een korte alinea het verschil uit tussen het classicisme en de Lumières; noem per periode twee auteurs met een sleutelwerk en één kenmerk dat je bij een fragment zou herkennen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)
Een romanfragment beschrijft minutieus de uitputtende arbeid, de honger en de opstand van mijnwerkers, en suggereert dat hun milieu en afkomst hun lot bepalen. Aan welke stroming schrijf je het toe, en waarom?
Een nauwkeurige, onopgesmukte beschrijving van harde arbeid en armoede, met maatschappijkritiek: dat is realistisch. De nadruk op milieu en afkomst als bepalende krachten voegt daar de naturalistische dimensie aan toe.
Er is geen verheven natuurgevoel, geen lyrisch ik of romantische verbeelding; dat sluit het Romantisme uit.
De combinatie van realisme en de „wetenschappelijke” nadruk op milieu en erfelijkheid wijst op het Naturalisme; het schoolvoorbeeld is Germinal van Émile Zola (1885).
Resultaat: Het Naturalisme (late negentiende eeuw): realistische maatschappijbeschrijving plus de nadruk op milieu en erfelijkheid; het voorbeeld bij uitstek is Zola's Germinal (1885).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Analyseer twee korte fragmenten — één vol natuur en gevoel, één met nuchtere maatschappijbeschrijving — en wijs met Afb. 1 aan welk fragment bij het Romantisme en welk bij het Réalisme/Naturalisme hoort, met een kenmerk per fragment.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)
Afb. 2 — De vier kernstromingen
Een korte roman uit 1942 volgt een verteller die de dood van zijn moeder en later een moord met vlakke onverschilligheid beleeft, in een wereld die hem geen vanzelfsprekende zin biedt. Bepaal de stroming, het thema en de auteur.
Een wereld zonder vanzelfsprekende zin en een held die het bestaan als vreemd en onverschillig ervaart: dat is de filosofie van het absurde.
Het jaartal 1942 en het thema van het absurde plaatsen het in de twintigste eeuw, in de kring rond het existentialisme (Afb. 2).
De vlakke ik-verteller Meursault en het thema van het absurde wijzen op L'Étranger van Albert Camus.
Resultaat: De twintigste eeuw, de filosofie van het absurde (verwant aan het existentialisme): L'Étranger van Albert Camus (1942) — herkenbaar aan de onverschillige verteller in een zinloze wereld.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Analyseer een gedicht of prozafragment uit de late negentiende of de twintigste eeuw: benoem de stroming (symbolisme, surréalisme, existentialisme/het absurde), wijs één kenmerk aan en verbind het met de historische context, met behulp van Afb. 2.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Frans VWO — domein E Literatuur (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad