De wetenschapsfilosofie (domein E) onderzoekt wat wetenschap is en wat wetenschappelijke kennis onderscheidt van andere kennis. Dit onderwerp behandelt de kernbegrippen (theorie, hypothese, wet, verklaring), het verschil tussen inductie en deductie met het inductieprobleem van Hume, het logisch positivisme en het verificatiebeginsel, en het onderscheid tussen verklaren en begrijpen.
4 Onderdelen~15 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Ken het onderscheid inductie/deductie, het inductieprobleem en het verificatiebeginsel.
verhoogd niveau
Kun je het inductieprobleem en de kritiek op de verificatie reconstrueren en het debat verklaren/begrijpen wegen.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Bepaal voor elk geval welk begrip past en licht toe: (a) „misschien werkt dit medicijn tegen migraine”; (b) „kracht is massa maal versnelling”; (c) de evolutietheorie.
„Misschien werkt dit medicijn” is een hypothese: een nog te toetsen veronderstelling, geformuleerd om vervolgens door onderzoek bevestigd of verworpen te worden.
„Kracht is massa maal versnelling” is een wet: een algemene, exact geformuleerde regelmatigheid die geldt voor een hele klasse van gevallen.
De evolutietheorie is een theorie: een samenhangend systeem van goed getoetste beweringen dat een breed domein van verschijnselen (de verscheidenheid van het leven) verklaart en voorspelt.
Resultaat: (a) is een hypothese (nog te toetsen), (b) een wet (algemene regelmatigheid), (c) een theorie (samenhangend verklarend systeem): drie verschillende niveaus van wetenschappelijke kennis.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom toetsbaarheid en intersubjectieve controleerbaarheid wetenschap onderscheiden van een louter persoonlijke overtuiging.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein E (kernbegrippen wetenschap) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Inductie en deductie
„De zon is elke ochtend opgekomen, dus zij zal morgen opkomen.” Reconstrueer de redenering, benoem het type, en leg uit waarom Hume haar niet strikt te rechtvaardigen acht.
Van vele bijzondere waarnemingen (elke ochtend tot nu toe) naar een uitspraak over een nieuw/toekomstig geval: dit is een inductief argument.
De sprong werkt alleen met de aanname dat de natuur uniform is: dat de toekomst op het verleden lijkt.
Die aanname is niet logisch te bewijzen (het is geen tegenspraak dat de zon morgen niet opkomt) en niet empirisch zonder cirkel (dat uniformiteit tot nu toe gold, is zelf weer een inductie).
Hoe redelijk het ook lijkt, de inductieve conclusie is niet strikt te rechtvaardigen; ze berust op een onbewijsbare aanname over de uniformiteit van de natuur.
Resultaat: Het is een inductief argument dat steunt op de onbewijsbare aanname van uniformiteit; noch logisch noch (zonder cirkel) empirisch te funderen — precies Humes inductieprobleem.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom één zwarte zwaan een universele wet („alle zwanen zijn wit”) kan weerleggen terwijl duizend witte zwanen haar nooit definitief kunnen bewijzen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein E (inductie en deductie) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Leg uit waarom het verificatiebeginsel volgens critici zichzelf ondergraaft.
„Een uitspraak is alleen zinvol als ze analytisch waar of empirisch verifieerbaar is.”
Is deze uitspraak zelf analytisch waar? Nee — het is geen definitie of logische waarheid. Is ze empirisch verifieerbaar? Nee — geen waarneming kan haar toetsen.
Volgens zijn eigen maatstaf valt het verificatiebeginsel dus in de categorie „zinloos”. Het criterium veroordeelt zichzelf en is daarom onhoudbaar in deze strenge vorm.
Resultaat: Het verificatiebeginsel is zelf noch analytisch noch empirisch verifieerbaar; naar zijn eigen norm is het zinloos — een zelfweerlegging die het strenge positivisme fataal werd.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom universele natuurwetten een probleem vormen voor het verificatiebeginsel, en hoe dat Popper tot een ander criterium bracht.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein E (logisch positivisme) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Verklaren versus begrijpen
Een onderzoeker wil weten waarom in 1789 de Franse Revolutie uitbrak. Laat zien hoe zowel verklaren als begrijpen hierbij een rol speelt.
Wijs oorzaken en regelmatigheden aan: economische crisis, honger, staatsschuld, sociale ongelijkheid — factoren die volgens algemene verbanden tot opstand kunnen leiden (waardoor?).
Vat de betekenis en motieven van de betrokkenen: de idealen van vrijheid en gelijkheid, de verontwaardiging over privileges, de verwachtingen van de Verlichting (met welke bedoeling en zin handelden mensen?).
Een volledige geschiedschrijving verbindt beide: de causale factoren verklaren de omstandigheden, het begrijpen van idealen en betekenissen verklaart waarom mensen juist zó handelden.
Resultaat: De Revolutie vraagt om verklaren (oorzaken zoals crisis en ongelijkheid) én begrijpen (de betekenis van de idealen voor de betrokkenen); de geesteswetenschap combineert beide.
Veelgemaakte fouten
VWO-verdieping
Verdieping: verbind het onderscheid verklaren/begrijpen met het vrije-wildebat. Betoog of het volledig causaal verklaren van menselijk handelen (het verklaringsideaal) verenigbaar is met de vrijheid en verantwoordelijkheid die het begrijpen van bedoelingen vooronderstelt, en wat dit betekent voor de status van de menswetenschappen.
Actieve herhaling
Leg uit waarom een aanhanger van de eenheidswetenschap meent dat begrijpen uiteindelijk tot verklaren herleidbaar is, en geef een tegenargument.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein E (verklaren en begrijpen) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)