De wijsgerige vaardigheden vormen domein A van het examenprogramma en zijn de kern van het centraal examen: een filosofische tekst analyseren, een argumentatie reconstrueren, de geldigheid en houdbaarheid ervan beoordelen en zelf een beargumenteerd standpunt innemen. Deze vaardigheden pas je op élk domein en op het examenthema toe.
4 Onderdelen~18 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Beheers minimaal het reconstrueren van een argument (premissen + conclusie) en het onderscheid geldig/deugdelijk; herken de vier klassieke drogredenen.
verhoogd niveau
Kun je impliciete premissen expliciteren, argumentvormen formeel noteren en in een essay een tegenwerping formuleren én weerleggen.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
De structuur van een argument
Argumentschema
Een of meer premissen P ondersteunen een conclusie C. Het teken ∴ betekent „dus/derhalve”.
Reconstrueer het argument in de volgende passage tot premissen en conclusie, en maak de impliciete premisse expliciet: „We moeten de doodstraf afschaffen. Een rechtssysteem mag immers geen onherstelbare fouten maken, en bij de doodstraf is elke gerechtelijke dwaling onherstelbaar.”
De these die verdedigd wordt, herken je aan de waaromvraag. Hier: „We moeten de doodstraf afschaffen.” Het woord „immers” signaleert dat wat volgt de reden is.
P1: Een rechtssysteem mag geen onherstelbare fouten maken. P2: Bij de doodstraf is elke gerechtelijke dwaling onherstelbaar.
Om van P1 en P2 naar de conclusie te komen is een verzwegen aanname nodig: P3 (impliciet): Een straf die tot onherstelbare fouten kan leiden, moet worden afgeschaft — óf: er kómen gerechtelijke dwalingen voor.
P1, P2, (P3) ∴ De doodstraf moet worden afgeschaft. Nu is zichtbaar dat de discussie zich richt op P3: kloppen de aanname dat dwalingen voorkomen en de norm over onherstelbaarheid?
Resultaat: Het gereconstrueerde argument is: P1 (geen onherstelbare fouten) + P2 (doodstraf is onherstelbaar) + impliciete P3 → conclusie (afschaffen). Door P3 te expliciteren wordt het aanvechtbare punt zichtbaar.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Reconstrueer het volgende argument tot P1, P2, … ∴ C en benoem de impliciete premisse: „Kunstmatige intelligentie kan nooit echt denken, want denken vereist bewustzijn en een machine heeft geen bewustzijn.”
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein A (vaardigheden) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Geldige vormen en hun bedrieglijke tweelingen
Waarheidstabel van de materiële implicatie
Geldig
Als de implicatie waar is en het antecedens p waar is, volgt het consequens q met noodzaak.
Geldig
Als de implicatie waar is en het consequens q onwaar is, moet ook het antecedens p onwaar zijn.
Beoordeel voor elk argument (a) of het geldig is en (b) of het deugdelijk is. Argument 1: „Als het regent, is de straat nat. De straat is nat. Dus het regent.” Argument 2: „Als het regent, is de straat nat. Het regent. Dus de straat is nat.”
„als p dan q; q; dus p” — dit is het bevestigen van het consequens. De straat kan ook nat zijn door een sproei-installatie.
Ongeldig: de premissen kunnen waar zijn (regen → nat, straat nat) terwijl de conclusie (het regent) onwaar is. Omdat het al ongeldig is, is het sowieso niet deugdelijk.
„als p dan q; p; dus q” — dit is modus ponens, een geldige vorm.
Geldig. En als de premissen feitelijk waar zijn (regen maakt de straat inderdaad nat, en het regent), dan is het ook deugdelijk en is de conclusie gegarandeerd waar.
Resultaat: Argument 1 is ongeldig (bevestiging van het consequens). Argument 2 is geldig (modus ponens) en bij ware premissen deugdelijk.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Noteer het volgende argument als „als-dan”-schema, benoem de vorm en beoordeel de geldigheid: „Als iemand vrij handelt, is hij verantwoordelijk. Kaya is niet verantwoordelijk. Dus Kaya handelde niet vrij.”
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein A (argumentatie en logica) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Veelvoorkomende drogredenen
In een debat zegt een politicus: „Mijn tegenstander pleit voor lagere straffen. Maar hij heeft zelf ooit een boete gehad, dus we hoeven niet naar hem te luisteren.” Welke drogreden is dit? Leg uit waarom de redenering niet steekhoudend is.
Dit is een argumentum ad hominem: de spreker valt de persoon (zijn verleden) aan, niet het inhoudelijke standpunt over strafmaat.
Of iemand ooit een boete kreeg, staat volledig los van de vraag of lagere straffen een goed idee zijn. De premisse is niet relevant voor de conclusie.
Om het pleidooi te weerleggen had de politicus inhoudelijke tegenargumenten moeten geven — bijvoorbeeld dat lagere straffen de afschrikking verminderen — niet een verwijzing naar het verleden van de tegenstander.
Resultaat: Het is een ad hominem: de relevantie tussen premisse (het verleden) en conclusie (niet luisteren) ontbreekt; alleen inhoudelijke tegenargumenten zouden steekhoudend zijn.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Benoem de drogreden en leg uit waarom hij niet deugt: „Bijna iedereen gelooft in een leven na de dood, dus het zal wel bestaan.”
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein A (evaluatie van argumentatie) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
De structuur van een filosofisch betoog
Iemand stelt voor: „Een leugen is een onware bewering.” Toets deze definitie met de begrippen noodzakelijke en voldoende voorwaarde, en bedenk een tegenvoorbeeld.
Niet duidelijk: iemand kan liegen door iets te zeggen dat toevallig waar blijkt, terwijl hij denkt dat het onwaar is. Onwaarheid is dus zelfs niet zeker noodzakelijk.
Nee. Wie zich vergist en te goeder trouw iets onwaars zegt, liegt niet. Er ontbreekt de intentie om te misleiden.
Een arts die per ongeluk een verkeerde diagnose stelt, doet een onware bewering maar liegt niet. Dit geval valt wél onder de definitie maar niet onder het begrip „leugen”.
Voeg de ontbrekende voorwaarde toe: een leugen is een bewering die de spreker zélf voor onwaar houdt en met de bedoeling te misleiden doet. Het tegenvoorbeeld valt daar terecht buiten.
Resultaat: De definitie „onware bewering” faalt: onwaarheid is niet voldoende (de misleidende intentie ontbreekt). Het tegenvoorbeeld van de vergissende arts dwingt tot een betere definitie.
Veelgemaakte fouten
VWO-verdieping
Verdieping: Wittgensteins familiegelijkenis stelt de klassieke definitie-eis ter discussie. Bespreek voor een begrip naar keuze (bijv. „religie” of „spel”) of het zich in scherpe voorwaarden laat vangen dan wel beter als een cluster van overlappende gelijkenissen te begrijpen is — en wat dat betekent voor de haalbaarheid van sluitende definities in de filosofie.
Actieve herhaling
Analyseer het begrip „kunstwerk” in noodzakelijke en voldoende voorwaarden en bedenk één tegenvoorbeeld tegen de definitie „een kunstwerk is een voorwerp dat in een museum staat”.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma filosofie VWO — domein A (begripsanalyse en betoog) (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)