Op een markt komen vraag en aanbod samen en ontstaat via de prijs een evenwicht. Dit onderwerp behandelt de vraag- en aanbodfunctie, het berekenen van evenwichtsprijs en -hoeveelheid, de oorzaken van verschuivingen van de curves, de prijs-, inkomens- en kruiselasticiteit, en het effect van overheidsingrijpen met maximumprijzen, minimumprijzen en heffingen.
4 Onderdelen~15 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 1 · Verdieping 2
basisniveau
Voor iedereen: vraag, aanbod, evenwicht, verschuivingen en de prijselasticiteit horen tot de kern van domein D op het centraal examen.
verhoogd niveau
Verdieping: elasticiteiten combineren met omzet- en welvaartseffecten en het effect van heffingen en prijsregulering grafisch en rekenkundig analyseren.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Marktevenwicht van vraag en aanbod
Vraag- en aanbodfunctie
Dalende vraag (), stijgend aanbod ().
Evenwichtsvoorwaarde
Stel vraag gelijk aan aanbod en los op.
De vraag naar een product is Qv = 20 − 2P en het aanbod Qa = 2P − 4 (P in euro's, Q in duizenden stuks). Bereken de evenwichtsprijs en de evenwichtshoeveelheid.
.
.
Vul in de vraag: . Controle met het aanbod: . Klopt.
Resultaat: De evenwichtsprijs is €6 en de evenwichtshoeveelheid 8 (duizend stuks).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De vraag is Qv = 120 − 4P en het aanbod Qa = 6P − 30. Bereken de evenwichtsprijs en -hoeveelheid en bepaal of er bij een prijs van €12 een overschot of tekort is en hoe groot.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein D (markt) (CvTE / Examenblad)
Rechtwaartse verschuiving van de vraag
Rechtwaartse vraagverschuiving
Bij toenemende vraag stijgen zowel prijs als hoeveelheid.
Rechtwaartse aanbodverschuiving
Bij toenemend aanbod daalt de prijs en stijgt de hoeveelheid.
De vraag was P = 20 − 2Q en het aanbod P = 2 + Q, met evenwicht (6; €8). Door een gestegen inkomen verschuift de vraag naar P = 26 − 2Q. Bereken het nieuwe evenwicht en beschrijf de verandering.
.
.
(controle vraag: ).
Het evenwicht verschuift van (6; €8) naar (8; €10): een rechtwaartse vraagverschuiving verhoogt zowel de prijs als de hoeveelheid.
Resultaat: Het nieuwe evenwicht is Q = 8 en P = €10; de gestegen vraag verhoogt zowel de evenwichtsprijs als de evenwichtshoeveelheid.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Op de markt voor fietsen stijgt de prijs van benzine sterk (fietsen en auto's zijn substituten) en wordt tegelijk de productie van fietsen goedkoper. Leg met verschuivingen van vraag en/of aanbod uit wat er met de evenwichtsprijs en -hoeveelheid van fietsen gebeurt en wat wel en niet zeker is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein D (markt) (CvTE / Examenblad)
Elastische versus inelastische vraag
Prijselasticiteit van de vraag
Negatief; elastisch, inelastisch.
Inkomens- en kruiselasticiteit
Teken bepaalt de soort: normaal/inferieur; substituut/complement.
Als de prijs van een product stijgt van €4 naar €5, daalt de gevraagde hoeveelheid van 100 naar 80 stuks. Bereken de prijselasticiteit van de vraag, geef aan of de vraag elastisch of inelastisch is, en bepaal wat er met de omzet gebeurt.
Prijs: . Hoeveelheid: .
.
: de vraag is prijsinelastisch.
Omzet vóór: . Omzet ná: . Bij deze inelastische reactie blijft de omzet nagenoeg gelijk (hier precies €400); een verdere prijsstijging zou de omzet doen toenemen.
Resultaat: Ev = −0,8: de vraag is inelastisch. De omzet blijft (van €400 naar €400) gelijk; bij inelastische vraag verhoogt een prijsstijging de omzet doorgaans.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Als het inkomen met 10% stijgt, neemt de vraag naar biologische groente met 15% toe en die naar witbrood met 4% af. Bereken beide inkomenselasticiteiten en benoem voor elk goed of het normaal, luxe of inferieur is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein D (markt) (CvTE / Examenblad)
Maximumprijs en het tekort
Een heffing verschuift het aanbod
Maximumprijs
Alleen effectief onder het evenwicht; vraag > aanbod.
Heffing verschuift het aanbod
De aanbodlijn schuift met het heffingsbedrag omhoog; er ontstaat een wig tussen betaalde en ontvangen prijs.
De vraag is P = 20 − 2Q en het aanbod P = 2 + Q (evenwicht 6; €8). De overheid stelt een maximumprijs van €6 in. Bereken de gevraagde en aangeboden hoeveelheid bij die prijs en de omvang van het tekort.
Uit volgt , dus .
Uit volgt .
: er is een tekort van 3 eenheden, want de maximumprijs (€6) ligt onder het evenwicht (€8).
Resultaat: Bij de maximumprijs van €6 vragen consumenten 7 en bieden producenten 4 aan; het tekort is 3 eenheden.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De vraag is P = 30 − Q en het aanbod P = 6 + Q. De overheid legt een heffing van €4 per product op. Bereken het nieuwe evenwicht, de prijs die de consument betaalt, de prijs die de producent ontvangt en de totale belastingopbrengst.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma economie vwo — domein D (markt) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad