De cel als kleinste levende systeem: haar organellen en de vorm-functierelaties, het transport van stoffen door het celmembraan (diffusie, osmose, actief transport en blaasjestransport), de op- en afbraakprocessen (assimilatie en dissimilatie) met ATP als universele energiedrager, en de enzymen die al deze reacties versnellen en regelen.
4 Onderdelen~12 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 2 · Verdieping 1
basisniveau
Voor het CE koppel je organellen aan functies, voorspel je osmose-richting en interpreteer je enzymgrafieken.
verhoogd niveau
Verdieping ligt in de koppeling van assimilatie/dissimilatie aan de ATP-huishouding en de moleculaire werking van het actieve centrum.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Bouw van een cel met organellen
Een leverdetoxcel en een hartspiercel worden vergeleken. De hartspiercel blijkt veel meer mitochondriën te bevatten. Verklaar dit met vorm-functiedenken.
Mitochondriën voeren de aerobe dissimilatie uit en leveren daarmee ATP (energie) voor celprocessen.
Het hart trekt levenslang onophoudelijk samen; hartspiercellen verbruiken daarom voortdurend veel energie.
Een hoge energiebehoefte vraagt veel ATP-productie, dus veel mitochondriën — de bouw (aantal mitochondriën) is aangepast aan de functie (voortdurend samentrekken).
Resultaat: De hartspiercel bevat veel mitochondriën omdat haar voortdurende samentrekking veel ATP vergt; dat is een vorm-functieaanpassing.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een cel bevat opvallend veel mitochondriën. Leg met vorm-functiedenken uit welk soort cel dit waarschijnlijk is en waarom.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — de cel en organellen (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Transport door het celmembraan
Rode bloedcellen worden in zuiver (gedestilleerd) water gelegd. Voorspel wat er gebeurt en verklaar dit met osmose.
Het celplasma bevat opgeloste stoffen; het zuivere water buiten bevat vrijwel geen opgeloste stof. De opgeloste-stofconcentratie is dus binnen hoger dan buiten.
Water stroomt door osmose naar de kant met de hoogste opgeloste-stofconcentratie — hier naar binnen, de cel in.
De cel neemt water op en zwelt; omdat een dierlijke cel geen celwand heeft, kan ze knappen (hemolyse).
Resultaat: Water stroomt de cel in omdat het celplasma geconcentreerder is dan het buitenmilieu; de rode bloedcel zwelt en kan knappen doordat een celwand ontbreekt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een plantencel wordt in een sterk geconcentreerde suikeroplossing gelegd. Voorspel de richting van de waterstroom door osmose en het gevolg voor de stevigheid (turgor) van de cel, en verklaar je antwoord.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — transport door het membraan (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
De ATP-kringloop en energiekoppeling
Beschrijf hoe de energie uit de afbraak van glucose uiteindelijk een spiersamentrekking mogelijk maakt, en welke rol ATP daarbij speelt.
Bij de aerobe dissimilatie van glucose in de mitochondriën komt energie vrij.
Die energie wordt gebruikt om ADP en fosfaat te koppelen tot ATP; de energie wordt zo vastgelegd in een bruikbare vorm.
In de spiercel splitst ATP weer in ADP en fosfaat; de vrijkomende energie drijft de samentrekking aan.
Resultaat: De energie stroomt van glucose via de dissimilatie naar ATP en van ATP naar de spiersamentrekking; ATP koppelt de energieleverende afbraak aan het energievragende proces.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg uit waarom een cel de energie uit de afbraak van glucose niet rechtstreeks voor de opbouw van eiwitten gebruikt, maar de tussenstof ATP nodig heeft.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — assimilatie, dissimilatie en ATP (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Enzymactiviteit tegen temperatuur
Verklaar waarom de activiteit van een menselijk enzym eerst stijgt met de temperatuur, een maximum bereikt rond 37 °C, en daarboven scherp daalt.
Bij hogere temperatuur bewegen enzym en substraat sneller en botsen ze vaker; er vinden meer effectieve botsingen per seconde plaats, dus de activiteit stijgt.
Rond 37 °C is de balans het gunstigst: veel botsingen zonder dat het enzym beschadigt; de activiteit is maximaal.
Boven het optimum verandert de vorm van het enzym onherstelbaar (denaturatie); het actieve centrum past niet meer, en de activiteit valt scherp terug.
Resultaat: De stijging komt door meer effectieve botsingen, het optimum ligt bij de gunstigste balans (~37 °C), en de scherpe daling komt door onomkeerbare denaturatie van het enzym.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een proef stijgt de activiteit van een enzym van 20 tot 40 °C en daalt daarna scherp tot vrijwel nul bij 60 °C. Verklaar de stijging én de daling en geef aan of de daling omkeerbaar is.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma biologie VWO — enzymen (College voor Toetsen en Examens (CvTE))
Referenties en bronnen
College voor Toetsen en Examens (CvTE)