Elk bedrijfseconomie-examen leunt op een gereedschapskist van reken- en denkvaardigheden. Dit onderwerp behandelt de rekenvaardigheden (procenten, verhoudingen en btw), indexcijfers en koopkracht, de benaderingswijzen (geldstroom versus goederenstroom, korte versus lange termijn en de waardekringloop) en het lezen van grafieken en modellen met marginale analyse. Deze vaardigheden uit domein A worden nooit los getoetst maar in samenhang met alle inhoudelijke domeinen.
4 Onderdelen~16 min leestijd4 VaardighedenNiveau Basis 1 · Standaard 3
basisniveau
Voor iedereen: procenten, verhoudingen, btw, indexcijfers en het aflezen van grafieken vormen de gemeenschappelijke rekenbasis van elk onderdeel van het centraal examen bedrijfseconomie.
verhoogd niveau
Verdieping: vlot schakelen tussen groeifactoren, indexcijfers en koopkracht, en de benaderingswijzen (geldstroom/goederenstroom, waardekringloop) gebruiken om een casus te ontleden.
Leesdiepte: Verdieping
Tekstgrootte: Standaard
Btw-berekening: exclusief, btw en inclusief
Procentuele verandering
Deel altijd door de oude (uitgangs)waarde.
Van exclusief naar inclusief btw
Bij 21%: vermenigvuldig met 1,21. Terug: deel door 1,21.
Btw uit een inclusief bedrag
Bij 21%: × 21/121. Nooit 21% van het inclusieve bedrag nemen.
Een winkelier verkoopt een artikel voor €96,80 inclusief 21% btw. Hij heeft het ingekocht voor €60 exclusief btw. Bereken de verkoopprijs exclusief btw, de btw en de brutowinstmarge in procenten van de inkoopprijs.
Deel de inclusieve prijs door de groeifactor: .
(of ).
Vergelijk de kale verkoopprijs met de inkoopprijs: .
opslag op de inkoopprijs.
Resultaat: De verkoopprijs exclusief btw is €80, de btw €16,80 en de brutowinstmarge 33,3% van de inkoopprijs.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een groothandel verkoopt een partij voor €14.520 inclusief 21% btw. Bereken het bedrag exclusief btw en de btw. Bereken vervolgens de nieuwe inclusieve prijs als de kale prijs met 5% stijgt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein A (vaardigheden) (CvTE / Examenblad)
Omzet en omzetindexcijfer per jaar
Enkelvoudig indexcijfer
De basiswaarde staat op 100.
Reëel indexcijfer
Corrigeert een nominale grootheid voor de verandering van het prijspeil.
De omzet van een bedrijf stijgt van €500.000 (2021) naar €600.000 (2024): omzetindexcijfer 120. Het prijsindexcijfer van de producten stijgt in die periode van 100 naar 108. Bereken de reële omzetgroei en leg uit wat het verschil met de nominale groei betekent.
Het omzetindexcijfer is 120, dus nominaal .
.
Het reële indexcijfer 111,1 betekent een echte (volume)groei van ongeveer .
Van de nominale omzetstijging is ongeveer een prijseffect; er is dus meer verkocht, maar minder dan de omzet suggereert.
Resultaat: De reële omzetgroei is ongeveer 11,1%; het verschil met de nominale 20% is toe te schrijven aan de prijsstijging van 8%.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
De loonsom van een onderneming stijgt naar indexcijfer 115 (2021=100), terwijl de consumentenprijsindex naar 110 gaat. Bereken het reële looncijfer en leg uit of de werknemers er in koopkracht op vooruit- of achteruitgaan.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein A (vaardigheden) (CvTE / Examenblad)
Geldstroom versus goederenstroom bij één transactie
De waardekringloop van een onderneming
Een handelsonderneming koopt voor €30.000 handelsgoederen in (contant), verkoopt die op rekening voor €45.000 en ontvangt na een maand het geld. Beschrijf hoe het vermogen door de waardekringloop beweegt en met welk bedrag de kas per saldo toeneemt.
Bij de inkoop gaat €30.000 uit de kas en zit het vermogen nu in de voorraad handelsgoederen.
Bij verkoop op rekening verdwijnt de voorraad en ontstaat een vordering van €45.000 op de debiteur.
Na betaling komt €45.000 in de kas; het vermogen is weer geld geworden.
De kas nam per saldo toe met ; dat is de brutowinst die in de kringloop is ontstaan.
Resultaat: Het vermogen liep van kas → voorraad → debiteuren → kas; de kas nam per saldo met €15.000 toe, de brutowinst op deze partij.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Leg met behulp van de waardekringloop uit waarom een snelgroeiend, winstgevend bedrijf toch in liquiditeitsproblemen kan komen als klanten pas laat betalen en de voorraad hard oploopt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein A (vaardigheden en benaderingswijzen) (CvTE / Examenblad)
Dalende gemiddelde totale kosten
Totale kosten als lineair verband
Lineair verband en hellingsgetal
= waarde bij (vaste kosten); = verandering per eenheid (variabele/marginale kosten).
Marginale en gemiddelde totale kosten
Marginaal = de extra eenheid (helling van TK); gemiddeld = totaal gedeeld door het aantal.
Een bedrijf produceert 1000 stuks tegen TK = 6000 + 8q. De gemiddelde totale kosten zijn daarmee €14 per stuk. Een klant biedt €11 per stuk voor een extra order van 200 stuks, die met de bestaande capaciteit kan worden gemaakt. Beoordeel met marginale analyse of het bedrijf de order moet aannemen.
De gemiddelde totale kosten zijn ; €11 lijkt daarmee verliesgevend.
De vaste €6000 zijn er toch al; voor de extra order tellen alleen de marginale (variabele) kosten van €8 per stuk.
Per extra stuk: opbrengst €11 − kosten €8 = €3 dekkingsbijdrage. Voor 200 stuks: extra winst.
Omdat , verhoogt elke extra eenheid de winst; de order aannemen is verstandig.
Resultaat: De order aannemen levert €600 extra winst op: bij vrije capaciteit telt alleen dat de prijs (€11) boven de marginale kosten (€8) ligt, niet de gemiddelde totale kosten.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Van een onderneming geldt TK = 9000 + 12q. Bereken de gemiddelde totale kosten bij 500 en bij 1500 stuks, en leg uit waarom de GTK daalt terwijl de marginale kosten gelijk blijven.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma bedrijfseconomie vwo — domein A (vaardigheden) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad