Loading
Loading
Correcte spelling, interpunctie en formulering zijn de basis van verzorgd schrijven en tellen in elk examenonderdeel mee als taalverzorging. In dit onderwerp leer je de werkwoordspelling met 't kofschip, de belangrijkste spellingregels, het juiste gebruik van de leestekens en de klassieke formuleerfouten. Je oefent telkens met het stap voor stap verbeteren van foute vormen en zinnen, zodat je je eigen teksten foutloos en helder kunt maken.
4Onderdelenca. 24min leestijd3VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Gemeenschappelijk deel: beheers de werkwoordspelling, de belangrijkste spellingregels en de interpunctie, zodat je correct en verzorgd schrijft.
verhoogd niveau
Voor het SE: formuleer foutloos en helder in je eigen teksten — vermijd dt-fouten, spelfouten en de klassieke formuleerfouten en stuur de lezer met de juiste leestekens.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
Werkwoordspelling: tegenwoordige en verleden tijd
Verbeter de werkwoordsvormen in deze zin: „Wat gebeurd er als hij te laat antwoord en zijn moeder boos word?”
Hier gaat het om een handeling die plaatsvindt, niet om een voltooide handeling: „Wat gebeurt er …”. Het is dus tegenwoordige tijd, stam gebeur + t. De vervangtruc bevestigt het: „Wat loopt er …” — je hoort een -t. De correcte vorm is gebeurt, niet het voltooid deelwoord gebeurd.
Het onderwerp is „hij” (derde persoon enkelvoud), dus de persoonsvorm is stam + t. De stam van antwoorden is antwoord; daar komt een -t bij: antwoordt. Het zelfstandig naamwoord „het antwoord” en de ik-vorm „ik antwoord” hebben geen extra t, maar bij „hij” hoort die wél.
Het onderwerp „zijn moeder” is eveneens derde persoon enkelvoud, dus opnieuw stam + t. De stam van worden is word, en word + t levert wordt op. Vervangtruc: „zijn moeder loopt” — je hoort een -t, dus „wordt”.
Resultaat: Correcte zin: „Wat gebeurt er als hij te laat antwoordt en zijn moeder boos wordt?” Drie keer gold dezelfde redenering: bepaal of het tegenwoordige tijd is, vind de stam en voeg bij hij, zij of het de -t toe.
Geef van werken, leven en antwoorden de verleden tijd (enkelvoud) en het voltooid deelwoord, en motiveer telkens je keuze voor -te/-de en -t/-d.
De stam is werk. De laatste klank is k, een stemloze medeklinker uit 't kofschip. De verleden tijd krijgt dus -te: werkte. Het voltooid deelwoord krijgt -t: gewerkt.
De stam schrijf je als leef, maar de klank is v (stemhebbend, niet in 't kofschip). Daarom -de: leefde. Het voltooid deelwoord krijgt -d: geleefd. Dit is de klassieke valkuil — kijk naar de klank, niet naar de geschreven f.
De stam is antwoord en eindigt op de stemhebbende d. Dus -de, en omdat de stam al op een d eindigt, krijg je een dubbele d: antwoordde. Het voltooid deelwoord is geantwoord — met één d, want een woord eindigt nooit op -dd.
Resultaat: werken → werkte / gewerkt; leven → leefde / geleefd; antwoorden → antwoordde / geantwoord. De keuze tussen -te/-de en -t/-d volgt steeds uit 't kofschip, zolang je naar de klank van de stam luistert.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Verbeter alle werkwoordfouten in deze zin en leg bij elke verbetering uit welke regel je gebruikt: „Als het te hard regend, word de wedstrijd afgelast.” Let op de tegenwoordige tijd en de stam + t, en controleer of er ook een correcte vorm tussen staat die je niet hoeft te veranderen.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Schrijf de volgende samenstellingen correct en leg per geval uit of er een tussen-n komt: pan + koek, boek + kast, slaap + kamer.
Pan is een zelfstandig naamwoord met als enige meervoud pannen (niet pans). Volgens de hoofdregel komt er dan een tussen-n. Het wordt pannenkoek, in één woord aaneengeschreven.
Boek heeft als meervoud boeken, dus ook hier een tussen-n. Het wordt boekenkast, aaneengeschreven — niet „boeken kast” en niet „boekekast”.
In slaapkamer is slaap geen telbaar zelfstandig naamwoord met een -en-meervoud, maar het hoort bij het werkwoord slapen. Daarom geen tussen-n: slaapkamer, gewoon aan elkaar.
Resultaat: pannenkoek, boekenkast, slaapkamer — alle drie aan elkaar geschreven. De tussen-n hangt af van het linkerdeel: een zelfstandig naamwoord met alleen een -en-meervoud krijgt de n (pannen-, boeken-), een werkwoordstam niet (slaap-).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Verbeter de spelling en de hoofdletters in deze zin en motiveer elke verbetering: „Op Maandag at hij een panne koek met melk, en daarna ging hij geinteresseerd naar de voetbal wedstrijd kijken.” Let op de samenstellingen, de tussen-n, de hoofdletter en het trema.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Interpunctie
Plaats de juiste leestekens en hoofdletters in: „op de markt kochten we brood kaas en appels oma riep kom snel binnen kinderen”
De zin begint met een hoofdletter: „Op”. In de opsomming „brood kaas en appels” scheid je de delen met komma's, maar vóór „en” komt geen komma: „brood, kaas en appels”. De mededeling sluit af met een punt.
„Oma riep” wordt gevolgd door wat zij zegt; dat kondig je aan met een dubbele punt en je zet haar woorden tussen aanhalingstekens: Oma riep: „Kom snel binnen …”. Het citaat begint met een hoofdletter.
Binnen het citaat wordt „kinderen” aangesproken, dus komt daar een komma vóór: „… binnen, kinderen”. Omdat het een uitroep en een bevel is, sluit je het citaat af met een uitroepteken: „Kom snel binnen, kinderen!”
Resultaat: Correcte tekst: Op de markt kochten we brood, kaas en appels. Oma riep: „Kom snel binnen, kinderen!” De komma's ordenen de opsomming, de dubbele punt en de aanhalingstekens kondigen het citaat aan, en de komma vóór „kinderen” markeert de aanspreking.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Voorzie deze tekst van de juiste leestekens en hoofdletters: „op de markt kochten we brood kaas en appels het begon te regenen dus we schuilden onder een kraam oma riep kom snel binnen kinderen”. Let op de opsomming, de grens tussen de zinnen, de directe rede en de aanspreking.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Veelvoorkomende formuleerfouten
Benoem de formuleerfout in elke zin en herschrijf de zin correct: (1) „De rij wachtende mensen werden ongeduldig.” (2) „Dat kost te duur.” (3) „Iedereen pakte hun jas en ging naar huis.”
Het onderwerp is „de rij” (enkelvoud), niet „mensen”. De persoonsvorm moet dus enkelvoud zijn: „werd”. Verbeterd: „De rij wachtende mensen werd ongeduldig.”
„Dat kost te duur” mengt twee uitdrukkingen: „dat kost te veel” en „dat is te duur”. Je kiest er één: „Dat kost te veel” of „Dat is te duur.”
„Iedereen” is enkelvoud, dus het verwijswoord „hun” klopt niet; het moet „zijn” zijn. Verbeterd: „Iedereen pakte zijn jas en ging naar huis.”
Resultaat: (1) incongruentie → „De rij wachtende mensen werd ongeduldig.”; (2) contaminatie → „Dat kost te veel.” of „Dat is te duur.”; (3) foutieve verwijzing → „Iedereen pakte zijn jas en ging naar huis.” Door eerst de fout te benóemen, weet je meteen welke regel de verbetering stuurt.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Benoem in elke zin de formuleerfout en verbeter de zin: (1) „Het aantal toeschouwers waren groot.” (2) „Iedereen moest hun telefoon inleveren.” (3) „Naar mijn mening vind ik dat het te duur kost.” Geef telkens aan om welke foutsoort het gaat.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma Nederlands (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad