Loading
Loading
Dit onderwerp bundelt de onderzoeks- en ontwerpvaardigheden van de natuurkunde: je leert een onderzoek opzetten (onderzoeksvraag, hypothese en variabelen), zorgvuldig meten en omgaan met meetonzekerheid en significante cijfers, meetresultaten in grafieken en verbanden verwerken, en met een numeriek model en de ontwerpcyclus een probleem aanpakken. Deze vaardigheden zijn kernexamenstof: het redeneren over meetonzekerheid, grafieken en significante cijfers komt terug op het centraal examen, terwijl het praktische onderzoek zelf — practicum, praktische opdracht en profielwerkstuk — vooral in het schoolexamen wordt getoetst.
4Onderdelenca. 26min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Zet een eenvoudig onderzoek correct op (variabelen benoemen), bereken een gemiddelde met de juiste significante cijfers en lees een helling met eenheid uit een grafiek af.
verhoogd niveau
Beredeneer de meetonzekerheid, lineariseer een niet-lineair verband en reken en valideer een numeriek model in tijdstappen Δt.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
De onderzoekscyclus
Bij het onderzoek „hangt de slingertijd af van de lengte?” wil je een eerlijke proefopzet maken. Benoem de onafhankelijke variabele, de afhankelijke variabele en twee variabelen die je constant houdt.
De vraag koppelt twee grootheden: de lengte van de slinger en de slingertijd. De lengte is de mogelijke oorzaak, de slingertijd het gevolg dat je meet.
De onafhankelijke variabele stel je zelf in en varieer je: de lengte van de slinger. De afhankelijke variabele meet je als gevolg: de slingertijd.
Alles wat de slingertijd óók zou kunnen beïnvloeden, houd je gelijk: de massa van het slingergewicht en de uitwijking (beginhoek) waarmee je de slinger loslaat.
Resultaat: Resultaat: de onafhankelijke variabele is de lengte van de slinger (die je varieert), de afhankelijke variabele is de slingertijd (die je meet), en je houdt onder meer de massa van het gewicht en de uitwijking constant. Zo meet je zuiver het effect van alleen de lengte op de slingertijd.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Je onderzoekt of de tijd waarin een balletje van een helling rolt, afhangt van de hoek van de helling. Formuleer een onderzoeksvraag en een toetsbare hypothese, en benoem de onafhankelijke variabele, de afhankelijke variabele en twee variabelen die je constant houdt.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Herhaalde metingen met meetonzekerheid
gemiddelde van herhaalde metingen
Het gemiddelde van n herhaalde metingen; door te middelen wordt de invloed van de toevallige fout kleiner, maar een systematische fout blijft.
schatting van de meetonzekerheid
Een eenvoudige schatting van de onzekerheid rond het gemiddelde is de halve spreidingsbreedte: het verschil tussen de grootste en de kleinste meting, gedeeld door twee.
Vier metingen van een slingertijd geven ; ; en . Bereken het gemiddelde en schat de meetonzekerheid, en noteer het resultaat op de juiste manier.
Tel de vier metingen op en deel door 4.
De uiterste waarden zijn 1,98 s en 2,05 s. Neem de halve spreidingsbreedte als onzekerheid.
Schrijf gemiddelde ± onzekerheid met de eenheid; alle metingen liggen zo binnen 0,04 s van het gemiddelde.
Resultaat: Resultaat: het gemiddelde is en de metingen spreiden van tot , dus je noteert de slingertijd als . Vaker meten zou dit gemiddelde nog iets betrouwbaarder maken, maar alleen als er geen systematische fout in de meetopstelling zit.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bij een practicum meet een groep de valtijd van een balletje vijf keer en vindt telkens vrijwel dezelfde waarde, maar hun stopwatch blijkt structureel 0,3 s te laat te starten. Leg uit of hun metingen precies zijn, of ze nauwkeurig zijn, en wat er met het gemiddelde gebeurt als ze vaker meten.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Kracht op een veer tegen de uitrekking
helling van de best passende lijn
De helling lees je af uit twee ver uiteen liggende punten op de getekende lijn; met de eenheid erbij is de helling zelf een grootheid.
recht-evenredig verband (veer)
Een recht-evenredig verband geeft een rechte lijn door de oorsprong; de evenredigheidsconstante — hier de veerconstante C — is de helling.
Uit de best passende lijn door de meetpunten van tegen moet je de veerconstante bepalen. Leg uit waarom de helling gelijk is aan de veerconstante .
De punten liggen vrijwel op een rechte lijn die door de oorsprong gaat: F is dus recht evenredig met u, F = C·u.
Kies twee punten óp de getekende lijn, ver uit elkaar, bijvoorbeeld (0,10 m; 2,0 N) en (0,50 m; 10,0 N).
Deel de toename van F door de toename van u.
Omdat F = C·u, is de helling ΔF/Δu precies de constante C.
Resultaat: Resultaat: de best passende lijn door de meetpunten heeft een helling van ongeveer . Omdat , ís die helling de veerconstante, dus .
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Bij een veerproefje horen bij de uitrekkingen de krachten . Teken de grafiek van tegen met een best passende lijn, toets of recht evenredig is met en bepaal de veerconstante uit de helling.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
De ontwerpcyclus
snelheid bijwerken (numeriek model)
In elke tijdstap groeit de snelheid met de versnelling maal de tijdstap Δt; de versnelling reken je per stap opnieuw uit de krachten.
plaats bijwerken (numeriek model)
In elke tijdstap groeit de plaats met de snelheid maal de tijdstap Δt; een kleinere Δt maakt het model nauwkeuriger maar bewerkelijker.
In een valmodel mét luchtwrijving is op de snelheid en de versnelling . Reken met de eerste stap: bereken de nieuwe snelheid en de in die stap afgelegde afstand.
Werk de snelheid bij met v_nieuw = v_oud + a·Δt. Bij v = 0 is er nog geen luchtwrijving, dus a = 9,8 m/s².
Werk de plaats bij met s = v·Δt, met de zojuist berekende snelheid.
Nu v groter dan 0 is, ontstaat er luchtwrijving die de resulterende kracht — en dus de versnelling — verkleint; a wordt in de volgende stap kleiner dan 9,8 m/s².
Resultaat: Resultaat: na de eerste stap is de snelheid en is het voorwerp gezakt. In de vólgende stap is de versnelling iets kleiner dan , doordat de luchtwrijving met de snelheid meegroeit — precies daarom reken je zo'n valbeweging in kleine stapjes uit.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
In een numeriek valmodel mét luchtwrijving is op de snelheid en de versnelling . Gebruik en bereken de snelheid en de afgelegde afstand na de eerste stap. Leg uit waarom de versnelling in de vólgende stap kleiner is dan .
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad