Loading
Loading
Dit onderwerp past de natuurkunde die je al kent toe op je eigen lichaam: krachten en hefbomen in het bewegingsapparaat, druk en stroming in bloed en longen, energie en warmte in de stofwisseling, en de zintuigen als meet- en omzetsystemen. Let op: dit is een keuze-/schoolexamenonderwerp — het wordt in het schoolexamen (SE) getoetst en valt buiten het centraal examen (CE). De rode draad is dat één set natuurkundige wetten overal geldt, ook in het menselijk lichaam.
4Onderdelenca. 22min leestijd4VaardighedenNiveauBasis 1 · Standaard 3
basisniveau
Pas de basisformules (, , ) foutloos toe op eenvoudige situaties in het lichaam.
verhoogd niveau
Redeneer met momentenevenwicht, hydrostatische druk en energiebehoud, en verbind de zintuigen met optica en trillingen.
Lesetiefe: Verdieping
Schriftgröße: Standard
De onderarm als hefboom
moment van een kracht
Het moment (het draaiend effect) is de kracht maal de arm, de loodrechte afstand van het draaipunt tot de werklijn van de kracht; de eenheid is de newtonmeter.
momentenevenwicht (hefboomwet)
In evenwicht is het moment van de spierkracht om het gewricht gelijk aan het moment van de last; de gewrichtskracht valt weg omdat haar arm nul is.
Een last van 60 N hangt 0,30 m van het ellebooggewricht. De buigspier grijpt 0,040 m van het gewricht aan. Bereken de spierkracht.
Het moment van de spierkracht om het gewricht is gelijk aan het moment van de last om het gewricht.
De spierarm is 0,040 m, de last is 60 N op een lastarm van 0,30 m.
Deel het moment van de last door de spierarm.
Resultaat: Resultaat: de spierkracht is , terwijl de last maar 60 N is. De spier levert dus ruim zeven keer zoveel kracht, doordat haar arm (0,040 m) veel korter is dan de lastarm (0,30 m).
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een turner houdt zijn arm horizontaal. Een halter van 50 N hangt 0,32 m van zijn schoudergewricht; de spier grijpt 0,050 m van het gewricht aan. Bereken met het momentenevenwicht de spierkracht en leg uit waarom die zoveel groter is dan het gewicht van de halter.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Hydrostatische druk tegen hoogteverschil
druk
Druk is de loodrechte kracht per oppervlakte-eenheid; de eenheid is de pascal, met .
hydrostatische druk
In een vloeistof neemt de druk recht evenredig toe met de diepte of het hoogteverschil; voor bloed is per meter.
Iemand staat op één voet met een contactoppervlak en een gewicht . Bereken de druk die de voet op de grond uitoefent.
De kracht is het gewicht; de oppervlakte staat al in vierkante meter.
Druk is kracht per oppervlakte.
Deel de kracht door de oppervlakte.
Resultaat: Resultaat: de druk is . Ga je op twee voeten staan, dan verdubbelt het contactoppervlak en halveert de druk tot ongeveer .
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een staande volwassene heeft in de bloedvaten ter hoogte van het hart een bloeddruk van ongeveer . De voeten liggen lager dan het hart. Bereken met (neem ) hoeveel hoger de bloeddruk in de voeten is, en bepaal de druk in de voeten.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Energieomzetting in het lichaam
vermogen
Het vermogen is de omgezette energie per tijdseenheid; de eenheid is de watt, met .
energiebalans van het lichaam
De opgenomen energie wordt verdeeld over arbeid , warmte en opgeslagen energie — een toepassing van behoud van energie.
Iemand verbruikt 8,4 MJ per etmaal. Bereken het gemiddelde vermogen.
Zet de energie in joule; een etmaal duurt 24 uur van elk 3600 s.
Een etmaal in seconden.
Dit geeft het gemiddelde vermogen.
Resultaat: Resultaat: het gemiddelde vermogen is ongeveer . Dat ligt precies in het gebied van het basaalmetabolisme (80–100 W), zoals je verwacht voor iemand die het grootste deel van het etmaal rust.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een sporter verbruikt tijdens een training van minuten in totaal . Bereken het gemiddelde vermogen dat hij daarbij levert, en vergelijk het met het basaalmetabolisme van ongeveer .
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Het oog: beeld op het netvlies
lenzenformule
Het omgekeerde van de brandpuntsafstand is de som van het omgekeerde van de voorwerpsafstand en het omgekeerde van de beeldafstand; hiermee reken je de beeldvorming door de ooglens door.
Bereken voor de ooglens met bij een voorwerp op de beeldafstand .
Breng de bekende termen naar één kant.
Reken de twee breuken uit en trek af.
De beeldafstand is het omgekeerde van 1/b.
Resultaat: Resultaat: de beeldafstand is . Het beeld valt vlak achter de lens, precies op het netvlies — en het is reëel en omgekeerd, zoals bij elk voorwerp verder dan de brandpuntsafstand.
Veelgemaakte fouten
Actieve herhaling
Een oog met het netvlies op achter de lens kijkt naar een voorwerp op . Bereken met de lenzenformule de benodigde brandpuntsafstand van de ooglens, en leg uit of de lens boller of platter moet staan dan bij het kijken naar een ver voorwerp.
Actief ophalen
Haal de kernpunten op — onthul ze daarna.
Bronnen: Examenprogramma natuurkunde (HAVO) (CvTE / Examenblad)
Referenties en bronnen
CvTE / Examenblad